8e zondag ná Pinksteren – naviering van Transfiguratie – Metamorfose een totale omwenteling in ons gedrag

Het gehele innerlijk leven door de maaltijd-‘lens’ zien, afb. van een ‘migrantenkerk‘; See the entire inner life through the meal ‘lens’, image of a ‘migrant church‘; Δείτε ολόκληρη την εσωτερική ζωή μέσω του φακού γεύματος, της εικόνας μιας «μεταναστευτικής εκκλησίας»; شاهد الحياة الداخلية بأكملها من خلال عدسة الوجبة ، صورة “كنيسة مهاجرة”.

    En toen Hij uit het schip [van de Kerk, de wereld in] ging, zag  Hij een grote menigte, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en  genas onder hen de zieken.
Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden:
‘   De plaats
[hier] is [ontzettend] eenzaam en de tijd is [haast] reeds verstreken; zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om
spijzen voor zich te kopen
[economie te bedrijven]’.
Maar Jezus zei tot hen:
‘     Zij behoeven niet
[van Mij] weg te gaan, geeft gij hun te eten’.
Zij zeiden tot Hem:
‘     Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen
[wij zijn blut, platzak]’.
Hij zei:
‘     Brengt Mij die hier
[Zijn opdracht = breng de mensen bij Mij]‘.
En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn Leerlingen en de Leerlingen gaven ze aan de menigte.
En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de menigte zou hebben weggezondenMatth.14: 14-22.

een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid“; “a crucified Christ, a jolt for the Jews, a foolishness for the Gentiles“.

    Doch ik vermaan u, broeders, bij de Naam van onze Heer Jezus Christus:
‘ weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn;
weest vast aaneengesloten, een van zin en een van gevoelen.

Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de ( huisgenoten) van Chloe, dat
er twisten onder u zijn.

Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft:
Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Kefas! En ik van Christus! 
Is Christus gedeeld? Is Paulus dan voor u gekruisigd, of zijt gij in de naam van Paulus gedoopt?

Ik ben dankbaar, dat ik niemand van u gedoopt heb dan Crispus en Gajus; zodat
niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt. 
Ook heb ik nog het gezin van Stefanas gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.
Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen, en dat niet met wijsheid van woorden, om niet het kruis van Christus tot een holle klank te maken1Cor.1:10-17.

Job en zijn echtgenote, I.M.Sinaï, 11e eeuw

    Maar Job antwoordde: Waarlijk, jullie zijn nog eens mensen: met u zal de wijsheid uitsterven.

  • Ook ik heb verstand, zo goed als gij, ik doe voor u niet onder; aan wie zijn zulke dingen niet bekend?
  • Tot een spot ben ik mijn naaste, ik, die God verhoorde, als ik tot Hem riep; tot een spot is de rechtvaardige, de vrome.
    • Voor de ongelukkige, smaad, is de mening van de voorspoedige; dat is het deel van degenen wier voet wankelt. ✥ 
    Vredig staan de tenten der geweldenaars en veilig zijn zij die God tot toorn prikkelen, ieder die God naar zijn hand wil zetten.
    ➥ Maar vraag toch het gedierte, en het zal u onderrichten; het gevogelte des hemels, en het zal u inlichten.
    ➥ Of spreek tot de aarde, en zij zal u onderrichten, en laat de vissen der zee het u vertellen.
     🌈           Wie onder deze alle weet niet, dat de hand des Heren dit doet,
    in Wiens hand de ziel is van al wat leeft en de Geest van ieder sterveling?
    Toetst het oor de woorden niet, en proeft het gehemelte niet de spijze?
    Bij grijsaards zou wijsheid zijn, en lengte van dagen zou doorzicht betekenen? Bij Hem is wijsheid en sterkte, Hij heeft raad en doorzicht.
    Breekt Hij af, er wordt niet opgebouwd; sluit Hij iemand op, er wordt niet ontsloten;
    Houdt Hij de wateren terug, zij verdrogen; laat Hij ze gaan, zij woelen de aarde om.
    Bij Hem is kracht en beleid, Zijn’s is de misleide en de misleider.
    Raadsheren zendt Hij barrevoets heen, en rechters maakt Hij tot dwazen. Boeien, door koningen aangelegd, slaakt Hij en Hij bindt een band om hun lendenen.
    Priesters zendt Hij barrevoets heen en wie vast staan, stort Hij neer.
    Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt, en neemt het onderscheidingsvermogen van de ouderen weg.
    Hij giet smaad uit over edelen en maakt de gordel van machtigen los. Hij legt de diepten uit de donkerheid bloot en brengt de diepe duisternis aan het lichtJob 12: 1-22.

Niemand houdt van pijn, zoekt de pijn op en wil alleen maar pijn ervaren alleen om de pijn zelf;
de belangrijkste pijn wordt veroorzaakt door een niet volledig ontwikkelde elite.

Alles wat we vandaag doen heeft betekenis voor de toekomst, want tot nog toe verkeren de kinderen van God slechts in rouw.

Onze wereld in beweging naar de afgrond
Christus wil heus wel, Die ziet de menigte mensen om Zich heen, is ontroert en met ontferming bewogen, waarop Hij nog steeds de zieken onder een menigte van mensen geneest.
Vervolgens gaat Hij nog een stap verder en voedt op Mystieke wijze de menigte met 5 broden en 2 vissen, waarna van de overschotten 12 grote korven gevuld worden, hetgeen op een overvloed duidt.
Vervolgens roept Paulus op tot eenstemmingheid om scheuringen te vermijden; dat de Kerk aan-één-gesloten dient op te treden en één van zin dient te zijn in gevoelen. En wanneer je om je heen kijkt is de elite daar echt niet naar uit.

      Waar hebben wij dat nog meer gehoord, het lijkt wel òf wij het kerkelijk laatste nieuws hebben aangezet, waarin het ach en wee weerklinkt en de chaos alom is, zijn we daarom op weg naar de ontslaping van de Theotokos?
      De wereld speelt ook een rol, want je hoort in de lezing van Job verwijzen naar het feit dat wijsheid vèr te zoeken is, terwijl de geweldenaars zich vredig in hun tenten [paleizen] terugtrekken en zij zich veilig achten ten opzichte van de toon van God – terwijl zij iedereen naar hun hand zetten.

Neen, ik ben niet van Constantinopel, ik ben niet van Moskou, ik heb mij laten voorlichten door de ascetische vogelen in de Hemelen en de vissen in de zee.
    Die weten nog wàt de hand des Heren doet.
    Die weten nog in Wiens hand de ziel zich bevindt van al wat leeft en
      tevens de geest bezit van iedere sterveling, zij zingen slechts de lof tot God.
  Zij zijn nog op de hoogte dat het oor de woorden, die door mensen geuit worden, dient te toetsen en dat het gehemelte de spijzen dient te proeven, alvorens het door te slikken.
  Die weten nog dat grijsaards ‘wijsheid en ervaring’ in hun leven’s-jaren hebben opgebouwd en daardoor inzicht hebben, je met raad en daad kunnen bijstaan.
  Deze zien dat geleidelijk aan alles tot op de grond wordt afgebroken, dat er niet meer wordt opgebouwd.
  Dat God door toezichthouders, die telkenmale van richting veranderen, zich verder opsplitsen – de wateren terugdringen zodat het Geloof opdroogt en de mensen niet meer weten waar de Waarheid Zich bevindt.
  Zowel de de misleide als de misleider bevinden zich in God’s hand.
  Koningen, raadsheren, priesters bindt Hij een band om de lendenen, stuurt Hij bloot’s-voet’s  weg en die nog overeind kunnen blijven laat hij [-‘door overbelasting, opgebrand’-] instorten.
  God brengt de diepe duisternis waar wij ons in bevinden aan het licht en legt de diepste diepten van het menselijk onvermogen bloot.
  Alles wat vandaag gedaan wordt heeft betekenis voor de toekomst, want
tot nog toe verkeren de kinderen van God slechts in rouw.

  • – In de wereld is het niet anders,
    opwarming van de aarde droogte in de wereld

    de natuur lijdt onder de overbelasting, welke de mens veroorzaakt.
    – Ontbossing, uitsterven van hele dierenrassen, vissen, die worden overbevist en in plastic afval sterven;
    – De lucht welke een levensvoorwaarde voor de mens is wordt steeds verder vervuild, door technische snufjes wordt de mens een robot – weet niet meer hoe te communiceren, zit de gehele dag aan de elektronische tap [telefoon, televisie] en nu wordt ook nog G5 ingevoerd, waarmee ook verdere inbreng van de mens lamgelegd wordt.
    – Dat de mens ziek wordt van al deze ontwikkelingen wordt terzijde geschoven, als de economie maar draait en anderen daarmee naar de hand worden gezet.

    Verneder jezelf, kom tot inzicht
    Wanneer worden we wakker, wanneer zal het tij gekeerd worden
    – God laat weten dat het hoog tijd wordt, Hij geeft enkel het teken van Jonah.
    Indien wij echter onszelf beoordelen, zullen wij niet onder het oordeel komen.                               Maar onder het oordeel van de Heer worden wij getuchtigd, opdat                                       zij niet met de wereld veroordeeld zullen worden 1Cor 11: 31,32.

  • Gaan we zo ver dat onze ledematen smelten, zoals het lood reeds smeltende is, weet u dat de orgelpijpen in de kerken al door de hitte ontstemd zijn geraakt;
    het water stijgt ons straks in de Lage Landen aan de lippen.

    Keer om nu het nog niet te laat is, de temperatuur loopt stapsgewijs op
    – straks is er zelfs zonder machinale opwekking geen normaal leven meer mogelijk.
    – Kinderen verliezen hun spraakvermogen, weten niet meer of er liefde of een kwaad woord wordt geuit. Zij kijken slechts naar hun mobiele communicatie-middelen en herkennen de gelaat’s-uit-drukkingen van de steeds wisselende opvoeders niet meer, die verschillen van aard.
    – de verontreiniging wordt opgevoerd.
    – Jullie weten toch nog, dat jullie, toen jullie nog onder invloed van de wereld heidenen waren, u
     blindelings naar de stomme afgoden heen liet drijven? 1Cor.11: 2.
        Ook ik heb verstand, net zo goed als jullie, ik doe voor jullie echt niet onder; aan wie zijn zulke dingen niet bekend? Tot een spot ben ik mijn naaste, ik, die God verhoorde, als ik tot Hem riep; tot een spot is de rechtvaardige, de vromeJob 12: 3,4.
    De hoofdstukken aan het begin van het boek Job benadrukken de spirituele kloof tussen Job en zijn omgeving.
    Vanaf voorgaande zin geeft de lijdende Profeet zijn [bloed-]broeders en vrienden advies over hun fouten en benadrukt het belang van zichzelf te vernederen voor
    de Heer en de grenzeloze soevereiniteit van God te aanvaarden.
    Vervolgens zal Job een pleidooi doen om de Genade van God voor zichzelf te verkrijgen, een dusdanig geformuleerd gebed dat dit iedereen zal zegenen die zijn voorbeeld volgt.
                De ascetisch gevormde H. Hesychius van Jeruzalem ontwaart, ziet de trots en de arrogantie van Job’s omgeving, waaronder zijn medebroeders en vrienden:
    Terwijl Job op een mesthoop zit, zit jij op je door jezelf tot koninklijk verheven troon.
    Hij is bedekt met ziekte en jullie zijn in goede gezondheid.
    Hij is een voorwerp van minachting en jullie strijken voor de wereld de eer op. Zijn omgeving, medebroeders en vrienden hebben Job verlaten;
    zijn dienaren zijn vertrokken; zijn bloedverwant hebben hem verstoten.
    Maar jij . . . geniet ervan te genieten van wat niets anders is dan werelds gras, “wind waait erover en het is er niet meer”.
    Waarom ben je dan nog bij Job betrokken? Is het misschien dat jullie, door je van hem te onttrekken, op de vlucht bent voor gerechtigheid?conf. Manley, Wisdom, pg. 216.

Maar zie, Job is -zelf beter wetend- nog best aardig voor degenen, die hij adviseert. Hij biedt leven’s-gevende raad en roept hen – en ons – op tot
de verhoging die in ware nederigheid ligt.

Profeet job

Job doorzoekt eerst de harten van zijn vrienden:
Bovendien zijn jullie mannenbroeders. Zal de wijsheid voor zeker met jullie  afsterven?‘.
Vervolgens leidt hij hen naar nederigheid.
Maar ik heb ook een hart in mijn binnenste, net zo goed als jij. Een rechtvaardig en onberispelijk man is een voorwerp van spot geworden’.
En hij deelt dit inzicht met betrekking tot nederigheid:
Want het was verordend dat hij op de afgesproken tijd onder de macht van anderen zou vallen en zijn huizen door de wettelozen zouden worden geplunderdJob 12: 5.

Het punt welke hij aanstipt is kinderlijk eenvoudig
      vernederende gebeurtenissen en kwellende omstandigheden
geven niet noodzakelijkerwijs aan dat een mens slecht of zondig is.
In de door God als goed-maar-gevallen wereld kan onze huidige toestand
      òf we nu genieten van de goede dingen in het leven,
      òf dat we worden getroffen en beroofd van wereldse genoegens
      absoluut ‘niet’ direct worden toegeschreven aan zonde of onberispelijk leven.

De profeet blijft over nederigheid spreken om in deze een plechtige waarschuwing af te geven: “Laat echter niemand worden overtuigd dat hij, als hij slecht is, onschuldig zal worden gehoudenJob 12: 5.

We dienen -‘óh zó’- voorzichtig te zijn en God nooit lichtzinnig uit te proberen, te testen, want “laat degenen die de Heer uitdagen niet worden overtuigd dat er geen beoordeling’s-proces voor hen zal volgenJob 12: 6.
Zelfvertrouwen voor God op basis van iemands opgeblazen blazoen, z’n materiële status is rampzalig en misleidend.
We dienen niet voorbij te gaan aan het feit dat “de rijkdommen van [God’s] goedheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid” bedoeld zijn om iedereen tot bekering te leiden, “     beseft gij niet, dat de goedertierenheid God’s u tot boetvaardigheid leidt?Rom.2: 4.
God heeft Christus Jezus, als Vader over de mensheid voorgesteld als zoenmiddel door het Geloof, in Zijn bloed, om Zijn Rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraag-zaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden Rom. 3: 25.
    Want allen hebben gezondigd en schieten tekort in de Heerlijkheid van GodRom.3: 23. Inderdaad, we dienen in dit leven zeer bedachtzaam en met de grootste zorg onze pelgrimstocht naar  God voort te zetten!

De profeet Job herinnert ons eraan wat de geschapen wereld > als vanzelf-sprekend als normaal gedrag ontwijkt:
dat ‘het leven van elk levend wezen is in God’s hand‘,
inclusief ‘de adem van elke mensJob 12: 10.
Met prachtige beelden, waaraan menig filmregisseur niet kan tippen spoort Job ons aan nederige gehoorzaamheid te leren van de dieren, de vogels, “de vissen van de zeeJob. 12: 8 en
zelfs de stomme aarde die we elke dag moedig vertrappen, door de grond van al haar krachten te ontdoen en haar natuurlijk herstel geen tijd gunnen.

eikenprocessierups, rupsje nooit genoeg

Zo ontstaan de ons overweldigende mistoestanden in de natuur, zoals de afgelopen tijd de eikenprocessierups [als gevolg van ons gedrag als ‘rupsje-nooit-genoeg’].
Zoals de heilige Tikhon van Zadonsk ons voorhoudt:
Laten we. . . op onderzoek uitgaan en ons eigen gedrag bezien, hoe we leven, hoe we ons gedragen, hoe we denken,
hoe we spreken, hoe we handelen, met
welk hart we anderen aanspreken voor God Die
alle dingen aanschouwt, ziet en hoe we elkaar behandelen.
En. . . laten we onszelf . . . in waarheid [met open vizier] benaderen . . .
en corrigeren

conf. Journey to Heaven, pg. 57.

Wie zal de vlammen van vuur voor mij doven?
Wie zal mijn duisternis verlichten indien U
geen Genade meer voor mij kunt opbrengen,
o Heer, omdat U de Minnaar van de mensen bent?

conf. de tekst uit de Grote completen

De soevereiniteit van God
Het boek Job gaat nog verder, “ . . . bij grijsaards zou wijsheid zijn, en lengte van dagen zou doorzicht betekenen? Bij God is Wijsheid en Sterkte, Hij heeft raad en doorzichtJob 12: 12,13.
In de goddelijke leer van de eeuwig lijdende profeet Job wordt ieder menselijk schepsel aangespoord om de onvoorwaardelijke soevereiniteit van de Heer te overwegen.
Na de nederigheid als de juiste deugd voor God te hebben aanbevolen Job 12: 7-9,
gaat de profeet op natuurlijke wijze voort op weg naar de ongekwalificeerde Heerschappij van God.
    De Heer is Koning, met luister getooid:
de Heer heeft Zich bekleed met Macht en Zich omgord.
Want Hij heeft heel de wereld gegrondvest: zij staat onwankelbaar.
Vanaf het begin staat Uw troon gevestigd: Gij zijt van alle eeuwigheid.
Stromen verhieven, Heer, stromen verhieven hun stem;
stromen zweepten hun golven op met geweldig gedonder van water.
Wonderbaar zijn de hoge golven der zee; wonderbaar is de Heer in de hoge.
Uw getuigenissen zijn uiterst geloofwaardig: Uw huis, Heer, past heiliging tot in lengte van dagen” Psalm 92[93] vert. ROK ’s-Gravenhage.

       De Heerschappij van de Heer regeert alle dingen
naar Zijn Wijsheid, Macht, raad en begrip Job 12: 13.

de berg op, naar de grot

Onze Heer en Verlosser, Jezus Christus, onze God verheft ook nederigheid/ascese als een noodzakelijke voorwaarde om
de Soevereiniteit van God te aanschouwen:
      Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen . . .
>      Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven
Matth.5: 3,5;
zij die het ‘horen’ zullen zich verheugen.
       Basilius de Grote drukt hetzelfde gevoel uit in dit liturgisch gebed:
      Het is waarlijk waardig, recht en overeenkomstig de luister van Uw Heerlijkheid,
U te loven, U te bezingen, U te aanbidden, U te danken, en
U te verHeerlijken als de alleen werkelijk zijnde God” Eucharistische Canon

        Job behandelt Job de drie aspecten van Gods aard:
1.]. Soevereiniteit over de schepping Job 12: 13-15;
2.]. Het enig waarachtige bestuur van de menselijke aangelegenheden Job 12: 16-21; en
3.]. De Openbaring van waarheden die doordringen in de donkerste schaduw van de dood Job 12: 22.   

       Zoals we telkens wanneer wij de Goddelijke Liturgie van de Guldenmond bijwonen kunnen horen,  heeft God ons “uit niet-bestaan ​​tot bestaan ​​[uit het niets tot het zijn] gebracht en toen we wegvielen heeft Hij ons weer opgericht en Hij is niet opgehouden alle dingen te doen totdat Hij ons terug heeft gevoerd naar de hemel”.
Job neemt een algemeen aanvaarde waarheid in acht:
“In de tijd is wijsheid en in een lang leven kennis” Job 12: 12.
Hij voegt echter een belangrijke waarschuwing toe:
slechts aan God behoort de bron van de ziel van alle Wijsheid en Kracht, Die
inherent is aan menselijke kennis, want Hij is wijsheid en kennis.
Begin daarom met Hem om “raad en begrip” te vragen Job 12: 13.
Laat je niet in met menselijke tekortkomingen – ‘bidt, huil, vecht en bewonder, niet zonder de Kerk, het Lichaam van Christus’.
Met deze opmerkingen ondergraaft Job elke poging om een eerdere advies over nederigheid te ontwijken.
De soevereiniteit van God over alles wat bestaat kan omver blazen, achter houden of vernietigen zoals Hij dit verkiest Job 12: 14,15.

Laat derhalve heel de mensheid beven van ontzag.
Denk aan Gods snelle reactie tegen de arrogantie van de koning van Babylon toen deze in grote waan en arrogantie verklaarde:
Is dit niet het grote Babel, dat ‘ik’ gebouwd heb tot een koninklijke woonstede door
de sterkte van mijn macht en tot eer van mijn majesteit? Nog was dat woord over de lippen van
de koning gekomen, toen er een stem uit de hemel klonk
[neerdaalde]:
‘ U wordt aangezegd, o koning Nebukadnessar
[Hebr.= ‘ moge de Profeet de kroon beschermen’]
: het koningschap is van u geweken, men verstoot u uit de gemeenschap der mensen en uw verblijf is bij het gedierte van het veld; gras zal men u te eten geven als aan de runderen; en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over het 
koningschap der mensen en dat geeft aan wie Hij wilDan 4: 30-32.

Job openbaart onomwonden dat God de raadgevers wegleidt, Hij beneemt de spraak aan hen op wie men vertrouwen stelt, neemt het onderscheiding’s-vermogen weg “de lippen van de gelovigen worden andersJob 12: 20; zij ontvangen het goddelijk vuur niet meer op de lippen.
De Heilige Gregorius de Grote merkt hierbij op dat Job hier aantoont dat God “het woord van waarheid geeft aan degenen die het doen en het ontneemt aan degenen die het niet doen” Manley, Wisdom, pg. 245.
We dienen  toch al onze gewoonten opzij zetten, die
onszelf slechts eer doen toekomen voor persoonlijke prestaties en lof op te strijken voor het werk van onze handen.
Ten slotte herinnert Job ons eraan dat de Heer vanuit de ondoorgrondelijkheid en duisternis van Zijn wezen ontzettend veel van de ‘diepe dingen’ van zijn raad aan ons openbaart ten einde ons her-op-te-voeden. De belangrijkste aanwijzing is God’s verlichting van “de schaduw van de doodJob 12: 22.
Hij legt zonde bloot en staat niet toe dat – de dood – als gevolg daarvan wordt verzwegen; wordt weggestopt, om er maar niet bij stil te hoeven staan.
Zoals Sint Hesychius van Jeruzalem opmerkt, zijn
vanaf de Pedagogie van onze Verlosser de verschrikkelijke nadelen en
schadelijkheid van zonde algemeen bekend geworden
” Manley, Wisdom, pg. 246.
tot onze Bruidegom:
    Onzichtbare Rechter, hoe hebt U aanvaard in het vlees te worden gezien?
Hoe is het mogelijk, dat U komt om door wet’s-overtreders gedood te worden en door Uw Lijden onze veroordeling teniet te doen?
Daarom brengen wij, o Woord, eenstemmig lof, grootheid en roem aan Uw Macht

– Kathismazang Orthros, Palmzondagavond.

Een pleidooi voor God’s Genadegaven
    Zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.
Och, of Gij mij daarentegen in het dodenrijk zou willen vasthouden,
mij uit Uw Aanschijn verborgen hield, totdat uw toorn geweken was;
dat Gij mij een tijd zou stellen en pas dan weer aan mij zou denken
Job 14: 12,13.
In voorgaand hoofdstuk 12 hield de Profeet Job ons de nederigheid voor
als bevestiging van de soevereiniteit van God, een waarheid die hij uit langdurige ervaring van pijn en diep, alomvattend lijden heeft leren kennen.
Toch pleit hij in zijn nederigheid om de Genadegaven van God, niet alleen voor zichzelf en voor alle mensen,  maar tevens dat Hij in staat mag blijken zijn hoop en vertrouwen in de Heer te handhaven.

Saint John of Damacus, Syrië

Het pleidooi van de profeet is zoals dat van de Heilige Johannes Damascinos, die schrijft:
  Al ons sterfelijk streven, tot zelfs in de kleinste de dingen, die wij nastreven zijn ijdelheid en
verdwijnen met de dood als sneeuw voor de zon.
Rijkdom wordt niet langer meegenomen, noch zal er enige glorie jouw voortgang na de dood vergezellen: want wanneer de dood komt, verdwijnen al deze dingen abrupt en volkomen.
Laten we daarom de onsterfelijke koning tot Christus aanroepen, Hij Die rust geeft in de woonplaats van allen die zich op Hem verheugen, aan hen die ons reeds zijn voorgegaan’
conf.: Orthodoxe begrafenisdienst.
Inderdaad, moge ieder van ons z’n ijdelheid onderkennen
gedurende de paar dagen die ons nog in dit leven resten en
pleiten dat de Onsterfelijke Koning ons de Goddelijke rust schenkt:
1.]. We dienen het met Job eens zijn dat iedereen
die geboren is uit een vrouw maar een kortstondige levensloop heeft en bovendien met woede en toorn is omgevenJob 14: 1.
De lijdende Profeet vermijdt de moderne neiging om dode lichamen
mooier te maken dan zij zijn, en de lelijkheid en de kou van de dood te verdoezelen. Hij verbergt zich niet voor de duistere macht die over ons en over onze beschaving zweeft.
En indien wij dan geen acht slaan op de stem van Job, laten dan in ieder geval de stalinistische goelag, de nazi-vernietigingskampen, die nog steeds in andere vorm voort blijven bestaan. evenals de terroristische aanslagen, de genocide en de etnische zuivering een goddelijke nederigheid in ons dienen op te wekken met
betrekking tot dit korte, onzekere leven.
2.]. Job deelt de conclusie van de Apostel Paulus dat:
Immers allen hebben gezondigd en daardoor beroofd zin van God”s HeerlijkheidRom.3: 23.
De Profeet zegt: “Zelfs als. . . het leven is maar één dag op aarde zou zijn” Job 14: 5, de waarheid [rein òf onrein] komt altijd boven water [aan het Licht] Job 14: 4.
David herinnert ons eraan:
Want zie, in ongerechtigheid ben ik geboren;
in zonde heeft mijn moeder mij ontvangenPsalm 50[51]: 5.
Iedereen zal voor de gevreesde rechterstoel van Christus staan.
3.]. Job merkt op dat de Waarheid van God
“Indien de dagen van de mens zijn vastgesteld, het getal van zijn maanden door God bepaald zijn, Hij als God Zijn grenzen heeft gesteld, die Hij voor nog geen seconde zal overschrijden” Job 14: 5.

Saint Methodius de belijder – Apostel gelijk

De Heilige Methodios verheugt zich juist over dit feit, omdat
de mens misschien geen . . . eeuwig levend kwaad zou kunnen laten voortduren, zoals het geval zou zijn geweest indien de zonde in hem dominant zou zijn geweest, wanneer de mens zich een onsterfelijk lichaam zou hebben aangemeten . . .
[de fysieke en psychische medische vooruitgang is op zich niet slecht, maar zou zich hiervan toch wel meer bewust dienen te zijn] 
God heeft hem om deze reden sterfelijk verklaard
conf. Discours on the Resurrection 1.4, ANF vol. 6, pg. 364.
Er is immers een zegen te vinden in de dood.

De Profeet eindigt met een intens pleidooi tot God,
zeer wel passend bij ons omringende tijdperk, ons huidig bestaan
​​- laat de Heer ieder mens de rust [van bestaan] gunnen/schenken en
opdat deze tevreden zou kunnen zijn met zijn leven van een aangenomen loon-dienaar Job 14: 6.
Hoewel hij de onverbiddelijkheid en zekerheid van de dood niet uit de weg gaat, biedt Job een verzoekschrift aan voor een heilige rust Job 14: 7-14.
Job spreekt over de dood als gericht zijnd op een doel, waarbij de rust van de mens wordt vergeleken met het verwelken van hardnekkige bomen.
    Wanneer zijn wortel in de aarde veroudert en zijn tronk in de grond afsterft, dan bot hij weer uit, zodra hij water ruikt, en schiet twijgen als een jonge plant.
Maar wanneer een mens sterft, dan ligt hij/zij krachteloos neer;
geeft een mens de geest, waar is hij/zij gebleven?Job 14: 8-10.
De Heilige Hesychius van Jeruzalem merkt op dat Job door
de dood – “slaap” – te noemen Job 14: 2 Job zijn vaste Hoop op de Opstanding bevestigt conf. Manley, Wisdom, pg. 276.
De dood blijft alleen ‘rusten’ totdat ‘de hemel is opgelost‘ en eerst dàn zullen de doden ‘ontwakenJob 14: 12.
4.]. Uiteindelijk vraagt ​​Job dat zijn rust in God’s handen bewaard mogen worden, waarbij de Heer hem [onder Zijn Vleugelen] beschermt tegen de ultieme toorn.
Daarom pleit hij dat “U mij een vaste tijd zou toewijzen waarin U mij zou gedenkenJob 14: 13.
Overeenkomstig de Heilige Hesychius weegt Job “ de Glorie van de toekomende tijd en het Eeuwige Leven, evenals de grote demotie/degradatie die dit huidige, vluchtige leven stil sluipend nadert”.

    O Heer, U hebt ons allen veroordeeld om
terug te keren naar de aarde vanwaar  we zijn weggenomen en
om U een ​​goddelijke rust af te smeken:
mogen we met Uw dienaren rusten in
de woning van de rechtvaardigen.
Orthodoxe begrafenisdienst.

Jesus Christ, ‘Just Judge‘, by Marchela Dimitrova

Op deze Zondag na Transfiguratie, die voorafgaat aan het feest van de Ontslaping van de Theotokos heeft de Kerk de Waarheid van het leven met je gedeeld.
Dit is de Waarheid van de Hogepriester, van onze Heer en Verlosser, Die alle losse eindjes aan elkaar heeft geknoopt.
Hij werd met ontferming over de mensheid bewogen en genas de zieken, slechts begeleid is door Zijn Liefde en Zorg voor eenieder van ons.
Aldus heeft Hij ontelbaar veel [een menigte van] mensen gevoed met Zijn Leven-schenkend Woord.

Let derhalve alleen op jou woord:
“Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, wees mij, zondaar, genadig”.
Deze manier door in stilte on-op-houdelijk de handeling van
het gebed voor te zetten doet op zichzelf geen afbreuk aan je bestaan. Je toont je daarbij als vanzelfsprekend een volwaardige loon-dienaar van Christus.
Het houdt je scherp en het smaakt als maar zoeter, alsof je honing in de mond hebt. Het gebed wordt op den duur zó vanzelfsprekend, dat je jezelf er niet langer toe behoeft te dwingen om onophoudelijk voortdurend deze smeekbede met je hart te beleven. Zowel kwa plaats en tijd in de eeuwigheid zal dit altijd en overal een bron van inspiratie in je leven zijn en blijven.

8e dinsdag na Pinksteren – 6e Augustus, De Heilige Transfiguratie van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

Studie van de Blijde Boodschap

    En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mee en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid.
En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en Zijn gelaat straalde gelijk de zon en Zijn klederen werden wit als het licht.
       En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken.
Petrus antwoordde en zei tot Jezus:

‘Heer, het is goed dat we hier zijn’

‘ Heer, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.
       Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zei:
‘ Deze is Mijn Zoon, de Geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!
       Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd.
En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zei: ‘Staat op en weest niet bevreesd’.
Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Jezus hun, zeggende: Vertelt niemand dit gezicht, voordat de Zoon des mensen uit de doden is opgewekt“ Matth.17: 1-9.

    Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen.
Want zo zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus.
Daarom zal het steeds mijn voornemen zijn u hieraan te herinneren, hoewel gij het weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt zijt.
Ik acht het mijn plicht, zolang ik in deze tent ben, u door herinnering wakker te houden, want ik weet, dat het afleggen van mijn tent spoedig komt, zoals ook onze Here Jezus Christus mij heeft doen weten.
       Maar ik zal mij beijveren, dat gij ook na mijn heengaan telkens weer aan deze dingen kunt denken.
       Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Heer Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit.
       Want Hij heeft van God, de Vader, eer en Heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige Heerlijkheid tot Hem kwam:
            ‘ Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb’.
En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.
En wij achten het profetische woord [daarom] des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als 
op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten2Petr.1: 10-19.

Op de onvermijdelijke weg naar de dood en de daarop volgende verwachtte periode probeer je als mens orde te scheppen over die naderende sterfelijkheid.
Je weet wat je te wachten staat, waarop je door de verkondigde Waarheid probeert deze te doorgronden, maar dit beheersen en uiteindelijk volledig bevatten, is voor een mens een onmogelijkheid. God laat Zich immers niet inpakken. Tijd bestaat uit niets, het is een abstractie, want bij God bestaat geen tijd. De afstand van God en mens is ook niet te overbruggen en het enige wat overblijft is dat we enige betekenis trachten te verkrijgen aan de wijze waarop wij ons in de tijd voortbewegen.
Het einde is een kwestie van tijd, die naderbij komt en hoe dichter je nadert hoe meer de relatie me de tijd ons verontrust.
Doch onze Heer zegt: ‘Staat op en weest niet bevreesd’.
Je probeert als mens orde te scheppen over die sterfelijkheid en tracht vanuit eigen joods-christelijke cultuur de ‘overwinning‘ te behalen op het naderend wangedrocht.
Zo zongen we de afgelopen zondag:
       “   De scharen der Engelen stonden aan Christus’ graf
        en de wachters lagen als dood.
        Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
        Hij heeft de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast. Hij heeft de Maagd ontmoet, Levenschenkende,
Die uit de dood zijt opgestaan. Heer, ere aan UApolytikion tn.6.

       Na het antwoord op de roep van onze Heer en de god-mens-ontmoeting begint de mens als adolescent aan een tumultueuze romantische relatie.
Naast bevrijding worden we onderworpen aan genoemde sterflijkheid en vormt onze weg een zielige en onontkoombare onderneming van het lineaire en onveranderlijke pad van geboorte tot de dood in de wereld.
Het lezen van de Blijde Boodschap, het navolgen van de Pedagogie van de Heer en het vervolgens beschrijven van hetgeen je tegenkomt kan als pijnlijk worden ervaren
– het is immers een scheiding van de wereld, een jezelf afsluiten van de wereld,
door Christus’ Pedagogie in je leven te realiseren.
       De geïncarneerde God, welke van God in de wereld komt is gekomen om de schade te herstellen die wordt veroorzaakt door de vernietiging en de zonde van de schepping. Net zoals het oorspronkelijke gesproken Woord van God zowel de wereld als de mens schiep, met andere woorden met dezelfde authenticiteit,
⁌   wordt de mens als een nieuw schepsel door de Zoon van God herschapen;
⁌   wordt de mens ledemaat van Zijn Lichaam, de Kerk en daarmee erfgenaam van de Goddelijke Genadegave;
⁌   wordt de mens vrij van blindheid, van demonische soevereiniteit verlosst,
⁌   wordt hij verlost van de zonde welke de dood veroorzaakt.
       Een persoon die daarop Zijn Pedagogie, Zijn Blijde Boodschap volgt, gaat lezen, memoreren en schrijft, leert zichzelf van  de input van zijn op de wereld gerichte zintuigen’ af te sluiten of op z’n minst af te remmen, teneinde
de reacties van zijn lichamelijke neigingen af te remmen of totaal te beheersen.
Aldus wordt energie gestoken om -‘tot oefening welke kunst baart’- te komen,
te trainen en al doende na te blijven denken over de vastgelegde woorden.
Je verzet je als vanzelfsprekend tegen je omgeving, het milieu welke zich ‘buiten’  bevindt – om tot onderscheidingsvermogen te komen.
       Gesteund door de zekerheid die de Genadegave als ondersteuning biedt
•   vormt dit in eerste instantie een moeizame en pijnlijke inspanning voor het individu, zo laten psychologen en sociologen weten.
       Door de persoonlijke inzet en de moeite te nemen wordt men zich uiteindelijk bewust van het innerlijke zelf als een entiteit die kan worden gescheiden van het omgeving en zijn input wordt
van boven gestuurd, hetgeen leidt tot mentale actie.

Apostles with Christ

Veel mensen geloven dat slechts God ‘alleen’ onze toekomst in hemel of hel bepaalt, maar ze vergeten dat we als medewerkers van en aan God onderhorig zijn; God heeft de mens na de val laten voortbestaan om het goede, het volmaakte na te streven.
        Hoe we uiteindelijk de Hemel, de aanwezigheid van God, zullen ervaren,
wordt bepaald door hoe ons hart bereid is om Zijn Liefde te ervaren.
Met andere woorden, hoewel we ons allemaal in de hemel zullen bevinden,
als onze harten zich niet op de juiste plaats bevindt, zullen we onze eigen hel creëren.
       Maar al te vaak horen we onder wereld de uitdrukking “naam maken voor jezelf” of een variatie daarop, zoals het ‘je eigen carrière najagen’ – ik doe wel deze of gene studie en ‘ik’ ben ‘boven Jan‘.
– wanneer we spreken over hoe we omgaan met de samenleving, ook met de Kerk. We zijn omringd door mensen, die ‘naam [?]’ gemaakt hebben, en
zich als zodanig gedragen.
       Maar we zijn allen ‘dienaren van Christus’ en hebben allen dezelfde opdracht;
deze opdracht is slechts in nederigheid te aanvaarden en punctueel te volbrengen, hetgeen ons wordt opgedragen. Zodra er sprake is van Macht en onderscheid ten opzichte van de ander, klopt het hele levensverhaal van die persoon, die gemeenschap niet meer.
       Wij zijn immers op weg naar het Licht en zoals onze Heer ons heeft geleerd
is dat alleen te bereiken door ‘af-te-zien’- door ascese.

Het is reeds lange tijd -‘ook in de Kerk’-, een traditie geworden om een ​​soort erfenis achter te laten voor toekomstige generaties om ons als persoon aan de wereld [als heilig] op te werpen, te laten kennen.
Sommigen onder ons suggereren zelfs dat deze trend verband houdt met onze genetische afkomst, dat onze familiaire afkomst bepaalt dat we ons gedwongen voelen onze egoïstische bekendheid trachten te verspreiden.
        Stel je toch eens voor dat je als persoon of familie voor de wereld in de vergetelheid zou geraken? Maar wie of wat is de wereld, die is toch alleen met ‘zichzelf‘ bezig.
        Daartegenover staat dat wij ‘de Eer en Glorie van onze Heer en Zaligmaker’ nastreven; ‘het Koninkrijk van God’ is belangrijker dan welke familieband dan ook.
        Zelfs in de relatie van onze Heer en Zijn familie trad een verandering op.
Aanvankelijk reisden de Moeder God’s en Zijn broers met Hem mee John.2: 12;
maar later overheerst het ongeloof John.7: 3-5.
Onze Heer neemt afstand van hen Marc.3: 35.
Er dient onder de volgelingen in die drie jaar ‘openbaar leven‘ van de Heer een omslag in hun houding te hebben plaatsgevonden. In Handelingen 1 worden Zijn Moeder en Zijn broeders immers tot de kern van de Christelijke Gemeenschap gerekend. 
Onder de Christenen in Palestina gaf het enige ‘status’ wanneer je familie was van de Heer, maar heel belangrijk is dit zoals blijkt echter nooit geweest.en geworden en als ‘status’ een rol is gaan spelen is dat een menselijke luchtspiegeling.

Er is nooit en te nimmer sprake geweest van zoiets als een ‘Jezus’-dynastie en zowel Jaäcobus als Justus [Judas] beginnen hun brieven niet met een opmerking dat ‘zij’ een ‘broeder des heren‘ zijn, maar zij noemen zich ‘als kind van God‘ en navolger van Christus simpelweg ‘dienaar van Jezus, de Christus’ en worden uiteindelijk
helden van Christus’ [= hoofd-item van het jeugd- en kinderkamp 2019 van de AOiN].
De steeds weer terugkerende als een soort yel –  melodie, die tijdens het kamp gezongen werd: https://youtu.be/QfCdprwMQ1o ;
vert:Ik heb de hemel lief, hoe kan ik de Vader van God bereiken en mij vrij maken en gelijk Zijn zoon leven, de geboden onderhouden om zonden in alle bedoelingen te vermijden‘ [het Patriarchale koor H. Ephraïm de Syriër, Damascus].
Het afsluitend kamplied gezongen bij het slot-kampvuur:
https://www.youtube.com/watch?v=0HlHQVZbyxs&feature=youtu.be;
vert: Goede Herder, wij bevelen dit klooster aan, vanwege het feit dat in Syrië de kinderkampen altijd in de nabijheid van hun kloosters werd gehouden en in dank aan de asceten werd afgesloten.

Als dienaren zijn wij allen op weg naar God, we gaan de berg op, evenals Mozes de berg besteeg en de wolk z’n weg bedekte:
    de Heerlijkheid des Heren rustte op de berg Sinaï en de wolk bedekte hem zes dagen lang; op de zevende dag riep Hij tot Mozes midden uit de wolkEx. 24: 16.
Johannes de Theoloog verklaart: “Niemand heeft ooit God gezien
1John.4: 12
.
Maar op een andere plaats geeft deze Evangelist de woorden van Christus aan Philippus weer: “Hij die Mij [door de Genade van Genezing] heeft gezien, heeft de Vader gezienJohn.14: 9.
Op de een of andere manier zijn beide uitspraken waarachtig, ondanks het feit dat ze tegenstrijdig lijken. De twee uitdrukkingen bij elkaar brengen de Waarheid in evenwicht betreffende onze ‘kijk op’ God.
Enerzijds dient het visioen [het aanschouwen] van God in Heerlijkheid
angstaanjagend te zijn voor de gevallen, zondige mensheid – een ondraaglijke zicht.
     Zoals we bij Vespers voor de Transfiguratie formuleren, het is ‘een zien van een vriendelijk Licht’ . . . dat misschien niet wordt gezien.
Aan de ander kant dienen we de bewering van Johannes de Theoloog over Christus niet over het hoofd zien, die bestond vóór de tijd en toch werd hij geïncarneerd als een mens die ‘wij met onze eigen ogen hebben mogen aanschouwen . . . we hebben gekeken en onze handen hebben hem aangeraakt, betreffende het Woord des levens [dat] aldus werd gemanifesteerd, en wij zijn daar . . . . . getuigen van1John.1: 1-2.

Christus, onze God, werd mens om ons een volledig zicht op God te openbaren
op een manier die begrijpelijk is voor het menselijk [in-]zicht. De Heer waarnemen als de God-Mens opent voor ons de weg om Hem echt te aanschouwen.
De drie discipelen waren samen met Christus naar/op de berg Thabor,
waar Hij ‘Zich in volledig waarneembare Heerlijkheid openbaarde als stralend Licht‘,
Zijn Goddelijkheid werd daardoor eveneens waarneembaar door de apostelen, die Hem op deze tocht vergezelden.
Dientengevolge vielen zij voor Zijn overweldigende uitstraling neer.
De aanblik van de getransfigureerde God-Mens was zo overweldigend dat ze
ter aarde op hun gezicht neervielen’ . . . . . door verbazing overmand werden.

Mozes, by Rembrandt Harmenszn. van Rijn; De Thora [Wet] is door Mozes overgedragen, maar de goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomenJohn.1: 17

Vandaar dat vandaag eveneens de passage uit Exodus wordt gelezen, hetgeen aangeeft dat dit een waarachtige icoon, een venster op de eeuwigheid is, hetgeen zonder dat het direct gezegd wordt inhoudt dat we door deze icoon
de Glorie van God voor ogen kunnen stellen;
de icoon stelt ons – ‘als een doorkijkje’ in staat aan dit Mysterie deel te nemen.
Petrus, Jaäcobus en Johannes de Theoloog gingen op aandringen van de Heer “een hoge berg”, de berg Thabor  op [Thab, Hebr.=‘heuvel of terp’; Thab-era= ‘brandend’] Matth.17: 1.

Mozes overkomt hetzelfde: “Mozes stond op met zijn assistent Joshua en zij gingen op naar de berg van God” Ex.24: 13.
Mozes en Joshua gaan op weg wanneer hun wordt geboden:
– “Kom naar Mij” – Ex.24: 12, net als:
– “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt”- Matth.11: 28.
Ons is niet verhaald hoe Mozes de stem van God hoort, hoewel
de Heer niet aanwezig is in het vlees John.1: 14, maar we begrijpen wèl dat de Profeet Mozes luistert met het oor van zijn hart – ‘zijn geestelijk oor’ 1Kon.9: 15.
De discipelen van Jezus hoorden de Heer met hun fysieke oren en tòch, in hun hart hebben zij méér gehoord – want anders dan Zijn andere volgelingen
wilden zij Hem niet verlaten John.6: 66-68, toen het navolger-schap van Christus penibel, [gevaarlijk-pijnlijk-moeilijk-hachelijk] werd. Degenen die het hoorden volgden Hem trouw.

Toen Mozes “naar de berg” van God ging Ex.24: 13, liet hij de gemeenschap van Israël beneden achter. Aldus is hij gescheiden van het gezelschap van zijn mede-Israëlieten, behalve Joshua.
Evenzo, wanneer de drie discipelen op gaan met de Heer, is het ‘op zichzelf’, een afgezonderde eenheid Matth.17: 1.
De aanblik van God is niet geopenbaard aan de gewone massa, de menigte.
God beschermt Zijn ontmoeting met Mozes, want Hij “bedekte de berg met een wolkEx.24: 15, zoals:
“wie onder de schutse der Allerhoogste verblijft en onder de bescherming woont van de God des Hemels” Psalm 90[91].
Voorts gaat de profeet Mozes niet de berg op naar God, maar wacht hij zes dagen [tot de zondag?] op de helling tot de Heer hem [in de communie ontmoet] in de wolk aanspreekt die de top bedekt Ex.24: 16.

Let hier op de parallel.
Wanneer Mozes God in de wolk ontmoet;
was de aanblik van de Glorie des Heren als
een brandend vuur waarneembaar op de top van de berg
voor de kinderen van Israël
Ex 24: 17.
Evenzo, terwijl de drie discipelen zich bovenop de berg Thabor
met de Heer bevinden, “overschaduwde een heldere wolk henMatth.17: 5.
De aanblik van de getransfigureerde Heer
heeft grote invloed op de discipelen van Jezus gemaakt, want
– zij worden “zwaar van slaap” bij
het zien van de Meester in HeerlijkheidLuc.9: 32
voor zover zij het konden dragen.
– zij zijn gewoon overweldigd.

Transfiguration, door Theophan de Griek 15e eeuw

       Laten we -gesteund door de Geest- ons allen naar de berg van de Heer begeven en naar het huis van onze God gaan, om met de Zijnen te aanschouwen, de Glorie als van een enige Zoon van de Vader, ter ere van de Leven-schenkende Drie-eenheid.

In al wat je leest kun je nog dieper gaan en vergelijkingen trekken tussen het boek Exodus en de weg van de Christen als pelgrim beschreven in Matth.11:
        Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet:
blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie. 
En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.
Terwijl dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes:
  Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?
Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in [opgedoft in] weelderige kleding?
Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen
[Brussel en andere hoofdsteden].
Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien?
Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet. Deze is het, van wie geschreven staat:
    Zie, Ik zend Mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal. 
Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hijMatth.11: 4-11.
        Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der Hemelen zich baan met geweld en  geweldenaars grijpen ernaar.
Want al de Profeten en de Wet [de Thora]  hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en
indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou. Wie oren heeft, die hore!
Doch waarmee zal Ik dit [wereld’s] geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de [financiële en economische] markten zitten en de anderen toeroepen:
Wij hebben voor u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt geen misbaar gemaakt.
Want Johannes is gekomen, niet etende en niet drinkende, en zij [de farizeeën] zeggen: Hij heeft een boze geest’. De Zoon des mensen is gekomen, wel etende en drinkende, en zij zeggen: ‘   Zie, een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars. En de wijsheid is gerechtvaardigd op grond van haar werkenMatth.11: 12-19.
        Toen begon onze Heer en Verlosser de steden [van onze wereld], waarin de meeste krachten door Hem verricht waren te verwijten, dat zij zich niet bekeerd hadden: Wee u, Chorazin [Hebr.= ‘rokende oven’], wee u, Betsaïda [Hebr.=‘huis van vis’]! Want indien in Tyrus
[‘Tyrisch’, Hebr.=‘purper’, kleur gewonnen uit de purperslak, kleur die gereserveerd werd voor de in de wereld ‘zichzelf’ verhevenen, de koningen en keizers’] en Sidon [Hebr.=‘havenstad aan de Syrisch-Libanese kust, welke van oudsher onder heidense invloed is gebleven, zoals ook Egypte’] die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as [teken van boete] bekeerd hebben.
Doch Ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor u. En gij, Kafarnaüm
[Hebr.=‘dorp van rust’], zult gij tot de Hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen; want indien in Sodom [afgeleid van Hebr. ‘Anash’= ‘ziek zijn‘]
de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden.
Maar Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom [‘het ‘ziek’, verworden land’] draaglijker zijn in de dag van het [laatste] oordeel dan voor uMatth.11: 20-24.
        Te dien tijde hief Jezus aan en zei: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kleine kinderen geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
Komt [dan] tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;  neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 25-30.

En dáár – door de Genade van God – inzicht in verkregen te hebben, mogen wij vervolgens [in de Vesper] zingen:
Wij hebben het ware Licht aanschouwd,
het ware Geloof gevonden,
wij aanbidden de Heilige Drieëenheid,
Deze heeft ons gered
”.

1e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – Groot is de heer en alle lof waardig,
inde stad van onze God, op Zijn heilige berg
”.  [refr.]
     Door de gebeden van de Moeder God’s, o Heiland, red ons’ [=refr.]
2. – “Gij grondvest de bergen in Uw Kracht; Gij hebt U omgoot met Macht”.  [refr.]
3. – “Gij bekleedt U met luister en pracht, Gij omhult U met ‘Licht’ als een mantel”.  [refr.]
4. – “Laat de bergen juichen voor het aangezicht van de Heer, want Hij komt om de aarde te oordelen”.  [refr.]
     ‘Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.

2e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – “Haar grondvesten zijn op de heilige bergen, de Heer bemint Sion’s poorten”.  [refr.]
     Verlos o Zoon van God, Die op de Thabor verheerlijkt zijt, ons die tot u zingen: Alleluja’ [=refr.]
2. – “Over U zijn roemrijke dingen gezegd; gij zijt de stad van God”.  [refr.]
3. – “Elke mens zal zeggen: Moeder Sion, want de mensheid is in haar geboren”.  [refr.]
4. – “De allerhoogste heeft haar gegrondvest”.  [refr.]
     Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.
3e Antifoon [Goddelijke Liturgie]:
1. – “Uw Barmhartigheden Heer, wil ik zingen in eeuwigheid”.
Apolytikion [vervolgens als refr.]
tn.7.    Gij werd verheerlijkt op de berg, o Christus God, en
aan Uw Leerlingen toonde Gij Uw Heerlijkheid.
Doe ook ons, zondaars Uw eeuwig Licht stralen:
Gij, Die ons het Licht schenkt, eer aan U
”.
2. – “De Hemelen blijde Uw wonderen, o Heer, en Uw Waarachtigheid in de Kerk der Heiligen”.  [refr.]
3. – “Zalig is het Volk dat weet te juichen; Heer, zij zullen wandelen in het Licht van Uw aanschijn”.  [refr.]
     Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.
Kondakion
tn.7.
    Op de berg werd Gij verheerlijkt, en
vol verbazing mochten Uw Leerlingen Uw Heerlijkheid aanschouwen.
Opdat zij, wanneer zij U gekruisigd zouden zien,
Uw Lijden als vrijwillig zouden erkennen, en
aan de wereld zouden verkondigen, dat
Gij in Waarheid zijt de Af-glans van de Vader
”.

7e Zondag ná Pinksteren – Ja, Heer wij geloven dat U ons tot verheerlijking van God onder de mensen tot verandering kan brengen

‘Open mij de mond, opdat mijn hart uw Lof mag zingen’; ‘Ouvre ma bouche pour que mon cœur chante tes louanges’; ‘Ανοίξτε το στόμα μου έτσι ώστε η καρδιά μου να μπορεί να τραγουδήσει τους επαίνους σας’; ‘Открой мне рот, чтобы мое сердце могло петь твои похвалы’; ‘افتح فمي حتى يغني قلبي مديحك’.

    En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David!
En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zei tot hen:
‘ Gelooft gij, dat Ik dit doen kan?’.
Zij zeiden tot Hem: Ja, Heer.
Toen raakte Hij hun ogen aan en zei:
‘ U geschiede naar uw Geloof’.
En hun ogen gingen open.
En Jezus verbood hun ten strengste en zei:
Ziet toe, niemand mag dit weten!’.
Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend.
Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem. En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme.
En de scharen verbaasden zich en zeiden:
Zo iets is nog nooit in Israel voorgekomen!
     Maar de Farizeeen zeiden:
‘ Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit.
     En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun Synagogen en verkondigde het Evangelie van het Koninkrijk en Hij genas alle ziekte en alle kwaalMatth.9: 27-35

Hoe God’s kinderen nog over ‘eer aan God’ vertellen ?; Comment les enfants de Dieu parlent-ils encore de «l’honneur à Dieu»?; Πώς τα παιδιά του Θεού εξακολουθούν να λένε για «τιμή στον Θεό»; Как дети Бога до сих пор говорят о «чести Богу»?; كيف لا يزال أطفال الله يروون “شرف الله”؟.

    Wij, die [in Christus] sterk zijn, dienen de gevoeligheden van
de zwakken te verdragen en niet onszelf te behagen.
Ieder van ons dient te trachten zijn naaste te behagen, ten goede, tot opbouwing, want óók Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat:
      De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neer’.
Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg van de volharding en van de vertroosting van de Schriften de Hoop zouden vasthouden.
De God nu van de volharding en van de vertroosting zal u eensgezind van hetzelfde gevoelen schenken te zijn naar [het Voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus zullen mogen verheerlijken.
Daarom, aanvaardt elkander[, zoals zij zijn,] zo ook Christus ons aanvaard heeft tot Heerlijkheid van God“ Rom.15: 1-7.

De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God. Zij zijn verdorven en afstotelijk door ongerechtigheid; er is niemand die [het] goed doet.
God ziet uit de hemel[en] neer over de kinderen van de mensen, om te zien of er iemand verstand heeft en [waarachtig] God zoekt.
Allen zijn [immers] afgedwaald en omkoopbaar; er is niemand die goed doet, ja zelfs niet één. Zullen zij het niet weten, allen die [toch] ongerechtigheid doen, die Mijn volk verslinden als een stuk brood ?
Zij hebben God niet aangeroepen; zij beefden van vrees waar niets te vrezen was.
Want God verstrooit de beenderen van hen die aan mensen behagen; zij worden beschaamd, want God versmaadt hen.
Wie zal uit Sion Heil schenken aan Israël [de Kerk]?
Wanneer de Heer de gevangenen van Zijn volk terugvoert, zal Jaäcob [Hebr.= ‘de heilenlichter’] juichen en Israël zich verheugen
Psalm 52[53]
vert. ROK. ‘s-Gravenhage

Geweld roept slechts tegengeweld op

‘Foot washing’, by Rembrandt Harmenszoon van Rhijn

Oók Christus heeft Zichzelf niet behaagd en was Zich bewust dat nederigheid en ascese absoluut niet kan worden gegenereerd om het bewustzijn van de mens te kwetsen. Vernedering komt slechts voort uit het maken van onderscheid tussen de een en de ander, het veroorzaakt scheiding en uiteindelijk chaos. Het is derhalve onmogelijk om uzelf te onderscheiden door uit de hoogte te doen.

Oefening baart de kunst; La pratique rend parfait; Η πρακτική είναι τέλεια; Практика делает совер-шенным; الممارسة تجعل من الكمال.

In het treuren vanwege eigen onvermogen leer je jezelf te  beheersen ten tijde van heftige pijn-gevoelens en emoties.
Oefening is een levenskunst welke de asceten in hun afgezonderd bestaan beoefenen en dàt doet weer onderscheidingsvermogen ontstaan.
Het geeft aanleiding tot inspiratie en tot bevordering van de Liefde tot God en de medemens. Liefde tot God en de naaste geneest de ziel van ziekten en hartstochten.
Eerst dàn – ná dit alles nadrukkelijk doorleefd te hebben – verkrijgt de mens inzicht in het feit dat wàt hij ook doet – nog altijd ver verwijderd is van de oneindige Grootheid van God.
Ontkenning te geloven dat jouw werk en inzet aangenaam zal zijn voor God en
daardoor ook de medemens, kan je onmogelijk het bewustzijn schenken dat
de mens slechts van God’s hulp afhankelijk is.
Zolang het menselijk bewustzijn echter de manifestatie van de zonde tracht te beheersen, is vrijheid hem vreemd.
Aangezien zolang de vrijheid niet aan God wordt overgedragen, er tevens wel iemand over blijft, die de schuld aan alles heeft en zolang er sprake is van beschuldiging, is er geen vrijheid.
Laten we derhalve in tijden van problemen en moeilijkheden niet ontmoedigd raken, maar laten we ons inzetten onszelf tot op het bot te vernederen en te geloven dat God ons zal accepteren zoals wij met Zijn heiligen [ alle gelovigen en navolgers van Christus] trachten sámen te leven, die immers een geweldige
klus te klaren hebben.

Hemels koninkrijk,  Jeruzalem

    Maak u derhalve op Jeruzalem * [Hebr.: ירושלים Jeroesjalajim; Arabisch: القدس al-Qoeds], stad van de vele geloven, en treed op de hoogte en zie rondom tegen het Oosten, en zie uw kinderen, die beide van het Westen en van het Oosten vergaderd zijn door het Woord van de Heilige, en zich verheugen dat God weer aan hen gedacht heeft. Zij zijn [op hun eigen weg] te voet [niet met een sneltreinvaart] van u door de vijanden weggevoerd, maar God brengt u verhoogd met eer, als kinderen van Zijn RijkBaruch 5: 5,6.

*    Voor christenen is ‘Jeruzalem’ de stad waar de Heer Jezus is gekruisigd en uit de doen is opgestaan, ten hemel is gevaren en hen Zijn Heilige Geest heeft doen toekomen. Voor moslims is het de plek waar de [voor ons ‘valse‘] profeet Mohammed samen met de zielen van alle profeten zou hebben gebeden en hetgeen tevens zijn vertrekpunt naar de hemel zou zijn. Voor joden is Jeruzalem de plaats waar de Tweede Tempel stond, Daarvan is alleen de zogenoemde Klaagmuur nog over.

Christus ‘looft’ de Centurion

    Toen onze Heer en Verlosser de woorden van de ongelovige Centurion hoorde, verwonderde Hij Zich en zei tot degenen, die Hem volgden:
    Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël
[de Kerk] heb Ik zo’n groot Geloof gevonden! Ik zeg u, dat er velen zullen komen van Oost en West en zullen aanliggen met Abraham en Isaäc  en Jaäcob in het Koninkrijk der hemelen; maar de kinderen van het koninkrijk [der hemelen het aardse, het ondermaanse] zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. En onze Heer en Verlosser zei tot de hoofdman: ‘   Ga heen, u geschiede naar uw Geloof. En z’n knecht genas, juist op dat uur’”. Matth.8: 10-13.

    Hef uw ogen op naar rondom en zie hen allen; zij vergaderen, zij komen tot U.
Zo waar Ik leef, luidt het woord des Heren, gij zult hen allen aandoen als een sieraad, en

De Grote Opdracht is Lofprijzen & Aanbidding; La grande mission est la louange et l’adoration; Большое задание – хвала и поклонение; Η μεγάλη ανάθεση είναι ο έπαινος και η λατρεία; المهمة الكبيرة هي الحمد والعبادة

hen ombinden, zoals een bruid.
Want uw puinhopen en uw verwoeste plaatsen en uw vernield land.
Voorwaar, nu zult gij te eng zijn voor de bewoners, en uw verdervers zullen verre zijn.
Ook zullen de kinderen, van welke gij beroofd waart, te uwen aanhoren zeggen:
‘ De plaats is mij te eng, maak mij ruimte, dat ik wonen kan’.
En gij zult bij uzelf zeggen: ‘ Wie heeft mij dezen gebaard, daar ik toch van kinderen beroofd en onvruchtbaar was, verbannen en verdreven; ‘  Wie [welke grootheid] bracht dezen dan groot?
Zie, Ik was alleen overgebleven, waar waren dan dezen?
Zo zegt de Heer der Heerscharen:
    Zie, Ik zal Mijn hand opheffen tot de volkeren en Mijn banier omhoog heffen voor de natiën; in hun armen zullen zij uw zonen brengen, en uw dochters zullen op de schouder gedragen worden.
En koningen zullen [uiteindelijk] uw voedstervader zijn en hun vorstinnen uw zoogsters; met het aangezicht ter aarde zullen zij zich voor u neerbuigen, en
het stof van uw voeten zullen zij lekken.
Dàn zult gij weten, dat Ik de Heer ben, en dat zij,
die Mij verwachten, niet beschaamd zullen worden
“.
Isaiah 49: 18-12.

Profeet job

            Ook de Profeet Job opende zijn mond en vervloekte de dag van zijn ontstaan. Zo ervaart menig een ook de dag dat Heilige [?] Constantijn de Grote de Kerk van Christus belastte [verkrachtte] met politieke macht en politiek handelen.
Vóór zijn tijd werd de Kerk nog begeleid door waarachtige asceten en was er nog sprake van een vroeg-Christelijke diepgewortelde deemoed.
Het streven naar Macht en onderdrukking riep en roept slechts vernedering op.
Vanaf dàt moment is er een duisternis ingetreden, die nog steeds broeit en voort vloeit tot in onze tijden, de tegenstrever lacht zich rot.
Steeds minder navolgers zijn het gevolg en de navolgers die er nog zijn keren de Kerk de rug toe vanwege het grootschalig kinderspel van de zgn. ‘groten’, die zich ontzettend belangrijk en héél wàt voelen –  waarmee het gewone volk door weg te blijven, aangeven zich hiervan te distantiëren, d.w.z. te kennen geven dat zij er genoeg van hebben betutteld te worden door de een of andere politieke stroming [oost of west].
Vanaf die dag nam de tegenstrever steeds meer beslag op de van ouds bekende Christelijke onderlinge broeder-liefde en vechten de verschillende genootschappen elkaar de Goddelijke tent uit.

landschap van de goudweger, Rembrandt van Rijn [1651]
We kunnen ons niet verder afsplitsen dan nu het geval is, dus keert men zichzelf met de wereld te kort doend, ook de navolging van Christus de rug toe. Die verschrikkelijke nacht; is de duisternis de Kerk steeds verder de weg van de afgrond ingeslagen en is het zo vèr gekomen dat het aantal navolgers afneemt en zich slechts nog verheugt op de wederkomst waarop zij kunnen terugkeren in de reeks der maanden, waarin zij weer vrucht kunnen dragen en er gejubel zal weerklinken.
            We weten allemaal van wat Job wel niet is overkomen, alleen de grote Patriarchaten en hun vazallen begrijpen dit nog steeds niet, zij begrijpen de gekwetst ziel van de mensheid niet meer, zij zijn met eigen zaken bezig.
En toch lijkt uit hetgeen zij in hun binnenste binnenkamer zeggen dat
ze nog iets van God’s leven hebben opgestoken:
Job zondigde niet met zijn lippen tegen GodJob 2: 15.
Zij draaien er een beetje om heen en doen in handel en wander wat henzelf goed dunkt. Nu echter vervloekt de overgrote meerderheid van de mensheid de dag van hun geboorte, zij ontwijken de herinnering aan het door God geschonken leven en velen gaan, – gedoopt of niet -, leeg de eeuwigheid tegemoet.
De heilige Johannes Chrysostomos roept de vraag op:
Wat betekent dit dan:
‘Zeggen laat de dag vergaan waarin ik in Christus ben gedoopt, ben geboren’?
Hij vervolgt:
Het is ook in zijn verdriet dat Job sprak.
Zie je niet, geliefden, dat degenen die gewond zijn geraakt grote kreten uitstorten?
          Geef je hen de schuld? Helemaal niet; maar we vergeven het hen
”, zij weten immers niet meer wat zij doen. [Manley, Wisdom: Let Us Attend, p.75-77].
Een andere interpretatie wordt geboden door de Heilige Hesychios van Jeruzalem: “ ‘de dag vergaat waarin ik ben geboren ‘ . . . niet de dag waarop hij werd gemaakt, maar die waarop hij werd geboren. . .’.
We zijn immers dóór en vóór God en
Deze heeft mij gevormd”
Gen.2: 7.
Om het goede te doen, maar die ander, die Eva
[Hebr.= ‘vleselijk 
leven, levend’], die heeft mij overrompeld,
heeft mij in moeilijkheden gebracht
” Gen.3: 16 [Manley, Wisdom, p. 78-86].
          Wat de twee vaders delen is kennis van de gevallen staat van de mensheid.
Daarom roept Johannes Guldenmond namens ons
via de zwaar gekwelde mensheid uit, inclusief Job:
Als ze zich niet op deze manier ten opzichte van de mensheid hadden uitgesproken, zou het nèt lijken alsof ze niet deelnemen aan de menselijke natuur”.
Dit wordt in onze tijd gevormd door de BOBO’s [Hebr.= voor de wereld ‘heldhaftig‘, een BoBo, = negatieve benaming voor een bestuurder; Fr.= BOurgeois BOhème] en hun toko’s [supermarkt], die vergeten zijn, dat zij een ascetisch leven behoren te leiden en slechts toezichthouders behoren te zijn.
Men onderscheidt in deze woorden de stem van Paulus de apostel:
Want allen hebben gezondigd en derven de Heerlijkheid God’s, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn Genade, door de verlossing in Christus Jezus.
Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het Geloof, in Zijn bloed, om
Zijn Rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden
– 
om Zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat  Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is.
Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wet? Der werken?
Neen, maar door de [liefdes-] Wet van Geloof.
Want wij zijn van oordeel, dat de mens door Geloof [in Liefde] gerechtvaardigd wordt, zonder werken van de wetRom.3: 23-28.

Inderdaad, we kunnen Job zien als een deelnemer aan deze gevallen wereld, die tot in de Kerk gecorrumpeerd [in moreel opzicht ‘bedorven‘] is zoals wijzelf door een tragische kwaal.
Maar let op het feit dat de verbeelding van de Heilige Hesychios wordt gevangen door de onthulling van Profeet Job als een waarachtig heilig mens,
die gaat vasten teneinde: 
de begeerten van de hartstochten te vertrappen en [zichzelf in ascese] volledig met [zijn innerlijke] zijn ziel bezig te houden
Wat God maakte is goed, maar het is ‘een doortrapte en
slechte wereld geworden. . .
we hebben voor onszelf tot BOBO’s gemaakt . . . ,
een gedrag welke Job in zijn tijd de rug toe keerde, want
hij was zoals bekend is:
godvruchtig en waarachtig en onthield zich van alle kwaad“.
Job heeft ‘ten Hemel schreiend’ gelijk:
Heer, neem die nacht, die verschrikkelijke duisternis van ons weg”,
moge de leiders van Uw Kerk weer werkelijke asceten worden.

Voor de Heilige Hesychios gaat Job op grootse wijze in op
de trieste toestand van al onze zaken en
de christelijke wereld die we om ons heen hebben gevormd.
Hij volgt de woorden van Paulus: “ Ik ben niet van Constantinopel,
ik ben niet van Moscow, ik ben van door mezelf te vernederen, als Christus,
misschien wel een klein en niets zeggend Patriarchaat,
maar gestoeld op de oorspronkelijke Christelijke ascetische Boodschap.
Zelfs wanneer de Profeet Job spreekt over de ‘dag en nacht‘, bidt hij,
  Moge die dag van duisternis in Uw Licht weer verHeerlijkt worden,
Laten wij God in den hoge vragen ons en de onzen
weer met Zijn Licht te omstralen
Indien God ons heden ten dage van bovenaf zou beschouwen, zou Zijn Gerechtigheid noodzakelijkerwijs vernietiging voor de mensheid teweegbrengen.
De nacht die Job als duisternis omschrijft, is volgens Hesychios ‘onze vijand’, de tegenstrever en Christus is ‘het waarachtige Licht’.
Job spoort ons aan om de Heer met open armen tegemoet te treden en Hem [in de communie] te ontvangen om niet langer in de nacht te verblijven en in het niets te blijvne ronddwalen en in nietszeggende  verdeling naar de eigen waarheid te tasten.
Volgens Hesychios verwijst Job naar
mag het niet in de dagen van het jaar komenJob 3: 6,
naar “de evangelische tijd, waarin de prediking van het Heil wordt volbracht”, zodat in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde “de dag van overtreding niet tot de voordelen mag worden gerekend die de Heiland ons heeft doen toekomen . . . .
Laat de vloek zelfs niet ten dele de kans krijgen onze zegeningen te bederven, die
de Heiland ons heeft gegeven, welke ons tot zegen zijn toebedacht.
De weg naar het eeuwige Goddelijke Koninkrijk] is voor [ons] voorbereid.
Hoe beantwoorden we dan Job’s vraag:
Waarom wordt het Licht gegeven aan hen die bitter zijn en
wordt Leven geschonken aan zielen die pijn hebbenJob 3: 20.
De Heilige Hesychios antwoordt:
Het beeld wat wij van God hebben ontvangen is geluk, maar
het is blijven steken in dit onzuivere leven . . . . .
en dat is absoluut niet wenselijk voor de Rechtvaardigen”.

heilige boontjes

” . . .  Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij
teneinde een ieder te vergelden, naar
dat [een ieder gepresteerd heeft] zijn werk is
Openb.22: 12.
Het Nederlands spreekwoord hieromtrent luidt:
” Boontje komt om zijn loontje “.

Apolytikion 
tn.6.  
“   De scharen der Engelen stonden aan Uw graf en
de wachters lagen als dood.

Bij het graf stond Maria Magdalena
zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.

Gij hebt de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast.

Gij hebt de Maagd ontmoet, Levenschenkende, Die
uit de dood zijt opgestaan.
Heer, eer aan U
”.

Kondakion
tn.6.  
“   Met Uw levenschenkende Hand,

wekt Gij alle doden op uit het duistere dal,

O Levenschenkede, Christus onze God.

Die aan het mensengeslacht de Opstanding gegeven hebt.

Gij zijt waarlijk onze Heiland,
onze Verrijzenis,
ons Leven en de God van het heelal”.

Theotokion
tn.6.  
“   Gij hebt Uw Moeder de gezegende genoemd
 en
zijt vrijwillig tot het lijden gekomen.

Gij zijt opgestraald aan het Kruis, om Adam te zoeken,
terwijl
Gij tot de Engelen sprak:

‘   
Verheugt u met Mij’, 
want
Ik heb de drachme teruggevonden
die verloren was.
Gij,
Die alles in Wijsheid hebt ingericht,

Heer, eer aan U”.

 

7e donderdag ná Pinksteren – verering van het Eerbiedwaardige Hout van het leven-schenkende Kruis van onze Heer en Verlosser.

Koor & Heilig Kruis, iconostase dienst AOKiN, in de Ansfriduskerk, Amersfoort

    Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: Kruisig Hem, kruisigen!
Pilatus zeide tot hen: Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem.
De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weer het gerecht’s-gebouw binnen en zei tot Jezus:
‘Waar zijt Gij vandaan?’.
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zeide tot Hem:
‘ Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde:
‘ Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven zou zijn: daarom 
heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde’.
>    Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata. En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zeide tot de Joden:
  Zie, uw koning!’.
Zij dan schreeuwden: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!
Pilatus zei tot hen:
    Moet ik uw koning kruisigen?
De overpriesters antwoordden:
    Wij hebben geen koning, alleen de keizer!
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden.
Zij dan namen Jezus, en Hij, zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde 
Schedel-plaats, in het Hebreeuws genaamd Golgotha, waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.
En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven:
Jezus, de Nazireeër, de Koning der Joden.
Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks.
En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala.
Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: ‘ Vrouw, zie, uw zoon’. Daarna zeide Hij tot de discipel: ‘Zie, uw moeder’.
En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna wist Jezus, dat alles reeds volbracht was.
>     Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij:
Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op Sabbath aan het kruis mochten blijven – want de dag van die Sabbath was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de Waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft”.
John.19:6-11,13-20,25-28a,30-35

” Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid”.

    Want het Woord van het Kruis is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een kracht van God.
Want er staat geschreven:
‘ Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen’. 
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd?
Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de Wijsheid God’s door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het 
aan God behaagd door de dwaasheid van de prediking te redden hen die geloven.
Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij] Christus, de Kracht van God en de Wijsheid van God1Cor.1:18-24.

Het groot en Heilig Kruis van Christus, onze Verlosser

‘Vanwege de ziekten die in augustus voorkomen, was het in vroegere tijden gebruikelijk om het Eerbiedwaardige Hout van het Kruis in processie [optocht] door de straten en pleinen van Constantinopel te voeren.
Dit werd zo gedaan ter bescherming en heiliging van de stad, als ook
ter verlichting van de gevolgen van de ziekte, het afwenden van de dood.
Aan de vooravond van 1 Augustus werd op 31 juli het kostbaar hout [een reliekschrijn] uit de keizerlijke schatkamer gehaald en op het altaar van
de Grote Kerk van de Hagia Sophia [de Wijsheid van God] gelegd.
Vanaf dit ogenblik tot aan het feest van de Ontslaping van de Moeder God’s werd:
✥   een periode van vasten afgeroepen en
✥   werd het kruis ter verering door de stad gedragen, opdat het volk dit kon vereren.
Dit fenomeen is uitgegroeid tot de jaarlijkse vasten van 1-15 augustus voor de Moeder God’s en is ook de basis van het feest van vandaag op 1 Augustus’.
          Maar waarom werden en worden de mensen rond 1 Augustus zo ziek, Juli is wat ons aangaat toch het vooruitzicht op ontspanning en vakantie
✥   Ziek zijn en ziek worden is een aloude uiting van rupsje nooit genoeg.
Je wordt ziek van de welvaart, raakt de weg kwijt en dat was in oude tijden, de periode dat de oogst werd binnen gehaald, dat zelfs de armen het goed hadden, want er was overvloed.
Wanneer je met overvloed niet kunt omgaan, ga je jezelf te buiten en dat heeft onheil, met ziekte, onheil en verderf tot gevolg.
Kijk maar om je heen: ‘ alles is mogelijk, iedereen doet waar hij zin in heeft, de ‘hel’ is los’; iedereen is van God los, Wie kent ons en wie ziet ons?.

Daarom, zie, Ik ga voort wonderlijk met dit Volk te handelen, wonderlijk en wonderbaar: de wijsheid van zijn wijzen zal teniet gaan en het verstand van zijn verstandigen zal schuilgaan.
Wee hun die een plan diep voor de Heer verbergen, wier werk in de duisternis geschiedt en die zeggen: ‘   Wie ziet ons en wie kent ons?
O, deze verkeerdheid van u! Of moet de boetseerder op een lijn gesteld worden met het leem, zodat het maaksel van zijn maker zou kunnen zeggen:
    Hij heeft mij niet gemaakt? en het boetseersel van zijn boetseerder: Hij heeft geen verstand?
Is het niet nog een korte tijd, totdat de Libanon in een gaarde verandert en de gaarde een woud gelijkt?
      Te dien dage zullen de doven Schriftwoorden horen, en van donkerheid en duisternis verlost, zullen de ogen der blinden zien. En ootmoedigen zullen steeds meer vreugde hebben in de Heer, en de armsten onder de mensen zullen juichen in de Heilige van Israël.
      Want het zal gedaan zijn met de geweldenaar, en de spotter zal vergaan en allen die op boosheid zinnen, zullen uitgeroeid worden, zij die een mens om een woord schuldig verklaren en valstrikken leggen in de poort voor wie opkomt voor het recht, en die met ijdele beweringen terzijde dringen wie het recht aan zijn zijde heeft.
Daarom, zo zegt de Heer, die Abraham verloste, tot het huis van Jaäcob: Jaäcob zal nu niet meer 
beschaamd staan en zijn aangezicht zal niet meer verbleken.
Want wanneer hij en zijn kinderen het werk van Mijn handen in hun midden zien, dan zullen zij Mijn Naam heiligen en zij zullen de Heilige van Jaäcob heiligen en voor de God van Israël [de Kerk] ontzag hebben. Ook de dwalenden van geest zullen inzicht kennen en zij die morren zullen lering aannemenIsaiah 29: 14-24.

Wij Christenen van het Westen, die zwelgen in de luxe van de dag, blijken onmachtig te zijn geworden om in creatieve trouw de Blijde Boodschap van het Evangelie over te dragen en maar nauwelijks te onderkennen, ondanks en samen met zijn mens- en kerk-kritische aspecten; het lijkt wel de grondreden te zijn waarom onze kerken leeglopen.
Wij vergeten en masse wàt de historische boodschap van onze Heer en Zalig-maker is geweest, een gebeuren dat uitliep op Zijn arrestatie en terechtstelling, om  ons vervolgens af te vragen hoe het totaal gebeuren van oud en Nieuwe Testament als heil voor onze tijd zal kunnen worden ervaren.
Hoe lang duurt het nog dat in het westen de vraag op komt, hoe wij, ook in onze tijd, heil kunnen ervaren uit de Pedagogie, die ons door onze Heer en Verlosser is voorgehouden.

Want niet alleen Isaiah maar ook andere profeten als Zacharia maken gewag van
een komende eindtijd, welke in het boek Openbaringen wordt aangekondigd:
    Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters die voor je zitten en die in staat zijn om tekenen, die zich voordoen uit te leggen.
Ik zal mijn dienaar sturen, de telg aan de stam van David.
Ik leg een steen voor je neer, Jozua, één enkele steen, waarop zeven ogen rusten.
Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren
✥   spreekt de HEER van de hemelse machten
✥   en in één enkele dag zal ik dit land reinigen van alle schuld
Zacharia 3: 8-9.
        En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, [hoorde ik] opnieuw  met mij spreken en zij zei: ‘   Ga heen, neem het boek, dat geopend ligt in de hand van de engel, die op de zee en op de aarde staat.
      En ik ging heen tot de engel en zei tot hem, dat hij mij het boekje zou geven. En hij zei tot mij:
      ‘ Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.
      En ik nam het boekje uit de hand van de engel en at het op, en het was in mijn mond zoet als honing, maar toen ik het gegeten had, werd mijn buik bitterOpenb.10: 8-10.

De éne enkel steen staat symbool voor onze Heer en Verlosser.
    “ Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen” Matth.5: 7.
    Wees elkaar niets schuldig, behalve liefde, want wie de ander liefheeft, heeft de gehele wet vervuld. Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet,  zet uw zinnen niet op wat van een ander is’
deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak:
‘Heb uw naaste lief als uzelf’.
De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus
de wet vindt zijn vervulling in de Liefde
Rom.13: 8-10.

Onze Heer en Verlosser kwam niet om de Wet van Mozes af te schaffen, te schrappen, maar om er vervulling aan te geven, oftewel ons allen de Wet van de Goddelijke Liefde bij te brengen.
De steen welke de profeten aanhalen symboliseert dus
✥   enerzijds  die Liefde en Genade van God en
✥   anderzijds de harde en rechtvaardige kant van de Wet,
de Thora aanduidt.
God geeft “de mens” een keuze:
✥   Òf je kiest voor Zijn liefdevolle, genadige kant,
✥   Òf voor Zijn harde, rechtvaardige kant, maar die steen gaat komen!
Het beeld van de mens die wordt gestenigd, symboliseert dus drie zaken:
1.]. De zondeval van de mens, welke perfect is geschapen maar het plegen van zonden ter dood wordt veroordeeld en “tot stof weerkeert”;
2.]. De profetie van de huidige en komende wereldrijken tot aan de voltooiing van het Koninkrijk van God, vanaf het moment van de droom van Nebukadnezzar [606 vóór Chr.];
3.]. De keuze die God geeft aan de mens: Je kiest voor God met Zijn liefde en Zijn genade, of  je kiest voor jezelf en ontvangt daarmee geen genade maar de kei-harde Wet die eenieder veroordeeld.

Oog hebben voor kwaliteit, verborgen mogelijkheden
In onze westerse wereld knutselen mensen nogal wat af, vooral wanneer het gaat bij de inrichting van ons menselijk samenleven. Je ziet het aan de manier waarop zij omgaan met de natuur om zich heen, alles wordt achteloos òf de lucht in geblazen òf zo maar terzijde geworpen – wie dan leeft, dan zorgt. Eigen keuze vinden we in deze samenleving, je kunt ook zeggen: ‘eigen onmacht’.
De samenleving is weliswaar geen bouwpakket, maar er wordt gewoon verwacht dat anderen, waaronder de overheid, het wel zullen overnemen en die laat het uit winstbejag of uit stembejag ten dele ook steeds weer opnieuw afweten.
Het wordt nog erger wanneer de leidinggevenden, de toezichthouders zich gedragen in de droom van de machthebbers – òf zich voor eigen gewin voor hun karretje laten spannen.
De stem van de roepende in de woestijn wordt niet meer gehoord, òf men zet het geluid gewoon wat zachter.
Waar de stem wèl wordt gehoord, is het feit dat je wilt overleven een natuurlijk proces geworden.
Maar natuurlijke processen zijn niet altijd heilig [dat is alleen God]; en bovendien is ze op menselijke wijze doortrokken geraakt van het kwaad.
Wanneer het de mens goed gaat, zoals in het westen, strijdt zij tegen natuurlijk kwaad door dijken langs rivieren te bouwen, en tegen moreel kwaad door misdadigers op te sluiten.
Wanneer wij als christenen nadenken over ‘natuurlijk’ is, dienen wij dus altijd met twee woorden te spreken – ‘goed’ èn ‘kwaad’/schepping èn zondeval – daar ontkomt geen mens aan.
Wanneer is menselijk ingrijpen in het algemeen de bestrijding van het kwaad èn wanneer doet dat ingrijpen God’s goede schepping, zijn schepselen, zijn navolgers geweld aan?
Overstromingen voorkomen met dijken vindt eigenlijk iedereen een voorbeeld van het eerste, ziekten en het tegengaan van afwijkend gedrag van gezagsdragers vinden sommige christenen een voorbeeld van het tweede, dat dient God maar te doen.
Moraal in dit verhaal is:  Westerse Christenen nemen de natuurlijke gang van zaken heel serieus en dat is nogal gemakkelijk vanuit je luie stoel.
Je dient goede redenen te hebben om ervan af te wijken [en hoe dichter je bij het menselijk leven komt, hoe betere die redenen dienen te zijn]. Maar de menselijke natuur is niet heilig; er zit ook een heleboel kwaad in, dat naar vermogen aangepakt dient te worden.
Maar ja, daar hebben wij onze overheden voor – daar hebben wij diverse instanties voor in het leven geroepen; neem de NaVo, de Verenigde Naties, het Internationaal Hof van Justitie.
Hele mooie uitgangspunten, welke door menigeen op het schild werd verheven;
maar ze werken voor geen meter – oorlog en mens-onterend gedrag zijn orde van de dag – en niemand, die er iets aan doet, het blijft bij een beetje stoom afblazen.

Het regiem van Syrië kan gewoon z’n gang gaan, terwijl iedereen zich in deze oorlog zich geheel of gedeeltelijk beroept op de ‘Sophia’ van God; men claimt een monopolie op Zijn Wijsheid òf verdedigt Hem. Iedereen is hier Zijn woord-voerder of vertegenwoordigt Hem. Maar dat heeft veelal te maken met de vraagstelling naar de effectiviteit van God, naar zijn aanwezigheid bij de mensen in de donkere, kwade kant van de oorlog.
God Zelf kan immers niet worden beschuldigd van sluwheid en het bezit van paleizen. De aard van deze vragen en hun beperkte antwoorden en overtuiging’s-kracht leiden ons naar de aard van het Geloof in het politieke krachtenveld, zoals gelovigen dat zien en beleven.
✥   Werkt dat in de Levant, het Midden-Oosten hetzelfde als in het in overvloed verkerende westen?

  • Werkt dat?  is de dictatuur aldaar op dezelfde manier als in een open en vrije samenleving als in Nederland?
    Zeker niet! Onder het gezag van onderdrukkende regimes wordt God altijd afgeschilderd als een ànder gezicht van de dictator zelf, dat is al vanaf Nebukadnezzar [606 vóór Chr.] zo.
    En de mensen, die onder dictator’s juk leven hebben niet het vermogen tegen zo’n totaliserend regime in te gaan zonder op z’n minst minimale schade opte lopen. De gewone mensen kunnen zich lange tijd stil houden over de misdaden van dit regiem en over de dagelijkse belemmeringen die het regime hen heeft

    ‘Daarom wil Hij van Zijn Geest ook in ons leven getuigen van dat Hij de Heer is van hemel en aarde, die ons leven in Zijn hand heeft’

    opgelegd om hen te straffen. Op het moment dat zij opstaan tegen deze onrechtvaardigheden, is hun lot het platbranden van de oogst en het lot de dood [dood gas uit de hemel] en ontheemding – zoals met de God uit het Oude Testament die boos werd op het volk dat Hij verloren waant, bedreigt.
    Het Geloof wordt dàn een vloek in plaats van een zegen.
    In een goedwerkende democratie manifesteert God’s Wil Zich in de wensen van individuen zelf en in hun vermogen het juiste‘, het goede te doen voor hen en voor de hen omgevende samenleving als geheel. De vraag naar de plaats en het vermogen van God wordt een kwestie van hoeveel elk individu God kan vertegenwoordigen in z’n dagelijkse zoektocht naar Waarheid, Gerechtigheid en schoonheid.
    God, de beschuldigde in het eerste geval, wordt een onschuldige in het tweede geval. De mens blijft immers zelf verantwoordelijk.
    De vraag gaat niet zozeer over de aard van het Geloof en de aard van het systeem waarin de mens leeft. Hoe groter de mogelijkheid in een systeem of samenleving om naar elkaar om te zien, er voor elkaar te zijn en voor elkaar iets te betekenen, te werken naar algehele participatie en gelijkheid van iedere deelnemer, hoe meer de kwestie van goddelijke verantwoordelijkheid vervangen dient te worden door de kwestie van individuele verantwoordelijkheid, die de duidelijke manifestatie is van het Geloof en wat geloof voor de mens betekent.

    • De wereld van de Syrische bevolking wordt getekend door  mensen die niet leven voor Gerechtigheid, Gelijkheid en mensenrechten, zij hebben steeds te maken met bloed, puinhopen en angst voor wat er hen ‘nú wel weer niet’ boven het hoofd hangt. En de wereld rond dit bloedbad, die zich in dit land en alle landen die zich afzijdig houden, raken zichzelf , hun belangen en ‘de belangen van de rest van het daar nog verblijvende volk’.
      Want het daar nog verblijvende volk, je zou er toch ‘alles’ voor over hebben om daaraan te ontsnappen. In deze omstandigheden blijkt het gesprek over God’s Wil en verantwoordelijkheid in relatie tot de politieke acties van het westen vooral een manier om je als Pilatus – omtrent de ander, jouw ‘naaste’ in onschuld te handen schoon te wassen.
      Dit Volk, de mensheid op deze aarde draagt een kruis een onmenselijk kruis en ook wij blijken in onze omgeving een onmenselijk kruis te dragen door ondanks eigen onvermogen iets aan onze eigen gezondheid te doen.
      De afgelopen weken is de wereld veranderd in een vuurbal. Het normale bestaan wordt de adem ontnomen – de samenleving functioneert niet meer;
      zelfs sportwedstrijden worden ingekort omdat de voortgang wordt geblokkerd door de klimaatveranderende omstandigheden.
      En wij als mensen – verwend zoals we zijn gaan maar door met spuiten, spuiten en nog eens spuiten. We vervuilen onze eigen omgeving, benemen ons de eigen adem door fabriekspijpen, uitlaatgassen van allerlei aard; we weten het maar doen niets – we voeren de quota van het vliegverkeer nog verder op, want onze economie dient draaiende te blijven.
      Hetzelfde item van ‘rupsje nooit genoeg’ is hier aan de orde, wanneer komt de mens terug op z’n besluit van ‘over’-consumptie, van het voortjagen naar meer, hetgeen niet te stuiten valt in onze samenleving – we worden er met z’n allen ziek van.
      Ook daarom roept de Kerk, het Lichaam van Christus ons op
      -‘hier en nu’- . . . . . – ‘een pàs op de plaats’– te gaan maken;
      te gaan ‘consum-minderen’;
      een ascetische houding aan te gaan nemen;
      kortom ‘te gaan vasten‘.
      Wij worden met z’n allen door onze Heer en Zaligmaker opgeroepen:
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; 29 neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 30 want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
      Probeer het maar, ”t is even wennen, maar het valt best mee.Kruis dragen is moeilijk, dat weten we allemaal.
      En het valt ook niet gemakkelijk daarover te spreken.
      Toch is het goed, wanneer je het wel doet, want je merkt dan dat je niet de enige bent die een kruis te dragen heeft.
      Als we eens achter al die mooie voordeuren konden kijken . . . . .
      Zegt het spreekwoord niet: elk huisje heeft zijn kruisje? Het is denk ik vooral goed om dat vanuit de Blijde Boodschap te doen, praten en nadenken over het kruis. Omdat er dan Licht schijnt vanaf het Groot en Heilig Kruis, dat Christus voor ons gedragen heeft.  Troostrijk Licht op al die kleine kruisjes van ons, hoe groot ze ons ook toeschijnen!
      Wat verstaan we eigenlijk onder “kruis”? Allerlei zaken, die we liever niet hebben.
      ✥   We denken net zoals de inwoners van het vroegere Constantinopel aan ziekte en dood, aan teleurstelling, pijn in het hart.
      ✥   We denken daarbij ook aan verlatenheid, eenzaamheid, je bedrogen voelen, ongelukkig zijn. Soms komt het door je zelf, eigen schuld.
      ✥   Soms komt het heel langzaam aansluipen, maar het kan er ook direct zijn, van het ene op het andere moment, verbijsterend als een vloedgolf. Je verliest je man of vrouw, een kind, je krijgt een hersenbloeding, je raakt gehandicapt, je verliest je baan.
      ✥   Het leed komt overal, in duizend vormen. We zijn er niet blij mee, integendeel. We vluchten er voor weg en moeten er maar liever niet aan denken. Maar er is geen ontkomen aan. En nu draag ik het met me mee, een groot kruis. “Hoe lang nog?” denk ik dan. En ik ben niet de enige, gelukkig maar. Ik zie het aan alle kanten om me heen.
      ✥   “‘Want wij weten dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in
      barensnood is tot nu toe’. ‘En ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam’. ‘En evenzo komt ook de Geest onze zwakheid te hulp; want de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen’.” zegt Paulus al in de achtste Romeinenbrief.
      Nood leert bidden. Hebben we dat niet vaak gehoord?
      Van mensen moet je ’t toch niet hebben, dat is allemaal stukwerk. Van de dieren dan, van de bomen en de vogels? Die kunnen niet spreken. Niemand antwoordt op mijn klagen.
      Maar God dan? Overal klinkt de roep omhoog: God, waarom toch? Eerst zuchtend, dan roepend, tenslotte schreeuwend en vloekend.
      “          Zoals een hert naar waterbronnen smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar de sterke God, de  Levende; wanneer mag ik verschijnen voor Gods aanschijn?
      Mijn tranen strekken mij tot brood bij dag en bij nacht, omdat men mij elke dag opnieuw zegt: waar is uw God? Als ik daaraan denk, dan smelt mijn ziel in mij weg. Hoe ik opging naar de plaats van de wonderbare tent, naar het Huis van God. Met juichende stem en belijdenis, met het geluid der feestvierenden.
      Waarom zijt gij zo treurig, mijn ziel ? 
      Hij is het heil van mijn aangezicht, Hij is mijn  God.
      Vertrouw op God, want ik zal Hem belijden; *
      Hij is het heil van mijn aangezicht, Hij is mijn God.
      Mijn ziel is ontsteld in mijzelf, daarom wil ik  denken aan U; vanuit het land der Jordaan en van Hermon, het lage gebergte.
      Afgrond roept tot afgrond, met het geluid van Uw watervallen; al Uw hoog opgezweepte stortvloeden komen over mij heen.
      Maar overdag gebiedt de Heer Zijn barmhartigheid; in de nacht is mijn lofzang een gebed tot de God van mijn leven.
      Ik mag tot God zeggen: Gij zijt mijn Helper. Waarom hebt Gij mij dan vergeten?
      Waarom ga ik treurig voort onder de slagen van mijn vijand, terwijl mijn beenderen worden verbrijzeld? Wie mij slaan bespotten mij en zeggen mij elke dag opnieuw: Waar is toch uw God?
      Waarom zijt gij zo treurig, mijn ziel? Waarom verontrust ge mij?
      Vertrouw op God, want ik zal Hem belijden: Hij is het heil van mijn aangezicht; Hij is mijn God” Psalm 41[42], vert ROK. ‘s-Gravenhage
      “       Heer, Gij zijt ons een toevlucht van geslacht tot geslacht. Eer de bergen ontstonden, of aarde en wereld werden gevormd, bestaat Gij, God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
      Keer de mens niet af in vernedering, Gij hebt immers gezegd: “Bekeer u kinderen der mensen”.
      Want duizend jaar, Heer, zijn in Uw ogen gelijk aan de dag van gisteren, die voorbij is.
      Als een nachtwake, zo gering worden die jaren geschat.
      ‘s Morgens verwelkt hij als gras, hij bloeit
      ‘s morgens en verwelkt; ‘s avonds valt hij af, verdort.
      Want wij bezwijken onder Uw toorn, wij zijn geheel ontsteld door Uw gramschap. Gij hebt U onze boosheid voor ogen gesteld; onze levenswijze staat in het licht van Uw aanschijn.
      Daarom gaan al onze dagen tegronde; wij bezwijken onder Uw toorn.
      Onze jaren zijn vluchtig als spinrag: de dagen van ons leven zijn zeventig jaren. Bij de sterken duren zij tachtig jaar, maar het meeste ervan is moeite en leed. Want dan komt de zwakheid over ons; dan worden wij gekweld.
      Wie kent de macht van Uw toorn?  Wie weet in vreze voor U, Uw gramschap te
      meten?
      Maak mij Uw rechterhand bekend; onderricht onze harten in wijsheid.
      Keer U om, Heer. Hoe lang nog? Wees een Trooster voor Uw dienaren.
      Heer, vervul ons s’morgens met Uw barmhartigheid; dan zullen wij juichen en ons verheugen. Geef dat wij ons mogen verheugen over al onze dagen.
      Ook over de dagen dat Gij ons vernederd hebt: over de jaren, waarin wij rampen zagen. Zie toch neer op Uw dienaren, op Uw werk, en leid Uw kinderen. Moge de luister van de Heer onze God over ons stralen.  
      Maak voor ons recht het werk van onze handen; ja, maak recht het werk van onze handenPsalm 89[90] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.
      Ja, nood leert bidden. Maar zou het wel helpen? Soms merk je daar zo weinig of niets van, van die hulp van God.
      Zou God me wel horen? God is vaak zo verborgen, zo onzichtbaar.
      En toch zegt de Blijde Boodschap, dat Hij de God van mensen is, dat Hij de mensheid lief heeft,
      van het volk Israël van het Lichaam van Christus, de Kerk houdt ,
      door Zijn Zoon, onze Verlosser houdt Hij van al die mensen die op Zijn Zoon vertrouwen.
      We dienenn Hem maar vast te houden en niet opte houden met bidden. Vroeger konden we met zo veel overtuiging zingen:
      “       Uit de diepte, Heer, heb ik tot U geroepen: Heer, geef gehoor aan mijn stem. Laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking.
      Zo Gij op ongerechtigheden zoudt achtslaan, Heer; Heer, wie kan dat doorstaan ?
      Maar bij U is vergeving; omwille van Uw Naam, Heer, heb ik U verbeid.
      Mijn ziel verwacht Uw Woord; mijn ziel vertrouwt op de Heer.
      Van de ochtendwake tot de nacht vertrouwe Israël op de Heer.
      Want bij de Heer is barmhartigheid; bij Hem is overvloedige Verlossing.
      Ja, Hijzelf zal Israël verlossen,
      uit al zijn ongerechtighedenPsalm 129[130] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

      Apolytikion
      tn.1.  ”   Heer, red Uw Volk en zegen Uw erfdeel, en
      bescherm Uw Gemeenste door Uw Kruis”.

      Kathisma
      tn.6.   ”   Toen het hout van Uw Krruis in de aarde werd geplant, o Heer Christus, werden de fundamenten van het dodenrijk geschokt.
      Hem Die de hades zo gretig verzwolgen had, gaf het vol vreze terug.
      Gij hebt ons Uw Heil getoond, o Heilige, en wij vereren U.
      Zoon van God, heb medelijden met ons”     [herhalen]

      ”   Eer aan de vader en aan de Zoon en aande Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN“.

      tn.6.  ”   Heden is het profetenwoord in vervulling gegaan, want zie,
      wij aanbidden op de plaats waar UW voeten stilhielden, o Heer.
      Wij hebben geproefd de Vrucht van de Boom van het Heil en
      zijn daardoor bevrijd van de hartstocht van de zonde, door de gebeden van de Moeder Gods, alleen Menslievende”.

      Prijslied:
      ”     Wij prijzen, wij prijzen U, levenschenekr Christus, en vereren Uw heilig Kruis, waardoor Gij ons uit de slavernij van de vijand hebt gered“.

      ”     Houdt gericht, Heer, over wie mij onrecht doen;
      bestrijdt hen die mij bestrijden’.

      ”     Omgord U met wapeen en schild, sta op om mij te helpen.
      Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Redding’.

      ”     Al mijn beeenderen roepen uit:
      Heer, o Heer, wie is gelijk aan U?’.

      ”   Mijn tong zal over Uw Gerechtigheid spreken en
      heel de dag Uw lof bezingen’.

      ”   Hij beschermt allen die op Hem vetrouwen;
      want wie is God buiten de Heer, wie is God buiten onze God?“.

7e dinsdag ná Pinksteren – De ultieme Bron van het Heil & de bron van het menselijk karakter

    In die tijd hoorde koning Herodes [Hebr.= voor de wereld ‘heldhaftig‘, een BoBo, Ndlnd = negatieve benaming voor een bestuurder; Fr.= BOurgeois BOhème], de viervorst, wat van onze Heer en Verlosser Jezus Christus verteld werd, en hij zei tot zijn dienaren:
‘Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in hem’. Want Herodes had Johannes laten grijpen, geboeid en gevangengezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus; want Johannes zei tot hem: ‘ Gij moogt haar niet 
hebben’. En hoewel hij hem wilde ter dood brengen, vreesde hij de schare, omdat zij hem voor een Profeet hielden. Maar op het geboortefeest van Herodes danste de dochter van Herodias in hun midden en zij behaagde Herodes, waarom hij haar onder ede toezegde haar te geven, wat zij maar vragen zou. En zij, opgestookt door haar moeder, zei: ‘Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper’. En de koning werd bedroefd, maar om zijn eden, en om hen die mee aanlagen, beval hij het haar te geven, en hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden.
En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven en zij bracht het aan haar moeder. En zijn discipelen kwamen en namen zijn lijk weg en begroeven hem; en zij gingen heen en berichtten het aan Jezus.
            Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in een schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden.

in verwarring geraken

>          En zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.
            Toen kwamen uit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden tot Jezus en vroegen:
                               Waarom overtreden uw discipelen de overlevering van de ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten.
Onze Heer en Verlosser antwoordde hun en zei:
            “ Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering
[zelfs] het gebod van God?
Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven.
Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of zijn moeder zegt:
            ‘Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren’.
Zó hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering, huichelaars, terecht heeft Isaiah over u geprofeteerd, zeggende:
            ‘ Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
            Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn’.
En toen Hij de schare tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen:
‘ Hoort en verstaat! Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt dat maakt de mens onrein
”.  
Matth.14: 1-13; 14: 35 – 15: 11.

Hildegard van Bingen was van 8-88 jarige leeftijd actief om God verheerlijken

Verheerlijkt dan God met uw lichaam.
Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt,
– het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn, maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.
– De man dient jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na te komen en evenzo de vrouw jegens haar man.
– De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw.
– Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde tijd, om u te 
wijden aan het gebed, maar om daarna weer samen te komen, opdat niet de satan u zal verzoeken wegens uw gemis aan zelfbeheersing.
⁌       Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen.
⁌       Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf.
⁌      Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die.
⁌       Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik:
Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik.
Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden. Doch hun, die getrouwd zijn, beveel ik niet, maar de Heer, dat een vrouw haar man niet mag verlaten – is dit toch gebeurd, dan dient zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen – en een man dient zijn vrouw niet te verstoten.
Maar tot de overigen zeg ik, niet de Heer:
heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten.
En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten. Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn zij heilig.
Maar indien de ongelovige haar verlaat, laat hij haar verlaten.
De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden; tot vrede heeft God u geroepen. Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat gij uw man zult redden? Of hoe kunt gij weten, man, dat gij uw vrouw zult redden?
Alleen, laat ieder zo leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zo, als God hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor.
Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.
[Want] besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden aan 
God’s geboden.
Ieder dient bij die roeping te blijven, waarin
hij was, toen hij
[door de doop] geroepen werd.
Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van. Want de slaaf, die in de Here geroepen werd, is een vrijgelatene des Heren; evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus. Gij zijt gekocht en betaald. Weest geen slaven van mensen.
Broeders, iedereen dient voor God in die toestand te blijven, waarin hij werd geroepen“ 1Cor.6: 20b – 7: 24.

    Er was in het land Us [Hebr.=’ bebost‘] een man, wiens naam was Job [Hebr.= ‘gehaat‘, ‘vervolgde‘, – van het ‘wee’ roepen -], en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
Hem werden zeven zonen en drie dochters geboren.
Zijn bezit bestond uit zevenduizend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een zeer grote slavenstoet, zodat deze man de rijkste was van alle bewoners van het Oosten.
Zijn zonen nu plachten een feestmaal aan te richten, ieder op zijn beurt in eigen huis, en nodigden dan hun drie zusters uit met hen te eten en te drinken.
Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, ontbood Job hen en heiligde hen; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer, want Job dacht:
‘ Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd’.
Zó deed Job altoos weer.
Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Heer te stellen, en onder hen kwam ook de satan.
En de Heer zei tot de satan: Vanwaar komt gij?
En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb.
Toen zei de Heer tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
En de satan antwoordde de Heer:
            Is het om niet, dat Job God vreest?
            Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut?
            Het werk van zijn handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land.
            Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit; of hij U dan niet openlijk zal
            vaarwel zeggen!
En de Heer zei tot de satan:
            Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van het aangezicht van de Heer heen.
           Op zekere dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, kwam een bode tot Job en zeide: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen dicht erbij aan het grazen, toen de Sabeeërs [Hebr.= ‘dronkaards’] een inval deden en ze roofden; en de knechten sloegen zij met de scherpte van het zwaard; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: Het vuur Gods viel van de hemel en verbrandde de schapen en de knechten en verteerde ze; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: ‘de Chaldeeën [Hebr.= ‘kluitenbrekers’, ‘verwarring zaaiers’] hadden drie benden gevormd, overvielen de kamelen en roofden ze; en de knechten sloegen zij met de scherpte van het zwaard; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijn drinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd; daarop wierp hij zich ter aarde, boog zich neer en zei: ‘ Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen, naakt zal ik daarheen weerkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ .
           In dit alles zondigde Job niet en schreef aan God niets toe wat ongerijmd wasJob 1: 1-22.

De Heilige Païsios van de berg Athos zei ooit:
                      Vanaf mijn elfde heb ik de levens van de heiligen bestudeerd, ik heb gevast en ik ben zo ver in mijn vermogen lag waakzaam geweest. Mijn oudere broer ontnam mij echter m’n boeken en verstopte ze, maar dat weerhield me niet ik ging gewoon naar het bos om daar te kunnen lezen
Toen Arsenios, zoals deze heilige van de berg in de wereld genoemd werd – vijftien werd,  zei een vriend van zijn broer ‘Costas’ tegen zijn broer: “Ik zal ervoor zorgen dat hij al dat spul [die onzin] geheel vrijwillig opgeeft”.
                      Deze heilige vader laat ons vervolgens weten dat deze Costas bij hem kwam en hem de evolutietheorie van Darwin voorschotelde.
Ik werd hierdoor geraakt en ontsteld zei ik:
Ik zal gaan bidden en wanneer Christus werkelijk God is, zal
Hij aan mij verschijnen zodat ik zal geloven.
Een beeld wat mij voorgehouden wordt of iets wat mij ingefluisterd wordt – Christus zal me in ieder geval iets laten zien, meer kan ik niet bedenken
”.
                    Dus ging ik heen en begon te bidden en buigingen te maken, hetgeen
ik urenlang deed, maar er gebeurde niets.
Uiteindelijk stopte ik daarmee puur van uitputting.
                    Toen kwam er iets bij mij op hetgeen Costas gezegd had:
Ik aanvaard dat Christus een belangrijk mens was”, had hij me verteld,
“Hij was rechtvaardig en deugdzaam, Die uit afgunst werd gehaat vanwege
Zijn deugdzaam leven en werd veroordeeld door Zijn landgenoten
”.
Ik zei daarop tegen mezelf:
    Vanaf het ogenblik dat Christus aangaf, dat
Hij zelf ook maar een mens was, is Hij al mijn liefde,
gehoorzaamheid en zelfopoffering waard.
Ik wil hier op aarde geen paradijs – ik wil niets.
Het is de moeite waard om elk offer te brengen omwille
van Zijn Heiligheid en Zijn liefde tot de mensen
”.
    God heeft gewoon afgewacht om te zien hoe ik met deze verleiding zou omgaan.  En daarna verscheen Christus Zelf als in een groot licht aan mij. Hij was vanaf in volle omvang zichtbaar. Hij keek me aan met enorme liefde en zei tegen mij, net als tot Martha, de zuster van Lazaros:
Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?’John.11: 25,26.
Hij hield het Evangelie in Zijn linkerhand open, waar dezelfde woorden werden geschreven”.
                    Met deze gebeurtenis werden de onzekerheden die de jonge ziel van Arsenios in verwarring hadden gebracht, overwonnen en werd hem in Genade van God’s-wege gegeven om Christus te kennen als de ware God en Verlosser van de wereld. Hij was overtuigd van de waarheid van de Godmens, niet van mensen of boeken, maar van de Heer Zelf, Die Zich op zijn jonge leeftijd openbaarde.
Arsenios werd daarop stevig bevestigd in het Geloof en dacht bij zichzelf:
Costas, kom nu maar terug als je wilt, en we zullen eens een hartig woordje uitwisselen”.
Ook Arsenios schreef aan God niets toe wat ongerijmd was, hetgeen blijkt uit
datgene wat de Heilige Païsios van de berg Athos ons zelf verteld heeft.

Misschien is het u in het geheel niet opgevallen, maar nadat onze Heer en Verlosser vernam wat er met Zijn achterneef Johannes de Doper gebeurd was trok hij zich vandaar naar een eenzame plaats terug en het volk volgde Hem te voet uit de steden.
Hij trok Zich terug en bad tot de Vader en bleef met ontferming over het volk bewogen en genas hun zieken en gaf hun vervolgens op wonderbaarlijke wijze te eten van de vijf broden en de twee vissen.
Nadat het volk verzadigd was dwong Hij Zijn Leerlingen in een boot en liet Zich vooruit varen naar de overkant, totdat Hij de menigte zou hebben weggezonden. En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij opnieuw de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.

Vervolgens waren de apostelen op het meer en kwam de Heer hen over het water tegemoet. Op uitnodiging van Christus loopt Petrus over het water, tot hij zich bewust wordt van z’n situatie als mens en wordt hij door Christus gered.
Ook hier zien we dat de Heer ons overlaat aan de elementen, maar voorkomt dat wij ten ondergaan, zoals bij Job: “Toen zei de Heer tegen de duivel:
‘Zie, wat hij ook heeft, geef Ik in uw hand; maar raak hem niet aan’” Job.1: 12.
De heilige Augustinus van Hippo merkt op dat:
      een mens wordt geobserveerd en de dingen die hem toebehoren.
Niemand weet wat voor soort hij is. God ziet wat voor soort hij is.
Soms ontsnapt hij zelfs de duivel zelf . . . [Job] ontsnapte aan zijn ogen
omdat Satan in duisternis verkeerde “. Deze waarheid wordt voor ons geïllustreerd in het boek Job, want dit door God gegeven werk verlicht ons moderne debat over cultuur versus persoonlijkheid en welke daarvan uiteindelijk dominant is in iemands leven.

Het eerste vers van de tekst gaat over Job:

Job was rechtvaardig

“Die man was oprecht, onberispelijk, rechtvaardig en godvrezend, en
hij onthield zich van alle kwaad” en deze samenvatting van Job’s karakter
wordt grotendeels nog eens herhaald Job.1: 8.
De Heilige Hesychius van Jeruzalem herinnert ons eraan dat
      velen zichzelf mens noemen, maar niet waarachtig zijn: want sommigen leven met een mens-onwaardig gedrag, terwijl anderen zich bij wijze van spreken gedragen als sluwe reptielen“.
Job lijkt, naar alle schijn, als vegetariër welig te groeien in een op landbouw gebaseerde economie welke hem in staat stelt een welgesteld leventje te leiden,
het ontbrak hem aan niets Job.1: 2-5.
Maar spoedig zal al wat hij materieel bezit voor zijn welzijn en financieel succes abrupt verliezen Job.1: 13-22.
In vers 5 van dit vroege tafereel met betrekking tot het materiële rijk waarin Job leefde, wordt ons verteld waarom hij een rechtvaardige en godvrezende man wordt genoemd, die zich heel bewust “onthield van alle kwaad”Job.1: 1.
Ondanks zijn materiële succes, omdat hij God georiënteerd is, voert hij spirituele oefeningen uit, zoals het brengen van offers voor zijn zonen en dochters, volgens hun aantal, evenals een kalf voor de zonden van hun zielen. Want Job zei: “Opdat mijn zonen de kwade dingen niet bedenken tegen GodJob.1: 5.
Het verhaal verandert echter al snel onze aandacht van het materiële gericht zijn en opent voor ons het ascetisch spirituele rijk van engelen, gericht op onze  Almachtige Vader, “Schepper van hemel en aarde, en van alle zichtbare en onzichtbare dingenGeloofsbelijdenis.
Hoewel de duivel een gevallen engel is, komt deze op die specifieke dag voor God’s aangezicht in het bijzijn van de gelovige en heilige engelenwezens.
De Heer, die alles in elk rijk ziet, confronteert hem met:
“Waar kom je vandaan?”
Waarop de duivel antwoordt: “Ik kwam hier nadat ik over de aarde ging en rondliep onder de hemelen” Job.1: 7.

als een brullende leeuw

Hier is een herinnering aan ons om “waakzaam te zijn; want [onze tegenstrever]  de duivel waart [loopt overal en nergens rond, je weet niet waar] rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij kan verslinden1Petr.5: 8.
Ooit de uitdager van deugd en de doodsvijand van vrede van hart,
beledigt de duivel God Zelf en vraagt:
Biedt Job zonder reden de Here aanbidden?Job.1: 9.
Hij probeert immers God’s verrukking over Job te verstoren door te insinueren dat God de weg baant voor Job’s morele en fysieke prestaties door hem materieel succes te bieden. Hij beschimpt:
Maar stak uw hand uit en raak alles wat hij heeft aan, en
kijk of hij U in Uw gezicht zal zegenenJob.1: 11.
Zoals de Heilige Johannes Chrysostomos in zijn commentaar opmerkt:
‘   Wat een onbeschaamdheid!
Hij had de brutaliteit om een ​​geschil met God aan te gaan;
toch is/was deze houding niet alleen die van de demon, maar
ook die van kwaadwillende mensen . . .
De duivel raakt de kudde zelfs niet aan indien
hij geen toestemming gekregen heeft . . .
Want hij is ver van God verwijderd, als [diegene] die
de rechtvaardigen wil laten struikelen‘.
Inderdaad, onze vijand streeft ernaar de vrede van de ziel te verstoren en is op vernietiging uit. Dus laten we ons wapenen tegen Satan’s pogingen om onze overtuiging te verminderen dat “al het goede van God komt” en dat we “in niets kunnen slagen zonder de hulp van God’s Genadegave“.
  Mogen wij niet rondrennen op zoek naar menselijke wijsheid en vermogen, maar handelen met de nederige kracht die we dankzij God verkrijgen en datgene wat dient te gebeuren geheel aan God over te laten
Heilige Dorotheos van Gaza.
De Bron van het menselijke karakter is zelf alles in de hand te houden en als het enigszins kan dusdanig te manipuleren dat het onze kant oprolt.
In al deze gebeurtenissen die hem overkwamen, heeft Job [echter] helemaal niet gezondigd voor de Heer en heeft hij geen dwaasheid aan God toegeschrevenJob. 1: 22.

Aan het begin wordt de Profeet Job als gevolg van de gaven van de Heilige Geest reeds beschreven als: “waarachtig, onberispelijk, rechtvaardig en godvrezend,
zich onthoudend van alles wat kwaad is” Job.1: 1.
Indien we nauwkeurig lezen, kunnen we de bron van Job’s karakter, van zijn rechtvaardige ziel waarnemen: naast het natuurlijk gegeven van het menselijk verdriet
– door zijn kleren te scheuren en “de haren van zijn hoofd” te scheren
– viel Job ook “ter aarde en aanbadJob.1: 20.
Het gebed van de profeet onthult een niet-aflatende afhankelijkheid van God:
Gezegend zij de Naam des HerenJob.1: 21.
De onderliggende veronderstelling van Job’s leven is dat:
➥  alle dingen van God zijn,- de Heer die geeft en
➥  de Heer, Die Zich terugtrekt zoals Hij verkiest
en alle dingen [ook in de Kerk] zich slechts via onze God ontwikkelen tot  de zegening van de mens Job.1: 21.

De heilige Johannes Chrysostomus verheft Job’s reactie en beschouwt dit als een spiegel voor ons zelfonderzoek wanneer hij spreekt over:
de dingen die je veel mensen ziet doen. . . denk daarbij aan:
✥     ‘wanneer ze anderen zien genieten van gelukkige dagen, terwijl ze als vanzelf sprekend in de ergste beproevingen worden ondergedompeld.
Hij merkt daarbij op dat Job niets gezegd heeft, noch iets gemeens heeft toebedacht aan andere mensen.
Integendeel“, zoals Johannes Guldenmond aangeeft,
weerhield de Profeet Job zichzelf”:
hij heeft de gebeurtenissen van onrechtvaardigheid niet nog eens overtroffen.
– Hij heeft niet gezegd dat de gebeurtenissen hem zonder motief of bij toeval werden aangedaan;
✥     ‘Hij heeft niet gezegd: ik ben rechtvaardig en ik ben me niet bewust van enige zonde; die mensen zijn allemaal in de bloei van hun leven terwijl ik in ontelbare kwaden doorsta, waarom? – Wat voor onrecht, welke zonde heb ik persoonlijk begaan? Daaruit blijkt dat God nog wel om geeft en mijn zaken behartigt
”.

Job beschuldigt het leven of de mogelijkheid om oneerlijk, manipulerend òf onrechtvaardig te zijn niet.
In tegenstelling tot velen in de westerse wereld, roept de profeet, zijn verdediger niet op  juridische actie tegen ‘de rovers’ te ondernemen Job.1: 15 òf tegen de verwarringzaaiers, de ruiters Job.1: 17.
Hij aanbidt God, en hij “beveelt God niet met dwaasheidJob.1: 22.
Bekijk zorgvuldig zijn veronderstelling:
Job ziet het leven in de handen van God, zodat alles wat er maar gebeurt van God afkomstig is en eerst dàn kan de mens alles accepteren zoals het plaats vindt.
Dus, Job zegent God in de geest dat “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij  Wie geen verandering is of zweem van ommekeer” Jac.1: 17.

☦️      Er is geen spoor van een berusting in het lot of het toeval met Job.
“Aan de Heer behoort de aarde en haar volheid, 
de gehele wereld,
met allen die erop wonen” Psalm 23: 1.
Inderdaad, de woorden van de Profeet David zijn de woorden:
Alle dingen hebt Gij onderworpen onder Uw voetenPsalm 8: 6.
Job’s goddelijke kijk op het leven en de wereld is tegen elke theorie die willekeur als de alleenheerser van het leven beschouwt;
➽     Dáár wordt niet gesproken over de eerst onder gelijken, daar is geen sprake van manipuleren en onderdrukken van de mens, daar heerst geen hiërarchie in wereldse begrippen.
➥     Dáár is slechts één Heilig, één Heer en dat is God Zelf,  tot Heerlijkheid van God, de Pantocrator Zelf.
Alles wat de mens doet, behoort hij slechts te doen tot meerdere eer en glorie van God.

☦️     Verder, blijkt dat Job in alles de Blijde Boodschap volgt, probeert de Profeet niet elke negatieve gebeurtenis te associëren met een specifieke zonde van zijn eigen persoonlijke leven.
Hij accepteert dat dingen slechte ten kwade gebeuren met goede mensen, omdat
hij impliciet in zichzelf de overtuiging heeft hetgeen de Apostel Paulus expliciet zegt:
de gehele schepping zucht en beeft van pijnRom.8: 22.
We leven na de val, niet in het Paradijs, we leven in het Koninkrijk onder de Hemelen.
Dus Job plaagt zichzelf niet door eindeloos naar anderen te wijzen en zich voor in eigen kring heimelijk af te vragen: “Wat voor onrecht, welke zonde heb ik persoonlijk begaan?” Job.1: 22.
De schoonheid van het hart van Job manifesteert zich als ‘van nature’ wanneer
hij uit deemoed ter aarde neervalt Job.1: 20.
Zoals de heilige Metropoliet van Philadelphia zei over uitputting:
het toont ons een beeld van de val van de mens in zonde en
drukt de belijdenis van onze zondigheid uit
Philokalie.

Slapende apostelen, by michel Ciry

Er ligt ongetwijfeld een grote eenzaamheid in pijn en kwelling opgesloten.
Een muur wordt opgetrokken rond degenen die worden vastgehouden in de klauwen van dit lijden. De Heer heeft dit isolement Zelf in de hof van olijven ervaren, toen hij aan Petrus, die Hij lief had vroeg:
Simon, slaapt gij?
Was het jou niet een uurtje mogelijk
met mij te waken?
Marc.14: 37.
En Job wist, net als de Heer, dat wat hem ook zou overkomen, de hand van God op de gebeurtenissen was.
Hij wist dat God om zijn zaken gaf en hem niet terzijde had geschoven.
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft weggenomenJob.1: 21.
Er is geen lijden dat iemand van ons doorstaat van waaruit God een straatje om gaat, want onze God en Verlosser, Jezus Christus Zelf,  heeft als mens van vlees en bloed in Zijn Passie grote pijn en smart ervaren voor onze Redding.

    Ik ben het werk van Uw handen.
Schenk mij Uw Genade volle helpende hand en
geef mij geduld en kracht om alle verdrukkingen
te verduren met onderwerping aan Uw Wil
”.

Dit gebed zuivert ons en de lezing van deze tekst geeft ons onderricht.
Beiden zijn waardevol; wanneer een van beide niet mogelijk is, is bidden te verkiezen boven lezen.
Wie altijd bij God wil zijn, dient veel te bidden en te lezen. Want wanneer wij bidden spreken wij met Go; maar als wij lezen spreekt God tot ons.
De grondslag voor elke vooruitgang is lezen en jezelf overgeven aan de stilte opdat het gesprek met God tot stand kan komen.
Wat wij niet weten, leren wij door te lezen; wat wij geleerd hebben, houden wij vast door het te overwegen.
De lezing van de Heilige Schrift brengt ons dubbel voordeel: want zij vormt het inzicht van ons verstand en haalt de mens weg [onttrekt de mens] aan zijn ijdelheden van de wereld om hem naar de liefde van God te brengen.
Lezing heeft een tweevoudig doel:
1.]. het door bestudering begrijpen van hetgeen er gezegd wordt.
2.]. het nut van hetgeen er verkondigd wordt en de manier waarop dit plaats vindt.
Ieder mens wil immers eerst begrijpen wat hij leest; pas daarna is hij in staat uit te dragen wat hij geleerd heeft.
Een toegewijd lezer en zo ascetisch bent u ‘zeker en vast’, wanneer u deze site regelmatig doorvorst, wil dit vooral door domweg te doen in praktijk te brengen door wàt hij leest en niet alleen om kennis na te streven. Daar heb je dan weer langdurige ascetische oefening voor nodig en dààr hebben de meeste geestelijken geen tijd meer voor.
Want het is minder erg te weten wat je dient te doen, dan het niet te doen als je het weet. Wij lezen immers omdat wij iets willen weten, maar als wij dan het goede dat wij geleerd hebben, kennen, dienen wij dit ook nog in de wreld om ons heen in praktijk te brengen.
Om de zin van de Heilige Schrift te begrijpen dienen wij ons er door veelvuldige lezing mee vertrouwd te geraken. Daarom staat er geschreven:
    Verwijder de goddeloze uit het bijzijn van de Koning, de Heer der Heerscharen, dan zal Zijn Troon steunen op Gerechtigheid . . . . .  Goede en toepasselijke woorden zijn als gouden appelen op zilveren schalen . . . . .  een gezagsdrager laat zich door vriendelijk geduld overtuigen, een vriendelijk woord weet zelfs het hardste hart te vermurwenSpr. 25: 5,11 en 15.
    anders gezegd:
‘  De berispingen van iemand die van u houdt, worden ingegeven door vriendschap; vriendelijkheid van iemand die u haat, komt slechts voort uit bedrog’.

6e Zondag ná Pinksteren – de rechte weg van de heiligen

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stad.
En zie, men bracht een verlamde, op een bed liggende, tot Hem.
En daar Jezus hun Geloof zag, zei Hij tot de verlamde:
‘Houd moed, mijn kind, uw zonden worden vergeven’.
En zie, sommige der schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God.
En daar Jezus hun overleggingen kende, zei Hij:
‘Waarom overlegt gij kwaad in uw hart?
Want wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?
Maar, opdat gij weten moogt, dat  de Zoon des mensen Macht heeft op
aarde zonden te vergeven’
– toen zeide Hij tot de verlamde: ‘Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis’.
En hij stond op en ging naar huis.
Toen de scharen dit zagen, vreesden zij en  zij verheerlijkten God, die  zulk een macht aan de mensen gegeven had. En vandaar trok Hij verder
Matth. 9: 1- 8.

 

gaven van de Heilige Geest, mosaïc

    Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de Genade, Die ons gegeven is:
⁌   profetie, naar gelang van ons Geloof;
⁌   wie dient, in het dienen;
⁌   wie onderwijst, in het onderwijzen;
⁌   wie vermaant, in het vermanen;
⁌   wie mededeelt, in eenvoud;
⁌   wie leiding geeft in ijver;
[oprechte, niet zichzelf zoekend]
⁌   wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid.
De liefde zij ongeveinsd.
Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede.
Weest in broederliefde elkander genegen,
in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver onverdroten,
vurig van geest, dient [slechts] de Heer.
Weest blij in de Hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed,
bijdragend in de noden der heiligen,
legt u toe op de gastvrijheid
Rom.12: 6-14.

Paulus gaat nog eventjes door:
  Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet.
Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden.Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar
voegt u in het eenvoudige.
Weest niet eigenwijs.Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.
Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, Vrede met alle mensen.
Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want
er staat geschreven:
Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden’, spreekt de Heer.
Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien
hij dorst heeft, geef hem te drinken, want
[op die manier] zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goedeRom.12: 14-19.

Je kunt vervolgens niet anders dan onderwerpen aan de overheden, die boven je staan. Want er is geen overheid dan door God gegeven en die er zijn, zijn door God gesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling God’s, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.
Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheid’s- personen, maar wèl, als hij verkeerd handelt.
Wil je dus zonder vrees voor de overheid zijn? Doe dan het [slechts de wil van die overheid, want dat is slechts het ➙ ???] goede, en je zult uiteindelijk lof van haar ontvangen. Je mag op z’n minst aannemen, dat zij in dienst staan van God, teneinde jou het goede te doen toekomen. Is dit niet het geval, vlucht dan met de velen, die voortvluchtig zijn en zoek een goed onderkomen.

 

Bijbelse Koning Salomo, koninklijk paleis op de dam, Amsterdam

    Want de Hoop van de goddelozen is als stof, door de wind verstrooid en gelijk een dunne rijm, door een storm verdreven en gelijk een rook door de wind verwaaid en gelijk men iemand vergeet, die slechts voor een dag gast geweest is;
Maar de rechtvaardigen zullen eeuwig leven en bij de Heer is hun loon en de Hoogste zorgt voor hen.
Daarom zullen zij een heerlijk rijk ontvangen en een schone kroon van de hand des Heren; want hij zal hen met Zijn rechterhand beschermen en met Zijn arm verdedigen.

  Hij zal zijn ijver nemen tot een harnassen zal de schepselen toerusten tot wraak over de vijanden.
  Hij zal Gerechtigheid aantrekken tot een borstharnas en zal het strenge oordeel opzetten tot helm.
  Hij zal Heiligheid nemen tot een onoverwinnelijk schild.
  Hij zal de strenge toorn wetten tot een zwaard; en de wereldbol met Hem ten strijde uittrekken tegen de onwijzen.
De bliksemschichten zullen juist treffen en zullen uit de wolken, als een stijf-gespannen boog, schieten naar het doelwit;
en dikke hagel zal uit de toorn van de donderslagen vallen.
Ook zal het water van de zee tegen hen woeden en de rivieren zullen hen onstuimig overstromen;
en er zal ook een sterke wind tegen hen opstaan en zal hen als een wervelwind verstrooien.
     Ongerechtigheid verwoest alle landen en een slecht leven stort de tronen der geweldigen [zogenaamde machtigen] omver.
     Hoort dan koningen en merkt op; leert, gij rechters der aarde.
Neemt ter ore, gij, die over velen heerst; gij die u verheft boven de volkeren; want
u is de oppermacht gegeven van de Heer en het gezag van de Hoogste:
Die zal vragen hoe gij handelt en onderzoeken wat gij instelt. Want gij zijt ambtslieden van Zijn Rijk, maar gij bedient uw ambt niet wèl en houdt geen recht en doet niet naar hetgeen de Heer ingesteld heeft
Wijsheid van Salomo 5: 15-6: 5.

⁌   Heiligen zoeken niet alleen naar een psychologisch evenwicht, maar
• trachten tevens de volheid van het leven te bereiken.
⁌   Heiligen ontwikkelen niet alleen religieuze ervaringen, maar
• trachten de vervulling van het leven te verwerven.
⁌   De mens is immers geschapen naar het beeld van God en
• dient derhalve het bereiken Zijn gelijkenis na te streven.
⁌   Het laatste doel, de doeloorzaak [Gr.= ἐντελέχεια] gaat
aldus Aristoteles
•  de stoffelijke-, de vormgevende- en de werkende oorzaak te boven.
⁌   Zolang dit verlangen niet verzadigd is en
• de mens vèr van God verwijderd is gebleven, lijdt hij des te meer.

De Heiligen van de Kerk
  Maar de rechtvaardigen zullen eeuwig leven en
bij de Heer is hun loon en de Hoogste zorgt voor hen
Wijsheid van Salomo 5: 15
Wanneer Salomo spreekt van de “rechtvaardigen“, doelt hij
op hen wier tegenhangers, in het Nieuwe Testament, heiligen worden genoemd.
In Orthodoxe geschriften worden de goddelijke personages van het Oude Testament
Profeten, zieners, voorvaderen en voormoeders 
•  gewoonlijk beschreven door de bijvoeglijke naamwoorden
rechtvaardig, heilig of gezegend.

Aangezien het lezen van deze passage uit de Wijsheid van Salomo
is voorgeschreven aan de Grote Vespers voor belangrijke feestdag van
heiligen zoals de Heilige Panteleimon, kunt u er zeker van zijn dat
de Kerk de term ‘Rechtvaardig‘ begrijpt om te verwijzen naar
degenen die wij kennen als heiligen.
Wij begrijpen heel goed dat God zijn na-volgers zal zegenen;
Hij doet dat telkenmale onafgebroken, o.a. tijdens de Goddelijke Liturgie,
maar Hij doet dat tevens door het gebed tot Hem, op verzoek van
Zijn heiligen vanwege de drie punten die de Wijze Salomo over hen stelt:
1]. dàt ze voor eeuwig leven;
2]. dàt hun beloning bij God ligt; en
3]. dàt de Allerhoogste voor hen zorgt Wijsheid van Salomo 5: 15.

het Hemels Jeruzalem

    Ten eerste onthult Salomo dat de rechtvaardigen ‘voor eeuwig leven‘.
Henoch, een van de rechtvaardigen, die in Genesis wordt genoemd:
En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomenGen.5: 24.
    We kunnen aan deze verstandhouding het bijbelse verslag betreffende Elia toevoegen:
Toen hij en Elisa voor de laatste keer wandelden en spraken, “En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel 2Kon.2: 11.
      We leren van Melchizedek, een priester “voor altijd”, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament:
⁌     Toen ging de koning van Sodom uit, hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de koningen die met hem waren, naar het dal Sawe, dat is het Koningsdal. En Melchisedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij nu was een priester van God, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zei: ‘ Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, en geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem van alles de tiendenGen.14: 17-20.
⁌     Want deze Melchisedek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, aan wie ook Abraham een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging [van zijn naam]: koning der gerechtigheid, vervolgens ook: koning van Salem, dat is: koning van de vrede; zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde van het leven, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor alle tijden  Hebr.7: 1-3.

Laten wij echter deze uitzonderlijke voorbeelden even terzijde schuiven, want Salomo beperkt zijn leringen over de rechtvaardigen niet tot het kleine aantal notabelen, de hoogwaardigheid’s-bekleders.
Integendeel, hij geeft een belangrijke les over het eeuwige leven voor al die heiligen, inclusief de meerderheid die, net als Mozes, kwamen te rustten en begraven werden.
⁌   Waarom zou de Kerk anders deze passage lezen op feesten van Martelaren, zoals Panteleimon, Euphemia en Charalampos, die stierven voor hun getuigenis?
Iedere ná-volger, ja elke ná-jager van Christus is immers een voorbeeld voor anderen, òf niet soms en kan zich als zodanig als martelaar en heilige beschouwen, als heilige onder de heiligen van alle tijden.
⁌   Waarom anders zou de heilige Johannes van Damascus in de begrafenisdienst
een pleidooi houden voor de ziel van elk van God’s dienstknechten, dat
zij gevestigd zijn:
    in het Paradijs, waar de koren der heiligen en de rechtvaardigen
schitteren als de sterren aan de Hemelen
”.

Salomo spreekt tot dit punt wanneer hij zegt dat de beloning van de rechtvaardigen . . . – “bij de Heer is” – . . .  Wijsheid van Salomo 5: 15.
       Hij bevestigt dat het eeuwige leven een geschenk van God is aan zijn heiligen
een van de vele goddelijke geschenken die buiten het vermogen van onze sterf-lijke zondaars ligt.
       Want terwijl we leren en ideeën verzamelen uit de woorden van andere mensen, weten we maar al te goed dat de Heer – ‘een heel ander soort kennis is toegedaan’ -;
    het is een ontmoeting met Christus, onze Heer en Die zal 
ons onzicht geven en ons het een en ander vroeg of laat duidelijk maken.
Er wordt niet voor niets verkondigd:
– ‘ onderzoekt alles en behoudt het goede‘ – ; God drenkt vrijelijk liefde en vele schatten over ons.
Wordt het ons nu nog niet duidelijk? Wij weten dat Christus, onze Heer en Verlosser om ons mensen geeft, Hij heeft de mensen lief, want zoals de heilige Johannes zegt:
    Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Z
ijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar
eeuwig leven zal hebbenJohn.3: 16.

       Hier vinden we bewijs van de Waarheid dat
inderdaad onze “zorg door de Allerhoogste” geleverd wordt.
Wijsheid van Salomo 5: 15.
We hebben de rand van een grote, uitgestrekte oceaan bereikt.
       Zoals de Heilige Romanos de Melode het uitzingt:
De zee wast de baksteen, de grote diepte baadt de klei, maar
lost haar samenstelling niet op, maar comprimeert haar substantie en
veegt haar vrije wil schoon.
⁌   Zie de houding van de Maker; kijk naar dat van de Schepper in de richting van Zijn schepselen.
⁌   Zij leunen aan tafel en Hij staat;
⁌   Zij worden gevoed en Hij voorziet;
⁌   Ze worden gewassen en hij veegt schoon envoeten van klei
worden niet gesmolten in de handen van het vuur.
Wees genadig, barmhartig, barmhartig voor ons,
U die geduldig bent met alles en wacht op allen

Kontakion uit ‘Over het leven van Christus’: blz. 118.

om de ‘levende’ Christus       
    Geef ons, Meester, nu wij slapen gaan, rust naar lichaam en ziel.
Behoed ons voor een duistere [zondige] slaap, en
voor iedere
[donkere en] nachtelijke begeerte.
Breng tot rust de aandrang van onzuivere neigingen:
doof de vurige pijlen van de boze, die in het geheim op ons afkomen.
Doe bedaren de opstandigheid van ons vlees, en
kalmeer iedere bezorgdheid door aardse en voorbijgaande dingen.
En Geef ons, o God, een waakzame geest, zuivere gedachten en
een nuchter hart, geef ons een lichte slaap, vrij van iedere fantasie.
Doe ons opstaan op de tijd van het gebed, gesterkt door Uw Geboden,
Uw Oordelen steeds gedenkend.
Maak dat wij U de gehele nacht in de geest mogen verheerlijken door
het bezingen, zegenen en loven van Uw heilige en alleenlijke Naam:
van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN.
Hooggeprezen altijd-maagd en gezegende Moeder van Christus God,
breng ons gebed tot Uw Zoon, onze God, opdat Hij door U onze zielen zal mogen redden.
Mijn vertrouwen is de Vader, mijn toevlucht is de Zoon, mijn bescherming de Heilige Geest,
Alheilige Drieëenheid, ere zij U.
Ere zij U, Christus, onze hoop, ere zij U
”.
Avondgebed uit Horologion ROK ’s-Gravenhage blz. 344

NB. Over [schijn-]heiligheid als mededeling, in eenvoud.
Er wordt onder orthodoxen in onze wereld geen aanduiding
méér gebruikt of anders gezegd ‘misbruikt’ dan de term canoniek.
Men hoort eindeloze discussies over de “canoniciteit” òf de “niet-canoniciteit” van deze of gene bisschop, jurisdictie, priester, gemeenschap.
Is het op zichzelf geen aanwijzing dat er iets faliekant verkeerd is òf, althans,
twijfelachtig vanuit het canonieke oogpunt in onze hedendaagse wereld, dat
er een canoniek probleem bestaat waarvoor
een algehele analyse en oplossing op z’n plaats zou zijn?
Helaas wordt het bestaan van een dergelijk probleem zelden of nooit toegegeven.
Iedereen claimt simpelweg de volheid van canonaliteit voor z’n eigen positieen veroordeelt, ja veroordeelt zelfs in Naam van de Apostlische Kerk
de kerkelijke status van anderen als niet canoniek [It’s the toy of the boys].
En vervolgens verbaast men zich dan over het minderwaardig niveau en
het cynisme van deze ‘canonieke‘ gevechten waarin elke insinuatie, elke
vervorming is toegestaan zolang het de ‘zgn. vijand‘ schaadt.

iedere denominatie vist in een wereld, die onstuimig is; in ‘verschuivende’ rechtsgebieden’, de eenheid van de Kerk is vèr te zoeken

De zorg hier is niet vóór de Waarheid, maar voor het behalen van
wereldse overwinningen, in de vorm van parochies, bisschoppen, priesters
– “verschuivende” rechtsgebieden en toetreden tot de “canonieke”;
het zgn. ‘landjepik’.
Hiertoe worden zelfs doelbewust vazallen opgeleid teneinde op de wereld’s politiek belangrijke plaatsen, het doel van de één boven de ànder dienen te gaan bevorderen.
Het doet er niet toe dat dezelfde bisschop of priester gisteren veroordeelde wat
hij in de tegenwoordige tijd als canoniek prijst, dat de diepe beweegredenen achter al deze overdrachten zelden iets te maken hebben met canonieke overtuigingen; waar het om gaat, is overwinning [op wat? op wie?, op Christus?].
We leven in de vergiftigde atmosfeer van anathema’s en excommunicaties,
juridische geneuzel en rechtszaken, twijfelachtige toewijdingen van dubieuze bisschoppen, haat, laster, leugens!
Maar denken we wel eens na over de onherstelbare morele schade die dit alles
onze ná-volgers, ná-jagers van Christus, de goedgelovige mensen toebrengt?
Hoe kunnen de beminde gelovigen met al dat geharrewar de Hiërarchie en haar beslissingen respecteren? Welke betekenis kan het begrip canoniek voor hen nog hebben? Moedigen we ons met ons gepolitiseerd handelen de rechtvaardige navolgers niet aan om alle normen, alle voorschriften, alle regels als puur familieliair te beschouwen, zo de wind waait, waait m’n vestje?
Soms vraagt men zich af of de hiërarchie van de Kerk zich wel bewust zijn
van het schandaal van deze situatie, of ze ooit denken aan het cynisme dat dit alles in de harten van de gewone orthodoxen veroorzaakt en voedt.
Laat slechts degenen horen die het horen wil.
Als een vrij en verantwoordelijk lid van de kerk van Christus, wordt  twijfelachtige toewijding profetisch bestraft en indien noodzakelijk, in de huidige vorm bekritiseerd ook wanneer het gaat over oppervlakkige hedendaagse vormen van oecumenisme.
Sommige orthodoxen menen dat de orthodoxe kerk niets meer is dan de Russische of Griekse equivalent van de episcopale kerk; vanuit zo’n idee natuurlijk, zal men niet heel hard proberen om iemand tot het orthodoxe geloof te brengen.
Dit is de fout van de oecumenische beweging, die ontmoetingen en conferenties organiseert met niet-orthodoxe kerken, niet met het doel om hen tot het ware geloof van de orthodoxie te brengen, maar op basis van wereldse vriendschap, om te spreken over de secundaire dingen die we gemeen hebben met hen, en om
de verschillen te verdoezelen die ons scheiden en waarvan het bewustzijn hen gretig probeert het orthodoxe geloof te aanvaarden.
Dit wil niet zeggen dat alle ontmoetingen tussen orthodoxe en niet-orthodoxe christenen, ‘getuigenis af leggen’ van de niet-orthodoxe leefwijze, zoals ze zouden moeten zijn.
Met alle respect voor de opvattingen van de niet-orthodoxen, leven we niet op de  juiste manier met ons orthodoxe geloof als we anderen op de een of andere manier niet bewust maken van het grote verschil in Orthodoxie.
Dit hoeft niet te betekenen argumenten en polemieken over aspecten van het Geloof, hoewel deze kunnen ontstaan nadat anderen geïnteresseerd zijn in de Orthodoxie.
De manier waarop iemand zijn orthodoxe leven leidt, als men serieus bezig is met het nakomen van de verplichting om orthodox christen te zijn, is al een getuigenis voor anderen …
Nog een andere fout welke door de hedendaagse orthodoxie gemaakt wordt is
wat men de ‘vesting’s-mentaliteit‘ zou kunnen noemen:
‘wij’ hebben de waarheid in pacht, die van de Orthodoxie en de tijden zijn zo slecht dat onze voornaamste activiteit nu is om dit te verdedigen tegen de vijanden van alle kanten.
Vaak gaat deze mentaliteit overboord in het vinden van “verraders” en “ketters” temidden van de orthodoxe christenen zelf en heel vaak is het aldus bezig met zijn eigen “correctheid” en de “onjuistheid” van anderen dat er nog maar heel weinig kracht over is om de Blijde Boodschap en die van haar Verlossing zelfs aan de orthodoxen te prediken, laat staan aan degenen buiten de Kerk.

Na dit alles vermeld te hebben, neem van mij aan – voor mij persoonlijk – is de vroeg-christelijke orthodoxie inderdaad de juiste lering en de juiste aanbidding van God, maar dat neem niet weg dat wij als na-volgers van Christus als familieleden door hetzelfde bloed allemaal op weg zijn en wij allemaal in de Kerk van Christus zijn geplaatst;
  Daarin zijn wij geboren en zijn wij gedoopt – maar dat neemt niet weg dat wij persoonlijk verantwoording dienen af te leggen van de weg, die we in deze hebben gelopen ‘ook’ wat betreft het samengaan met gelijkgezindten.
  Iedereen die ijverig is voor het woord van God, dient ook onze ziel bevrijden van het voortdurende intellectuele streven om te bewijzen dat ze ongelijk hebben.
  De conclusie van dit alles is dat alleen diegene leeft, die in de Genade van onze Heer en Verlosser Jezus Christus, wordt geheiligd en werkt in de gerechtigheid die hij verworven heeft door het Geloof, in de hoop en uit liefde tot God en de naaste.
– welke wegen je ook gaat wij zijn mensen en overal is wel iets aan de hand,
maar houdt aan een ding ten allen tijde vast:
één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God, de Vader”,
indien wij dàt als het ‘waarachtige’ Geloof beschouwen,
  Veelal na onze eigen vaak moeilijke zoektocht -,
dan kunnen we niet anders dan anderen vragen het navolgen van Christus ‘daar-ìn’ te delen en dáár kan geen enkel mens tegenop en kunnen we met een gerust hart afwachten wat daar wèl niet van komt.
Neem van mij aan, dan zegt Christus tot ons verlamden:
•   “    Houdt moed, m’n kinderen, jullie zonden worden je vergeven”.

Apocalypse, I.M. Dionysiou, Athos

•   “    Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des Heren komt. Want hij is nabij! 2 Een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis. Als morgenrood uitgespreid over de bergen, is een talrijk en machtig volk; desgelijks is er van ouds niet geweest en zal er na hem niet meer zijn tot de tijd der verste geslachtenJoël 2: 1,2.
•   ”    Zie, de dag des Heren komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen.  Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen. Dan zal ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen. Ik zal de stervelingen zeldzamer maken dan gelouterd goud en de mensen dan fijn goud van Ofir [Hebr.= ‘in as veranderen‘]” Isaiah 13: 9-12.
•   ”    De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt”   Joël 2: 31; ook Hand.2: 20.
•   “ De grote dag des Heren is nabij – en komt snel nabij ; want de Heer heeft een offermaal bereid; Hij heeft Zijn genodigden geheiligd. Het zal geschieden ten dage van het offermaal des Heren, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten en over de koningszonen en over allen die uitheemse kleding dragenZefanja 1: 7,8.
•   ” Nabij is de grote dag des Heren, nabij en hij nadert haastig. Hoort, de dag des Heren; bitter schreeuwt dan de held. Die dag is een dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid [geen lucht meer krijgen van de warme?] en van angst, een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis [smog?]. Een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens.
Dan zal Ik
[de Heer over Hemel en aarde] de mensen benauwen, zodat zij gaan als blinden, want zij hebben tegen de Heer gezondigd, en hun bloed zal worden uitgestort als stof en hun ingewand als drek. Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden op de dag van de verbolgenheid des Heren. Door het vuur van zijn naijver zal de ganse aarde verteerd worden, want vernietiging, ja, een verschrikkelijk einde zal Hij alle inwoners der aarde bereiden” Zefanja 1: 14-18.
•   “   Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heer Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren [reeds] aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel God’s zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat Hem weerhoudt, totdat
Hij Zich openbaart op Zijn tijd” 2Thess.2: 1–6.

Apolytikion
tn.5.
  “    Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.

Kondakion
tn. 5.  
“   Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Al Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd,
en Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.

Theotokion
tn.5.  
   Gij zijt in Waarheid de Cherubijnentroon,
want in U heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit U voortgekomen.
Om ons heeft Hij het Kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag voor ons om vergeving van zonden
”.

6e Maandag ná Pinksteren – De Heer heeft geroepen – wees horende [niet doof] en ziende [niet blind], ‘Ook ik weet het en zwijg niet meer’.

van de hoed en de rand: – in de vroeg-christelijke kerk werd helemaal geen mitra gedragen – er bestond namelijk geen hiërarchie -, eerst ná 1600 is men een ‘hoed’  gaan dragen.

    En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem:
Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
       Hij antwoordde hun en zei:
‘ Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der Hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven.
Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden.
Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen.
En aan hen wordt de profetie van Isaiah vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.
Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen.
Voorwaar, Ik zeg u:
Vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.
Gij nu, hoort de gelijkenis van de zaaier.
Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is de langs de weg gezaaide.
De op steenachtige plaatsen gezaaide is hij, die het Woord hoort en het terstond met blijdschap aanneemt; maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; wanneer echter verdrukking of vervolging komt om der wille van het woord, komt hij terstond ten val.
De in de dorens gezaaide is hij, die het woord hoort, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikt het woord en hij wordt onvruchtbaar.
De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd -, deels zestig -, deels dertigvoudig Matth.13: 10-23.

    Want het Schriftwoord zegt tot Farao [Hebr.= ‘groot huis, zijn naaktheid’]:
‘ Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik in u Mijn Kracht zou tonen en Mijn Naam verbreid zou worden over de gehele aarde.
Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.
Gij zult nu tot mij zeggen:
Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat Zijn wil?
Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken?
Zal het geboetseerde soms tot Zijn boetseerder zeggen:
‘ Waarom hebt gij mij zo gemaakt?’.
Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?
       En als God nu, zijn toorn willende tonen en Zijn Kracht bekend maken, de voorwerpen van de toorn, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedig-heid verdragen heeft – juist om de Rijkdom van Zijn Heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?
En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenenRom.16: 17-24.

    Nadat hij vandaar gegaan was, trof hij Elisa [Hebr.= ‘God is redding, zijn behoud’aan, de zoon van Safat [Hebr.= ‘berecht òf hij heeft geoordeeld’], bezig te ploegen met twaalf span voor zich, terwijl hij zelf bij het twaalfde was. Toen Elia [Hebr.=‘mijn God is Heer’] hem voorbijging, wierp hij hem [Elisaios] zijn mantel toe. Daarop verliet hij de runderen, snelde Elia achterna en zei:
    Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen.
En hij zei tot hem: ‘Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan?’.
Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem1Kon.19: 19-21;
    Het geschiedde, toen de Heer Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging en Elia zei tot Elisa:  ‘ Blijf toch hier, want de Heer heeft mij naar Betel gezonden.
Maar Elisaios zei: ‘ Zo waar de Heer leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten’. Daarop begaven zij zich naar Betel’.
Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem:
‘ Weet gij, dat de Heer heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen?’.
En hij antwoordde: ‘Ook ik weet het, zwijgt stil’.
En Elia zei tot hem:
  Elisa, blijf toch hier, want de Heer heeft mij naar Jericho gezonden.
Maar hij zei: Zo waar de Heer leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten.
Zo kwamen zij te Jericho.
Toen naderden de profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem:
Weet gij, dat de Heer heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen?
En hij antwoordde: ‘ Ook ik weet het, zwijgt stil’.
En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de Here 
heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de Here leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder.
Vijftig man van de Profeten waren ook gegaan, maar bleven op verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden.
Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken.
En zodra zij overgestoken waren, zei Elia tot Elisa:
‘ Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen?’.
En Elisa zei:  ‘ Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn.
En Elia zeide: ‘ Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl
ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden.
Maar indien niet, dan zal het niet geschieden.
En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden.
Alzo voer Elia in een storm ten hemel.
En Elisa zag het en riep uit: ‘ Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël!
En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 
Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan.
En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep:  Waar is de Heer, de God van Elia, ja Hij?
Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat
Elisa kon oversteken.
De Profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden:
‘ De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde
”.2Kon.2: 1-15.

Het onzichtbare koninkrijk van God is in u, maar dat neemt niet weg dat het wel degelijk een zichtbare werkelijkheid zal zijn.

Christenen verwarren het koninkrijk van God vaak met het koninkrijk der hemelen. Maar indien je het Woord van de Blijde Boodschap ‘goed’ bestudeert,
zie je dat het twee verschillende zaken zijn.
    Het koninkrijk der hemelen is een aards koninkrijk, terwijl
    het Koninkrijk van God juist een Hemels Koninkrijk is.
Over het koninkrijk der hemelen staat in Isaiah dat
– de koe en de berin samen optrekken, tezamen weiden Isaiah 11: 7-16 en
– dat een kind z’n hand kan steken in het hol van een adder.
Dat is iets anders dàn het Koninkrijk van God, dat Hemels is en waar wedergeboren gelovigen naar uit mogen zien.
          Het is toch wel heel belangrijk om het volgende verschil in te zien [te weten]:
Het koninkrijk der hemelen betreft het Messiaanse vrede’s-rijk, waarover
veel Profeten in het Oude Testament hebben geprofeteerd en Israël [de Kerk] in het vooruitzicht hebben gesteld.
Dit vrede’s-rijk zal gaan samen vallen met de [weder-] komst van onze Heer en Verlosser naar de aarde en zal 1000 jaar duren.
Onze Heer zal als Koning plaatsnemen op Zijn Glorierijke Troon en in het gericht over de volkeren de schapen van de bokken scheiden, zoals dat in de Blijde Boodschap staat:
De schapen verkrijgen toegang tot het Vrederijk, de bokken wacht het oordeelMatth.25: 31-46.

Daarnaast lees je in Mattheus 13 dat de oprichting van dat rijk onderbroken wordt. Onze Heer sprak over het Koninkrijk der Hemelen, maar in Mattheus 12
kun je vinden je dat men Jezus beschuldigt dat Hij in de kracht van Beëlzebul wonderen doet. Op dàt punt bereikt de verwerping van onze Heer een climax, welke z’n grenzen niet kent.
Waar géén plaats is voor de Koning, is de tijd nog niet rijp voor het Koninkrijk!
Vanaf dat moment gaat onze Heer en Verlosser Zich tot de wereld wenden.
Omdat hij geen vruchten vond op de akker van Israël, gaat Hij zaaien op de akker van de wereld om dáár andere en nieuwe vruchten te kunnen oogsten.

Onze Heer en Verlosser is ook voor òns in ònze tijd met al het geharrewar in de Kerk heel duidelijk:
    Het Koninkrijk van God komt niet zo, dat het te berekenen is; 
ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u”. Met andere woorden waar maken wij ons druk om de grootschalige verdeling van het gelovige Volk over verschillende Christelijke geloof’s-uittingen – er is immers ‘één Heer’ en slechts ‘één is Heilig’ tot – Heerlijkheid van God, de Vader’ –.
Op de duidelijke uiteenzetting van het Koninkrijk van God vervolgt Christus tot Zijn directe navolgers, die Hem in den lijve hebben ontmoet:
    Er zullen dagen komen, dat gij zult begeren één van de dagen van de Zoon des mensen te zien en gij die niet zult zien. En men zal tot u zeggen:
    Zie,
dáár is het; zie, hìer is het! Gaat er niet heen, en loopt het niet ná Luc.17: 20-23.
Maak je niet druk over dit òf dàt Patriarchaat – wie er wel niet in al dat geharrewar gelijk zou hebben, zèlfs de oorspronkelijke opvolging wordt door belangengroeperingen beïnvloed.
En maar blijven strijden over ‘wie de eerste wel niet is onder gelijken’.
Ze bekijken het maar, onze Heer en Verlosser zegt:
Het is niet hier, het is niet daar, het Koninkrijk van God is bij u, in je hart”,
ga dáár op zoek en laat de boel de boel.
Indien ik Vader over zo’n stel broers zou zijn, zou ik zeggen:
ruim eerst de rotzooi op je eigen [binnen-]kamer maar eens op!
eerst dàn praten we wel verder!”.

Opvolging, in het belast zijn met taken:
Elisaios [Hebr.
אֱלִישַׁע (Elisha)= ‘God van de komende, God is zijn behoud’]
nam Elia’s [Hebr. Elia= mijn God is Heer’ òf ‘de Heer is mijn God’] mantel die
op hem was gevallen en hij sloeg deze tegen het water
. . . “.
Toen zei hij: “Waar is de Heer God van Elia Zelf?”.
En hij sloeg opnieuw het water en het verdeelde deze kant en
daarop stak Elisaios over
2Kon.2: 14.
Het dramatische relaas van de overgang van de Profeet Elia
naar God’s “schitterende stad” in de Hemelen bevestigt zijn verheerlijking door God evenals zijn eeuwige plaats als hoofd onder de door God geïnspireerde Profeten.
Dáár kunnen de huidige grote Patriarchen en hun vazallen nog een puntje aan zuigen, aan ’zo’n’ overgang in de opvolging van degenen, die belast zijn met taken. 

Het geeft de reden aan waarom ‘de Kerk, het Lichaam van Christus’ de gelovigen oproept‘ om
Onze stem verheffen in vrede en vreugde,
zeggende, verheug u, o aardse engel en hemelse mens,
Elia van grote naam!

uit de Vespers voor de profeet Eliah.

Bevrijding van mistoestanden
Verder is het verslag van Elia’s Opgang naar de Hemelen
een type van de dienaar’s-schap’s volgorde dat tot
op de dag van vandaag onder het ‘waarachtige God’s volk’ doorgaat.
Het bestaan op zichzelf dient een belichaming te zijn van
Goddelijke Liefde’, van het vermogen God uit te drukken.
Continuïteit in bediening is belichaamd in
de doctrine van Apostolische successie, die verzekert dat
het waarachtig Christelijke Geloof en leven van het Christendom
wordt overgedragen van de oorspronkelijke Kerk naar
de gemeenschappen en uiteindelijk de beminde gelovige bereikt.
Dit is een proces welke van generatie op generatie en van plaats tot plaats
wordt voortgezet, door de opeenvolging van de Heilige Traditie van de Kerk.
          Dááròm dient de scheppingskracht van God niet gepolitiseerd te worden door het zich laten leiden door politieke druk van boven, van links òf rechts, van oost en west, door de USA òf Russia òf welke mogendheid dan ook.
We weten maar al te goed dat dat gepolitiseer al vanaf Constantijn de Grote de ‘dood’s-steek is voor het voortbestaan van Het Lichaam van Christus.
          Daarvoor behoef je niet gestudeerd te hebben, geleerd te hebben hoe te manipuleren, hetgeen ze momenteel effectief leiderschap noemen, teneinde
voor ‘vòl’, deskundig en effectief te worden aangezien.
Een glimlach of het tonen van respect alleen al zou een stukje hemel op aarde kunnen creëren, geen sarcastisch glimlachje – zo een van ik weet wel beter, maar
een oprecht gemeende glimlach van hart tot hart,
d.w.z. geen spelletjes meer.
En juist ‘dìt’ is de droom van God, broeder-, zusterschap, daarin
– word je geboren en gedoopt als ontijdig geborenen.
– word je ook als prelaat bekleed

De Kerk is als een familie. Je kunt mijlen ver van je broeder of zuster af staan, maar je behoort wèl tot hetzelfde gezin.
Zelfs àl maak je ruzie, ben je het niet helemaal met elkaar eens, dan nog blijft je familie een bloedband. Zo is het ook met de Kerk; het Lichaam van Christus.
Onze Heer en Verlosser wil niet dat God’s kinderen elkaar afslachten,
elkaar voorbij trachten te streven om
te claimen wat ‘alleen Hij’ heeft kunnen [waar] maken.
De aarde en àl wat daar op is, bestaat om er te delen en àlles wat de aarde voortbrengt is God’s geschenk aan ons, aan ons allemaal,
niet alleen aan degenen, die zich nogal als ‘haantje de voorste’ gedragen.
Het onderscheid dat de mens maakt is de eigen tekortkoming van de mens;
het geeft aan hoe ‘onvolwassen‘ de mensheid nog is.
Politiek bedrijven, óók in de Kerk, is op angst gebaseerd, op onderdrukking waarbij het de mens verdeelt, niet verenigt.
Straf niet degene die fout doet, maar vergeef hen, omdat zij niet beter weten, zelfs wanneer zij van geen ophouden weten en maar door blijven drammen vanwege eigen gelijk.

          In de wijding van toezichthouders en spelleiders wordt gesproken over
Apostolische opvolging, wanneer deze opvolging gepolitiseerd wordt,
maakt dit de Kerk kapot; het ondergraaft de wijze waarop het oorspronkelijk dienaar’s-schap van Elia op Elisha, waarbij de leringen en gebruiken  van vader op zoon met de grootste aandacht en eerbied werd doorgegeven.
Het bestaan van de Kerk op Zichzelf dient een creatie te zijn van liefde, van het vermogen God uit te drukken. Waar geen plaats is voor Christus, als de enige koning, is de tijd nog niet rijp voor het koninkrijk!
Dàt vermogen om God uit te drukken begint bij jezelf vernederen, hetgeen een ascetische houding betreft; daarom  werd in de vroeg-christelijke kerk de voorkeur gegeven aan de keuze van bisschoppen uit ‘een doorleefd ascetische geslacht’.
Dit is gebaseerd op de ‘Vijftig man van de Profeten waren ook gegaan, maar
op verre afstand bleven staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden
2Kon.2: 7.
Ook ‘dìt’ is een scheppingsdaad van God die niet zonder het Woord geweest had kunnen zijn.
Onze gedachten vormen onze realiteit, ons handelen, degene, die zich laat leiden door slechte gedachten, creëert nog steeds opnieuw omstandigheden die de mensheid doen lijden.
Maar zij die handelen naar Liefde, een gegeven van God, creëert liefde om zichzelf en zijn omgeving [de Kerk] heen. Een glimlach of het tonen van respect kan al een stukje hemel op aarde creëren en juist ‘dìt’ is de droom van God.

Nogmaals en nogmaals onze Heer en Verlosser wil niet dat God’s kinderen elkaar afslachten om te claimen wat ‘alleen Hij’ heeft kunnen waar maken.
Een kind wat leert lopen en valt troost je, waarom troost je niet je naaste in
de wetenschap dat hij aan het leren is.
Ook het bieden van troost is een scheppingskracht van God, het is een schepping van het hart.
Laat je niet verleiden hij die je slaat terug te slaan, toon hem je hart want slechts door een voorbeeld te zijn – hoe het anders kan zal de mens leren.
Voed angst niet met angst, maar transformeer angst met door God gegeven Liefde en Vrede.

Slechts met ‘lege’, on-bevoordeelde handen kun je de handen ineen slaan;
omhels je broeder en zuster, laat ze niet alleen staan.
Maar geef ze ook de vrijheid jouw liefde af te wijzen; ze dienen God’s Liefde te vinden, daarin ligt de werkelijke bevrijding van het hart.

Waarachtige Opvolging
In de verheffing van Elia zijn wij allen getuige van het doorgeven van
waarachtig Geloof en leven aan de goddelijke Elisa – en daarna nog vele generaties.

De huidige lezing laat zien dat de opvolging in God’s bediening verankerd is in de waarneembare, oprechte eenheid onder degenen die Zijn Volk dienen. In het geval van Elia en Elisa, zien we dat Elia Elisa, zijn discipel,
in ‘eigen en besloten’ kring, alle gelegenheid geeft om met God’s hulp
zijn eigen’ weg te vinden zodra de Heer heeft geopenbaard dat
het “tijd is. . . om Elia naar de hemel te brengen2Kon.2: 1.
Niettemin, bedenkt Elisa driemaal:
Als de Heer leeft, en als uw ziel leeft, zal Ik u niet verlaten!2Kon.2: 2, 4, 6.

De eenheid tussen de twee grote Profeten werd wijd gedeeld met
een groep mensen die de “zonen van de profeten2Kon.2: 3, 5 werden genoemd, die leden waren van een ascetisch profetische orde.
Merk op dat de eenheid-in-bediening die ten grondslag ligt aan de opvolging voor het leven is en verder gaat dan dit huidige bestaan.
Elisa gaat met Elia de Jordaan over, wetende dat de Heer op het punt staat zijn meester te nemen, maar hij handhaaft hun eenheid in het aangezicht van de dood.
Na de verheffing van Elia naar de Hemelen roept Elisa “de Heer, de God van Elia” op 2Kon.2: 14, onthullend dat hij hun eenheid als bindend beschouwt, ondanks Elia’s intrede in de eeuwigheid.
Deze zelfde ‘herderlijke eenheid’ ligt van oorsprong ten grondslag aan de Apostolische successie die door de apostelen is voortgezet tot onze huidige bisschoppen.
Zoals bisschop Kallistos Ware uitlegt: “De Kerk is. . . gevormd door de gemeenschap van vele hiërarchen met elkaar, en van elke hiërarch met de leden van zijn kudde
uit: ‘The Orthodox Church’, Kallistos Ware, blz. 246.

De gemeenschap van bisschoppen laat zien dat de oorspronkelijke eenheid die
ten grondslag ligt aan de opvolging in de bediening een ‘geschenk van God’ is.
Na alles wat er bovenstaand bepleit is, zal het duidelijk zijn dat de huidige  wereldwijd ingeburgerde wijze van opvolging, welke van bovenaf geïnitieerd wordt, plaats zal dienen te maken voor de oorspronkelijke wijze van uitverkiezing.
God Zèlf is de bron van eenheid en verzekert via een door de plaatselijke gemeenschap van gelovigen en asceten gedragen voortdurende opvolging van degenen die in Zijn dienst zijn. Opvolging is niet het gevolg van menselijke [van bovenaf aangestuurde] keuzevrijheid, hoewel het uiteindelijk wordt uitgedrukt door menselijk handelen 2Kon.2: 8, 14;
het is eerder Mystiek van aard, door God geschonken.
De zegeningen die het Volk van God tijdens Elia’s leven heeft gekregen, worden zonder onderbreking voortgezet door Elisaios 2Kon.2: 4-9, 13.

Het ‘dubbele deel‘ van Elia’s geest 2Kon.2: 9 verwijst niet naar kwantiteit
– het is een Hebreeuws idioom dat de opeenvolging van Waarheid en actie aangeeft. Zó worden de Charismata van de Apostelen dubbel uitgebreid door
de waarachtig gevormde Apostolische bisschoppen van het Lichaam van Christus tot op de dag van vandaag.

Wij die de Cherubijnen op geheimnisvolle wijze verzinnebeelden en de leven schenkende Drieëenheid het driemaal heilig toezingen, laat ons nu alle aardse zorgen terzijde stellen

Gedenk, o Heer, [Patriarch . . ., Metropoliet . . ., onze Bisschop . . .  van Nederland,]
geef dat zij
[-‘in alle vrijheid, ongebonden’-] voor het welzijn van Uw heilige Kerken,
nog lang in Vrede, gezond en geëerd, ongedeerd mogen leven, en
het Woord van Uw Waarheid 
[-in het koninkrijk der hemelen, hier op aarderecht mogen verkondigen
uit: Gedachtenis na de Epiklese in de
Goddelijke Liturgie van de Heilige Basilius de Grote

20 juli – de Profeet Elia [-Elias-] en zijn Hemelvaart

De Profeet Elia is een van de grote Profeten van de Christelijke Kerk, vanwege
de diepte van zijn Geloof, hem God’s-wege geschonken en de uitbundigheid waarmee hij dit onder zijn Volk uitgedragen heeft.
In de verkondiging van de Blijde Boodschap wordt hij dan ook dikwijls aangehaald en de kracht, die hij van de Heilige Geest heeft uitgestraald geeft ook in onze tijd nog het gewenste resultaat.
Van de mensen van het Oude Testament is hij misschien de meest geliefde en zijn gedachtenis wordt meer dan welke andere dan ook door de orthodoxe christenen geëerd. Voor alle christenen, in welke staat we ook zijn is de Profeet Elia een voorbeeld.

Hoewel hij geen teksten heeft geschreven, wordt hij altijd geciteerd met woorden van overgave, hij wordt gepresenteerd als een voorbeeld om na te volgen en hij neemt deel aan een van de belangrijkste gebeurtenissen van het Nieuwe Testamen, de Transfiguratie van onze Heer en Verlosser.

Vanaf het eerste boek van het Oude Testament wordt vermeld dat Henoch [Hebr.= ‘toegewijd’] met God wandelde, nadat hij Metuselach [Hebr.=‘man van de pijl’] verwekt had, dat hij niet meer was, want God had hem opgenomen Gen.5: 24.
Elia wist dat wie met de Heer twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemelen. De Heer richt immers de einden der aarde; de Heer geeft sterkte aan die Hem vrezen en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde 1Sam.2: 10.

Henoch en Elia zijn de twee gezichten van het Oude Testament, die de fysieke dood niet hebben ervaren, die levend werden opgenomen in de Hemelen, hetgeen impliceert wat de psalmist David aangeeft: “ . . . God zal mijn ziel verlossen uit de macht van de onderwereld, wanneer Hij mij opneemtPsalm 48: 16, God zal ons immers opnemen in Zijn hand.
Elia was een mens, die God aanschouwde, een wonderdoener en een aanhanger van de éne God.

De heilige Elias was afkomstig uit de stam Aäron, uit de stad Tishba, vandoor hij bekend is als ‘de Tishbiet’.
Toen Elias werd geboren, zag zijn vader Sabah [Hebr.=’zeven of een eed’] engelen van God rondom het kind, derhalve wikkelde het [voedde hij het kind op] in met vuur [van de Heilige Geest] en voedde het kind met al wat z’n God-minnende ziel nodig had [met vuur]. Deze beschrijving is een voorafschaduwing van Elias ‘vurige karakter en zijn door God gegeven vurige krachten‘.
Hij bracht zijn hele jeugd door in gebed en God’s aanschouwing, trok zich regelmatig terug in de woestijn om in alle stilte en vrede na te denken en te bidden.
Op één meest kritieke periode in de geschiedenis van het Israëlische volk stuurde  en stuurt God nog steeds ‘werkelijk geïnspireerde‘ leiders om
Zijn volk terug te roepen tot de aanbidding van de Ene Ware God. Wanneer je goed zoekt zul je ze vinden, wanneer je ze ontmoet – weet je het – , voor dàt ogenblik, zet ze dus niet op een voetstuk, anders vallen zij er ‘uit menselijke hoogmoed‘ van af.
Een van de eerste en belangrijkste onder deze Profeten was zoals reeds werd vermeld Elias de Tishbiet [ook wel Elia genoemd] die de Israëlische geschiedenis met dramatische onverwachte omstandigheden heeft overweldigd lees: 1Kon.17.
Hij waardeerde het Geloof in de Éne waarachtige God en voor hem was er geen afwijking van een totale toewijding mogelijk. De naam, die hij bij z’n geboorte meekreeg ‘Elia’ betekent dan ook: ”de Heer is mijn God“.
Een van de iconen van de profeet toont Elias die gevoed wordt gevoed door de raven,  hetgeen aantoont dat zelfs de natuur door de wil van God wordt bestuurd.
De raaf, een roofvogel, wordt door God gekozen om Zijn instrument te zijn.
Gods’ Woord tot Elia luidt: “Je zult van de beek [de Bron van het leven] drinken, en ik heb de raven geboden om je aldaar te voeden
1Kon.17: 4.

Profeten zijn, net als de kerkvaders, in essentie het geschenk van God aan de mensheid omdat zij ons tot het ware Geloof brengen ons, door hun doen en laten, tot voorbeeld zijn in hetgeen wij zelf doen. 
Door hun doen en laten en met name hun wonderbaarlijke daden tonen zij als bevestiging empirisch de aanwezigheid van God onder ons.
Hij heeft geleefd in de regering periode van koning Achab [Hebr.=‘broeder van vader’] en koningin Izebel [Hebr.= ‘prijst Baäl, heult met deze afgod, anders gezegd is onkuis].
Deze vrouw Izebel verafgoodde haar man, maar was tegelijkertijd degene, die de touwtjes in handen had. Zij regeerde in wezen het Israëlische volk in naam van haar echtgenoot die een zwak karakter had; dit heeft geresulteerd in de heidense opvattingen in geheel het koninkrijk van Israël.
Later lezen we bij de profeet Elisa: “   Gij zult het huis van uw heer Achab slaan, opdat Ik het bloed van mijn knechten, de profeten, ja, het bloed van alle knechten des Heren aan Izebel zal wreken. En het gehele huis van Achab zal omkomen; Ik zal van Achab al wat mannelijk is uitroeien, allen in Israël van hoog tot laag; dan zal Ik met het huis van Achab evenzo handelen als met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, en dat van Basa, de zoon van Achia; en Izebel zullen de honden verslinden op de akker te Jizreel, en niemand zal haar begraven 2Kon.9: 7-10.
Het is de aanbidding van de valse god Baäl, terwijl er op hetzelfde moment een [pornografisch] beeld wordt opgebouwd van de valse ‘Astartis’ [moedergodin] in een heilig heidens woud. Overal is immoraliteit en wordt de mens door wereldse aantrekkelijkheden afgeleid; het is zoiets als in onze tijdsperiode.
Men zou kunnen zeggen dat in dit geval de locatie waar je jezelf bevindt overeenkomstig de Heilige Simeon de Nieuwe Theoloog die zegt dat:
“als gevolg van de onwetendheid van God en het daarbij behorende goddelijke opdracht door menselijk optreden de Blijde Boodschap wordt ontkent, zodat
de eer, die slechts aan God toekomt niet aan God wordt geschonken wanneer
de mens door menselijke inbeeldingen met deze intimiderende passie wordt overspeld en deze als alleen zaligmakend gaat vereren”.
Het gevolg is een algeheel spirituele duisternis, welke het Verbond [als een huwelijks verbond] met God verkracht.
In deze situatie verschijnt de profeet Elias, die met een ijverig hard en aandachtige inzet een volledige droogstelling [droogte] beveelt die heeft geleid tot hongersnood in het hele land.
Concreet staat er: “Want de Heer, de Heilige en Sterke, de God van Israël [de Kerk], Die vóór hem aanwezig is, deze jaren zijn losbandigheid en verfoeilijk, dat ik niet spreek voor mijn mond“.
Wie het nieuws volgt en de Bijbel kent, is niet verbaasd over de huidige ontwikkelingen, de wereld speelt op alle fronten met vuur. Een vreeswekkend iets [om met de iets’-sisten te spreken] beveelt niet alleen dat er geen druppel regen meer zal vallen, maar stelt dat het alleen op zijn eigen commando zal regenen. In dit geval geeft de profeet Elias ons de dimensie aan van de ontologische en niet alleen morele dimensie van het Heilige.
‘Dè Heilige’ is een god en is alomvattend een levende en actieve God, ook in onze tijd. Het is door deze bril, deze dimensie dat de profeet Elia handelt om de mensen van zijn tijd te verbinden, helaas werden ze in de overgrote meerderheid geleid tot afgoderij en immoraliteit.

De Heilige Chrysostomus benadrukt eveneens dat de goddelijke voorzienigheid duidelijk aanwezig is gedurende Elia’s leven.
In het begin wordt hij gevoed door raven, na een ontmoeting met een weduwe in de strijdwagen van Sidon geplaatst. Op deze manier zegt de heilige Vader: ‘God toont Zijn Goddelijke Liefde voor het aangezicht van de profeet’.
    Allereerst dient het de aard van het paard en eerst dan de rationele natuur.
Hij herhaald:
Om deze reden gaf God hem [en ons] door de kraaien
de aanzet tot deelname aan het ascetisch leven van monniken;
indien je een huwelijksreis aangaat waar je je op voorbereidt,
is het waarschijnlijker dat de rede overtuigd wordt
”.
    Bovendien stelde de aanwezigheid bij de gratie van Sidon, aldus
Chrysostomos het heiligdom, de eer voor die Christus zou ontvangen
van de wereld en zijn verwerping door de Joden.
Hij zegt: ‘Wanneer de wereld onze Heer en Verlosser gezien zou hebben als een gedeporteerde in plaats van zichzelf, en Hem grote der naties van de wereld zou verwelkomen,  in plaats van overspel te plegen uit bewondering over de Waarheid’.
                Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebbenMatth.11: 21.
Dus, in veelvoudige dank aan Sidon, trouwt een weduwe op wonderbaarlijke wijze met haar wezen en trouwt zij zelfs met de doden en een van haar kinderen die zijn gestorven.
    Bovendien wanneer Elia tenslotte op een wonderbaarlijke manier wenst dat het offerhout zal verbranden ter ere van de ware God, drukt hij het trieste besef uit:
Ik ben een profeet van de Allerhoogste”.
Slechts door de tegenstelling aan te geven tot de vierhonderdvijftig profeten van Baäl en de vierhonderd profeten van Astartis, maar uiteindelijk zal de aanwezigheid van de ware God over het kwaad triomferen en spreekt het Mysterie onder de mensen als een objectief gegeven over de aanwezigheid van de ware God.
    Het einde van het aardse leven van Elia is overweldigend.
Zoals bekend is, stierf profeet Elia niet, maar werd hij naar de Hemelen gevoerd.
Immers alle koninkrijken der aarde heeft de Heer, onze God der hemelen, ons gegeven en Hij heeft ons opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van Zijn Volk behoort, de Heer, uw God, zal met u zijn en Hij zal met u optrekken.

Volgens de kerkvaders is de profeet Elia een voorafbeelding [type] van
Christus, als profeet/rechter is hij hetzelfde als Christus.
Heeft Christus ons misleid? Elia nam op zich.
Aan de wereld werd Christus gezonden, veertig dagen lang werd hij op de troon gezet? Dat deed de profeet Elias ook.
Bovendien was Elia volgens de Heilige Gregorius Palamas een model van verdriet en oefening. In een toespraak over het ‘vasten’ zal hij zeggen:
‘Elia heeft het vasten van het vasten lief gehad’.
Tot slot zegt deze vader van onze orthodoxe kerk, in een toespraak bij het feest van  ‘Transfiguratie’ van onze Heer en Verlosser’:
Mozes en Elia verschijnen als de Heer onder alle mensen die
naast ander zaken het vasten en het gebed, niet
uit plichtsbesef hebben uitgeoefend, maar uit onzelfzuchtigheid
”.

We weten niet wanneer en in welke mate onze Heer ons in dit leven de Genade van rust en stilte zal doen toekomen. We dienen hierom te smeken, Hem te vragen in liefde te mogen leven, zowel tot God als tot onze naasten en dat we wanneer wij omkomen, dat wij omkomen uit Liefde tot Hem, want eerst dan kun je er zeker van zijn dat het God, de Vader goed zal doen.
“ Want niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, is het voor de Heer, en als wij sterven, is het voor de Heer. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des HerenRom.14: 7,8.
Daarom zijn wij immers verenigd/samengekomen met Christus en is ons leven gezegend, is de dood een Opstanding geworden en zijn alle problemen opgelost. Zijn Genadegaven zijn ons genoeg, het is ons een genoegen met Christus te zijn, in de liefde van Christus, levend en stervend.
Onze hulp kan de Profeet Elia hierbij zijn, een goede beschermheilige in onze geestelijke strijd.

Troparion
tn.4. 
“  Gij dwaalde als een engel in het vlees, als
de grondslag der profeten en de tweede Voorloper van Christus’ komst,
roemrijke Elia.
Gij hebt uit de hoge uw geest gezonden op Eliseos,
gij verjaagt ziekte en melaatsen; en
doet zo genezing opwellen voor allen die u vereren
”.

Kondakion
tn.2.
    Profeet en schouwer van God’s Machtige daden,
vermaarde Elia, die
door uw woord regenwolken gevangen hield,
bid voor ons tot de enig Menslievende
”.

5e Zondag na Pinksteren – ‘Heer, leer mij Uw Gerechtigheden’ – de genezing van de twee bezetenen.

slechts de Kelk en de diskos’ zijn ongedeerd uit de brand in Hengelo overgebleven, alles is vernietigd, doch de Heer is bij ons gebleven

    Te dien tijde, toen onze Heer en Verlosser aan de overkant in het land der Gadarenen [Hebr.= ‘beloning aan het einde’] was gekomen, kwamen Hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, zeer gevaarlijke, zodat
niemand langs die weg voorbij kon gaan.
En zie, zij schreeuwden, zeggende:
Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?’.
Nu werd er ver van hen een grote kudde zwijnen gehoed.
De boze geesten smeekten Hem en zeiden: 
‘Indien Gij ons uit-drijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen’.
En Hij zei tot hen: ‘Gaat heen!’.
Zij voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde langs de helling de zee in en zij kwamen òm in het water.
En de hoeders namen de vlucht en kwamen in de stad en berichtten alles, ook van de bezetenen.
En zie, de gehele stad liep uit, Jezus tegemoet, en toen zij Hem zagen, drongen zij er bij Hem op aan hun gebied te verlaten.
En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stad
“.

Matth. 8: 28 – 9:1.

opkomende zon – gebed is een zaak van hoofd, hart en handen

    Broeders, de begeerte van mijn hart en mijn gebed over
hun [en uw] behoud gaan tot God uit.
Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zònder verstand.
Want onbekend
met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid van God niet onderworpen.
Want Christus is het einde van de Wet, tot Gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. Want Mozes schrijft: De mens, die de Gerechtigheid naar de Wet doet, zal daardoor leven.
Maar de
Gerechtigheid uit het Geloof spreekt aldus:
    Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen.
Maar wat zegt zij?
Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord van het Geloof, dat wij prediken.
Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden;
want met het hart gelooft men tot Gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis
Rom.10: 1-10.

    Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet in de Hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten Hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?
En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen:
‘Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’
Deut. 30: 11-13

Op de vijfde zondag na Pinksteren
kan het niet anders òf
er dient zich iets bijzonders te voltrekken,
immers het getal vijf duidt iets bijzonders aan:
”  Het getal 5 ziet toe op de behoeften en de verantwoordelijkheden van de mens”:
5 vingers en 5 tenen.
Het brandoffer-altaar was 5 maal 5 ellen groot, Ex. 27: 1.
Het gordijn voor de ingang van de tabernakel hing aan 5 pilaren op 5 koperen voetstukken, Ex. 26: 37.
Er waren 5 wijze en 5 dwaze maagden, Matth.25: 2.
Vijf broden, Marc.6: 38.
Vijf woorden, 1Cor.14: 19 etc, in het verlengde ligt het getal 50.

Nabij u is het Woord

De woorden van Paulus: Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord van het Geloof, dat wij prediken; is niet anders dan een aanhaling van de woorden van Mozes uit Deut.30: 14, hetgeen volgt op boven vermeldde tekst.
Het is niet vèr weg’ van de mens ‘in’ de Hemel of ‘achter’ de zee.
Door ‘heel diepzinnig‘ deze kwestie te beschrijven, laat Mozes zien hoe we Gerechtigheid voor God bereiken door Geloof.
We bereiken het slechts door de vragen te stellen:
Wie zal voor ons de Hemel inklimmen en
Wie zal voor ons over de zee gaan“?.
Deze vragen zijn ons eveneens bekend toen die overste der Joden, Nicodemus in de nacht [van het aardse leven] tot onze Heer en Verlosser zei:
hoe kunnen deze dingen zijn“? John.3: 9.
Deze vragen roepen vermeende onmogelijkheden op,
gebaseerd op menselijk redeneren, maar
de dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God Luc.18: 27, en
Is er iets onmogelijk’s met God? Gen.18: 14.
Hier en
nu – dus ook in onze dagen- zijn deze vragen slechts gebaseerd op menselijke overwegingen en worden opnieuw verworpen?
Mozes gaf immers al het antwoord:
Het Woord is het Woord betreffende het bereiken van een Rechtschapenheid voor God. Het is het Woord dat elke menselijke redenering buiten sluit en de veronderstelde onmogelijkheden die daardoor worden opgeworpen.
Dit Woord is zo dicht bij iemand dat het in iemand’s mond, hart en handen is.
Je behoeft niet naar de Hemel op te stijgen om het te vinden, noch de zee over te steken. Het is God’s Woord dat gezaaid is in een gelovig hart, dat beleden wordt met de mond, en uitgewerkt wordt met de handen.
Het is de Gerechtigheid door het Geloof.
Het is het Geloof van Abraham, die alle menselijke redeneringen en onmogelijk-heden wegvaagde en ‘alles’ overlaat aan de Macht en de Glorie van God.
    En zonder te verflauwen in het Geloof heeft hij [Abraham] opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven; maar aan de Belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn Geloof en gaf aan God de eer, in de volle zekerheid, dat ‘Hij’ bij machte was hetgeen ‘Hij’ beloofd had ook te volbrengen. Daarom ook werd het hem gerekend tot Gerechtigheid Rom.4: 19-22.
Op de apostel-lezing van vandaag volgt:
    Immers het Woord uit de Blijde Boodschap zegt:
‘Al wie op Hem Zijn Geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.
Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek.
Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de Naam des Heren aanroept, zal behouden worden.
Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben?
Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben?
Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn?
Gelijk geschreven staat: ‘Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen’
Rom.10: 11-15.

Het Geloof komt slechts voort uit:
⁌     hetgeen uit jullie hart ontspruit, waar het gezaaid is,
⁌     hetgeen je via de lippen verkondigt en
⁌     hetgeen je bewerkt door het handen en voeten te geven

De Evangelielezing van Mattheus eindigt met:
    En in een schip gegaan zijnde,
stak Hij over en
Hij kwam in Zijn eigen stad”
Rom.10: 10.
Welke stad of gemeente kan hier aan het eind worden bedoeld?
Zijn eigen gemeente, het Lichaam van Christus want slechts een paar verzen eerder zei Hij zelf dat:
De vossen hebben holen, en de vogels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen Matth.8: 20.
Dus Hij heeft het over ons, over onszelf !!!

Christus, onze Verlosser komt dus tot ‘ons’ om Zijn eigen stad te bezoeken en
wij worden daarbij herinnerd aan de proloog van het Johannesevangelie waar
zo bondig wordt bevestigd dat
Hij kwam tot het zijne, en
de zijnen hebben Hem niet aangenomen
John.1: 11.
Dus wanneer Hij niet wordt ontvangen
blijken de Gadarenen [[Hebr.= ‘beloning komt aan het einde’]
dit uiteindelijk precies wèl te doen
Hij komt toch aan in wat in zekere zin, Zijn eigen stad is,
immers Hij komt aan bij alles wat ‘door Hem’ gemaakt is en Zijn zaak is.
Maar toch heeft het hier een andere betekenis, het is 
niet Zijn eigen stad,
namelijk, deze plek, onze wereld, die God in Zijn schepping gevormd heeft,
heeft de mens in z’n val misvormd en
Christus is gekomen om deze plek [-in het ‘hier en nu’-] te hervormen.
Wanneer we dus aan het eind van de passage van vandaag lezen dat
Jezus stapte in een boot over, stak over en in Zijn eigen stad kwam wordt ons
te verstaan gegeven dat de plaats waar de ontmoeting van onze Heer met
de twee bezetenen bij gevolg niet
Zijn eigen stad was, maar
die aan deze andere kant, het land van de bezetenen, het glorieueze Europa.

in het land der Gadarenen, Jan luyken, 1712

Mattheus heeft hier het land der  Gadarenen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . >               Gadara was een stad die ongeveer 5 kilometer ten zuidoosten van het meer van Galilea lag. Gerasa, daarentegen was een grotere stad die ongeveer 30 kilometer landinwaarts lag. Dus veel verder weg.
Misschien werd Gadara gerekend tot het land der Gerasenen, omdat Gerasa een beroemde stad was. Het is onwaarschijnlijk dat de ontmoeting tussen Jezus en
de bezetene plaats vond in Gerasa.  Dat was immers nog altijd 6 uur lopen vanaf het aanleggen van de boot uit Kapernaüm op de oostelijke oever van het meer.
    De Gerasenen hadden hun wooncentrum in Gerasa.
En Gerasa was één van de tien Grieks-Romeinse steden van het oostelijk kustgebied van de zee van Galilea.
Die tien steden hadden een stedenverbond met elkaar gesloten en
daarom werden zij in de volksmond genoemd de Deka [
10] Polis [steden].
De stedenverbond was opgericht tegen Israël; het was dus hoewel vroeger behorend tot Israël [de Kerk] ‘verloren gebied’.
Ook in geestelijk opzicht wilden de bewoners van deze Over-jordaanse streek niets meer te maken hebben met de God van Israël [de Kerk].
    Ik heb het idee dat dit land van de Gerasenen een metafoor is voor onze wereld en voor de toestand in onze huidige maatschappij. Het Europa met haar niets ontziende aandacht voor Macht, handel en geld [en bijbehorend gesjoemel] is hier heel goed mee te vergelijken. We mogen onze Europese stem uitbrengen, maar de leiders doen toch precies wat zij zelf willen.

Voor kennisgeving geef ik mee dat de Evangelist over dit land slechts twee indicaties laat zien, slechts twee beelden waarmee men het kan vergelijken: “graven en varkens”.
De twee mannen die onze Heer in dit land ontmoet
komen van de grafsteden Matth.8: 28; [net zoals je in Caïro nog hele wijken tegenkomt waar graven zijn en de armen zich huisvesten].

chaos in the global marketplace- storm is coming, so read between the lines

We vragen ons af of er nog iets anders te vinden valt dan graven in dit allegorische [zinnebeeldig] land dat slechts wordt geregeerd door de dood.
Brussel was toen nog een bruisende stad” is een liedje van Liesbeth List uit 1970. Het is een nieuwe versie van het befaamde “Bruxelles
van Jacques Brel uit 1962, het geeft je dus te denken bij al datgene wat in Brussel ontwikkeld is.
   Twee andere indicaties getuigen van de bijzondere ligging van het land: dat is gelegen aan de andere kant “εἰς τὸ πέραν” Matth.8: 28, dat is, op het eind van hun kunnen en in die omstandigheden waren die twee bezeten mannen terecht gekomen, men kon er niet meer aan voorbij Matth.8: 29, dat betekent niet alleen dat het land zelf op z’n eindje is, maar zelf op ‘een dood punt’ is gekomen, een impasse waar geen ontsnapping meer mogelijk is, waar er “geen ontkomen meer aan is” [totaal in de ban van de Mammon].
Dit dienen voldoende verwijzingen te zijn naar de ware aard van het land van Gerasenen, een land wat wordt gedefinieerd door de onontkoombaarheid van iemands sterfte.

Het tweede beeld van de kudde van de varkens waar de boze geesten binnenkort naar zullen vluchten, herinnert ons aan dat verre land uit de gelijkenis van de verloren zoon.
    Daar was de verloren zoon ook het enige levende wezen dat was vergeten was tussen de varkens
– de varkens die enkel hun afval hadden, terwijl de zoon die zijn vaderlijk huis verlaten had omkwam van de honger.
De varkens, aan de andere kant, in het land van de Gerasenen hadden niet te eten of konden niet overleven, want zodra ze worden aangehaald worden ze geassocieerd [verbonden] met de dood, want
de gehele kudde stortte van de steile helling af in het meer en stierf in de water Matth.8: 32.
In dat vreemde land afgebakend door graven en varkens, ontmoet Christus de mensheid in haar laagste vorm, zoals het wordt voorgesteld door die twee bezeten mensen
⁌     want de gehele mensheid in de omstandigheid gescheiden levend van God
kan op de een of andere manier als bezeten aangemerkt worden; als
bezeten van de Mammon.
De Evangelist geeft ons de dialoog die tijdens die korte ontmoeting plaatsvond:
   Wat wil je met ons, Zoon van God?
schreeuwden de bezetenen.
Ben je hier gekomen om ons te martelen
vóór onze
 [afgesproken] tijd gekomen is? Matth.8: 29.

Het eerste verrassende element in deze uitspraak
 is de bekentenis van de aanroep van 
de goddelijkheid van Christus door de twee bezetenen:
 “Zoon van God“.  De duivel kent God maar al te goed.
Nog maar kort geleden lazen we op het feest van 
de Heiligen Petrus en Paulus in het Evangelie van Mattheus hoe 
het Petrus was die precies dezelfde aanduiding aan Christus gaf.
Hoe velen zijn er niet, die hier momenteel grote vraagtekens bij zetten !!!

Daarom een uitstapje:
Hoe we onze Heer en Verlosser leren kennen
.
  de opvolging van Elisha & Elia’s Hemelvaart

De profeet Elia legde zich neer om te gaan slapen onder een bremstruik.
Doch zie, daar raakte een engel hem aan en zei tot hem: 
“ Sta op, eet”.
Dit overkwam hem een tweede keer, waarbij de engel hem zei: 
“ Sta op en eet, want de reis zou te vèr voor je zijn”.
Door de kracht van die spijs [communie] was hij in staat 
veertig dagen en veertig nachten lang 
tot aan het woestijngebergte van God te gerakende Horeb.
Toen hij daar aankwam overnachtte hij in een spelonk en het Woord des Heren kwam tot hem en zei: Wat doe je hier, Elia, wat kom je hier doen?1Kon.19: 9.
Elia had in z’n leven de gewoonte opgebouwd zich in gebed [in de ochtend en avond] tot God te richten en wanneer hij dit deed en tot Hem sprak, hoorde hij Hem ‘luid en duidelijk‘ [je weet in ieder geval wat God bedoeld, al zul je niets horen].   Hoe was deze profeet dan nu in staat te weten dat God sprak?
Hoe komt het dat God Zichzelf openbaar maakt zodat we met zekerheid kunnen weten dat het Woord dat we in ons horen, van de Heer is?
Er zijn immers zoveel andere stemmen en geluiden die we horen!
In het huidige verslag onthult God gedeeltelijk hoe Hij Zichzelf bekendmaakt aan Zijn geliefde.
Elia is namelijk een sleutelfiguur in 
een woedende cultuuroorlog in 
het koninkrijk van Israël [de Kerk]. 
Koningin Jezebel probeert hem namelijk [Hebr.= ‘kuis, fysiek contact vermijdend’], vanuit haar door God gegeven macht, 
schaamteloos om het leven te brengen, 
hem van het leven te beroven.
En wie maakt dit niet mee, in deze wereld, 
ja zelfs door personen waar je het helemaal niet van zou verwachten.
Dus “stond hij op en rende voor zijn leven1Kon.19: 3, 
vèr weg van Israël [de Kerk] en haar toezichthouders. 
Hij trekt door het aangrenzende koninkrijk van Juda [Hebr. =‘waar de Heer geprezen zou dienen te worden’] en 
bereikt de meest zuidelijke grenzen van nederzetting, dichtbij Beersheba.
Beersheba is de bron van Abraham, “ van de eed, de Belofte, waar gezworen is, ook wel zeven ‘putten’ genoemd, daar 
waar onafgebroken het levend water [van de Samaritaanse bij de Bron] vloeit.
Uitgeput door z’n reis door de woestijn [van het leven], 
bidt hij als voorafgaand aan de dood, 
hij gaat liggen, en slaapt.  
Wanneer Elia gereed is [er aan toe is] om te luisteren, 
maakt God Zichzelf duidelijk aan hem bekend.
Eerst voorziet God de Profeet van een [bescherm-]engel die 
hem ondersteunt tijdens zijn tijd in de wildernis 1Kon.19: 4-8.
Zijn hele leven lang heeft Elia, die begeleidende engel als 
van God gegeven als zijn begeleider gekend.
De raven [uit de kraaiachtigen] voedden hem 
toen God hem verstopte in de beek Cherith [Hebr.חרסית = (vruchtbare) klei] 
 in de Over-Jordaanse wildernis 1Kon.19: 4-6. 
 In de confrontatie met de priesters van Baäl voorzag 
God Elia van het door God aangeboden vuur hetgeen verteerde 1Kon.18: 38.
Hier dient met nadruk gewezen te worden op het feit dat:
 God altijd aanwezig is, ons niet uit het oog verliest en ons voorziet, zoals 
koning David zegt:
De uitgangen van de ochtend en de avond maakt God verkwikkend. Hij verzorgt de aarde en drenkt haar, Hij vermenigvuldigt haar rijkdom. De Rivier van God brengt overvloedig water, Hij heeft ons het voedsel bereidt; want zo is Zijn Voorzienigheid
Psalm 64[65]: 9-10 vert ROK, ‘s-Gravnehage.
God voorziet in al onze behoeften en 
bevrijdt ons zelfs van de ontbering die onze zonde schept. Bemerk tevens hoe God met z’n hand zoekt en 
Zichzelf in Elia’s geest en hart manifesteert.
Tweemaal vraagt ​​de Heer: 
”Elia, wat kom je hier doen, wat doe je hier?1Kon.19: 9,13.
Onze Heer en Verlosser ondervraagt ​​eveneens zijn volgelingen. 
Hij vraagt ​​het zelfs aan Zijn discipelen, 
”Wie zeggen mensen dat ik, de Zoon des mensen, ben?Matth. 16: 13.
Vervolgens drukt Jezus hen opnieuw op het hart: 
”Maar wie zeg ‘jij’ [, persoonlijk] dat Ik ben?Matth.16: 15.
Onze Heer en Verlosser openbaart Zichzelf altijd in ons hart en geest:
Ik sta aan de deur en Ik klopOpenb.3: 20.
Bij al onze dagelijkse beslissingen vraagt ​​Christus: 
”Wat doe je hier?”, onafgebroken houdt Hij 
onze redding voor ogen aan de hand van 
de Waarheid en Zijn Geboden; 
leert Hij ons Zijn Gerechtigheden.
God’s onderzoek naar ons diepste wezen 
waarschuwt ons voor Zijn aanwezigheid en 
verlicht onze geest en ons hart. 
Indien wij waakzaam zijn, 
zullen wij Hem ons onafgebroken horen toespreken 
- en wanneer Hij onze aandacht te pakken heeft/houdt, 
zal Hij het bevel over ons leven voeren.
Hij moedigt ons aan 
daar hebben wij geen spelleider of toezichthouder bij nodig, 
Hij is God, Hij bestuurt de wereld met ‘al’ haar ongerechtigheden.
Toen zei de Tisbiet [ Hebr.= (in) ‘gevangenschap’ (verkerende. hij kon niet anders)] Elia, uit Tisbe in Gilead [Hebr.= ‘rotsachtig gebied’], tot Achab [Hebr.= ‘broeder van vader’]: 
 ‘ Zo waar de Heer de God van Israël [de Kerk], leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord1Kon.17: 1.
Dàn beveelt God Elia om 
naar de beek Cherith [Hebr.חרסית = (vruchtbare) klei] te gaan 1Kon.17: 3.
Wanneer het water dáár opdroogt, beveelt God aan Elia: 
”Sta op, ga naar Sarfath [Hebr. סהרפתח =‘iemand die loutert’ ]” 1Kon.17: 9.
Na drie jaar van droogte, bericht de Heer hem 
uiteindelijk opnieuw te profeteren: 
”Ga heen, vertoon u aan Achab, want 
Ik wil regen op de aardbodem geven1Kon. 18: 1.
Onze Heer en Verlosser maakt Zich regelmatig bekend. 
”Ga en keer terug op de weg naar 
de woestijn van Damascus [Hebr.= ‘de zakkenweger zwijgt’]”
Hij spreekt, en “zalft Hazaël [Hebr.= ‘een, die God ziet’] als koning over Syrië [Hebr.-‘verheven’]”.
“Je zult Jehu [Hebr.=‘de Heer is Hij’], 
de zoon van Nimsi [Hebr.=‘gered’], eveneens 
tot koning over Israël [Hebr.=’God heeft de overhand (het lichaam van Christus, de Kerk)’] zalven; en zal Elisha [Hebr. אלישע = “Mijn God is redding”], 
de zoon van Safat [Hebr.=‘berecht of Hij heeft geoordeeld’], 
zalven. . . als Profeet in jouw plaats “1Kon.19: 15-16.
⁌     Dus God bepaalt altijd het einde van 
de spirituele “cultuuroorlog in Israël [de Kerk], ook in de Lage Landen
⁌     en 
bereidt Zich voor om Zijn Koninkrijk van afgoderij 
te bevrijden
⁌     en van de daarmee gepaard gaande kwaden bevorderd 
door Achab [Hebr.=‘broeder van de vader’] en Izebel [Hebr.= ‘kuis, fysiek contact vermijdend’].

‘Christus, de ware wijnrank’; ‘Christ, the true vine’; ‘Ο Χριστός, το αληθινό αμπέλι’; ‘المسيح ، الكرمة الحقيقية’

Heer en Verlosser, Gij hebt ons voorzien van 
Uw leven-schenkende Mysteriën
ter verlichting van onze ziel en ons lichaam en 
 ter verlichting van de ogen van ons hart: 
‘ Mogen wij door Uw Genadegaven ooit Uw Gerechtigheden leren te vervullen’
”.
– na de ontmoeting tijdens de Goddelijke Liturgie te bidden.

Maak ons waardig, Heer deze dag voor de zonde te worden bewaard.
Gezegend zijt Gij, Heer, God van onze Vaderen en geloofd en geprezen zij Uw Naam in der eeuwen, Amen.
 Moge Uw Barmhartigheden over ons komen, Heer, want in U stellen wij ons vertrouwen.
 Gezegend zijt Gij, Heer, leer mij Uw Gerechtigheid.
 Gezegend zijt Gij, o Koning, geef mij inzicht door Uw Gerechtigheid.
 Gezegend zijt Gij, o Heilige verlicht mij door Uw Gerechtigheid.
Heer, Uw Barmhartigheid is eeuwig, zie niet voorbij aan het werk van Uw handen.
 U komt de lof toe, U past de Hymne, aan U de eer:
aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
slot van de Grote DOXOLOGIE.

⁌    ” Ik ben ook maar een sterflijk mens, als al de anderen, geboren van het geslacht van de eerstgeschapen mens;
⁌     ” en ik ben ook vlees, gevormd uit de schoot van mijn moeder, tien maanden lang, in het bleod samen geronnen, uit mnnelijk zaad, door lust, in het bijslapen;
⁌     ” en ik heb ook toen ik geboren was, adem gehaald uit de algemene lucht en ben ook gevallen op dit aardrijk, dat ons allen gelijkelijk draagt;
⁌     ” en huilen, [voor de Brusselaren, ‘wenen‘] is ook, gelijk aan de anderen, mijn eerste stem geweest;
⁌     ” en ik ben in de windselen met zorg opgevoed. Want zelfs geen koning heeft een ander begin bij zijn geboorte; maar zij hebben allen hetzelfde [brussel éénerlei] ingang in dit leven en een gelijke uitgang.
☦️       ” Daarom heb ik gebeden en werd mij begrip [op z’n Brussel’s ‘doorzicht‘] gegeven: ik riep en de Geest der Wijsheid kwam over mij, en ik hield ze dierbaarder dan koninkrijken en vorstendommen, en rijkdom hield ik voor niets tegen haar
Het boek der wijsheid van Salomo 7: 1-8.

Apolytikion     tn.4
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding
en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4
  Mijn Heiland en Verlosser
heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.

5e Maandag ná Pinksteren – een onhandig mens wordt toch genezen al wordt de dag ontheiligd

Zeer grote uitslaande brand in Hengelose kerk [vorige week maandag, 1 juli 2019]

    En Hij vertrok van die plaats en ging in hun synagoge.
En zie, daar was een mens met een verschrompelde hand.
En zij legden Hem de vraag voor, of het geoorloofd is op de Sabbath te genezen,
teneinde Hem te kunnen aanklagen.
      Maar Hij zei tot hen: ‘ Wie zou er onder u zijn, die een schaap heeft en die, als dit op een Sabbath in een put valt, het niet grijpen zal en eruit trekken?
      Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven?
Derhalve is het geoorloofd op de Sabbath wèl [goed] te doen’.
Toen zei Hij tot die mens:  ‘Strek uw hand uit‘.
En hij strekte haar uit en zij werd weer gezond gelijk de andere
Matth.12: 9-13.

    Want, gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zó zijn wij,  hoewel velen, een lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander.
> Weest blij met degenen, die blij zijn, weent met de wenenden.
Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs. Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen.
Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, ‘Vrede met alle mensen’.
Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want
er staat geschreven: Mij komt de wraak toe,
Ik zal het vergelden, spreekt de Heer.
Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten;
indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want
zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.
Laat u niet overwinnen door het kwade, maar
overwin het kwade door het goedeRom.12: 4-5,15-21.

    Wanneer gij komt in het land, dat de Heer, uw God, u ten erfdeel
geven zal en gij het in bezit neemt en daarin woont, dàn zult gij van
de eerstelingen van alle vruchten van de bodem, die gij zult inzamelen van het land, dàt
de Heer, uw God, u geven zal, nemen, en in een mand doen en naar de plaats gaan, die
de Heer, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen.
En gekomen bij de priester, die er dan wezen zal, zult gij tot hem zeggen:
       ‘ Ik verklaar heden voor de Heer, uw God, dat ik gekomen ben in het land, waarvan de Heer aan onze vaderen gezworen heeft, dat Hij het ons zou geven.
       Dàn zal de priester de mand van u aannemen en die voor het altaar van de Heer, uw God, zetten.
Daarna zult gij voor het aangezicht van de Heer, uw God, betuigen:
Een zwervende Arameeër
[Hebr.= ‘verhevene’was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar 
Egypte en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en talrijk volk.
Toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten en ons harde slavenarbeid oplegden, riepen wij tot de Heer, de God van onze vaderen, en  de Heer hoorde onze stem en zag onze ellende, moeite en verdrukking.
Toen leidde ons de Here uit Egypte met een sterke hand, een uitgestrekte arm en grote verschrikking, door tekenen en wonderen; Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land, vloeiende van melk en honing.
En nu, zie, ik breng de eerstelingen van de vrucht van het land, dat
Gij, Heer mij gegeven hebt.
Gij zult ze neerzetten voor het aangezicht van de Heer, uw God;
gij zult u voor het aangezicht van de Heer, uw God, neerbuigen, en
gij zult u verheugen over al het goede dat
de Heer, uw God,  u en uw huis gegeven heeft:
gij, de Leviet
[Hebr.= ‘met wie je je verbonden hebt’] en
de vreemdeling, die in uw midden is
Deut.26: 1-11.

Wat wordt er dus gezegd:
Je mag jouw spelleider, priester en gemeenste ‘zelf’ uitkiezen,
je geeft hem de eerstelingen van de vruchten, die je plukt in het land waar
God je leidt en je zult je verheugen in al datgene wat God jou en je huis schenkt,
jij en je Leviet [met wie je je verbonden hebt] en de inwonende vreemdeling onder jullie.
De geboden welke de profeet Mozes aan het oude God’s-volk meegaf
kunnen ons alleen maar verrijken.
Wij kennen Israël [de Kerk] daarom als een God’s-volk dat
– wàt er ook gebeuren mag – altijd bleef streven naar
de overwinning van het kwaad.
En in dat geval zul je dus elke verzoeking accepteren;
al brandt de gehele kerk waar je gehuisvest bent tot de grond toe af.
Je haalt diep adem, zegt: ‘Heer, ontferm U’ en je begint weer van voor-af-aan met het pionierswerk dat God je opgedragen heeft in dat vreemde Nederland.
Dat is de letterlijke opdracht, want Christus blijkt als Verlosser
een onverbeterlijke middelaar in geval van menselijk onvermogen:
    Jij parochiaan van de AOiN zult de eerstelingen neerzetten
voor het aangezicht van de Heer, jouw God;
jij zult je voor het aangezicht van de Heer, uw God, neerbuigen, en
jij zult je verheugen over al het goede dat  de Heer, uw God, 
jou en jouw huis gegeven heeft: jij, de Leviet en
de vreemdeling, die in uw midden is”.
Het is zoals de heilige Athanasios de Grote aandringt:
de schaduwzijde van het leven heeft zijn vervulling ontvangen
[het is, zoals het is, ga niet bij de pakken neerzitten] een kwestie kan namelijk
in de ogen van God als een voorbeeld zijn gegeven en
hetgeen je van God in je schoot geworpen krijgt dien
je met vreugde te ontvangen, en gaat dus voort en zing een nieuw loflied
conf. de feestelijke oproep in zijn brief [NPNF Second Series, deel 4, blz. 516].
               De Blijde Boodschap spreekt er inderdaad meer dan eens over, dat
God Zijn kinderen kastijdt door hen te beproeven.
We vinden dat bijvoorbeeld in:
⁌  “  Erken dan van harte, dat de Heer, uw God, u vermaant, zoals een man zijn zoon vermaant, en onderhoud de geboden van de Heer, uw God, door in zijn wegen te wandelen en Hem te vrezen. Deut.8: 5,6.
⁌  “ Veracht, mijn zoon, de tuchtiging des Heren niet en keer u niet met weerzin af van zijn bestraffing. Want de Heer bestraft Wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan wie hij welgevallen heeft” Spr. 3:11,12.
⁌  “ Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Heer, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en geen zonen.
> Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar
de Heer en Verlosser doet het tot ons nut, opdat
wij deel verkrijgen aan Zijn Heiligheid“ Hebr. 12: 6-8, 10 en
⁌  “ Allen, die Ik liefheb, bestraf Ik en tuchtig Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Zie, Ik sta aan uw  deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met MijOp. 3:19,20.

Het kastijden heeft ‘opvoedkundige’ waarde; het is positief en corrigerend gericht. Een vader die zijn kind niet corrigeert is immers geen goede vader!
En vervolgens zegt Hij, Die ons lief heeft:
Wanneer we dan naar de Goddelijke Liturgie komen om Christus onze God te vieren,  volgen we de richtlijnen van Mozes in zekere zin, want  wij:
⁌  “ nemen een deel van de eerste van alle producten . . . die
de Heer uw God ons heeft gegevenDeut.26: 2.
⁌  “ De priester [de leviet, ‘met wie wij ons verbonden hebben’]
plaatst het neer voor het altaar van de Heer, onze GodDeut.26: 4 en
“roept de Heer aan’ Deut.26: 2 en
verklaart dat “alles wat de Heer heeft gedaan” Deut.26: 3
goed is en wie weet wat er nog op zal volgen.

⁌  “ Wij verheugen ons in al het goede wat de Heer, onze God, ons doet toekomen
aan ons en aan onze huisgezinnen Deut.26: 11.
⁌  “ 
We verheugen ons om deel uit te maken van  “de Kerk van de ‘levende’ God” 1Tim.3: 5, Die
⁌  Zich aanbiedt, hymnes zingt, zegent en God looft, Die
‘onuitsprekelijk, ondenkbaar, onzichtbaar, onbegrijpelijk, altijd  blijft bestaan en voor eeuwig ‘De en Hetzelfde‘ is.
⁌  
Wij danken voor “de datgene wat Hij voor ons deelt” dat Christus
het waarachtige Licht, de Hemelse Geest, vervulde en dat
wij ons verheugen in het ware Geloof dat we hebben gevonden
door “de onverdeelde Drie-eenheid te aanbidden: want Hij heeft ons gered
uit: Goddelijke Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos.

Mozes gaf instructies om “de eerste van alle producten” van onze arbeid
te nemen en “het in een mandje stoppen“, en “naar de plaats te gaan”, welke
door God is gezegend voor aanbiddingDeut.26: 2.
Ga naar iemand die priester is” die “die de mand uit je handen zal aannemen en
deze zal plaatsen vóór het altaar van de Heer, uw GodDeut.26: 3-4).
Deze daden zijn een duidelijke voorbode van het offertorium van de goddelijke liturgie. We brengen broden die onszelf en onze arbeid vertegenwoordigen.
Van een van de broden het neemt de priester een deel dat het Lam genoemd wordt en plaatst het op de diskos “ter nagedachtenis aan onze Heer en God en Verlosser, Jezus Christus
Bij de grote intocht wordt deze offerande naar het altaar gedragen en aan God geofferd.
De liturgie dient als het voornaamste middel waarmee de Kerk op aarde Zich met de hemelse gastheren verbindt en een beroep doen op de naam van de Heer Deut.26: 2.

MP3 : “Hemelse Koning trooster Geest der Waarheid [Arab] – ايها الملك السماوي”.
Ja, de Heer heeft dit kinderlijk eeenvoudige voorrecht zelfs tot ons uitgebreid, zodat we het kunnen wagen om Hem aan te roepen, als “de Hemelse Koning”,
in woorden die het gebed van Mozes te boven gaan, het:
Onze Vader, Die in de hemelen zijt, heilig is Uw Naam . . .”.
De gebeden en hymnes van de liturgie spreken van dat wat
‘de Heer onze vaderen heeft gezworen ons te zullen geven’ Deut.26: 3, hetgeen
het aardse vèr te boven gaat.
God de Vader geeft Zijn eniggeboren Zoon aan alle volkeren,
opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar
eeuwig leven heeftJohn.3: 16.
Door het Kruis, de Wederopstanding, de Hemelvaart, en de tweede en glorieuze wederkomst van Christus: de Levengevende Drie-eenheid tilt ons weer op,
brengt ons terug naar de Hemelen;
begiftigd ons . . . met het [Zijn] Koninkrijk, Wat zal komen”.

Logo AOKiN

In onze aanbidding zijn we gezegend met tal van gelegenheden om
ons als OKiN en met al de navolgers van Christus te verheugen
in alles wat goed is, de Heer, onze God ‘ons’ gaf” Deut.26: 11.
Dus, met goede reden zingen we in vervoering:
⁌  “ Wij prijzen U, wij prijzen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U, wij danken U voor Uw grote eer.
O Heer, hemelse Koning, God de Vader Almachtig;
O Heer, de eniggeboren Zoon, Jezus Christus; en de Heilige Geest
Doxology.

⁌  “ Zoon van God, neem mij heden op aan Uw Mystiek Avondmaal;
want Uw vijanden zal ik voorzeker niet over dit Mysterie spreken.
Ik zal U geen kus geven zoals Judas;
maar evenals de Rover belijd ik mijn Geloof in U:
Gedenk mij o Heer, in Uw Koninkrijk.
Moge het deelnemen aan Uw heilige Mysteriën,
mij niet worden tot een oordeel of verderf,
maar tot genezing van mijn ziel en van mijn lichaam
”.
Gebed voorafgaand aan de communie