1e Zondag na Pinksteren – Allerheiligen

Hymne tot de Heilige Geest          tn.6.
Koning van de Hemel,
Trooster, Geest der Waarheid,
Die Overal tegenwoordig zijt,
en Die alles vervuld,
Schatkamer van het Goede;
Schenker des Levens;
kom en verblijf in ons;
zuiver ons van alle smet,
en red onze zielen, o Algoede“.

Op de dag van Pinksteren, daalde de Heilige Geest neer en vestigde de Kerk in de wereld [qua ruimte en tijd],
hetgeen als het Lichaam van Christus wordt beschouwd.
Pinksteren is een tijdloze gebeurtenis en is daarom ‘niet‘ alleen aan die dag verbonden.
Met Pinksteren zo blijkt uit de woorden van Jezus Christus Zelf
heeft Hij ons vanaf dat moment opgenomen in Zijn Onbevlekt Lichaam,
naast de alom gezegende Moeder Gods, de Maagd Maria,
de negen rangorden der Engelen,
onze Voorouders, de Aartsvaders, de Profeten van het Eerste Verbond en de Heilige Apostelen.
In het verdere verloop van de geschiedenis worden onder “de hoede van Heilige Geest
Christus’ Apostelen en hun volgelingen aan dit Huis toegevoegd,
dat wil zeggen zij, die Getuigen, de Bisschoppen, de Heilige Martelaren,
de Heiligen, de Rechtvaardigen dat wil in het algemeen aanduiden
alle zichtbare en onzichtbare heiligen,
mannen en vrouwen die tot op de dag van vandaag geleefd hebben en
nog leven, tevens zullen er nog vele heiligen volgen tot aan het einde der tijden.

Deze realiteit wordt ons geopenbaard in de Gemeenschap met Christus
in de liturgische praktijk van de Heilige Kerk,
wanneer de priester tijdens elke Goddelijke Liturgie
stukjes van de Prosphor[en] toevoegt
aan het Heilig Lichaam en Bloed van de Heer
– het gedeelte wat wordt aangeduid engelen en heiligen,
– waarmee iedereen gezamenlijk met de gebeden van de gelovigen
wordt opgedragen aan de volheid van Christus .

Hiermee wordt aangeduid dat de gemeente [gemeenschap] van heiligen
wordt vergoddelijkt in het Lichaam van Christus,
hetgeen de Orthodoxe Kerk viert op de Zondag na Pinksteren,
de Zondag van Allerheiligen.

Historisch gezien werd met dit alles in de Kerk een begin gemaakt
door de Goddelijke Liturgie te vieren op de gebeenten van de Martelaren
maar Leo de Wijze heeft vastgesteld dat dit gezien dient te worden als het feest van Alle Heiligen, daar als [bloed-]getuigen niet alleen degenen zijn die worden beschouwd geselingen en  zwaar lijden te hebben ondergaan,
niet alleen degenen die in het vuur zijn gegooid of ander leed hebben ondergaan
– waarmee zij getuigenis afleggen van de gruwelijke martelingen die Christus heeft ondergaan en zij getuigenis afleggen van de onmetelijke goedheid van de  Heer,
maar dat elke aan God toegewijde ervaring van martelaarschap,
of er nu geen bloed gevloeid heeft maar geestelijk lijden aan verbonden is getuigenis aflegt van de grote daden van onze Heer en God, Jezus Christus.
Alle Heiligen worden zonder uitzondering [er wordt géén gradatie aangebracht]
gekenmerkt door de moed en de trouwe verbintenis aan Jezus Christus,
de overwinning door het Kruis en daarmee de overwinning van de zonde.

Vanaf de 4e eeuw vierde de Byzantijnse Kerk aldus in een gemeenschappelijke viering al de martelaren der aarde.
De Heilige Ephraïm componeerde voor
deze gelegenheid een hymne
waarbij in Edessa de 13e mei als feestdag werd aangewezen,
in Syrië werd het op de vrijdag na Pasen gevierd.
In een preek over de martelaren, spreekt de heilige Johannes Chrysostomos over de eerste zondag na Pinksteren;
dit gebruik is tot op de dag van vandaag bewaard in de Byzantijnse kerken bewaard gebleven, welke via een geleidelijke ontwikkeling van het feest van de ‘martelaren van de gehele aarde” is overgegaan in die van “Alle Heiligen”.
De keuze van dit laatste is belangrijk:
Zij, de Heiligen, waren toegetreden tot de orde van Heiligen in de triomf van Christus door de uitstorting van de Heilige Geest;
de poëtische vorm van keizer Leo de Wijze [886 – 911] volgend,
dat de Kerk op aarde een onderdompelende rivier is van de Heilige Geest, waarna de uitgeroepen [gedoopte] Heiligen als geurende bloemen worden vereerd.
Zoals gebruikelijk, heeft de Byzantijnse Kerk de weg gewezen aan de Westerse kerken, welke de feestdag heeft vastgesteld op de eerste November.
Zoals het in het westen gebruikelijk is werd deze echter opgevolgd door een kwalificatie:
de 2e November werd de gedenkdag van de gewone stervelingen [Allerzielen], verschil moet er tenslotte zijn in het westerse denkbeeld zelfs onder de volgelingen van Christus, alsof we niet allen tot het gilde der zondaars behoren. Er zal echter feest zijn in de Hemelen
over elke zondaar, die zich bekeert.

Het Evangelie van de zondag van Allerheiligen bevestigt deze waarheid:
De Heer zei:

Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen,
hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, Die in de Hemelen is;
maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen,
die zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader,
Die in de hemelen is.
Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig;
en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig.

Daarop antwoordde Petrus en zeide tot Hem:
Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?
Jezus zei tot hen:
“Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte,
wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten,
ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten.
En eenieder, die huis [gemeenschap] of broeders of zusters of vader of moeder
of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mijn Naam,
zal vele malen meer terugontvangen en het eeuwige leven erven.
Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele
laatsten de eersten”.
Matth. 10: 32-33,37-38; 19: 27-30

Op deze Zondag manifesteren zich derhalve het werk en de vruchten van het Goddelijke
– welke door de Heilige Geest wordt geopenbaard,
maar stelt ons tevens in de gelegenheid een Lofzang [een Doxology] aan God op te dragen
voor Zijn grote gaven [Genade] die Hij ons doet toekomen.
Maar het gaat hier dan ook om onze dagelijkse spirituele reflectie en
de wijze waarop we hier vorm aan geven,
aangezien de aanwezigheid van de Heiligen die ons bijstaan
ons op de dag des Oordeels zonder meer zal ontbreken,
wanneer we niet zelf voor onze eigen redding zorg dragen.

Het is dus heel begrijpelijk waarom deze zondag van Allerheiligen
de cyclus van de Paastijd en opgang naar Pinksteren voltooit,
met als referentie het Heilig Pascha – de heilige Opstanding van onze Heer Jezus Christus,
welke het lichtbaken is die zaligheid bewerkstelligt
aan degenen die Hem volgen en Hem liefhebben.

Apolytikion       tn.4
Over de gehele wereld is Uw Kerk getooid
met het bloed van Uw Martelaren, als met byssos en purpur.
En door hen roept zij tot U, Christus God:
Zend Uw Barmhartigheid neer over Uw Volk,
schenk vrede aan Uw wereld,
en aan onze zielen de grote Genade
“.

Kondakion         tn.8
Als eerstelingenoffer der natuur,
offert de wereld U, de Heer en Schepper van het Heelal,
de God-dragende Martelaren.
Door hun gebeden bewaar in diepe vrede Uw Kerk, Uw woning bij de mensen,
en bescherm haar door de Moeder Gods, Barmhartige
“.

Laat ons zingen voor de Vrienden van God,
want eenieder kan tot hen naderen.
Door de gebeden van Uw vlekkeloze Moeder, Christus onze God,
en van al Uw Heiligen van alle eeuwen,
heb medelijden met ons en red ons,
want gij alleen zijt goed den
hebt de mensen lief.

Allerheiligen
Wonderbaar is God in Zijn Heiligen
Psalm 67: 35

Laat ons bezingen de bovenmenselijke strijd van onze Martelaren,
hoe Zij in de zwakheid van hun vlees het kwaad van de eigen kracht te schande maakten,
zonder rekening te houden met zware pijn en wonden
terwijl ze lichamelijk vuur, zwaard en allerlei verschillende dodelijke martelingen ondergingen, geduldig weerstand boden terwijl in hun vlees werd gesneden, hun gewrichten uit de kom werden gedraaid en hun beenderen werden verbrijzeld,
bleven zij standvastig in hun belijdenis van het geloof in Christus
en Zijn, volle, onaantastbare en onwankelbaar integriteit.
Als gevolg hiervan werd hen de onbetwistbare wijsheid van de Geest geschonken en
de kracht om wonderen te verrichten.
Laten we het geduld van deze heilige mannen en vrouwen proberen te evenaren,
hoe zij gewillig ​​lange perioden van vasten, waken en diverse andere fysieke ontberingen hebben doorstaan alsof ze niet in het lichaam waren, tot het einde toe tegen kwade hartstochten en allerlei zonden hebben gevochten, in de onoverwinnelijke innerlijke strijd tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten [Eph.6: 12].
Ze ontkenden hun uiterlijke eigenheid en maakte ze nutteloos,
maar hun innerlijke mens werd vernieuwd en vergoddelijkt
door Hem van wie zij tevens de gaven [Genade] van genezing en krachten ontvingen.

Wanneer we bij dit soort zaken stilstaan en inzien dat ze de menselijke natuur vèe overtreffen,
kijken we vol verwondering op naar God en verheerlijken Hem Die hen zulke Genade en kracht gaf. Want zelfs al waren hun bedoelingen goed en nobel, zonder Gods kracht
waren zij onmogelijk in staat buiten de grenzen van hun aard  te gaan en
de lichaamloze vijand te bestrijden terwijl nog in hun lichaam verbleven.

Dit is de reden waarom, wanneer de psalmist en profeet verklaarde:
Wonderbaar is God in Zijn Heiligen“, David ging nog verder
door te zeggen: “Hij geeft Macht en Sterkte aan Zijn volk” [Psalm 67: 35].
Overweeg zorgvuldig de kracht van deze profetische woorden.
Overwegende dat God, volgens de psalmist, geheel Zijn volk kracht en macht geeft
– want Hij toont geen partijdigheid [vgl. Hand.10: 34]
– Hij wordt verheerlijkt alleen in Zijn heiligen
– De zon laat zijn stralen over allen overvloedig neerdalen ongeacht het aanzien van de persoon,
ze zijn echter alleen zichtbaar voor mensen met geopende ogen.
Alleen zij die scherpzinnige en zuivere ogen bezitten profiteren van het pure licht van de zon,
niet diegenen wiens denkbeelden door ziekte worden gedimd,
waarbij mist of iets dergelijks hun ogen heeft aangetast.
Op dezelfde manier schenkt God Zijn hulp rijkelijk aan allen,
want Hij is de altijd overvloeiende,
verhelderende en leven-schenkende bron van Genade en Goedheid.
Maar niet iedereen profiteert van Zijn Genade en Kracht om
perfect de deugd te beoefenen en/of wonderen voort te brengen,
alleen degenen die een goede intentie hebben,
die hun liefde en geloof jegens God tonen door goede werken [cf. Jac.2: 20-26],
die zich volledig afkeren van alle ongerechtigheden,
vasthouden aan Gods geboden en
de ogen van hun verstand/begrip opheffen naar Christus,
de Zon der gerechtigheid [Maleachi 4: 2].
Hij heeft niet alleen onzichtbaar een helpende hand van boven uitgestoken naar degenen die strijden, maar
we horen Hem ook Die tot ons spreekt en
ons aanspoort in het Evangelie van vandaag.
Een ieder dan, die Mij zal belijden voor de mensen“,
zo zegt Hij,
die zal ook Ik belijden voor Mijn Vader,
Die in de Hemelen is
“.
Matth.10: 32
Houdt daarbij in ogenschouw dat we niet ijskoud en onbevreesd ons geloof in Christus kunnen verkondigen en
Hem zonder Zijn hulp, ondersteuning en kracht kunnen belijden.
Ook zullen wij ons in de komende eeuw namens onze Heer Jezus Christus dienen uit te spreken daarbij ons als Zijn verwanten bij de hemelse Vader aan te bevelen, wanneer Hij ons een reden geeft om dat te doen.
Om dit duidelijk te maken, zegt Hij niet:
Een ieder dan, die voor de mensen over Mij spreekt“,
maar “wie Mij in Mijn Naam bekend maakt” [Matth.10: 32], dat wil zeggen,
Hij, die Ik in staat stel, dus in Christus en met Zijn hulp,
om de Christelijke levensbeschouwing met vrijmoedigheid openbaar te maken;
het dient dus altijd en eeuwig te gebeuren vanuit Zijn Apostolische Kerk,
óók in onze tijd.

Orthodoxie & Heilige God, Trooster, Geest der Waarheid

Wij verkondigen Wijsheid onder hen,
die daarvoor geheel onderricht zijn,
doch geen wijsheid van deze wereld,
of van de beheersers van deze wereld, wier macht teniet zal gaan,
maar wij spreken Wijsheid van God,
een verborgen mysteriewijsheid, die God (reeds) van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze verheerlijking.
Geen van de wereldheersers van deze tijd heeft
die gekend, want indien zij van haar geweten 
hadden, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet hebben gekruisigd.
Maar het is zoals het geschreven staat:
Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bereid voor degenen, die
Hem liefhebben.
Maar aan ons heeft God het geopenbaard door de Geest.
Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten der Godheid.
Want wie weet wat er in de mens is behalve de eigen geest van de mens
die in hem woont?
Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest van God.
Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is,
opdat wij zouden weten, wat ons door God in Genade is geschonken.
Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die ons niet door menselijke wijsheid,
maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij wat geestelijke is ook geestelijke doorgeven.
Maar de natuurlijke mens begrijpt niet wat van Gods Geest komt: want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.
Maar de geestelijke mens daarentegen onderscheidt alle dingen,
zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.
Want wie toch kent het inzicht van de Heer, dat hij Hem zou kunnen onderrichten?
Maar wij hebben het inzicht van Christus“.
1Cor. 2: 6-16

Ironisch genoeg hebben we met de ontwikkeling van onze cultuur,
met al haar nieuwe ideeën, nieuwe ontdekkingen en nieuwe uitvindingen
in bijna elk opzicht te maken met terugval
[zowel materieel, politiek, sociaal, intellectueel, emotioneel, fysiek, spiritueel].
Onze cultuur is tot een cultuur verworden van het onmiddellijk verkrijgen van bevrediging.
Het is een cultuur die grotendeels verstoken is van een lange termijn denken
zowel wat betreft het leven van onszelf als de toekomst van de wereld.
Het is een cultuur welke wordt ingegeven door het gevoel in plaats van de waarheid.
Het is een cultuur gerechtvaardigd door
– de schuld [op een ander] te schuiven tegenover persoonlijke verantwoordelijkheid.
Het is een cultuur welke bereid is tot time-outs en niet bereid om serieuze consequenties te aanvaarden.
Meer dan wat dan ook, is de mens beland in een cultuur
welke in de ban is van de oppervlakkige schijn [de buitenkant]
in plaats van de diepte van de Waarheid.
En met elke nieuwe wet die weer opkomt bewegen we ons langs de afgrond
die ons verder van af brengt van de Oorspronkelijke Bijbelse Waarheid.
Het is een cultuur die van zichzelf beweert geestelijk wijzer te zijn dan ooit.
En terwijl onze cultuur claimt de meest krachtige
in de geschiedenis van de wereld te zijn,
zien we dat we nog steeds niet in staat zijn ons
te ontdoen van kindermishandeling,
burgerlijke ongehoorzaamheid, drugs- en [buitenzinnig] seksueel misbruik,
het gebruik van vernietigingswapens, het misbruik van dieren en milieu, oplichting en
bovenmatige hebzucht [geld] . . . . . en
we kunnen deze lijst oneindig voortzetten.
Alleen jonge kinderen zien in hun onschuld een dergelijke vervorming niet.

We zien hier bij Paulus dezelfde bewoordingen en het gevoel dat Corinthe, die de wijsheid van de wereld in pacht denkt te hebben.
De Corinthische Christenen beweren wijs en krachtig te zijn,
maar ze hebben het Kruis – de grote Kracht en Wijsheid van God verlaten.
Ze beweren ” spiritueel ” te zijn zonder Jezus prediken .
Ze beweren “volwassen” te zijn zonder van Christus en Christendom kennis te hebben genomen.
Ze beweren “verstandig” te zijn zonder aan de Blijde Boodschap van de Heer gehoor te geven.
Wanneer een Kerk niet langer gericht is op Christus, dan zijn zij opgehouden met Christus in gesprek te blijven, zijn ze opgehouden te luisteren naar de Christelijke boodschap,
stellen zij zich onafhankelijk van Christus op en staan zij voor zijn Leer niet meer.
Er kunnen populariteit en acceptatie zijn,
maar er zal geen Goddelijke inspiratie en de daaruit voortvloeiende Macht.
Er kunnen [financiële] groei en succes zijn, maar er zal geen termijnplanning.
Er kunnen charisma en opwinding zijn,
maar er zal geen Heilige Geest die troost brengt, vreugde en waarheid
waaraan men zich kan optrekken of door Welke men onderwezen wordt.
Corinthe heeft het idee opgevat dat ze de elementaire Wijsheid van het Evangelie is ontgroeid.

We dienen nooit onze behoefte aan
de Evangelische Boodschap te ontgroeien,
omdat we ons nooit en te nimmer zonder
de Boodschap van Onze Verlosser en Heer kunnen ontwikkelen.
Buiten het Evangelie ontwikkelen is opgroeien zonder [doop]water
– we hebben het nodig om in leven te blijven.

Net als wij allemaal, verlangen de Corintiërs wijs te zijn, om meer inzicht te krijgen in
Wie God nu eenmaal is,
waar Hij over beschikt en wat Hij wil dat ik in m’n eentje doe.
Maar net als onze eerste [voor]ouders het zagen,
was daar de boom [die God verboden had] die goed was om van te eten
en die een lust was voor het oog, ja, een boom die begeerlijk was om
daardoor verstandig te worden
werd begeerd om de mens verstandig
[Genesis 3: 6b ] te maken“.
We kijken weg van God, we ontwijken Hem teneinde die wijsheid te vinden.
Als reactie, zien we Paulus  hun hele concept van spiritualiteit
herdefiniëren door uit te leggen:
De aard van de Ware Wijsheid – wat houdt dat precies in?
De bron van Ware Wijsheid – waar kun je die verkrijgen om er uit te putten?
Bij het zoeken naar de Ware Wijsheid – hoe weet je dat je die te pakken hebt ?

De gesteldheid van ware wijsheid en wat houdt ware wijsheid in?
Wij verkondigen wijsheid onder hen, die daarvoor geheel onderricht zijn,
doch geen wijsheid van deze wereld, of van de heersers over deze wereld,
wiens macht nu eenmaal teniet zal gaan, maar wij spreken wijsheid van God,
een verborgen mysteriewijsheid, die God [reeds] van eeuwigheid voorbeschikt heeft
tot onze verheerlijking.
Geen van de wereldheersers van deze tijd heeft die gekend,
want indien zij van haar geweten hadden,
zouden zij de Heer der heerlijkheid niet hebben gekruisigd.
Maar het is zoals het geschreven staat:
Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en
wat in geen mensenhart is opgekomen,
dat heeft God bereid voor degenen, die Hem liefhebben“.
1Cor.2: 6-9

Als een bron van kracht om te veranderen, te verwerven of het kwaad te overwinnen verwerpt Paulus elke vorm van menselijke wijsheid.
Tot op dit punt heeft Paulus elke vorm van inzet naar wijsheid veroordeeld.
Maar nu zegt hij tevens dat hij beschikt over een bijzondere wijsheid
eentje die anders is dan wat de wereld ons te bieden heeft.
De wereld biedt haar eigen [eigenwijze] wijsheid.
Wijsheid is nog niet hetzelfde als kennis.
Iedereen kan informatie en kennis verzamelen [verwerven].
Wijsheid is het inzicht dat komt als een gevolg van deze informatie;
wijsheid is de bril waardoor wij het leven dienen te aanschouwen;
wijsheid is het toepassen van wat we weten over hoe wij dienen te [laten en] handelen,
welke betrekking heeft op zowel lijden [dood] als leven.
Maar de wijsheid van de wereld is zelfs het veranderen .
Elke nieuwe ‘progressieve’ generatie vliegt
voorbij de ​​eerdere onwetend generatie die niet zo veel inzicht, kennis of technologie bezit.
En elke nieuwe generatie biedt nieuwe stemmen
– heersers die de overtuigingen en het gedrag van de massa te beïnvloeden.
Dit geldt ook voor politieke leiders, sociale leiders, Kerkleiders, bedrijfsleiders en
zelfs onze eigen sport en tv-sterren.

En enkel aan zichzelf overgelaten,
zullen mensen altijd hun stemmen verheffen
om hoe zij de wereld, de Kerk en de werkelijkheid weer vorm kunnen geven.
Zij beweren van zichzelf wijs en deskundig te zijn,
los van God vult de wereld zich en
blaast zich op als een midden en kleinbedrijf tot een Grootgrutter
gevuld met volwassenen en kinderen.

Welke zijn de kinderen
Kinderen kunnen hinderen en
vinden dat ze ‘grote’ vorderingen maken.
Kinderen luisteren niet.
Kinderen zijn impulsief.
Kinderen zijn genieters en trachten pijn te vermijden.
Kinderen spreken voordat ze denken.
Kinderen zijn egocentrisch.
Kinderen strijden om de aandacht.
Kinderen worstelen met hun identiteit.
Kinderen reageren het liefst onmiddellijk.
Kinderen zijn een emotionele achtbanen.
Kinderen zijn dwaas.
Kinderen zijn naïef.
Kinderen zijn rommelig.
Kinderen zijn overmoedig.
Kinderen zijn kwetsbaar.
Kinderen klagen.
Kinderen maken excuses.
Kinderen zijn snel gefrustreerd, worden
gemakkelijk verleid en zijn snel bang.
Kinderen kiezen de gemakkelijkste
veelal de verkeerde luidruchtige [veel aandacht] weg.
En kinderen zullen nooit toegeven dat ze maar kinderen zijn.

De Volwassen Wijsheid van God
Paulus predikt een ander soort wijsheid – een die anders is dan die van de wereld.
En Paulus zegt ook dat deze wijsheid,
het Woord van het Kruis,
wordt door ontwikkelde – spirituele volwassenen in ontvangst genomen.
Dat betekent niet dat er sprake is van een groep ‘spiritueel, elite corps Christenen’,
die meer dan de gewone gelovige – begrip hebben van het Christelijke.
Paul confronteert mensen die het Evangelie hebben afgedaan als kinderachtig gedoe.
De volwassenen zijn degenen die het kruis van dwaasheid als wijsheid aanvaarden en
de wijsheid van de wereld als dwaas verwerpen.

Paulus stelt de wijsheid van de wereld tegenover de wijsheid van God:
1.]. Paulus zegt dat de wijsheid van God een [geopenbaard] geheim is.
Het is een Mysterie.
De wijsheid van God geeft geen antwoord op alle vragen die we stellen,
maar hij geeft ons de antwoorden die we nodig hebben.
Gods wijsheid zal niet altijd voldoen aan ons intellect,
onze emoties of ervaring
– het zal veelal heel confronterend zijn [pijn doen].

2.]. Paulus zegt dat de wijsheid van God verborgen is.
De wijsheid van God wordt niet ontdekt,
kan nimmer bereikt worden of
door onze eigen inzet en inspanning verkregen worden.
Als Gods wijsheid kon worden begrepen door een geschoolde, krachtige of rijke
– zou Jezus onze Verlosser nooit zou zijn gedood.
God dient het te openbaren.

3.]. Paulus zegt dat de wijsheid van God verordineerd voor alle tijden voor onze bestaan.
In tegenstelling tot de wereld zal Gods wijsheid niet met elke generatie voorbijgaan,
– Gods Wijsheid is onveranderlijk, is eeuwig.
Het verandert niet omdat het werd opgericht voordat de wereld begon.
God heeft [de boom van] Wijsheid gepland voor zijn kinderen
teneinde het kruis van Christus de schepping de betekenis te geven
en Geloof [vreugde] Hoop en Liefde in Hem te laten vinden [2Tim.1: 9-18].
Christus Die ons behouden heeft en geroepen tot een Heilige roeping,
niet vanwege onze werken maar door Zijn eigen voornemen en Genade,
Die hij gaf ons in Christus Jezus vóór de aarde begon.
In Zijn Wijsheid heeft God Genade door de Heilige Geest geschonken.
En als Hij van plan was om Genadig [medelijdend] te zijn,
deed Hij dit voor onze zonde.
En als hij van plan was om genade en zonde naast elkaar te laten bestaan,
was hij van plan om ons met Hem te laten wandelen
op zekere dag overeenkomstig onze roeping,
om in alle deemoed en zachtmoedigheid
elkander in Liefde geduldig te verdragen,
en er naar te streven eensgezind te blijven
door een vaste vredesband
“.
Eph.4: 1-3
Hij koos ons in Hem voor de grondlegging van de wereld,
opdat wij zouden heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem .

De bron van ware wijsheid – wanneer verkrijgen we wijsheid
Maar aan ons heeft God het geopenbaard door de Geest.
Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten der Godheid.
Want wie weet wat er in de mens is behalve de eigen geest van de mens die in hem woont?
Zo weet ook niemand, wat in God is, dan  de Geest van God.
Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest Die uit God is,
opdat wij zouden weten, wat ons door God in Genade is geschonken.
Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die ons niet door menselijke wijsheid,
maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij wat geestelijke is ook geestelijke doorgeven.
1Cor2: 10-13

Waar bekomen we deze wijsheid?
Waarom bezit de ene persoon volwassenheid en een ander niet?
Geestelijke volwassenheid is anders dan elke andere vorm van volwassenheid.
Fysieke volwassenheid gebeurt vanzelf.
Intellectuele rijpheid ontwikkelt door middel van onderwijs en kennis.
Ook iemand rijpt emotioneel door het leven en ervaring.
In beide gevallen kunt u uiteraard opwerpen wat is “bezopen” of
het nu onwetendheid is of naïviteit,
als je meer kennis en onderscheidingsvermogen bereikt.
[kinderen en dronken mensen spreken de waarheid, is een Nederlands gezegde]
De ervaring van Christen worden en tot Christelijke volwassenheid komen
is compleet anders.
De Christelijke geboorte is allesbehalve natuurlijk,
want deze komt door openbaring, hetgeen op zich al een Mysterie is.
Niemand heeft ooit beslist om Christus te volgen
voordat Christus hem geroepen heeft om Hem te volgen.
En de roep van Christus schenkt leven aan dat wat dood is,
opent de ogen van degene die blind is en
opent het hart van steen door
het te vervangen door een hart van vlees en bloed.
God neemt ons als kinderen op door Genade en
de dwaasheid van het Kruis wordt de Wijsheid van God.
De eeuwige Geest van God woont in
de gelovige mens.
En omdat wij Zijn kinderen zijn,
heeft God de Geest van Zijn Zoon in
onze harten gezonden,
Die tot Hem roept: Abba, Vader!
“.
Gal.4: 6
Het onderscheidende kenmerk tussen
een gelovige en een ongelovige is
de aanwezigheid van de Heilige Geest, Die een individu het moment dat hij gelooft volledig vervult;
het verkrijgen van de Genade van de Heilige Geest als een werkelijke ervaring
Seraphim van Sarov
En als Hij in ons hart woont, is Hij is niet stil of passief.
Hij doet wat Jezus zei dat Hij zou doen:
Hij zal u alles leren en u herinneren aan alles wat Ik u gezegd heb“.
John.14: 25
De Christelijke groei gaat niet verder dan wat elementair is,
maar laat door herinnering zien wat elementair is,
het daalt steeds dieper in je hart
en geeft je de gelegenheid dit
toe te passen in je leven.

Verblind door de zonde, kan de wereld dit niet zien, horen
of Gods bedoelingen in Christus begrijpen.
Er zijn veel geesten die zich als god voordoen,
veel mannen die als geestelijk leider optreden en stellen voor God te spreken,
maar alleen de Geest van God
openbaart het hart van God.
Er zijn dingen van God [gedachten, motivaties, verlangens en plannen]
waar God alleen weet van heeft en weet hoe ze aflopen.
De Geest van God, Die wij in ons hart bezitten,
doorzoekt de diepten van God.
En als Hij de diepten van God kent,
weet Hij ook alles wat er te weten valt.
En de Heilige Geest ontvangen is niet iets wat iemand [als een positie] bereikt.
We kunnen hem oproepen, met Hem praten,
naar Hem luisteren, door Hem getroost worden,
door Hem geholpen worden,
zelfs [in Zijn afwezigheid] om Hem treuren.
En de Heilige Geest is niet zoals de wereld
die is gewijd aan de valse beloften van de zonde –
een kortstondige genot welke leidt tot de dood;
Het is de Geest van God Die ons leidt
op de weg naar het eeuwige leven, het Hemels Koninkrijk.
En God, de Heilige Geest wil ons leren en ons helpen en bijstaan
in alles wat God wil wat we te weten kunnen komen over
de schepping, de val, de verlossing en de restauratie ervan te begrijpen.
We hebben allemaal de wens om wijs te zijn,
om meer inzicht te krijgen in Wie God is, wat Hij denkt met ons voor te hebben
en wat Hij wil dat ik doe.
De vraag is, waar of Wie denk je het eerst te zoeken of het vaakst,
voor je daarop antwoord krijgt?
Spiritualiteit bestaat echt niet alleen uit het onthouden [bezingen]
van Bijbel teksten en verzen,
het beter begrijpen van de Theologie of
je zelfs opofferend te gedragen
– het loopt met je mee,
– het doorleeft je en
leert je dat de Heilige Geest,
de Geest is van de levende God.

de ware wijsheid – hoe weet ik of en in hoeverre ik wijs ben
De vraag blijft dan, hoe weten we wanneer we in wijsheid leven.
Hoe weten we dat we wijs bezitten op de weg van God ,
luisteren naar de Geest van God en niet slechts naar dat stemmetje in ons hoofd?
Paulus zegt dat :
de natuurlijke mens begrijpt niet wat van Gods Geest komt:
want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan,
omdat het slechts geestelijk te beoordelen is.
Maar de geestelijke mens daarentegen onderscheidt alle dingen,
zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.
Want wie toch kent het inzicht van de Heer, dat hij Hem zou kunnen onderrichten?
Maar wij hebben het inzicht van Christus“.

Er zijn maar twee soorten mensen
in de wereld
– de gelovigen en de ongelovigen, het
volk van God en de mensen van de wereld,
de natuurlijke mensheid en de spirituele.
De natuurlijke mens is de persoon die volledig leeft op het menselijk niveau,
zonder de Geest van God.
Er is niets meer dan het fysieke leven [sporten, eten, drinken, slapen en gelukkig zijn]. Er is niets meer dan enkel de materiële behoeften.
Er is niets om in te geloven en te hopen buiten deze wereld,
geboren worden is gewoon geboren worden, dood is dood en daarmee af,
amen en uit.
De natuurlijke persoon leeft alleen door het vlees, maar door wat ze kunnen zien of begrijpen en NIET in reactie op
de levende God.
De natuurlijke mens kan Jezus bewonderen,
maar gelooft in wezen dat het Kruis weinig meer is dan een tragedie.
De natuurlijke mens maakt God tot zijn eigen beeld en neemt alle beslissingen overeenkomstig zijn eigen verlangens.
De natuurlijke mens aanvaardt of begrijpt het niet,
omdat hij niet aanvaardt dat de Geest van God in hem woonachtig is.
Hij kan dit niet begrijpen en accepteert het ook niet.
– Er is geen begrip van seksuele reinheid enkel en alleen voor bevrediging;
– er is geen begrip van offer enkel en alleen ik-gericht zijn of via een omweg er toch beter van worden [egoïsme];
– er is geen begrip van vrijgevigheid enkel en alleen hebzucht [zoals ontwikkelingshulp, die alleen maar rendement oplevert];
– er is geen inzicht in het eeuwige alleen een leven bij het moment.
Hij komt emotioneel, materieel, intellectueel, fysiek in opstand omdat hij
geestelijk in opstand is.
En wanneer de genoegens van de zonde niet voldoen
of wanneer de pijn van zonde lijden veroorzaakt,
gelooft hij zelf uit het leven te kunnen stappen
omdat dit nu eenmaal bij het leven hoort
en dat je in het leiden enkel “maar een mens” bent.

Maar dat is niet het leven en onze menselijkheid
overeenkomstig de Icoon van Gods [Zijn Schepping],
naar Gods Beeld en Zijn Gelijkenis.
Natuurlijk, terwijl er velen zijn die zullen beweren geestelijk Wijs te zijn,
bestaan er maar heel weinig [Heiligen] die echt zijn.
Maar in plaats van je te spiegelen aan alle anderen,
zegt Paulus hierover:
“Onderzoek dan uzelf of ge wel in het Geloof zijt, beproef uzelf.
Kunt je van jezelf getuigen dat  Jezus Christus in je is?
of ben je soms niet oprecht?
Ik hoop echter dat je inziet wat wij wel oprecht zijn”.
2Cor.13: 5-6

De vraag is dan :
Hoe weten we dat Jezus Christus in ons is?
Of zoals Paulus zegt , hoe weten we dat we de Geest van Christus en
dus de Heilige Geest van God ons opdracht geeft?

De geestelijke mens weet dat er meer in dit leven is dan leven en sterven.
De Spirituele weet dat zijn beslissingen eeuwige gevolgen hebben.
De Spirituele mens loopt als benzine of elektriciteit op Geloof,
niet door aanschouwen, en als reactie op de Heilige Geest die in Hem woont.
• De Heilige Geest neemt de dwaze woorden van het Kruis
en maakt ze tot de kern van onze identiteit.
Beoordeling van onze waarde of het succes in de wereld is zinloos.
Door het Geloof in Christus, zullen we door de rechter als onschuldig beoordeeld worden.
• De Heilige Geest neemt het woord van de Opstanding en
geeft ons een Hoop voorbij dit lichaam, voorbij deze situatie
en aan deze wereld voorbij.
• De Heilige Geest laat ons datgene doen alsof de woorden van de Bijbel
Gods eigen woorden zijn – het is als vanzelfsprekend onze regelgevende Instantie te accepteren.
• De Heilige Geest in ons dwingt ons naar God te luisteren,
met Hem in gesprek te zijn en blijven,
om Zijn leiding in ons leven te aanvaarden.
En zoals we door de Heilige Geest zijn geïnstrueerd over Gods wegen,
zo hard kan het soms zijn, onze verlangens aan Gods wegen aan te passen.
• De Heilige Geest in ons vecht tegen de wil van het vlees
en de verleidingen van de wereld
– we oefenen onophoudelijk niet meer te willen zondigen,
dus we belijden zo vaak als mogelijk regelmatig ons berouw over onze tekortkomingen.
• De Heilige Geest in ons leidt ons naar gehoorzaamheid,
niet uit angst maar uit Liefde en een verlangen om God met onze geest, lichaam en werk te eren.
• En de Heilige Geest in ons geeft ons een Liefde ten opzichte het Volk van God,
we oordelen enkel over de Kerk omdat we van de Kerk van Christus houden,
we zijn immers zelf de kerk, en behoren tot Zijn Lichaam,
we houden van de kerk , omdat Jezus Christus
voor Zijn Kerk stierf, de Kerk is.
• En de Heilige Geest neemt zelfs ons oordeel over deze wereld van ons weg
en vervangt deze met mededogen .

In wezen , zijn zij die volwassen zijn, degenen die wijs zijn,
zij die geestelijk niets liever willen dan Jezus Christus Lief te hebben,
om Hem te kennen, Hem te evenaren en
Hem in onze omgeving te hebben.
Dit is niet een nieuw en verbeterde Christus voor de wereld van vandaag,
dit is Christus zoals Hij uit de Schriften, Oude en Nieuwe Testament, tevoorschijn treedt.
De Geest van God leidt ons altijd naar Gods Woord.
Degenen die Jezus niet liefhebben
zullen ook minder zorgen hebben over Hem,
Zijn Woord, Zijn Bruiloftsmaal en Zijn opdracht,
omdat ze geloven
dat alles wat er is,
slechts van voorbijgaand aard is,
derhalve dat alles niet is
wat er is,
de schepping van God.

de Hemelvaart des Heren – Orthodoxie en welzalig is de mens

Welzalig is de mens
die niet wandelt naar de raad der goddelozen.

Ook niet staat op de weg van de zondaars,
noch neerzit in het gestoelte der spotters;

Maar die vreugde vindt in De wet van de Heer,
die Zijn Wet overpeinst bij dag en nacht.

Hij staat als een boom, geplant aan waterstromen,
die zijn vrucht geeft op de juiste tijd,

Welks blad niet afvalt;
en al wat hij doet zal voorspoedig gelukken .

De goddelozen zijn niet zo,
niet zo gaat het met hen.

Maar als het kaf, dat door de wind verdrijft,
van het aanschijn der aarde.

Daarom zullen de goddelozen niet bestaan ​​in het gericht,
noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.

Want de Heer kent de weg der rechtvaardigen;
maar de weg der goddelozen zal vergaan
“.
Psalm 1

En terwijl zij nog naar de Hemel staarden,
werd Hij voor hun ogen opgenomen en
een wolk onttrok Hem aan hun blikken.
En zie, twee mannen stonden bij hen in blinkend gewaad.
Zij zeiden:
Jullie mannen van Galilea,
wat staat ge toch op te zien naar de hemel?

Handelingen 1: 10,11

De “twee mannen in blinkend gewaad”,
die onmiddellijk na de Hemelvaart van de Heer verschenen aan de apostelen en hen vroegen waarom ze stonden op te zien naar de hemel,
waren zonder enige twijfel zelf bewoners van de Hemelen;
daarom kan ook niet van de Apostelen worden verondersteld
dat dit onaangenaam voor hen was of
dat het gewenst was om direct de menselijke blik
van die mannen van Galilea op iets anders te richten.
Nee, zij hadden alleen de bedoeling, zoals geschreven staat,
een einde te maken aan de dadeloze [inerte] verbazing van de Apostelen:

wat staat ge toch op te zien naar de hemel?
Na hen uit hun verbazing op te wekken,
geven ze hen in overweging
en hen en ons bij te brengen
met welk een gedachten
we dienen op de zien naar de hemel,
nadat onze Heer Jezus in de Hemelen is opgenomen
Die Zichzelf daarheen heeft doen opstijgen.
Deze Jezus, voegden ze er nog aan toe,
die wordt aan uw wereldse ogen onttrokken en
opgenomen in de Hemelen en
zal op dezelfde wijze wederkomen
zoals u Hem hebt zien opgaan in de hemelen.
De discipelen van de Heiland werden op dezelfde manier
de exacte vervulling van Zijn woorden gewaar
die Maria Magdalena aan hen had verteld:
Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader ,
naar Mijn God en uw God
“.

Ze konden niets anders dan concluderen dat dit het vreugdevolle beproeving was welke Hij
gedurende de veertig dagen na zijn Opstanding uit de doden aan hen had overgebracht, die leerzame gesprekken met Hem,
die voelbaar gemeenschap tussen hen en Zijn Goddelijke mens-zijn,
werden op dat moment beëindigd.
Vanaf dit ogenblik zou Zijn aanraking noch Zijn stem
nog langer vreugde bij hen teweeg brengen,
zouden zij Hem met hun ogen niet langer kunnen volgen,
verlangend Hem [bij zich] vast te houden.
Zij staarden naar de hemel zoals Hij opging en aan hun ogen werd onttrokken.
We kunnen alleen maar bedenken wat een onmetelijke droefheid
de Apostelen overvallen moet hebben na deze Hemelvaart van Jezus,
Die voor hen alles betekende en fundament was van alles in de wereld om hen heen.
Het is dit ontzettend afscheid waarvoor de Hemelse Machten zich haasten
om hen te troosten en hen te verkondigen
dat deze Jezus .  .  .  .  . zal wederkomen.

Bij de beoordeling van de omstandigheden van de Hemelvaart van Christus,
ervaren we voor het eerst de zegen die Hij ons via de Apostelen meegaf,
zo zal het geschieden, zo deelt de evangelist Lucas ons mee:
terwijl Hij hen zegende maakte Hij Zich van hen los [scheidde Hij Zich van hen] en
en werd Hij opgenomen in de Hemelen.
Wat een eindeloos grote Genade van Christus is ons, Christenen ten deel gevallen,
wordt hiermee geopenbaard!
De Heer begint met een zegen en vóór de voltooiing hiervan stijgt Hij op naar de Hemelen;
want terwijl Hij hen zegende werd Hij in de Hemelen opgenomen.
Dus zelfs na Zijn hemelvaart blijft Hij nog steeds onzichtbaar Zijn zegen geven.
Die zegen stroomt en daalt voortdurend neer op de Apostelen en Zijn volgelingen;
door hen wordt dit verspreid op degenen die zij zegenen in de Naam van Jezus Christus;
degenen die deze zegen van Christus door de apostelen hebben ontvangen
verspreiden dit weer over de anderen [over ons];
dus allen die door de doop in de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk
deelachtig zijn geworden van die ene Zegen van Christus.
Als de dauw van Hermon , die neerdaalde op de berg Sion,

Zal deze Zegen van Vrede daarom neerdalen op elke ziel die uitstijgt
boven de hartstochten en begeerten, boven de ijdelheid en zorgen van deze wereld;
als een onuitwisbaar afsluiting werkt het zegel van die Christus zodanig op diegenen
dat Hij dit aan het einde van de wereld [de tijden] zal bekrachtigen
door hen uit het midden van de hele mensheid tot Zich te roepen,
als de Geest en de Bruid zullen zeggen:
Komt allen tot Mij,
gij die komt in de Naam des Heren!

Laten we nu eens kijken
hoe noodzakelijk het voor ons is ons in te zetten deze Genade
nu al te verkrijgen en om deze Zegening van de Verrezen Heer te bewaren,
die op ons nederdaalt door de Apostolische Kerk.
Wanneer wij bewaren hetgeen wij ontvangen hebben, zullen wij, bij de wederkomst van onze Heer, Jezus Christus, tezamen met de apostelen en de heiligen worden opgeroepen om deel te nemen aan Zijn Koninkrijk :
Komt gezegenden, gij die Mij gehoord hebt en dorstig mij tegemoet zijt getreden,
allen die dorst hadden neem ruimhartig van het water des Levens!
“.

Het boek der Openbaring geeft daarentegen een ernstige waarschuwing en vermaant hen die zich niet aan de Blijde Boodschap storen.
Wanneer degene die zich niet tot de Gezegende van God de Vader verhoudt zal ook deze Zegen [Genade] niet verkrijgen,
of wanneer degene die tot Hem komt slechts het onderwerp is van
een valse zegen aan mensen die zich niet mede-erfgenaam zal kunnen noemen
van die Goddelijke Zegen van Genade welke in de Mysteriën [RK. Sacramenten] tot ons komt; wat zal er dan van ons worden?

Neem daarom voor deze gelegenheid eens in ogenschouw
het moment dat we zelf van deze wereld worden weggenomen.
De dag des Heren komt als een dief in de nacht“.
Diezelfde onverwachtheid zal zich voordoen bij de tweede komst van onze Heer Zelf
En houdt voor ons christenen een ernstige waarschuwing in:

Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken,
ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het.
Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt.
Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken,
met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en
zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam,
zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt.
Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn,
van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten.
Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien,
zal de ene worden meegenomen en de andere achtergelaten.
Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt.
Besef wel: als de heer des huizes had geweten
in welk deel van de nacht de dief zou komen,
dan zou hij wakker gebleven zijn en
niet in zijn huis hebben laten inbreken.
Daarom moeten ook jullie klaarstaan,
want de Mensenzoon komt op een tijdstip
waarop je het niet verwacht
“.
Matth.24: 36-44

Onze Christelijke weg wordt niet geleid door nieuwsgierigheid of naïviteit en
pas danook op voor die mensen die doen alsof ze méér denken te weten dan Christus
hen heeft verleend om te weten.
Laat we trachten zelf eerder te weten te komen
wat onze eigen tekortkomingen zijn,
onze overtredingen [knopen] tellen en in bekering vergeving zoeken.
Zie toe, dat de kinderen van deze wereld en onze eigen passies onze geest niet in slaap sussen,m aar voorafgaand aan dat vreselijke uur onszelf tot de orde roepen en verlangend wachten op Zijn Wederkomst.

Kom, Heer Jezus, kom“.

6e Zondag na Pascha, de Zondag van de blindgeboren mens

Op deze zondag voorafgaand aan het feest van de Hemelvaart van Christus,
brengt ons de Kerk het Evangelie van de blindgeborene in herinnering.
Er zijn hier twee aandachtspunten die mij opvallen.

1.]. Christus maakt hier een opmerking over de reden waarom deze mens blind was geboren . Als antwoord op een vraag van de discipelen, zegt Hij zegt dat blindheid er niet was omdat de mens of zijn ouders gezondigd hadden, maar opdat de werken Gods in hem worden geopenbaard.
Met andere woorden, onze Heer geeft zelf aan dat een ziekte of handicap niet altijd het gevolg zijn van persoonlijke zonden of de zonde van anderen,
maar ze worden toegestaan ​​ om de Glorie van God aan de mensen te openbaren.
Veelal is de menselijke aandacht voor datgene waar men onder gebukt gaat – de handicap – reden om zich van de wereldse zaken te weerhouden en zich meer tot God te richten.
De blinde hoort meer, ervaart meer omdat hij meer door het hemelse Licht dan het aardse in beslag wordt genomen; de dove richt zich meer op datgene wat hij ziet bouwt zich in zijn beperking meer op het innerlijke. De mens zoekt God in zijn aardse onvolkomenheden, vraagt zich af waarom ik en krijgt hier van Christus een antwoord: richt je op Gods weken, welke via jouw handicap worden geopenbaard.
We kunnen dit zien in de levens van een aantal mensen met een achterstandspositie .
Ze zetten hun nadeel om in iets anders, een uitdaging die het beste in hen kan boven brengen.
We kunnen hierbij denken aan bijvoorbeeld bepaalde Downs Syndroom kinderen,
die ongelooflijk vriendelijk en liefdevol kunnen zijn, veel meer dan wanneer zij ‘gezond’ waren geboren. We kunnen allemaal denken aan voorbeelden van ongelooflijke moed en liefde onder kansarmen.
Waarom ?
Omdat de genade van God op hen is nedergedaald:
‘de werken van God die in hen openbaar wordt gemaakt’.

2.]. We kunnen ook denken aan sommige ‘blinde’ mensen, die de realiteitszin hebben verloren, het innerlijke kwijt zijn,
de Genade van God hebben verloren.
– De dief, die niet ziet dat hij zichzelf tekort doet.
– De leugenaar, die zichzelf voor de mal houdt – zo vèr zelfs dat hij zelf in zijn leugens gelooft.
– De verslaafde, die niet meer weet waar hij het zoeken moet.
– De gevangene, die geen uitweg meer ziet.
– De arme rijke, die zich in zichzelf en z’n eenzaamheid opsluit.
– De arrivist, die zichzelf voorbij streeft – zichzelf tot middelpunt heeft gemaakt van zijn omgeving.
Heb nu niet het idee dat het jou niet overkomt, want zoals de Geest waait waarheen Hij gaat
– zo tracht de tegenstrever haar onderuit te halen, een mist op te trekken, zodat je het niet meer dóór hebt.
En dit overkomt zelfs de besten onder ons:
– een lezer, die zichzelf zo mooi vindt lezen
– een psaltist, die zo mooi zingt, dat hij zijn medekoorleden niet meer ziet staan.
– een koor wat eigen lof zingt in plaats van dit te doen tot eer aan God.
– diakens en priesters die zichzelf bewieroken, teneinde de gunst van gelovigen te verwerven.
– een gemeenschap, die zich in zichzelf opsluit, teneinde de nationale trots te kunnen botvieren, zichzelf thuis te voelen in hun ‘eigen’ kerk.
– kerkenbouwers die hun doel slechts door jarenlang leugen, manipulatie, diefstal en bedrog kunnen bereiken.
– biechtvaders, die de starets [counseler] uithangen, in plaats van slechts een luisterend Goddelijke toehoorder te zijn.
– Lichamelijk en geestelijk beter bedeelden, schoonheden, die hun onschuld verloren hebben.
Zo worden we omringd door degenen die geen interesse in mensen, maar in de grond van hun hart alleen willen maar willen profiteren van de uiterlijke schijn via macht of dikke bankrekeningen.
Vergeet daarbij niet de bijzonder intelligente en goed opgeleide mensen,
wiens intelligentie is opgeslagen in hun geestelijke vermogens, terwijl zij buitengewoon pretentieus en dwaas zijn geworden, zich krom lachen om het onvermogen van minderbedeelden en zich voor het aangezicht van de wereld grote financiële vermogens toe-eigenen.
Hun voordelen worden daarmee hun grootste handicap, zij belemmeren elke vorm van geluk voor zichzelf en anderen.

3.]. In de situatie van de vandaag aangehaalde blindgeborene, is zijn hele leven gericht geweest op het verkrijgen van de Heilige Geest, een voorbereiding op zijn persoonlijke ontmoeting met Christus.
Zijn ziel was niet alleen niet zuiver genoeg, verfijnd door zijn levenslange handicap,
om de Goddelijke genezing te ontvangen,
maar kwam ook tekort in het belijden van de Enige, Die wij belijden als de Zoon van God,
waardoor de werken van God in hemzelf openbaar worde.

Daartegenover zij die echt blind zijn [waren] omdat ze de mensen verboden genezing en goede werken te doen op Sabbat, intimideerden door hen [de blindgeborene en zijn ouders] vragen te stellen en hen daarna buiten [de kerk] te sluiten [te excommuniceren].

En dan de blindgeborene, die ziet, die ten opzichte van de omgeving [het ganse kerkvolk] getuigt:
Ik weet niet of Jezus een zondaar is of niet ; een ding weet ik ; dat ik blind was , en nu zie ik“.
En vervolgens voegde hij eraan toe : “Als Hij niet van God is, dan kon Hij niets doen“.
En ten slotte bekende hij dat hij geloofde dat Christus de Zoon van God is – één van de eerste die dit in de evangeliën doet.

Pdf: Wees er [gedicht]
Het besef van de blindgeborene is dan een vreugdekreet.
Hij kan ons leren hoe te oordelen, of liever anderen te onderscheiden
– hen aan hun vruchten te herkennen.
Als wij Christenen, of niet gelovigen, van God zijn,
dan zullen we dit Voorbeeld [Hem] volgen  en goede vruchten dragen,
voor wie dat niet is, die zal met al zijn [vermeende] vermogens niets klaarspelen
en als een harlekijn zijn weg gaan.
Zo die er één van God is, zal hij eindigen onder de getuigenis
van de Grootsheid en Godheid van Christus.

Overigens dien ik te wijzen op de manier waarop Christus genas.
Hij spuugde op de aarde en ‘maakte slijk uit dat speeksel’.
We merken hierbij op dat dit voor elke Mysterie [RK. sacrament] van de Kerk geldt;
God, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest geneest , op dezelfde manier:
de adem van God, de Heilige Geest is de drager van de genezende Genade van God.
– Water op zich kan niet genezen,
maar het water van de doop geneest
omdat het gezegende water
​​de Heilige Geest met zich meedraagt.
– Olie op zich kan niet genezen
maar de olie van Myronzalving kan genezen,
omdat het vervuld is van de Genade van God .
– Een doekje kan niet genezen
maar toch is een priester in staat gesteld te genezen
door de genade van Christus
aan degene die oprecht zijn zonden belijd en
de berouwvolle intentie heeft niet meer te zondigen .
– Brood en wijn kan niet genezen en
toch wordt brood en wijn veranderd
in het Lichaam en Bloed van Christus
om te genezen door de Heilige Geest .
– Hout, kalk en pigmenten kunnen niet genezen en
toch kunnen Iconen hun heilzame uitwerking hebben
door de Heilige Geest die in hun materiële essentie doordringt
en de begenadiging, die van hen uitstraalt.
– Rook kan niet genezen en
toch brengt wierook genezing
door de zegen van Christus,
die ervan uitgaat.

Christus leert ons dan dat alle dingen gebruikt kunnen worden
tot genezing en voordeel en zaligheid van onszelf,
maar dat zij eerst dienen te worden aangeraakt
door Zijn Genade.
Op deze manier kan ons lichaam, louter vlees en beenderen en bloed,
dienen als Icoon van Christus, Christus-dragend [Chrystophoros].
Onze ziel kan geactiveerd worden,
zodat wij lichtdragers worden van de Heilige Geest;
de ogen van onze ziel, de deuren van de waarneming,
en daardoor wordt de blindgeborene, die wij allemaal zijn,
geheeld, genezen tot een Icoon van de gehele schepping Gods,
waar wij deel van uit maak en die behoort te zijn,
waarvoor hij geschapen is zoals ze werkelijk behoort te zijn.
We zien dat elk grassprietje en elke heuvel, elke boom en elke wolk,
elke druppel regen en elke oceaan,
alle schepselen en alle mensen,
wonderen zijn van Gods handwerk,
tekenen van Zijn Mystieke [RK. Sacramentele] aanwezigheid onder ons
en we zien dan tevens dat niet we wonen in deze banale,
alledaagse wereld om ons heen.
We wonen dan in de wereld zoals hij werkelijk is,
in potentie het Paradijs, het Koninkrijk Gods,
zoals God deze in den beginne heeft gemaakt,
want we zien God de Schepper achter
alle dingen en alle mensen .

En dan zijn we eveneens in staat
om samen met de blindgeborene te zeggen :
‘Ik was blind en nu zie ik’.

Heer, Jezus Christus, Zoon van God,
heb medelijden met mij, blindgeboren zondaar
en 
redt mij“.

5e Zondag na Pascha – Zondag van de Samaritaanse vrouw

Het Heilig Evangelie heeft ons de naam van de Samaritaanse vrouw niet doorgegeven.
De Traditie van de Kerk leert ons dat haar naam in het Grieks – Photini was, in het Russisch – Svetlana, in de Keltische talen – Fiona, in westerse talen – Claire en in het Nederlands Ellen.
En al deze namen spreken tot ons over
één ding – van licht.

Nadat zij aan de Heer Jezus Christus heeft voldaan is zij uitgegroeid tot een licht dat in de wereld schijnt, een licht welke degenen die haar ontmoeten verlicht.
Elke Heilige wordt ons gepresenteerd als een voorbeeld, maar we kunnen de werkelijke wijze waarop een heilige geleefd niet altijd nastreven, we kunnen niet altijd dezelfde hemelse Ladder beklimmen.
Van iedere Heilige kunnen we echter twee dingen leren.
– Ten eerste kunnen we door de genade van God datgene bereiken wat menselijkerwijs onmogelijk lijkt en dat is ons als persoon in beeld en gelijkenis aan God te spiegelen.
Dat wil zeggen dat we – in deze wereld van duisternis en tragedie een teken van hoop te zijn; in de wereld die in de macht is van leugens – een woord van waarheid te zijn.
We worden voor dit alles in staat gesteld in de zekerheid dat alleen God dit alles kan overwinnen wanneer we alleen Hem toestaan ​​toegang tot onze ziel te verkrijgen.
Want als het Koninkrijk van God niet in ons is leeft – als God niet troont in onze gedachten en harten – een vuur dat alles wat onwaardig is in onszelf en van Hem verwijdert, dan zijn we ook niet in staat Gods licht rondom ons te verspreiden.
– Het tweede wat de Heiligen ons kunnen leren is om de Boodschap uit hun naam over te brengen – aan ons te leren kennen.

Vandaag spreekt de Samaritaanse vrouw van licht.
Christus heeft haar gezegd dat Hij is het Licht van de wereld is, het Licht dat alle mensen verlicht, en we zijn geroepen om
dat Licht in onze ziel te laten schijnen.
Te laten schijnen in ons verstand en onze ziel
– ja, binnen ons gehele bestaan.
De bedoeling is dit Licht van Christus zo tot ons te laten spreken, dat we er zelf
tevreden over zijn en het in en door ons ten uitvoer wordt gebracht.
Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken“.
Matth.5: 16

Alleen door onze daden te zien, door onze manier van handelen, kunnen mensen gaan geloven dat het Licht van God – Werkelijk Licht is.
Het gaat hier niet om onze woorden, tenzij het woorden van Waarheid en Macht zijn, zoals die van Christus Zelf of van de Apostelen zijn geweest.
Laat ieder van ons stilstaan bij de betekenis van onze naam als Christen en
op de wijze waarop we datgene worden waar we toe zijn geroepen.

De Samaritaanse vrouw was onderweg om water te halen zonder enig geestelijk doel.
Ze kwam bij de bron – en ze ontmoette Christus.
Ieder van ons kan op elk moment van de dag  een Goddelijke wending in ons leven ervaren,  zelfs wanneer we onze meest dagelijkse huiselijke taken verrichten, indien ons hart maar in de juiste richting staat en we ons open stellen om een ​​bericht te ontvangen,
te luisteren, ja – om vragen te stellen!
De Samaritaanse vrouw stelde maar één vraag aan Christus, en wat ze als antwoord kreeg oversteeg haar vraag op zo’n manier dat ze in Hem een Pprofeet herkende.
Later herkende zij Hem als de Christus, de Verlosser van de wereld.
Maar ook ons licht dient niet onder de korenmaat te worden geplaatst.
De Samaritaanse heeft ontdekt dat het Licht in de wereld gekomen was,
dat het goddelijk Woord  nu Waarheid werd te midden van de mensen,
dat God met ons/onder ons is.
Zij liet alle zorgen achter zich en rende naar de anderen om de vreugde, het wonder van wat ze had ontdekt te delen met anderen.
Ze bracht haar medeburgers naar Christus.
Ze vertelde hen eerst waarom ze in Hem geloofde, en
vervolgens bracht misschien hun nieuwsgierigheid, of de overtuigende kracht van haar woorden en de verandering die zich in haar had voltrokken hen tot Christus.
Zij zagen het voor zichzelf en zeiden tot haar:
Het is niet meer vanwege wat u zegt dat we geloven
– “we hebben gezien en we hebben het gehoord en daarom geloven wij“.
Handelingen 17: 11

En dit is wat de Samaritaanse vrouw ons allen leert: open te staan op elk moment van ons leven, terwijl we zijn druk bezig met de eenvoudigste dingen.
Op te staan het goddelijke Woord te ontvangen, dat we dienen te worden verlicht door het Goddelijke licht, gereinigd worden door Zijn zuiverheid.
We dienen het Licht te ontvangen in het diepst van onze ziel, er met heel ons leven voor open te staan, zodat mensen zien wat en wie we zijn geworden, opdat ook zij kunnen geloven dat het Licht in de wereld is gekomen.

Laten we tot de Heiligen en de Samaritaanse vrouw bidden ons te leren, ons te leiden,
ons tot Christus te brengen op de wijze waarop zij naar de Bron is gekomen en
Hem te dienen op de wijze waarop zij Hem gediend heeft tot heil van allen
die om haar heen waren .
En mag de zegen van God met u zijn,
de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,
nu en altijd en wereld zonder einde!    Amen.
preek van Metropoliet Anthony Sourozh – 8 mei 1988

Kontakion           pl 4e Tn/ 8e Tn
Met geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron:
daar aanschouwde zij U, het Water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had
begeerde zij dorstig het Koninkrijk uit den hoge.
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid“.

En toen zij daarvan gedronken hadden . . . . .
En dit is het Woord [de verkondiging], die wij van Hem gehoord hebben
en aan u allen verkondigen:
God is Licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.
Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en
doen de waarheid niet;
maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het Licht is,
hebben wij gemeenschap met elkaar; en
het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde“.
1Joh.1: 5-7

Door de zegen en Genade van God kan het Licht
steeds meer opgaan en helder worden
als de zon op haar hoogtepunt.
Dit werd door de Profeet Malachi reeds voorzegt:
Maar voor u, die Mijn Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan en
er zal genezing zijn onder haar vleugelen;
gij zult uitgaan en springen als kalveren die in de Lente uit de stal worden losgelaten“.
Mal.4: 2

Jezus Christus is het levende Woord van God.
In het Woord was het leven en het leven was het Licht van de mensen.
En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen
“.
Joh.1: 4-5
Dit Licht moeten we ontvangen in ons hart.
Velen hebben Jezus Christus, het Licht van de wereld, niet in hun hart binnengelaten.
Maar allen die Hem aangenomen hebben,
hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden,
namelijk die in Zijn Naam geloven
“.
Joh.1: 12

Licht blijkt gelukkig sterker te zijn dan duisternis.
Het licht van het Evangelie dringt de duisternis van ons bestaan binnen.
Waar Gods Licht en Liefde schijnen, zal de nacht verdwijnen.

Christenen zijn gedoopt in het Koninkrijk van de Zoon van Gods Liefde.
Paulus roept op daarvoor de Schepper te bedanken:
Dankt gij met blijdschap de Vader,
Die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.

Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en
overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn Liefde,
in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving van zonden“.
Col.1: 12-14

Vergeven betekent eigenlijk
‘ver-wèg-geven’.
Wanneer we onze zonden belijden [aan het licht brengen] zullen deze door Gods Genade worden vergeven.
Zij worden dan onder het reinigend bloed van Christus gebracht;
door de oprechte belijdenis in het Mysterie van de Biecht vindt de genezing plaats.

Jezus Christus is als de Hemelse Geneesheer tot ons gekomen om te genezen en te helen.
Dit gaat over beschadigde emoties, negatieve gevoelens, psychische problemen, ziekten, zwakheden en andere zaken in onze Liefde die herstel nodig hebben.
Het bekerings- en genezingsproces heeft dus duidelijk te maken met ‘overbrenging’ – verandering. Door de werking van de Heilige Geest en Geloof in de drie-ene God
worden de negatieve zaken verplaatst naar het helende [medische] gedeelte van
Liefde, Genade, Vergeving en Heiliging [heling].

Dwazen om Christus – een graankorrel van wijsheid in onze tijd

Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus;
wij zijn zwak, maar gij zijt sterk;
gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in eer.
Tot op dit ogenblik verduren wij honger, dorst,
naaktheid, vuistslagen en een zwervend leven;
wij verrichten zware handenarbeid;
worden wij gescholden, wij zegenen;
worden wij vervolgd, wij verdragen;
worden wij gelasterd, wij blijven vriendelijk;
wij zijn als het uitvaagsel der wereld geworden,
als aller voetveeg, tot op dit ogenblik toe“.
1Cor.4: 10-13

In het Oude Testament wordt ons over de waanzin geleerd
Vrouwe Dwaasheid is luidruchtig, enkel onverstand, en zij weet niets”[Wijsheid 9: 13]
en alleen “de mond der zotten houdt zich met dwaasheid bezig“[Wijsheid 15: 14].
Alleen soms wanneer dwazen zich op een zinloze manier voor het aangezicht des Heren gedragen onthult de diepte van hun acties of hun woorden zich als een van de profeten.
Christus heeft dwazen ook ontmoet en ze ook behandeld “Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luistert gij naar Hem?“[John 10: 20].
Daarop volgde de dwaasheid van het Kruis, de dood en de over de wereld verspreide discipelen hebben die woorden van de Heer en Meester vergeten en gecamoufleerd.

De moeder Gods en reine Maagd Maria nam de rol van Eva op Zich en dit was een vrouw die aan de wereld de andere waanzin verkondigde: die van de Opstanding van de Heer.
Maria Magdalena ging in de vroege Paasmorgen naar het graf, bezorgd over het wegrollen van de steen, zodat zij haar taak van Myrondraagster [Myrrhophore] zou kunnen uitvoeren.
Ze hield Christus
als eerste voor de tuinman, maar het was de heer!
Ze ging in haast de apostelen opzoeken en vertelde hen het nieuwe onbeschrijfbare.
En zij zeiden tot haar: Gij spreekt wartaal. Doch zij bleef volhouden, dat het zo was“.[Hand.12: 15].
Het duurde een tijdje om deze waanzin te gaan ontdekken in de periode dat de kerk ontston, maar wat zou de Apostolische boodschap zonder haar moeten doen?
Toen kwam de apostel van de Volkeren, hij, die door het Licht werd neergeslagen op weg naar Damascus. Hij leverde zich over aan Christus en werd als een dwaas beschouwd.
Maar Paulus zei dat hij niet gek was: “Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal, maar de nuchtere waarheid“.
Hand.26: 25
Wij zijn dwaas om Christus’ wil, maar gij zijt verstandig in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij zijt in aanzien, maar wij zijn niet in ere.
Dan beweert hij met stelligheid dat ‘de tijd waarin wij leven en tijd’
van waanzin is “omwille van Christus“.
1Cor.4: 10
Hij zegt zelfs dat:
Wat voor de wereld dwaas is,
heeft God uitverkoren om de wijzen te beschamen
en wat voor de wereld zwak is,
heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen“.
1Cor.1: 27
“Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft,
heeft het God behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven. Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid,
doch wij prediken een gekruisigde Christus,
voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid,
maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [zo prediken wij] Christus,
de kracht Gods en de wijsheid Gods.
Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen
en het zwakke van God is sterker dan de mensen”.
1Cor.1 20-25
De kerk groeit en de dwaasheid van de prediking wordt voortgezet onder de vervolging.

● Toen kwam de tijd waarin de Christelijke Godsdienst als die van het rijk werd beschouwd, dan ontstaan de monniken die de wereld verlaten en de woestijn intrekken.
–> Hun roeping was identiek aan die van de Profeten, de Apostelen en de vroege Christenen, maar hun grootste bestaan was een absolute noodzaak.
–> Ze gingen voort aan de rand van de zee en waren een roepende in de woestijn.
–> Zij waren niet op de vlucht voor de wereld, zij waren niet verdwenen maar zij kwamen uit hun schuilplaats iedere keer wanneer de ketterijen de Kerk bedreigden.
–> Zij hebben ook gebeden voor deze wereld, maar geven in tegenstelling tot de wereld God een eerste plaats in hun bestaan.
–> Wanneer de kloosters zelf tot instellingen werden, hebben de monniken en leken de waanzin van  Christus ingevoerd en wilden slechts de kale getuigen zijn van de gekruisigde die de wereld zelf ooit had verworpen.
–> De uiterlijke verschijning van hen als mens werd nog gerespecteerd, maar toch werden ze slecht [als outcast] behandeld en soms geslagen.
–> Zij waren de levende herinnering aan de man der Smarten, maar hun wezen was vaak star in materiële comfort en minimalistisch praktijken van rituele vroomheid, welke ondraaglijk waren.

De liturgische werkruimten, de eersteklas broederschappen, de kerkelijke gebouwen,
de priesterlijke hiërarchie, was dit alles niet bevredigend?
Waren dit niet slechts eenvoudige maar effectieve verzamelingen die overtolligheden bevatten die de tijd niet langer kon dulden?
Beschouwden veel christenen dit niet als de ‘Groot-Inquisiteur’ van Dostojevski die aankondigde dat Christus naar de aarde zou terugkeren dat het alles zonder Hem gerund werd en dat dit ook nog steeds het geval is?
De dwaas om Christus herinnert ons aan de eenvoudige voorwaarde van het Evangelie:
de hongerige te voeden, degenen te kleden die die naakt zijn, de gevangenen te bezoeken,
de zieken . . . . .
en, vooral, de herinnering van God bij dit alles als voornaamste gegeven in gedachten te houden.

Maar hier worden we geconfronteerd met de Christelijke samenleving die haar armen heeft, maar er niet eens naar omkijkt
waar is de broederlijke liefde van de vroege Christenen met de besluiten waarbij alles onder elkaar  verdeeld werd?
waar zijn haar in ellende verkerende daklozen, haar vluchtelingen,
waar bevinden zich haar tirannen, hun opslagplaatsen en haar gehaaide manier van het vertsrekken van leningen!
Is het niet zo verworden dat Christus maar voor een gedeelte in de organisatie van onze ideale samenleving is opgenomen, maar dat Zijn Naam totaal is vergeten?
De dwazen om Christus hebben hier hun bestaansrecht ter vervanging van de hoogste Evangelieboodschap in herinnering te brengen, die nu eens niet wordt gereduceerd tot de eenvoudige liturgische gedachtenis en strikte naleving van opgelegde dwingende sociale codes.

Het is echter een grote vergissing te geloven dat er zich een revolutionaire kiem in de kerk of in de samenleving bevindt.
Christus heeft voor eens en voor altijd gezegd: we moeten aan God geven wat van God is en aan de keizer wat hem toebehoort.
De ‘dwazen-om-Christus-wil’ hielden van de Kerk, van haar instellingen, van haar diensten en haar wijze van bestaan werd nimmer door hen betwist.

Ze waren in die zin gewoon de beste zonen en dochters van de kerk.
Maar ze wilden dat de Kerk en haar gebruiken gericht waren op slechts één enkel doel,
dat wil zeggen dat het juiste antwoord werd gegeven op die ongebruikelijke oproep van Gods liefde, die Zich zover vernederde dat Hij ons toestond met Hem in gesprek te gaan.
Ze hebben niet geprobeerd anderen door hun daden van schijnbare dementie te imponeren, zij trachtten hen door hun platitude [gemeenplaats] bewust te maken van de mogelijkheden:
De dwazen-in-Christus werden vaak door allen veracht, zij werden door autoriteiten herkend en  aanvaard door diegenen die over een gezond verstand beschikten en overtuigd ware dat ze over een superioriteit beschikten ten opzichte van degene die zij vervolgen.
Ze waren een indicatie voor de onbenulligheid van menselijke glorie.
Bent u uit op de goedkeuring van deze tijd, die u doet geloven dat de weg die zij hebben gekozen de enige juiste is?
Bent u uit op  het te snel veroordelen van iemand die u niet gevraagd heeft een oordeel te vellen?
Bent u erop uit op dat het aantal gelijk-hebbers een garantie zouden vormen voor van de waarheid?
Hoe velen zouden er hun kleine geestelijk leven niet zonder beperkingen willen doorbrengen;
Zij, die met hun grote oogkleppen het leed van anderen niet zien,
die alles en iedereen op een hoop gooien en onmiddellijk op iets anders overstappen?
Voor al diegenen die zich zouden willen conformeren binnen draaglijke en aanvaardbare grenzen van de eisen hun tijd en tevens het moderne leven van de Christen zouden willen uitdragen is de positie van de Dwaas-om-Christus-il essentieel en noodzakelijk.
Door het leven van deze grote gebeds-atleten te bestuderen nemen wij kennis van hun collectieve eigenschappen: de minachting voor hun optreden welke als ondenkbaar wordt beschouwd vanwege onze kortzichtige en benauwde leefstijl,
een visie waarop wij onze liturgische werkplekken vorm geven, hun gave van profetie . . . en wanneer het gaat om deze hemelse biografieën enkel te beschouwen als vrome vertellingen staat in onze tijd de grote figuur op van de Heilige aartsbisschop John [Maximovitch] van Shanghai en San Francisco wiens lichaam na zijn dood ongeschonden werd teruggevonden.
Veel verhalen van zijn leven doen ons denken aan die van de andere dwazen-om-Christus . . .
maar ook hij woonde onder ons, en ons is bekend dat gelovigen van alle bestaande continenten hem nog steeds kennen want er zijn diverse boeken en getuigenissen over bekend!
Het is geen opstand tegen sociale orde, noch een poging om een revolutie in de kerk te ontketenen, de dwaasheid om Christus wil blijft de smalle weg die sommige schepselen als uitzonderingsgeval betreden.
Ze gaan in deze moeilijke weg niet op eigen houtje doch met de zegen van een ‘erkend’ geestelijk vader [staretz], we zijn hierin gewaarschuwd door de Heilige Seraphim van Sarov aan degenen die dit kruis op hun schouders zouden willen nemen!
Maar we weten ook dat deze staretz met zijn zegen, kennis had van de dwazen-on-Christus die ons nog steeds in onze herinnering voortleven.

Ongetwijfeld komt, deze beschamende en zo gênant voor de ‘correct gerichte’ sterfelijke leefvorm, moeilijk overeen met ons logisch denken en onze behoefte om de voorrang te geven aan zuiver aardse begrippen in al ons doen en laten.
Zoals vaak zijn wij het zelf die slechts met bijbehorende trots, belangstelling tonen en bepaalde mensen aanvaarden, terwijl we andersdenkenden van dezelfde comfortabele richting met afwijkend gedrag hun naakte leven tot God van deze hemelse landlopers maar eigenaardig vinden.
Ze zijn het zout der aarde, hetgeen de smaak behoud, het Goddelijke zuurdesem en het levend geweten van de Heilige Kerk.
Slechts aan God behoort het toe hun roeping te verheffen en het tijdstip van hun eindstreep te bepalen, maar ze behoren tot eeuwigheid van dit leven.

Er is een tijd geweest dat slechts de Christelijke verkondiging door de vervolgers werd beschouwd als een geestelijke aftakeling:
de martelaren van de Ottomaanse periode die de zekerheid van hun bestaan achter zich lieten en die bij de overheersers in de Bulgaarse, Griekse, Roemeense en Russische periode opkwamen voor hun Christendom en tot de dood aan toe hun belijdenis hebben hooggehouden, getuigen van de relativiteit van het oordeel van de wereld en de buitengewone kracht van hun Christelijk Geloof.
Hun zienswijze werd veroordeeld, ja zelfs wereldwijd veroordeeld.
Ze waren tot zwakte verplicht, die zwakte waarover de apostel Paulus spreekt.
Dwaasheid-om-Christus-wil is een getuigenis die bijna altijd grenst aan Martelaarschap.

Echter zuigelingen worden zij genoemd om deze waanzin in Christus en manifesteren zich ook als zodanig, omdat hun roepingen afwijken, net als de woningen in het huis van de Vader.
Soms zijn de reacties op deze Goddelijke oproep niet uit de lucht gegrepen: het begint met vurig enthousiasme op de verandering – gevolgd door gebruikelijke routine, vervolgens overgaand in lauwheid, de laatste stap vóór onverschilligheid of ongeloof.
Soms bestaat het hemelse pad dat deze zwerfhonden kruist uit een zich afwenden van koninklijk werelds succes, de herkenning van de mens en haar valse vroomheid die enkel tot doel heeft in de eerste plaats de persoonlijke belangen te dienen en een daaropvolgende lucratieve [kerkelijke] carrière.
De dwaze-in-Christus ontpopt zich als iemand die zijn blik onhoudbaar op God gericht houdt en op de onrechtvaardigheid van de wereld.
De bestaande en krachtige organisatie van de hiërarchie en zelfs tsaren en machthebbers hebben vervolgens deze manier van kijken kunnen ondersteunen.
Dit bewustzijnsniveau over deze blijkbaar typische wezens personifieert de beklemming en het misnoegen over de continuïteit van hun zogenoemde spirituele comfort en de valse vrede die hen bevredigt.
De dwaze-in-Christus heeft bestaansrecht om ons te herinneren aan de Openbaring van de ruimhartigheid van onze Heer, teneinde hun slapende zielen schrijnend wakker te schudden.

Maar het gaat ook om eenvoudige en bescheiden gelovigen, die in het duister Licht aanschouwen.
Degenen die verwonderd de stempel van de genade van het geloof als een onmetelijke zegen hebben aanvaard.
Zij brengen discreet en devoot de heilige riten en haar werken in praktijk die zij in stille en nederige aanbidding tot zich nemen en zij verheugen zich over  de distantie in de Stille Wake van hun liefdevolle en vreedzame ziel.
Ze hebben de waardevolle parel van het evangelie en haar het kostbare verblijf ontdekt.
Ze leven gewoon overeenkomstig datgene wat het geloof voorschrift, als broer en zus omdat ze de liefde van God ervaren, zij treuren met hen die treuren, zij zijn blij met degenen die zich verheugen.
Maar het zal hen nooit doen besluiten te gaan prediken, enkel door hun voorbeeld.
Ze leven met de Goddelijke Liturgie, de Mysteriën en de feesten van een parochiekerk welke hun hoofdverblijf vormt. Grote intellectuelen negeren of verachten hen [zoals ze bij de dwazen-om-Christus doen] omdat deze wezens simpel zijn en niet in staat om deel te nemen aan ijdele en langdradig theologische gesprekken, die hen totaal vreemd zijn:
ze weten niet of ze willen zich niet in woorden vastleggen, maar ze bedrijven de oprechte liefde en zijn ware Theologen welke de wereld nodig heeft.
Zij preken door middel van hun leven, zelfs wanneer zij onzichtbaar zijn, zij zijn verscholen aan de zijlijn van hun kloosters, hun parochies of de eenzaamheid waarin zij verkeren.
Vaak komt het besef rond hun eenzaam bestaan eerst voor het daglicht na hun dood.
Vaker nog, blijft hun weg welke zij in de wereld bewandelden vergeten, maar zijn ze als wij allen, zonder verandering, aanwezig in de ogen van God.
Ze waren zich altijd bewust en ze hebben  de mensheid het beste laten zien om Christus wil.
Het maakt hen niet uit wanneer maar een paar mensen dit hebben gezien en begrepen, zijn ze niet minder dan de overige rechtvaardigen die in de stilte van hun kamer tot gebed komen.
Zij worden gerechtvaardigd door het enige geheim waarmee hun Hemelse Vader hen beloont.
Deze eenvoudige van hart zijn de eersterangs stilte Gods die als de dwazen-om-Christus-wil het grote rumoer doen verstommen. Beide werken aan de enige Glorie tot God.

In de zachte warmte van onze materialistische tijd,
waarbij christenen zich vaak schijnen te schamen voor de waanzin van het Kruis,
waarbij de wereld godsdienst slechts beperkt tot die enkele keer op zondag als de enige plaats van aanbidding,
zal een mogelijke opwaardering van nieuwe dwazen-om-Christus
de herinneren in ons herinnering doen opbloeien welke zich heeft losgemaakt van God,
de voorwaarde van het evangelie en onze eerste lotsbestemming:
een kiem van Liefde te worden in het hier en nu.
” Laat niemand zichzelf misleiden!
Indien iemand onder u meent wijs te zijn in deze tijd,
hij worde dwaas, om wijs te worden”.
1Cor.3: 18

 

Moeder Tarsus Zagoreu – dwaas om Christus [1910 – 7-10-1989]
Moeder Tarsus neemt een uitzonderlijke en eminente plaats in onder hen,
die op dit moment het oude Licht doen opstralen,
de traditie van de dwazen-om-Christus-wil.

Dwaze [zich als psychiatrisch patiënt gedragende] Heiligen
komen tussen beide als een knotsgekke manifestatie van extreme nederigheid,
welke het aanzien van de mensen vermijdt.
God deelt via zo iemand meestal ‘per ongeluk’ mee dat dit een echte heilige is
een wonder die zich zeer dicht bij de engelen van God bevindt!
Hij laat ons een persoon zien,
die door de gehele stad veracht en belachelijk gemaakt wordt,
die leeft van aalmoezen,
die in de middenberm van de straat ligt te slapen
die in de kerk op de preekstoel klimt en
die de beminde gelovigen met grond bekogelt of
die in het openbaar vlees eet als voorbereiding op Pascha.
Zo is het verslag over elke dwaas-om-Christus-wil, het verhaal van zijn/haar biograaf.
In de hele geschiedenis van het christendom worden verschillende dwazen-om-Christus-heiligen beschreven;
de Kerk van Griekenland telt 87 dwazen om Christus waaronder:
De heilige Andreas, die oorspronkelijk uit Scythië kwam [de waarheid over hem kende alleen zijn  priester Nikephoros van Hagia Sophia in Constantinopel, welke zijn biechtvader was],
de heilige Simeon, de heilige Theodore, de heilige Paulus, de heilige Sava van Vatopedi, de heilige Theodulus van Cyprus en de Heilige Isodora [welke leefde door de nonnen in het klooster in Tavena in Opper-Egypte veracht werd, die aldaar leefde en in een visioen aan de grote wereld door de asceet Pitirim openbaar werd gemaakt, maar toen haar heiligheid bekend werd, verdween zij en niemand hoorde ooit meer iets over haar].
De Kerk van Rusland kent er in dit opzicht meer, zowel mannen als vrouwen,
zoals de eerbiedwaardige Ksenija [1806] en anderen die we al eerder hebben genoemd.
De belangrijkste dwazen-om-Christus-wil worden beschouwd als een gave van de Heilige Geest, deze dwazen beweren een sterke roeping van Christus te hebben ontvangen en aan dit soort roepingen kan men geen gevolg geven wanneer het niet van Christus [God] afkomt, want er zijn echt grote  gevaren aan verbonden.
Maar zie, aan het eind van onze twintigste technologische eeuw staat er een vrouw op, belast met  deze vreselijke traditie, in Athene!

Tarsus Zagoreu [verkleinwoord van Tarasija 1910 – 07/10/1989], was een mooi en goed opgeleide meisje uit Andros, welke er rond de leeftijd van 20 jaar openlijk voor uit kwam uitverkoren te zijn de vrijwillige waanzin op zich te nemen;
de uitnodiging zoals zij dat noemde had zij al op haar 14e jaar ontvangen van “officieren” zoals zij de engelen betitelde.
Zij werd aan diverse psychiatrische onderzoeken in tempels der geneeskunde onderworpen.
Vervolgens leefde zij als gek, in het klooster van de Heilige Maagd Pevkovuniojatrisa Keratea Attica, in de marge van de kloostergemeenschap [het is niet bekend of zij overeenkomstig de regels non werd] , in een onderkomen [schuurtje] buiten het klooster.
Haar levenswijze was streng, maar was nooit streng voor anderen om haar heen; zij sliep en zat op de grond, at een beetje eten van de slechtste kwaliteit,
onderwierp haar lichaam aan de regen en kou, etc..
Door haar voortdurend gebed werd het na een korte tijd aan de nonnen en veel van de pelgrims van het klooster duidelijk dat wat zich achter de in vodden geklede gek verborgen hield een heilige schuil ging.
Daarom kreeg zij vele bezoekers die zij met allegorische en normaal beschouwd absurde woorden  adviseerde, maar in werkelijkheid bleken deze voor elk van haar gesprekspartners zeer belangrijk.

Volgens vele getuigen, werd ze rijkelijk gezegend met de gave van helderziendheid en inzicht [hetgeen zij verborgen hield achter domheid en soms achter valse robuustheid, die degenen woedend weigerde te naderen door hen die haar met lof en respect probeerden op te hemelen],
zij had nauw contact met de wereld van de engelen en heiligen [er zijn aanwijzingen dat een engel haar verscheen, hoewel de moderne mens zal lachen als ze horen dat zoiets het mogelijk is], en na haar dood geurde haar relieken naar Myron.
De vermelding van haar onderricht  was altijd geheimzinnig, maar niet onbegrijpelijk en
de gebeurtenissen in haar contact met de massa’s bezoekers vormen nog steeds het onderwerp van onderzoek.

Orthodoxie & heilige huisjes

Het heilige huisje, ‘geloofsovertuiging‘,
is helemaal niet zo heilig
als dat men ons eeuwen heeft doen geloven.
In een periode dat het heilige van de religie
in het chloor bad van publiciteit is verbleekt,
zoekt de mens zich een weg en
stelt zich vragen die wij als mensen nu eenmaal hebben.

Het antwoord ligt verborgen in het feit
dat wij tot het inzicht komen dat wij als mens slechts zondaar zijn
en met vallen en opstaan een weg zoeken.
Wij zijn zoekende pelgrims geworden op een weg
met als enig houvast datgene
wat anderen in hun ervaringen hebben vastgelegd.
Als Christenen hebben wij een geloof tegen beter weten in.
Een Mens, door God gezonden,
sterft een schandelijke dood aan een Kruis en
wij geloven dat Hij leeft, meer dan ooit.
De zondige mens staat zijn medemens naar het leven,
ervaart zijn medemens als tegenstander.
Christenen geloven dat alle mensen broeders en zusters zijn,
kinderen van één Vader en dat een mens zichzelf pas vindt
als hij de ander vóór laat gaan.

De beroemde 19e eeuwse heilige Seraphim van Sarov [1759-1833],
zei over zichzelf: “Ik weet niets“.
Deze woorden waren opmerkelijk afkomstig van een kluizenaar
die de meest gewilde spirituele adviseur van tijd was.
Toch erkende de heilige Seraphim
dat hij slechts een doorgeefluik was:
dat het goede wat uit hem voortkwam,
van God afkomstig was.

Als Christenen zijn we ons bewust
dat we regelmatig een slecht voorbeeld zijn voor anderen,
dat we dagelijks te kort schieten aan onze eigen verwachtingen
te leven overeenkomstig het oorspronkelijk bedoelde
beeld waartoe Christus ons heeft geroepen.
Toch  worden wij verplicht iedere dag met vreugde van het hart te leven,
wat er ook gebeurt, wat ons ook overkomt.
Oók ik ben verzocht om te verkondigen, te onderwijzen
en de genadegaven van de Heer uit te dragen
om te trachten op God te vertrouwen,
alles aan Hem over te laten wat er ook gebeurt.
Zo goed als we kunnen houden wij de woorden voor ogen:
Verblijdt u in de Heer te allen tijde : en ik zeg u nogmaals, Verheug u!“.
Phil.4: 4

We herinneren ons het woord van
de Heilige Basilius de Dwaas om Christus,
die zei:
De winter is koud,
maar het Paradijs is zoet
“.
Wetende dat echte waarheid
juiste manier van leven slechts van God komt.
We proberen niet gekwetst te worden
wanneer we geen bevestiging ontvangen
van de mensen om ons heen.
We worden eraan herinnerd
dat we worden opgeroepen
om aan anderen te geven,
wat ik wil zelf zou willen ontvangen.

Net als de heilige Antonius de Grote, roep ik tot God,
Heer, waar bent U?” [Psalm 129,140],
verkerend in een overvloed aan genade.
Ik wil een kind Gods zijn ,
ondanks het gevoel dat ik het kuiken ben
dat door de moeder uit het nest wordt geworpen.

Ondanks datgene wat me overkomt
wordt ik getroost door de Heilige Seraphim,
die zijn geestelijke kinderen met deze woorden instrueerde:
Wanneer teleurstelling ons aangrijpt,
richten we ons op het tegenovergestelde,
worden we versterkt en beschermd door het Licht van ons Geloof,
verzetten we ons met grote moed tegen de geest van het kwaad.

Wat heeft God aan ons, wanneer we van Hem zijn verwijderd,
Zijn hemelse goedheid afwijzen en een slaaf worden van het kwaad?
We dienen onszelf te hernemen:
Christus, de Zoon van God,
heeft immers de heerschappij over ons en over alles.
Laat je niet marchanderen,
we worden standvastig gemaakt
door de deugd van het Kruis,
tegenstrever, we verpletteren je overweging
“.

Christus is opgestaan! 
Hij is waarlijk opgestaan!

Thursday & Friday in the Holy week – they hated Him “without any cause”

If the world hates you,
you know that it hated Me before it hated you.
If you were of the world, the world would love its own.
Yet because you are not of the world,
but I chose you out of the world,
therefore the world hates you.
Remember the word that I said to you,
‘A servant is not greater than his master’.
If they persecuted Me, they will also persecute you.
If they kept My Word, they will keep yours also.
But all these things they will do to you for My name’s sake,
because they do not know Him Who sent Me.
If I had not come and spoken to them,
they would have no sin, but now they have no excuse for their sin.
He who hates Me hates My Father also.
If I had not done among them the works which no one else did,
they would have no sin;
but now they have seen and also hated both Me and My Father.
But this happened
that the word might be fulfilled
which is written in their law,
‘They hated Me without a cause’“.
John 15: 18-25

It is usually understood, that the quotation our Saviour here refers to
is to be found in David’s Psalm, where he says,
speaking of himself immediately and of the Saviour prophetically,
Let them not rejoice over me,
those who are unjustly my enemies
Those who hate me without a cause
“.
Psalm 34: 19

Our Saviour refers to that as being applicable to Himself and thus He really tells us, in effect, that many of the Psalms are Messianic, or refer to the Messiah;
and therefore I did not accident,
when it is said that I believed the Psalms referred to the Saviour,
though He may have carried the Truth too far.
But it will be a good plan, in reading the Psalms,
if we continually look at them as alluding not so much to David,
as to the Man of Whom was the type, Jesus Christ, David’s Lord.

• No being was ever more lovely than our Saviour;
it would seem almost impossible not to have affection for Him.
Certainly at first sight it would seem far more difficult to hate Him than to love Him.
And yet, loveable as He was, yes, “altogether lovely“,
no being so early met with hatred
and no creature ever endured such a continual persecution as He had to suffer.
He is no sooner ushered into the world,
than the sword of Herod is ready to cut Him off
and the innocents of Bethlehem by their dreadful massacre,
gave a sad foretaste of the sufferings which Christ would endure
and of the hatred that men would pour upon His devoted Head.
From His first moment to the Cross,
save the temporary silence while He was a child,
it seemed as if all the world were in league against Him
and all men sought to destroy Him.
In different ways that hatred displayed itself, sometimes in overt deed,
as when they took Him to the brow of the hill and would have cast Him down headlong,
or when they took up stones again to stone Him,
because He said that Abraham desired to see His day
and saw it, and was glad.

At other times that hatred showed itself in words of slander,
such as these,
– “The Son of man came eating and drinking, and they say,
Behold a man gluttonous and a winebibber,
a friend of publicans and sinners.
But wisdom is justified of her children
“.
Matth.11: 19
or in looks of contempt, as when they looked suspiciously at Him,
because He did eat with publicans and sinners
and sat down to table with unwashed hands.
At other times that hatred dwelt entirely in their thoughts
and they thought within themselves,
This man blasphemes“, because He said,
your sins be forgiven you“.
But at almost every time there was a hatred towards Christ;
and when they took Him and would have made Him king and
a shallow fleeting flood of popular applause would have wetted Him on to an unsteady throne,
even then there was a latent hatred towards Him,
only kept under by loaves and fishes,
which only wanted an equal quantity of loaves and fishes offered by the priests,
to develop it itself in the cry of
Crucify him, crucify him“,
instead of the shout of
Hosannah! blessed is He
that comes in the Name of the Lord
“.
All grades of men hated Him.
Most men have to meet with some opposition;
but then it is frequently a class opposition
and there are other classes
who look at them with respect.
The demagogue, who is admired by the poor,
must expect to be despised by the rich;
and he who labours for the aristocracy,
of course meets with the contempt of the many.
But here was a Man Who walked among the people, Who loved them,
Who spoke to rich and poor as though they were [as indeed they are]
on one level in His blessed sight:
and yet all classes conspired to hate Him;
the priests cried Him down because he spoiled their dogmas;
the nobles would put Him to death because He spoke of being a king;
while the poor, for some reasons best known to themselves,
though they admired His eloquence,
and frequently would have fallen prostrate in worship before Him,
on account of the wondrous deeds He did,
even these, led by men who ought to have guided them better,
conspired to put Him to death
and to consummate their guilt by nailing Him to the Tree
and then wagging their heads, bade Him, if He could build a Temple in three days,
to save Himself and come down from the Cross.

Christ was the hated one,
the slandered and scorned;
He was “despised and rejected of men,
a man of sorrows and acquainted with grief
“.
Isaiah 53: 3

Then, let us defend what the Saviour said,
– “They hated me without a cause“.
• And we remark, that, apart from the consideration of man’s sinfulness,
and Christ’s purity, there certainly is not cause, whatever to be discovered
why the world should have hated Him.
Let us regard Christ in His person.
Was there anything in Christ’s person as a man, when He lived in this world,
which had a natural tendency to make any person hate Him?
Let us remark, that there was an absence of almost everything
which excites hatred between man and man.
In the first place there was no great rank in Christ to excite envy.
It is a well-known fact that let a man be ever so good,
if He be at all lifted above His fellow-creatures by riches,
or by title, though one by one men will respect Him,
yet the many often speak against Him,
not so much for what He is, as for His rank and His title.
It seems to be natural to men in the mass to despise nobles;
each man, individually, thinks it a wonderful fine thing to know a lord;
but put men together and they will despise lords and even bishops
and speak very lightly of principalities and powers.
Now Christ had none of the outward circumstances of rank,
He had no chariot, no long sleeves, no elevation above His fellows;
when He walked abroad there were no heralds to attend Him,
there was no pomp to do Him honour.
In fact, one would think that Christ’s appearance
would naturally have engendered pity.
Instead of being lifted above men,
He did, in some sense, seem to be below them, for foxes had holes,
and the birds of the air had nests,
but the Son of Man had not where to lay His head.
The envy naturally excited by rank, station, and such-like,
could not have operated in Christ’s case;
there was nothing in His clothing to attract attention;
it was the clothing of the provincial of Galilee
-“of one piece, woven from the top throughout“[John 19: 23].
Nor was there anything in His rank.
He might have been the son of an ancient royal family,
but its royalty was apparently extinct
and He was only known as the son of the carpenter.
The hated Him, then, in that sense, “without a cause“.

• Many persons seem to have envy excited in them
against those who exercise rule or government over them.
The very fact of a man having authority over me
stirs up my evil passions
and I begin to look at him with suspicion,
because he is invested with that authority.
Some men naturally fall into the groove
and obey simply because the ruled is made;
principalities and powers are established
and they submit themselves for the Lord’s sake;
but the many seem to have a natural tendency
to kick against authority, simply because it is authority.
But if authorities and governments were changed every month,
I believe that in some countries, in historical Roesj for instance,
there would be revolutions as much under one government as under another;
in fact, they hate all government there and wish to be without law,
that each man may do what is right in his own eyes.
But this did not operate in Christ’s case,
– He was not a worldly king; He did not assume sway over the multitude.
It is True He was Lord over tempests and seas;
it is True He could command demons, and, if He pleased,
men must have been His obedient servants; but
– He did not assume power over them.
– He marshalled no armies, He promulgated no laws,
– He made Himself no great fellow in church or country; the people did just as they liked,
for all the authority He exercised over them.
In fact, instead of binding laws upon them which were severe,
– He seemed to have loosened the rigidity of their system; for when the adulterous woman, who, otherwise, would have been put to death, was brought before Him,
He said,
Neither do I condemn you” [John 8:11].
And He relaxed, to a certain extent,
the rigidity of the Sabbatical ordinance,
which was in some respects too burthensome,
saying, ” the Sabbath was made for man not man for the sabbath“[Marc.2: 27].
Surely, then, they hated Him “without a cause“.

• Some men make others dislike them because they are proud.
I know some men that I should have liked very well
if the starch had been left out of them;
I should really sympathize with them and admire them
if they had the least degree of condescension,
but they seem to walk about the world with such a style of pride!
They may not be proud
– very likely they are not; but, as an old divine said,
Go tell that fox, ‘I will keep on driving out demons
and healing people today and tomorrow,
and on the third day I will reach my goal’
“.
Luc.13: 32
And, somehow or other,
the human mind cannot bear pride; we always kick against it.
But there was nothing of that in our Saviour.
How Humble He was! Why He stooped to anything.
He would wash His disciples’ feet;
and when He walked about among men,
there was no parade about Him, as if He would say to them,
See my talent, see my power, see my rank, see my dignity,
stand by, I am greater than you

No, He takes His seat there.
There is Matthew, the publican, sitting beside Him
and He does not think He is hurt by the publican,
although He is the worst of sinners;
and there is a harlot, He speaks to her;
there is another with seven devils
and He casts the devils out of her,
and another, who has the leprosy,
and He even touches the leper,
to show how Humble He was and
that there was nothing of pride about Him.

Could you have seen the Saviour;
He was the very archetype of humility!
There were none of your forms of etiquette and politeness about Him;
He had that True politeness which makes itself affable to all men,
because it is kind and loving to all.
There was no pride in the Saviour
and consequently there was nothing to excite men’s anger on that account.
Therefore, they hated Him “without a cause“.

• There are others that you cannot help disliking,
because they are so snappish, and waspish, and angry;
they look as if they were born on some terribly dark stormy day
and as if, in the mixture of their body, no small quantity of vinegar was employed.
You could not sit long with them, without feeling
that you have to keep your tongue in pretty tight chain;
you must not talk freely or there would be a quarrel,
for they would make you an offender for a word.
You may say,
Such an one is, no doubt a good man” [Matth.19:17];
but really, that temper of his I cannot bear it.
And when a man stands prominently before the public,
with a nasty sour disposition,
one feels inclined to dislike Him.
But there was nothing of this about our Saviour.
When He was reviled, He reviled not again“[1Petr.2: 23]:
if men spat in His face He said nothing to them;
and when they smote Him, He did not curse them;
He sat still and bore their scorn.
He walked through the world,
with contempt and infamy constantly poured upon him;
but “He answered not a word“[Matth.27: 14];
He was never angry.
You cannot find, in reading the Saviour’s life,
that He spoke one angry word,
save those words of Holy anger which He poured,
like scalding oil, upon the head of pharisaic pride;
then, indeed, His anger did boil, but it was Holy anger.
With such a loving, kind, gentle spirit, one would have thought
that he would have gone through the world as easily as possible.
But, notwithstanding all that, they hated him.
Truly, we can say, “They hated Him without a cause“.

• There is another set of people you can scarcely help disliking;
they are selfish people.
Now, we know some persons who are very excellent in temper,
who are extremely honest and upright, but they are so selfish!
When you are with them, you feel that they are just friends to you
for what they can get out of you; and when you have served their turn,
they will just lay you aside, and endeavour to find another.
In trying to do good, their good deed has an ulterior object,
but, somehow or other, they are always found out;
and no man in the world gets a greater share of public odium
than the man who lives a selfish life.
Among the most miserable men in the universe,
kicked about the world like a football, is the selfish collector.

But in Christ there was nothing selfish;
whatever He did, He did for others.
He had a marvellous Power of working Miracles,
but He would not even change a stone into bread for Himself” [Matth.4: 3];
He reserved His Miraculous Power for others;
He did not seem to have a particle of self in His whole nature.
In fact, the description of His life might be written very briefly:
He saved others, Himself He did not save“[Matth.27: 42].
He walked about; He touched the poorest, the meanest
and those who were the most sick;
He cared not what men might say of Him;
He seemed to have no regard for fame, or dignity, or ease, or honour.
Neither His bodily nor his mental comforts were in the least regarded by Him.
Self-sacrifice was the life of Christ;
but He did it with such an ease that it seemed no sacrifice.
Ah! beloved, in that sense certainly they hated Christ without a cause;
for there was nothing in Christ to excite their hatred
– in fact, there was everything, on the other hand,
to bind the whole world to love
and reverence a character so eminently unselfish.

• Another sort of people there are that I do not like, namely the hypocritical;
nay, I think I could even live with the selfish man, if I knew him to be selfish;
but the hypocrite, do not let him come anywhere near where I am.
Let a public man be a hypocrite once
and the world will scarcely trust him again; they will hate him.
But Christ was, in this particular, free from any blame;
and if they hated Him, they hated Him not for that,
for there never was a more unvarnished man than Christ.
He was called, you know, the child Jesus;
because as a child speaks itself out and has no reserve,
and no craftiness, even so was it with Jesus;
He had no affectation, no deceit.
There was no change about Him;
He was “without variableness or shadow of turning“[Jac.1: 17].
Whatever the world may say of Christ,
they never said they believed He was a hypocrite;
and among all the slanders they brought against Him,
they never disputed His sincerity.
Had they been able to show that He really had been imposing upon them,
they might have had some grounds for hating Him;
but He lived in the Sunlight of sincerity
and walked on the very mountain-top of continual observation.
He could not be a hypocrite and men knew He could not;
and yet men hated Him.
Verily, my friends, if you survey the character of Christ, in all its loveliness,
in all its benevolence, in all its sincerity, in all its self-devotion,
in all intense eagerness to benefit man, you must say, indeed,
“They hated him without a cause”
there was nothing in Christ’s person to lead men to hate Him.

• In the next place, was there anything in Christ’s errand
which could make people hate Him?
If they had asked Him, for what reason have you come from Heaven?
would there have been anything in His answer likely to excite their indignation and hatred?
I troy not. For what purpose did He come?
He came, first of all, to explain Mysteries
– to tell them what was meant by the Sacrificial Lamb,
what was the significance of the scape-goat,
what was intended by the Ark, the brazen serpent, and the pot of manna;
He came to rend the veil of the Holy of holies,
and to show men secrets they had never seen before.
Should they have hated one Who lifted the veil of Mystery
and made dark things light, and expounded riddles?
Should they have hated Him Who taught them
what Abraham desired to see, and what Prophets and kings had longed to know,
but died without a knowledge of?
Was there anything in that to make them hate Him?
What else did he come for?
He came on earth to reclaim the wanderer;
and is there anything in that that should make men hate Christ?
If He came to reform the drunkard, to reclaim the harlot,
and gather in the publicans and sinners,
and bring prodigals to their Father’s House again,
sure that is the Object with which every philanthropist should agree;
it is that for which our governments are formed and fashioned,
to bring men to a better state; and if Christ came for that purpose,
was there anything in that to make men hate him?
For what else did He come?
He came to heal the diseases of the body;
is that a legitimate object of hatred?
Shall I hate the Physician Who goes about
gratuitously healing all manner of diseases?
Are deaf ears unstopped, are mouths opened, are the dead raised,
are the blind made to see, and widows blest with their sons?
Are these causes why a man should be obnoxious?
Surely, He might well say,
For which of these works do you stone me?
If I have done good works wherefore speak ye against me?
“[John 10: 32].
But none of these works were the cause of men’s hatred;
they hated Him without a cause.

• And He came on earth to die, that sinners might not die?
Was that a cause of hatred?
Ought I to hate the Saviour,
because He came to quench the flames of hell for me?
Should I despise Him Who allowed His Father’s flaming sword
to be quenched in His own vital blood?
Shall I look with indignation upon the substitute
Who takes my sin and grief’s upon Him, and carries my sorrows?
Shall I hate and despise the man Who loved me better than He loved Himself
– Who loved me so much that He visited the gloomy grave for my Salvation?
Are these the causes of hatred?
Surely His errand was one
that ought to have made us sing His praise for ever,
and join the harps of angels in their rapturous songs.
“They hated Me without a cause.”

• But once more: was there anything in Christ’s doctrine
that should have made us hate Him?
No, we answer; there was nothing in His doctrine
that should have excited men’s hatred.
Take His pre-locked up doctrines.
Did He not teach us to do to others as we would they should to us?
Was He not also the exponent of everything lovely and honourable, and of good report?
And was not His teaching the very essence of virtue, so that if virtue’s Self had written it,
it could not have written such a perfect code of lovely morals, and excellent virtues.
Was it the ethical part of his doctrines that men hated?
He taught that rich and poor must stand on one level;
He taught that His Gospel was not to be confined to one particular church or nation,
but was to be Gloriously expansive, so as to cover the whole world?
This perhaps, was one principal reason of their hating Him;
but surely there was no justifiable cause for their indignation in this.
There was nothing in Christ to lead men to hate him.
“They hated him without a cause.”

• And now I come to dwell on man’s sin,
that He should have hated the Saviour without a cause.
Ah!, I will not tell you of man’s adulteries, and fornications,
and murders, and poisonings, and sodomies.
I will not tell you of man’s wars, and bloodsheds,
and cruelties, and rebellions;
If I want to tell you man’s sin,
I must tell you that man has to make up his mind
– that he put to death His God, and slew His Saviour;
and when I have told you that, I have given you the essence of all sin,
the master-piece of crime, the very pinnacle and climax of
the terrific pyramid of mortal guilt.
Man outdid himself when he put His Saviour to death,
and sin did out
– Herod when it slew the Lord of the universe,
the Lover of the race of man, Who came on earth to die.
Never does sin appear so exceedingly sinful
as when we see it pointed at the Person of Christ,
Whom it hated without a cause. In every other case,
when man has hated goodness, there have always been some extenuating circumstances.
We never do see goodness in this world without mixed ingredients;
however great may be any man’s goodness,
there is always some nail whereon we may hang a censure;
however excellent a man may be, there is always some fault
which may diminish our admiration of our love.
But in the Saviour there was nothing of this.
There was nothing that could blot the picture;
Holiness stood out to the very life; there was Holiness – only Holiness.
There was nothing in Him but Holiness:
and any person with half an eye can see, that the thing men hated was simply
that Christ was perfect; they could not have hated Him for anything else.
And thus you see the abominable, detestable evil of the human heart
– that man hates goodness simply because it is such.

• Brokenness we see nowadays is not what He intended:
domestic violence, corrupted governments,
resentful nations and bitter Church congregations.
We all know that when the Lord created this world,
everything was ‘Good‘ and ‘in order‘.
His purpose for Humanity is so that everyone
can enjoy this relationship with Him and worship Him.
But until we realize and truly understand
how fearfully and wonderfully we were made,
Whom we belong to and why we are even here,
we will not be able to fulfil God’s Purpose in the world.

Will we not help one another
to bring the beauty within each of us out?
Will we not allow our hearts to be broken
for what breaks Him?
Will we not use our God-given talents to serve our families,
neighbours or even strangers?
And will we not pour our hearts, thoughts and spirits
in seeking and searching for Him
in order to have more of His Love every day?

We are children of the King.
Let us do all this, and many more.
And now may you who hate Christ love Him;
that He would bring Himself to you now!
That He would show himself to you!
And then sure you must love Him at once.
He that believeth on the Lord Jesus will be sure to love Him
and he that love Him shall be saved.
That God would give you Faith
and give you Love,
for Christ Jesus’ sake!

Today is the day of your judgment. Do not fear.
Come, bare your back with Him Who bared His back and was not ashamed.
Come, turn your face, and turn it without looking backward,
as  the Prophet said about Him,
I turned not backward [never]”.
Isaiah 50: 5

Do not be afraid. Walk, step by step.
That is the Price of your minor sins,
the cost of violating God’s minor commandments.
Come, come with Me,
share this punishment that can wash your flesh, blood, and bones
and make you reborn with the flesh of a new-born babe.

Today is the Day of Judgment of mankind for minor sins.
Come, come, O sinners, those with a heavy conscience,
those burdened by sin; come, for this Day is yours.
Come to sate the passions of your conscience,
to live without a conscience burdened by sin,
not with a conscience that has sinned,
but with a conscience that has been purified
and cleansed to become whiter than snow [Psalm 50].

They clothed Him with a crimson robe
on the Day of the Cross,
which is in fulfilment of the Prophecy:
Who is this that comes from Edom,
in crimsoned garments from Bozrah“,
Isaiah 63: 1
i.e., crimson robes stained with blood.
The mention of a crimson robe here has a beautiful reference to the cross:
Though your sins are like scarlet, they shall be white as snow,
though they are red like crimson, they shall become like wool“.
Isaiah 1: 18
The wool here refers to the robe of the Lamb on the Cross.
They stripped Him, dressed Him in a crimson robe
and lifted Him up, revealing the royal robe.
Christ donned the robe of Glory,
the robe of Eternal Purity.

But when the Comforter is come,
Whom I will send unto you from the Father,
even the Spirit of truth, Which proceeds from the Father,
He shall testify of me:
And you also shall bear witness,
because you have been with Me
from the beginning
“.
John 15: 26-27

April 11th – Saint Antipas, Bishop of Pergamum [† 92]

Many Christian traditions believe Saint Antipas to be the Antipas referred to in the Book of Revelation.
Revelation says [as it were from the mouth of Christ,
Who says to the Angel – that is, the Bishop of the Church of Pergamom]:
I know your works, and where you live, even where Satan’s seat is;
and you hold fast My Name, and have not denied My Faith,
even in those days wherein Antipas was my faithful Martyr,
who was slain among you, where Satan dwells
Rev 2: 13

According to Christian Tradition, John the Apostle ordained his disciple Antipas
as bishop of Pergamon during the reign of the Roman emperor Domitian.
The traditional account goes on to say Antipas was martyred in ca. 92 AD by burning in a brazen bull-shaped altar used for casting out demons worshiped by the local population.
There is a tradition of oil (“manna of the saints”) being secreted from the relics of Saint Antipas.
Some Christians pray to this saint for ailments of the teeth.

Dismissal Hymn              1st Tn
The celebrated hierarch and Pergamom’s first prelate,
the fellow-contestant of Martyrs and most divine myrrh-streamer,
come let the faithful honour now wise Antipas,
who truly is a great and swift healer of severely afflicted teeth
and cry to him with our whole soul,
‘Glory to Christ that has glorified you.
Glory to Him that has crowned you.
Glory to Him that works healing for all through you’
“.

Kontakion          8th Tn
To the Hierarch and renowned Great Martyr of the Lord,
to the most excellent protector of all Pergamom,
to him that cast our common foe down in ruin,
to Antipas let us sing praises as is due,
for he heals them that suffer from afflicted teeth.
Let us cry with love,
‘Rejoice, O thrice-blessed Father’
“.

April 9th – Saint Monk-Martyr Bademus [Vadim, †376], Archimandrite of Persia

Saint Monk-Martyr Bademus lived in
the 4th century in the Persian city of Bethlapeta,
and was descended from a rich and illustrious family.
In his youth, he was enlightened with the Christian teaching.
The Saint gave away all his wealth to the poor
and withdrew into the wilderness,
where he founded a Monastery.
He would go up on a mountain for solitary prayer
and once was permitted to behold
the Glory of God.

During this period the Persian emperor Sapor [310 – 381] began to persecute Christians.
They arrested Saint Bademus and his seven disciples and tortured them in prison, hoping that they would renounce Christ and worship the sun and fire.
But Saint Bademus and his disciples held firmly to the Christian Faith.
The confessors spent four months in jail.
One of the associates of the emperor Sapor, Nirsanes,
was a Christian and suffered imprisonment for this.
He did not hold up under torture and denied Christ,
promising to fulfil whatever the emperor commanded.
Sapor demanded that Nirsanes personally cut off the head of Saint Bademus.
For this he was promised a reprieve and great rewards.
Nirsanes was not able to overcome his fear of new tortures
and he agreed to follow the path of betrayal walked by Judas.

When they brought Saint Bademus to him,
he took the sword and turned toward him,
but overcome by conscience, he trembled and stood petrified.
Saint Bademus said to him,
Has your wickedness now reached this point, Nirsanes,
that you should not only renounce God, but also murder His servants?
Woe to you, accursed one!
What will you do on that day when you stand before the Dread Judgment Seat?
What answer will you give to God?
I am prepared to die for Christ,
but I don’t want to receive death at your hands
“.

Nirsanes struck with the sword, but his hands shook
and he could not behead the Saint immediately
and the fire-worshippers began to call him a coward.
The holy Martyr Bademus stood motionless,
enduring many terrible blows,
until the murderer succeeded in cutting off his head.

The just punishment for his misdeeds were not slow in overtaking the hapless fellow.
Tormented by his conscience, he did away with himself, throwing himself on a sword.
After the death of the emperor Sapor,
the seven disciples of Saint Bademus were released from prison.
Saint Bademus is the patron saint of all those
who were baptized with the name Vadim.