7e woensdag van Pascha – de Heer, uw God, is een verterend vuur, een naijverige* God

Christus en de twaalf Apostelen

    ‘Al wat de Vader heeft, is het Mijne’; daarom zei Ik:
‘   Hij neemt uit het Mijne en zal het u verkondigen. 
Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien’.
Sommige van zijn [directe volgelingen, de] discipelen dan zeiden tot elkander:
     ‘Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader?’.
     Zij zeiden dan: ‘ Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt’.
Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zei tot hen:
Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zei:
‘       Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet 
en
nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien?
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar
de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar
uw droefheid zal tot blijdschap worden.
       Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen.
     Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap. En te dien dage zult gij Mij niets vragen.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam’ ”.
John. 16: 15-23

Paulus was door de overheid opgebracht, omdat hij in de Tempel de Blijde Boodschap van het Woord verkondigde, de Pedagogie van de Heer. Zijn landgenoten beschuldigden hem van een vreemde leer en dat hij zelfs Grieken in de Tempel had toegelaten.
    En Paulus, de ogen op de Raad gericht, zei:
‘ Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor God over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag’.
Maar de hogepriester Ananias beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan. Toen zei Paulus tot hem: ‘ God moge u slaan, gij gepleisterde [met kalk bekleed graf] wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de wet en beveelt gij [volledig] tegen de Wet [= Thora] mij te slaan?’.
Maar de omstanders zeiden: ‘Scheldt gij de hogepriester Gods uit?’.
En Paulus zei: ‘   Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken’.
En daar Paulus wist, dat het ene deel behoorde tot de Sadduceeën en het andere tot de Farizeeën, riep hij in de Raad: ‘   Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de Opstanding der doden’.
En toen hij dit zei, kwam er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld. Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander.
En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de schriftgeleerden van de groep der Farizeeën stonden op en streden heftig en zeiden:
Wij vinden generlei kwaad in deze mens! En indien nu eens een geest tot hem heeft gesproken, of een engel!
En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, en hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen.
En de volgende nacht stond de Heer bij hem en zei:
Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen’
’’ Hand. 23: 1-11.

Mozes en de brandende braambos

      Neemt u er dan terdege voor in acht
[want gij hebt generlei gedaante gezien op de dag dat de Heer op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur].
       Dat gij niet verderfelijk handelt door u
– een gesneden beeld te maken in  de gedaante van enige afgod:
– een afbeelding van een mannelijk of vrouwelijk wezen;
– een afbeelding van een of ander dier op de aarde;
– een afbeelding van een of ander gevleugeld gevogelte, dat langs de hemel vliegt;
– een afbeelding van een of ander gedierte, dat op de aardbodem kruipt;
– een afbeelding van een of andere vis, die in het water onder de aarde is;
En dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer [aanzien] aan de Hemelen, aanziet en u laat verleiden u voor dat [geschapen geheel] neer te buigen en hen te dienen, die de Heer, uw God, heeft toebedeeld aan alle volkeren onder de ganse hemel;
terwijl de Heer u genomen is en uit de ijzeroven, uit Egypte, geleid heeft om voor Hem te zijn tot een eigen volk, zoals dit heden het geval is.

de grote tragiek van Mozes’ dood

      Maar de Heer werd toornig op mij [Mozes] om uwentwil en Hij zwoer, dat ik de Jordaan niet zou over-trekken en in het goede land niet zou komen, dat de Heer, uw God, het u tot een erfdeel geven zal.
Want ik zal in dit land sterven, ik zal de Jordaan niet overtrekken; maar gij zult die overtrekken en dat goede land in bezit nemen.
Neemt u ervoor in acht, dat gij het Verbond van de Heer, uw God, dat Hij met u gesloten heeft, niet vergeet en u een beeld maakt in de gedaante van iets, dat de Heer, uw God, u verboden heeft. Want de Heer, uw God, is een verterend vuur, een naijverig GodDeut.4: 15-24.

 

Jaäcobus de oudere, apostel, door Rembrandt van Rhijn

Gebedsverhoring
”   
Uit de diepte, Heer, heb ik tot U geroepen: Heer, geef gehoor aan mijn stem.
Laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking.
Zo Gij op ongerechtigheden zoudt achtslaan, Heer; Heer, wie kan dat doorstaan ?Maar bij U is vergeving; omwille van Uw Naam, Heer, heb ik U verbeid.
Mijn ziel verwacht Uw Woord; mijn ziel vertrouwt op de Heer.
Van de ochtendwake tot de nacht vertrouwe Israël [de Kerk] op de Heer.
Want bij de Heer is barmhartigheid;
bij Hem is overvloedige Verlossing.

Ja, Hijzelf zal Israël [de Kerk] verlossen, uit al zijn ongerechtigheden
Psalm 129[130] vert ROK. ‘s-Gravenhage.

Wat betekent: ‘vanuit de diepten’?
Gebed wordt niet alleen voortgebracht door de mond of door onze tong, daar menselijke woorden nu eenmaal een einde kennen. 
Wanneer onze gedachten nog steeds pervers zouden zijn, maar het gebed 
vanuit de diepten van ons hart, met veel zorg en bereidwilligheid,
vanuit deze grondslagen van ons intellect ontsnapt, dan
komt het voort uit een klagen. 

Want dat treft de uiterste roerselen van de ziel van hen die in smart leven, ze geraken het gehele hart, God roepend met veel toewijding, en natuurlijk het kan niet anders of dit gebed wordt gehoord.
Dit gebed vanuit de diepte van het hart heeft grote kracht,
ze worden niet omver geblazen zoals afgelopen weken krachtige bomen het begaven, terwijl zij zich toch met hun  wortels breed en diep in de aarde hadden verspreid en zich in de grond [de aarde] hadden vastgeklonken, bestand zouden dienen te zijn tegen elk krachtmoment van de wind, terwijl de bomen die hun wortels heeft slechts aan het oppervlak van de aarde vastgrijpt door slechts een klein briesje wordt omgeblazen en hevig door elkaar worden geschud, totdat zij het begeven. 

Heilige Ephraïm de Syriër, miniature

Hetzelfde gebeurt met het gebed, dat uit de diepten van de ziel voortkomt en vanuit de diepste diepten oprijst, zal de ontelbare gedachten die opkomen en zelfs indien de hele duivelschare de orde verstoort, dan blijft het gebed vanuit de diepte van het hart  stand houden en is onomkeerbaar, zonder zich terug te trekken.
Het gebed van het hart komt weliswaar uit de mond en over lippen en
door de diepten van het hart zou God toch niet onverschillig zijn ten opzichte van het gebed van Zijn kindconf. Ephraïm de Syriër.

Vereren van God, Die isals een verterend vuur, naijverig * want Hij gunt niemand enige macht over hetgeen slechts Hem toekomt.
          Dat Christus zo snel tot een eigennaam kon worden heeft te maken met de universele opvatting van de joodse Messias [Hebr. = Gr. Χριστός, Lat. Christus, Ndlnds. ‘Gezalfde’]. Deze universele opvatting gaat ervan uit dat de komst van de Messias niet alleen het herstel van de troon van David komt brengen en daarmee het herstel van Israël, maar dat de komst van de Messias voor iedereen [ook niet-joden!] de mogelijkheid biedt van een herstelde relatie met God. Het gaat niet langer meer alleen om een koninkrijk in Palestina maar
om het Koninkrijk der Hemelen, hetgeen van God is.
Heel belangrijk  voor deze opvatting vormt de uitleg van de begin regels van David’s Psalm:
De Heer sprak tot mijn Heer:
‘neem plaats aan mijn rechterhand, tot
ik van je vijanden een bank voor
je voeten heb gemaakt’
Psalm 110[111].
Dit citaat vinden we, al dan niet in gedeelten, door het gehele Nieuwe testament heen. Soms ook gecombineerd met:
Hij heeft alles onder Zijn voeten gelegdPsalm 8: 7b.
Onze Heer en Verlosser Zelf gebruikt deze Psalm om aan te geven dat er meer dan alleen een nazaat uit het geslacht van David wordt verwacht Marc.12: 35 e.v. Petrus sluit er zelfs zijn 1e toespraak met Pinksteren mee af Hand.2: 36. 

”      Ik wil U belijden, Heer, uit heel mijn hart; [zoals Paulus] in de raad der gerechten, op hun bijeenkomst.
Groot zijn de werken des Heren, uitgelezen naar al Zijn welbehagen.
Belijdenis en luister is Zijn werk, Zijn gerechtigheid blijft in de eeuwen der eeuwen; Hij houdt ze in gedachtenis door Zijn wonderen.
Barmhartig en medelijdend is de Heer, Hij schenkt voedsel aan wie Hem vrezen; 
Zijn Verbond zal hij eeuwig gedenken.
De Kracht van zijn werken verkondigt Hij aan Zijn volk, door hun het erfdeel der heidenen te schenken.
De werken van Zijn handen zijn Waarheid en Recht; getrouw zijn al Zijn geboden. Zij zijn opgericht tot in de eeuwen der eeuwen, om te doen naar Waarheid en Recht.
Hij heeft bevrijding gezonden aan Zijn volk, voor eeuwig Zijn Verbond gehouden: Heilig en ontzagwekkend is Zijn Naam.
Het begin van de wijsheid is de vreze des Heren: goed begrip hebben allen die er naar handelen. Zijn lof moge blijven tot in de eeuwen der eeuwen“.
Psalm 110[111] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

Ja, zelfs met dezelfde eerste regels van Psalm 110 om vervolgens te concluderen: “Laat het gehele volk van Israël er daarom van overtuigd te zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer [kurios in het grieks] en Messias [Christus is aangesteld”.  In één adem wordt hier de Christus gelijk gesteld aan de Heer uit deze Psalm.
Zó kan Paulus er ook over schrijven: ” 
Ja, broeder, laat mij dit voordeel van u hebben in de Heer, verkwik mijn gemoed, in ChristusPhilémon 1: 20.
Waar het dus om gaat is dat de verwachte messias veel méér is dan een zoon van David die komt om Israël van zijn onderdrukkers te bevrijden.
Hij is de Verhevene, de Verhoogde Die zit aan de Rechterhand van God en regeert over de gehele wereld, ja al je haren zijn geteld.
De identificatie van Jezus met deze Christus en Heer met behulp van Psalm 110
gaf aan mensen in Antiochië die toch al geïnteresseerd waren in het joodse geloof, de mogelijkheid om zonder zelf Jood te zijn zich toch deelgenoot te voelen van de beloften voor dit Volk en dezelfde God te aanbidden.
Geen wonder dat de volgelingen van onze Heer en Verlosser in Antiochië [een stad’sgemeente, die pertinent tégen de wereld is] de mond vol hadden van Christus en daardoor blijven opvallen.

Het aanbidden of vereren van afgoden
    Wees dus uiterst behoedzaam om je zielen te behoeden voor kwaad en schade, want je zag niet hoe hij er uit ziet toen de Heer tot je sprak op Horeb op de berg vanuit het midden van het vuur.
Handel niet wetteloos en zorg voor jezelf als een welgevormd beeld met een gelijkenis aan god niet gelijkend op welk beeld dan ook. . . “ conf. Deut.4: 15-16.

Er bestaat in de lezingen van vandaag een opvallende parallel tussen de leer van Mozes en de leer van Sint Paulus in zijn brief aan de Romeinen.
We beginnen het onderzoek naar deze parallel met de volgende samenvatting aan de landgenoten de van het door Rome gestichte rijk:
Sinds de schepping van de wereld zijn [Gods] onzichtbare eigenschappen duidelijk te zien. . . door de dingen die gemaakt zijnRom.1: 20.
Mannen . . . onderdruk de waarheid in ongerechtigheid . . .Rom.1: 18.
Hoewel zij God kenden, verheerlijkten zij Hem niet als God, noch waren zij dankbaarRom.1: 21.
“ [maar] verruilde de Waarheid van God voor de leugen en aanbad en diende het schepsel in plaats van de SchepperRom.1: 25.
                                Zowel de profeet als de apostel beginnen met de onzichtbare natuur van God en volgen vervolgens de opkomst van afgoderij tot zijn bron:
de aanvaarding van de corrupte leugen dat men schepselen kan dienen en aanbiddenDeut.4:16; Rom.1: 25.
Beide leraren sommen verschillende fysieke entiteiten op [Deut.4: 16-19; Rom.1: 23] die objecten van toewijding kunnen worden in plaats van
de Heer [Die] tot u sprak op HorebDeut.4: 15 en
u brachten” uit. . . Egypte, om Zijn volk te zijn, een erfenis, zoals u deze dag bent” Deut.4: 20, “want de HEER, uw God, is een verterend vuur, een naijverige GodDeut.4: 24.

Eerbied voor materiële dingen is op zich
een gezonde en natuurlijke beweging van hart en geest.
Hoe groot zijn uw werken, o Heer!
In wijsheid hebt Gij ze allemaal gemaakt;
de aarde is vervuld met uw schepping “ Psalm 103 [104]: 26.
Problemen beginnen wanneer we “de waarheid van God ruilen voor de leugenRom.1: 25. Mensen en met name die van onze huidige generaties beginnen te geloven dat de schepping [het Humanisme] de allerhoogste waarde heeft en dat slechts de geschapen dingen onze hoogste eerbied en toewijding verdient. Je ziet dat in de op de eigengereidheid van de mens gerichtte wetsvoorstellen.
Hier vinden we de bron van afgoderij, dat doodlopende punt waarnaar de tegenstrever/ de duivel ons voortdurend uitnodigt.
We zien precies wat er mis is met de seculiere cultuur om ons heen:
een opperste toewijding aan en aanbidding van materiële dingen met
uitsluiting van al het andere.

Tegenwoordig zijn veel secularisten er zelf bovenmatig trots op
vrij‘ van religie te zijn, ze zien echter de dood voor ogen zonder het te beseffen.
Ze werpenzich op natuurlijke wijze elke toewijding tot partijgerichte patronen
in
“de gelijkenis van elk vee op aarde [dierenpartij], of
de gelijkenis van een gevleugelde vogel [natuurfreeks] die onder de hemel vliegt ,
de gelijkenis van alles wat op de grond kruipt, of
de gelijkenis van welke vis dan ook in de wateren eronder de aarde“ Deut.4: 17-18.
Hoe zijn de mensen in hemel’s naam mensen geworden die “hen zijn gaan aanbidden en dienen” – politici worden immers tot goden verheven Deut.4: 19?
Zij hebbne heden ten dage de Macht in handen en spinnen er goed garen bij.
Merk echter op dat de kern van het probleem ligt in de dienst van
het schepsel in plaats van de SchepperRom.1: 25, hetgeen
de centrale fout van het secularisme is.

De apostel Paulus vervolgt zijn leer door de dienst van dingen aan de gevangenneming van de mens te koppelen door “gemene hartstochtenRom.1: 26.
Bijvoorbeeld: “vrouwen ruilden het natuurlijke gebruik voor wat tegen de natuur is. Evenzo brandden ook de mannen, het natuurlijke gebruik van de vrouw achterlatend, in hun lust voor elkaar Rom.1: 26-27.
Er is een voorspelbaar verband tussen het dienen van dingen en het vereren van idolen , in plaats van God, en het leven van morele decadentie.

Mozes waarschuwt zijn Volk tegen dergelijke problemen door voorbeelden te gebruiken van de losbandigheid van de cultus van de Baal Peor Deut.4: 3.
Gods profeet roept ons op om de onzichtbare, onzichtbare en altijd aanwezige Heer en God,
Die in tijd en geschiedenis voor Zijn Volk handelt te aanbidden,
Die ons neemt om de zijne te zijn en ons voortbrengt “uit de ijzeren oven [van onze hartstochten] , uit Egypte [de denkwijze van het aanbidden van dingen], om
Zijn volk te zijn, tot een erfenisDeut.4: 20.
We dienen ons ten diepste af te vragen hoe het komt dat we zijn gekomen om
de rijkdommen van Zijn goedheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid te minachtenRom. 2: 4.
om materiële doelen te dienen als onze eerste liefde,
om zelfs God aan de kant te schuiven?

Ontvang mij, een slaaf van genoegens,
o Bron des Leven’s Die
de zonde van de wereld wegneemt“.
uit het gebed van Basilios de Grote voorafgaand aan de communie.

”            Alle volkeren klapt in de handen, juicht voor God met vreugde kreten.
Want de Heer is verheven, ontzagwekkend; Hij is een Koning, groot over heel de aarde. Hij heeft volkeren aan ons onderworpen, heidenen onder onze voeten gebracht.
Hij heeft ons als Zijn erfdeel gekozen, de schoonheid van Jacob die Hij liefhad.
God is omhooggestegen onder gejuich, de Heer onder bazuingeschal.
Zingt een Psalm voor onze God, zingt Hem; zingt voor onze Koning: zingt een Psalm. Want de Koning over heel de aarde is God: zingt de Psalm met verstand.
God heerst over de volkeren, God zet zich neder op Zijn heilige troon.
De vorsten der volkeren zijn vergaderd voor de God van Abraham.
Want de sterken der aarde behoren aan God: zeer hoog zijn zij verheven”
Psalm 46[47] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

Apostichen vespers
tn.6.  ”   Verheug u, Adam, tezamen met Eva, want
Hij Die u zo wonderbaar geschapen heeft,
maar u in het Paradijs met bederf bekleden moest, toen
jullie de onbederflijkheid zelff wilden [be]grijpen;
Hij heeft u geheel tot Zich genomen, en
uw bederf in onbederflijkheid veranderd.
Hij heeft u met Zichzelf verheven en 
u tot het uiterste verheerlijkt
door in uw vlees te tronen bij de Vader“.

tn.6.  ”   Hij, Die in Zijn Goddelijke Kracht
de afvallige vijand in de hel had neergeworpen, 
heeft zonder verandering te ondergaan, mijn natuur op Zich genomen,
zonder vermenging en toch onscheidbaar,
wat menselijke kortzichtigheid daarover ook moge denken.
gelovigen, laat ons Hem met toewijding verheerlijken“.

tn.6.  ” Heden aanschouwen de Hemelse machten hoe de menselijke natuur
op wonderbare wijze omhoog stijgt, en
vol verbazing roepen zij tot elkander:
‘   Wie is deze die daar komt?
Maar hun eigen Meester ziend, bevalen zij de Hemelse Poorten te verheffen.
Met hen bezingen ook wij U zonder ophouden, Die in Uw vlees van daar zult weerkeren, als Rechter van het heelal, de Al-Machtige God“.

 

7e Maandag van Pascha – opdat wij waardig mogen worden

”     Uw hart worde niet ontroerd of mag niet de moed verliezen [worden versaagd].
> Indien jullie in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt wat jullie maar willen, en het zal u gegeven worden [geworden]”.
John.14: 27c-15:7

 

Paulus onderwijst ons als Antiochenen, die als eerste Christenen genoemd werden;
Paul teaches us as Antiochians, who were called first Christians;
بول يعلمنا كأنطيكيين ، الذين كانوا يطلقون على المسيحيين الأوائل.

”     En de volgende dag gingen wij vandaar en kwamen te Caesarea [de keizers’-stad] ; en gekomen in het huis van Philippus [Hebr.= liefhebber van paarden (-kracht, pk’s)], de Evangelist [Hebr.= brenger van de Blijde Boodschap], die behoorde tot de zeven, bleven wij bij hem. Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren.
En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus.
Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij:
‘     Dit zegt de Heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen’.
Toen wij dit hoorden, verzochten zowel wij als de broeders daar ter plaatse hem, niet op te gaan naar Jeruzalem.
Toen antwoordde Paulus: ‘     Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de Naam van de Heer Jezus’.
En toen hij niet te overreden was, hielden wij ons stil en zeiden:
De wil des Heren zal geschieden
Hand.21: 8-14

Christus tronend, de Theotokos en Johannes de Doper by Ann Chapin

”     Zie, van de Heer, uw God, is de hemel, ja, de Hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is; alleen aan uw vaderen heeft de Heer Zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volkeren uitverkoren, zoals dit heden het geval is.
Besnijdt dan de voorhuid uws harten en weest niet meer hardnekkig.
Want de Heer, uw God, is de God der goden en de Heer der Heescharen,
de Grote, Sterke en angstwekkende God, Die geen partijdigheid kent noch een geschenk aanneemt; Die wees en weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven.
Daarom zullen jullie de vreemdeling liefde bewijzen, want vreemdelingen zijt gij geweest in het land Egypte.
De Heer, uw God, zult gij vrezen, Hem zult gij dienen, Hem aanhangen en bij Zijn Naam zweren.
Hij is uw lof en Hij is uw God, Die onder u deze grote en vreselijke dingen gedaan heeft, welke uw ogen gezien hebben”
Deuteronomy 10:14-21

Voor het leven gekruisigd, een monniksleven

De vroeg-christelijke Kerk heeft een groot aantal mensen gekend, die
Paulus hebben nagvolgd en bereid waren eveneens te sterven [en daardoor] een

belangrijke rol hebben gespeeld bij voor de Naam van de Heer Jezus; Het is dus niet verwonderlijk dat het altaar van Apostolische Kerken relieken bevatten op basis waarvan wij onze diensten opdragen.
Voorafgaand aan de oud-Testamentische lezing van de Vespers wordt aangegeven:
”            En nu, Israël [Kerk], wàt verlangt de Heer, uw God, van u? 
Hij vereist alleen
⁌   dàt je de Heer, je God, vreest  en leeft op een manier die Hem behaagt, en
⁌   dàt je van Hem houdt en Hem heel je hart en ziel dient. 

⁌   dàt je altijd de Geboden en besluiten van de Heer dient te gehoorzamen,  die
Hij [als God en Vader] ons vandaag voor ons eigen bestwil heeft gegeven“.
Deuteronomy 10:12-13.
Is dat alles, zul je je afvragen maar is het tot je doorgedrongen dat je door je te laten dopen een Verbond met ” de God der goden en de Heer der Heescharen,
de Grote, Sterke en angstwekkende God, Die geen partijdigheid kent noch een geschenk aanneemt” hebt afgesloten?
Door de Doop ben je gezalfd met de Myronzalving, ben je deelgenoot geworden aan het leven, lijden stervern en Opstanding van onze Heer en Verlosser.
Dat betekend dat er geen compromis meer met iets anders te sluiten is, je bent door het Bloed van Christus gekocht en betaald, lijfeigene van de Heer, king van God de Vader geworden.
Je bent kind van God geworden en met al je broeders en zusters in Christus in
Zijn Lichaam, de Kerk opgenomen; wanneer
je dat tot je door laat dringen en leest wat er dan van je vereeist wordt,
dàn praat je wel anders.
Dàn kun je niet meer zeggen, dat je in de Kerst-, Paas-, de Pinkstervreugde deelt,
wanneer je 1 òf 2 maal per jaar een Christelijke Kerk bezoekt.
Neen, een kind heeft de doop voeding nodig, begint met lammetjes melk en krijgt bij het volgroeien steeds zwaardere kost te verstouwen; dring steeds dieper in het Mysterie met God door.
Door de Kracht van de Heilige Geest, welke ons met Pinksteren voorzegd is,ontvangen wij op Mystieke wijze Goddelijke Kracht en die wordt alleen gevoed wanneer je met de regelmaat van de klok een dienst in de Kerk bezoekt, daat waar je gezegend wordt, zoals al onze voorvaderen zich gezegend wisten.
Dàn  verbindt “de Heer, uw God, Die in de hemel is, ja, de Hemel der hemelen, zich met u op aarde en alles wat daarop is; want alleen aan uw vaderen heeft de Heer Zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volkeren uitverkoren, zoals dit tot op heden het geval is“.
Dàn staat er bij de Apostel dat Philippus, die de Blijde Boodschap verspreidde vier dochters had, die ‘profeterend‘ optraden’.

 

Vrouwen verlangen naar volmaaktheid in Christus

De aanvullende taak van de vrouwen wàt verlangt de Heer, uw God van hen:
Dàt is hetzelfde als de zus van Mozes deed, die profeteerde eveneens en volgde daarmee Mozes, die een lied had gecomponeerd over de Rietzee, omdat deze een weg voor Israël [de Kerk] heeft vrijgemaakt, waardoor de vijand [de farao en z’n strijdkrachten] werd uitgeschakeld.
‘     De profetessen [Mirjam en de vier dochters van Philippos] pakten hun tam-boerijn en alle vrouwen volgden haar, dansend en op de tamboerijn spelend’.
De profetessen zingen het refrein en de vrouwen gaan vóór in zang en dans. En dan durven de emanciperende vrouwen zich in onze tijd nog af te vragen wàt hun taak wel niet zou zijn in de hedendaagse Kerk?
Oók de Moeder God’s werd op haar taak gewezen en zei vervolgens tegen de dienaren aan de bruiloftsmaal te Cana: “Doe maar wat de Heer u zegt en het zal goed komen” – voor al het overige zweeg ze en bewaarde al wat zij mee-maakte in haar hart.
Ook in deze tijde speelt de vrouw een stimulerende rol en houdt echtgenoot en kinderen bij de les.
Ook de Moeder God’s, de Theotokos [de God-‘barende’ (‘dragende’)] is in de bovenzaal bij de Apostelen nadrukkelijk aanwezig en neemt daarmee haar belangrijke positie in haar Mystieke inbreng als Moeder van de Kerk, die van het verwachten van de Heilige Geest nooit heeft opgehouden de moederlijke zorg op zich te nemen van een pelgrimerende Kerk, een Kerk onderweg naar het Hemels Koninkrijk.

In de beginperiode [tot 325] dreef de Kerk op haar Martelaren en werd geïnspireerd door opvolgers van de profeten en Johannes de Doper, uit wiens midden de meest gevorderden uitverkoren werden als toezichthouder/ bisschop te gaan dienen over de ontstane diocees, welke de geestelijke herders begeleiden, die de verschillende [veelal door de Apostelen gestichtte] stadsgemeenten bedienden. De geestelijk herders vormden net als de Levieten in het 1e Verbond een soort barrière om de te voorkomen dat de gelovigen te dicht bij het Heilige der Heilige kwamen, waardoor de toorn van God op het Israëlische kamp zou vallen conf. Num.1: 53.  Alle gelovigen dienden hun huisvesting op een bepaalde afstand van het Verblijf der Samenkomst zien te vinden – vèr genoeg om de heiligheid van de Tabernakel te beschermen en toch dichtbij genoeg om hen naar de samenkomsten te kunnen laten komen.
Ook daarin speelden de vrouwen een kerkelijke hoofdrol in de opvoeding en het tegen de verdrukking in standhouden van het Christelijk Geloof. In moeilijke tijden blijken met name de vrouwen de steunpilaren van de Kerk.

Alle volkeren klapt in de handen, juicht voor God met vreugde kreten.
Want de Heer is verheven, ontzagwekkend; Hij is een Koning, groot over heel de aarde.
Hij heeft volkeren aan ons onderworpen, heidenen onder onze voeten gebracht.
Hij heeft ons als Zijn erfdeel gekozen,  de schoonheid van Jaäcob die Hij liefhad.
God is omhooggestegen onder gejuich, de Heer onder bazuingeschal.
Zingt een Psalm voor onze God, zingt Hem; zingt voor onze Koning: zingt een Psalm.
Want de Koning over heel de aarde is God: zingt de psalm met verstand.
God heerst over de volkeren, God zet zich neder op Zijn heilige troon.
De vorsten der volkeren zijn vergaderd voor de God van Abraham.
Want de sterken der aarde behoren aan God: zeer hoog zijn zij verheven”.
Psalm 46[47] vert ROK. ‘s-Gravenhage.

H. Theophanos en zijn echtgenote Pansemnas van Antiochië [Hebr.-= ‘pertinent tegen (de wereld)’].
Vroeger besloten jongeren veelal op jonge leeftijd tot een ascetisch leven.
Een mooi vorbeeld is de vita van de heilige Theophanos, van Antiochië welke vandaag de 10e juni wordt herdacht.
Als jongeman was hij op 15 jarige leeftijd gehuwd met een niet-christelijk [heidens] meisje, welke na een gelukkig huwelijk na drie jaar kwam te over-lijden. In deze tijd van uiterste droefheid hoorde hij spreken over Christus en zijn hart ging open naar een hogere liefde. Hij werd gedoopt en leefde vervolgens als kluizenaar in een kleine cel bij de stad.
Na enkele jaren drong de gedachte aan hem op dat er in Antiochië zovelen een zondig leven leidden uit onwetendheid en hij zag het als zijn christelijke plicht om ten minste één van hen te redden. Daarom verliet hij zijn cel, ging naar huis en zei tegen zijn vder dat hij opnieuw wilde trouwen. Deze was daarop zeer verheugd en gaf hem geld ter waarde van tien pond goud [wereldprijs is momenteel zo’n 50 Euro per gram].
Theophanes stak zich nieuw in de kleren en ging naar Pamsemna, een vrouw die bekend stond om haar slechte levenswandel.
Hij knoopte een gesprek met haar aan en vroeg hoe lang ze dit soort leven leidde. Zij antwoordde: “Sinds twaalf jaar”. “Zou je dan niet liever gewoon getrouwd zijn?“Niemand heeft me ooit gevraagd”, zuchtte zij. “En als ik je dan zou vragen om mijn vrouw te worden – Pamsemna, wat zou je dan zeggen?
Zij was intussen zo onderde indruk geraakt van zijn ernstige persoonlijkheid dat zij het hoofd liet hangen en zei: “Als ik maar niet zo onwaardig was”.
Toen namTheophanos haar hand en zei: “Pamsemna”, hier is geld; bereid de bruiloft voor, want als je van me houdt dan zul je van mij zijn”
– Met tranen in haar ogen antwoordde zij: “Niemand heeft ooit zo tot me gesproken. Wat kan ik anders dan van je houden?
Nu ging hij weg.
Een tijd later kwam hij bij haar terug en zei: “Het is tijd, ga met me mee”.
Zij vroeg waar ze dan heen zouden gaan en waar hun huis zou zijn. Toen wees hij naar de hemel: “Daar waar niet gehuwd wordt noch ten huwelijk gegeven, maar waar ze zullen zijn als engelen Gods”.
Zij was kwaad en wilde niet, maar ze hield van hem en luisterde toen hij begon te spreken over God Die rechtvaardig is en het onrecht haat; en over Jezus Christus, Die op aarde gekomen is om zondaars te redden.
Toen brak haar tegenstand en ze begon een diep verlangen te krijgen naar een heilig en ongeschonden leven.
Langzaam aan bracht hij haar ertoe zich geheel af te wenden van haar zondig leven en dit uit te wissen door het heilige water van de Doop.
Theophanos bouwde nu voor Pamsemna een cel in de buurt van de zijne, en leerde haar het ascetische leven van vasten en onophoudelijk gebed, het strijden tegen de opstandige hartstochten, het zich bewust zijn van God’s tegen-woordigheid en het verlangen naar het hemelse verblijf der rechtvaardigen.
Zo leefden zij elk in hun eigen cel gedurende bijna twee jaar en zij stierven toen gezamenlijk, misschien ten gevolge van een besmettelijke ziekte.
Na hun dood, in 369, werden zij in hetzelfde graf gelegd.

De weg van het leven
Het [huwelijk’s] Verbond met God wordt veelal vergeleken met het huwelijk’s Verbond wat de mens met de ander aangaat. In het begin wordt het uitbundig gevierd, maar vervolgens volgt het onbekende, steken er stormen op en wordt het moeilijker om het woord gestand te doen en elkaar vast te houden.
Werkelijke tegenstand vormt op cruciale momenten de mens en bouwt mee aan de vorming van het karakter – door levenserving wordt de mens volwassen.
Er zijn twee wegen: een van het leven en een van de dood, maar re is een groot verschil tussen die twee wegen.
De weg van het leven is de volgende. Houdt in de eerste plaats van God, die jou heeft gemaakt en ten tweede van je [meest] naaste als van jezelf. Alles wat je niet wilt dat het jou overkomt, doe dat ook een ander niet aan.
Wat je hieruit moet leren is het volgende:
Zegen wie jullie vervloeken, bid voor je vijanden en vast voor degenen, die je vervolgen. Want wat voor verdienste is het om te houden van wie jullie houden? Jullie dienente houden van wie haar voor jullie voelen,
eesrt dan zullen jullie geen vijanden ervaren en
zal de Heilige Geest op jullie kunnen neerdalen en
jullie Vrede brengen.
uit: de Didachè [Gr: Διδαχή = ‘onderricht, onderwijzing’) een vroeg-christelijk geschrift, gerekend tot de Apostolische Vaders en werd in de eerste helft van de tweede eeuw na Christus door een onbekende auteur uit Syrië in het Grieks geschreven.

Vespers bij ‘Heer ik roep . . .’
tn.4.  ”   In Uw onzegbare goedheid bent U vleesgeworden en ofschoon U als God niet kunt sterven, hebt U zó vrijwillig het Kruis en de Dood ondergaan.
Maar ten derede dage bent U uit de doden opgestaan, en op de veertigste dag bent u opgevaren naar de Hemel, vanwaar U eerst was neergedaald; om Vrde te schenken aan de aarde, en alles terug te brengen tot Uw Vader“.

 

Zondag van de vaders van het 1e Oecumenisch Concilie van Nicea in 325, Eén God, één Kerk.

Hemelvaart, de Belofte van de H. Geest, Simeon Artschischez, miniatuur [1305]

    Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei:
    Vader het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U zal verHeerlijken, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
    Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de Enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.
    Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
    En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
    Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, Die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard. Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in Waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
    Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U, en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne, en Ik ben in hen verheerlijkt.
    En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn zoals Wij.
    Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
    Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle Mijn Blijdschap in zichzelf mogen hebben John.17: 1-13

    Want Paulus had zich voorgenomen Epheze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om, zo mogelijk, op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.
Maar hij zond iemand van Milete naar Epheze en ontbood de oudsten der gemeente; en toen zij bij hem gekomen waren, zei hij tot hen:
    Gij weet, hoe ik van de eerste dag aan, dat ik in Asia voet aan wal zette, al die tijd onder u verkeerd heb.
>
    Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.
    Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.
    Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen.
    En nu, ik draag u op aan de Heer en het Woord van Zijn Genade, aan Hem, die bij machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden.
    Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd; zelf weet gij, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien.
    Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Heer Jezus herinneren, die Zelf gezegd heeft:
           
Het is zaliger te geven dan te ontvangen’.
En toen hij dit gezegd had, boog hij de knieën en heeft hij met hen allen gebeden
”.
Hand.20:16 – 18: 28-36.

Hemelse Koning [in het Arabisch] MP3:

Rechtvaardige Rechtspraak

Mozes & de Wet

“ Zie, Ik heb dat land tot uw beschikking gesteld; trekt er binnen en neemt bezit van het land, waarvan de Heer aan uw vaderen, Abraham, Isaäc en Jaäcob gezworen heeft, dat Hij het hun en hun nakroost geven zou.
Toentertijd zei ik tot u:
ik alleen zal de zorg voor u niet kunnen dragen.
De Heer, uw God, heeft u vermenigvuldigd en zie, heden zijt gij zo talrijk als de sterren aan de Hemelen.
De Heer, de God van uw vaderen, voege er aan u nog duizendmaal zoveel toe als gij nu telt en zal u zegenen, zoals Hij u beloofd heeft.
>Daarop nam ik de hoofden van uw stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde hen als hoofden over u aan, oversten over duizend, oversten over honderd, oversten over vijftig en oversten over tien, en opzieners voor uw stammen.
En ik gebood toentertijd aan uw rechters:
Hoort [de] [geschillen] tussen uw broeders en oordeelt rechtvaardig tussen
de een en de ander, of dit diens broeder is dan wel de vreemdeling die bij hem woont.
Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien;
Gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke;
Gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is van God.
De zaak echter, die voor u te zwaar is, zult gij tot Mij brengen, opdat Ik die zal horen”
Deut. 1: 8-11, 15-17.

“  Hoort [de] [geschillen] tussen uw broeders en oordeelt rechtvaardig
tussen de een en de ander, of dit diens broeder is dan
wel de vreemdeling die bij hem woont”
Deut. 1: 16.

de eed‘, de klassiek Christelijk-Germaanse synthese; ‘the oath’, the classical Christian-Germanic synthesis.

Wanneer we het in onze cultuur hebben over de klassiek, vroeg-Christelijk [Joodse] Traditie, benadrukken we de consistentie van Gods openbaring aan Zijn Volk doorheen de geschiedenis.
Het is dan ook niet verrassend dat Keizer Constantijn, toen deze de basis legde voor het Byzantijnse rijk en de Kerk als voetsteun [kurk voor zijn eigen machtslust] gebruikte het hierboven aangehaalde bevel van de profeet Mozes aanhaalde en daarmee een vergelijking trok met het hof, resp.
de gerechtshoven hoven van het oude Israël.
Ook keizer Constantijn bouwde een kerkelijke vriendenkring om zich heen, hetgeen blijkt uit het afgelopen week aangehaald verslag van de aanstelling van de 1e Patriarch van Constantinopel Metrophanos [325-326] en het op gezag van Keizer Constantijn geïnitieerde 1e Concilie te Nicea in Bithynië [hedendaags İznik in Turkije], waarbij
een 1e poging werd ondernomen om in de Kerk consensus te bereiken door middel van een vergadering van de toezichthouders, bisschoppen van de toenmalige bekende ambtsgebieden [van paus was nog geen sprake !!, de paus was slechts toezichthouder over zijn diocees en de patrirach idem].
In juli 306 werd Constantijn de Grote door zijn troepen uitgeroepen tot imperator en Augustus, vanaf 308 werd hij als zodanig ook door de Senaat van Rome erkend. Door allianties, militaire overwinningen en meevallers ging hij een steeds groter deel van het Romeinse Rijk regeren tot hij vanaf 324 alleenheerser werd. Hij bouwde zich een nieuw teritorium rond zijn stad ‘Constantinopel‘.
            De Heilig verklaarde keizer Constantijn was een ‘machtswellusteling’, die je heden ten dage nog wel tegenkomt, dat blijkt uit geheel zijn levensgeschiedenis. Zijn enige doel met de Kerk was een benodigde kurk, een voetenbankje waarop ‘zijn wereldse Rijk’ zou komen en Hij in staat zou zijn ‘orde en rust’ over zo’n massa inwoners van een groot gebied te verkrijgen.
            Tijdens de 1e vergadering/het concilie van Nicea trachtten de deelnemers zoals ook in onze tijd plaats vindt consensus te bereiken omtrent verschillende vraagstukken:
            Er waren 318 toezichthouders bijeen, op papier werd het voorgezeten
door de keizer ‘himself’, maar aangezien deze niet zoveel op had met theologie,
werd Ossius van Cordoba [Sp] de feitelijke voorzitter, deze was een prominent voorvechter van wat later het katholieke christendom zou worden in de Ariaanse controverse, die de 4e-eeuws vroeg-christelijke kerk verdeelde.
            Athanasius, diaken van Alexander van Alexandrië, voerde het hoogste woord, gesteund door Alexander van Constantinopel, hierbij werd de autoriteit van het oude Rome en die van Alexandrië en Antiochië door het concilie erkend, zodat er al in ‘die’ tijd al sprake was van onenigheid over wie wel niet de eerste was onder/over ongelijken zou hebben.
Het was echter de keizer, die besloot de hoofdstad van Rome naar zijn nieuwgebouwde stad Constantinopel te verplaatsen, waardoor ook de bisschop van die plaats een prominente plaats begon in te nemen.
            Er werd een Geloofsbelijdenis aangenomen waarin staat dat Christus ‘homo-ousios’, van dezelfde substantie is, als de Vader en dus ook waarlijk God is. Slechts twee bisschoppen weigerden dit te aanvaarden, en enkele anderen slechts onder voorbehoud, omdat ze bang waren dat acceptatie van het woord ‘homo-ousios’ modalisme zou behelzen.
  Sabellianisme [of modalisme] is een vroeg-christelijke leer
die evenals het adoptianisme gerekend wordt tot het monarchianisme.
Het is vernoemd naar de mogelijk uit de Pentapolis afkomstige Sabellius, die
sinds 215 leider was van de modalisten in Rome.
– Adoptianisme is de opvatting, dat Jezus in feite een door God uitverkoren profeet was. Jezus christus wordt voorgesteld als een bijzonder mens, terwijl zijn Godheid wordt ontkend. De verbinding tussen God en mens is hier een adoptieve-relatie.
– Monarchianisme is een verzamelnaam voor ketterijen, waarin de eenheid van God benadrukt wordt ten koste van de drieëenheid.
Alle drie bovenstaande -ismen werden als dwaalleer beschouwd/ bestempeld en het feit dat Christus ‘homo-ousios‘, van dezelfde substantie, is als de Vader en dus ook waarlijk God is, werd met grote meerderheid van stemmen aanvaard.

            Op zich is het al vreemd dat er op basis van het teruggrijpen op een wetmatigheid over de rechtvaardige Rechtspraak van Mozes van buitenaf [door de Keizer] in de vroeg-Christelijke Kerk tot een wereldse éénheid wordt getracht te komen.
Met ‘de Wet of de profeten’ bedoelt onze Heer en Verlosser ‘de geboden en de leer‘ van het Oude Testament, zoals blijkt uit al Zijn uitspraken:
  “ Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de Wet en de profetenMatth.7: 12.
  “ Aan deze twee geboden [God liefhebben en je naaste als jezelf] hangt
de gehele Wet en de profeten
Matth.22: 40.
Het is dus duidelijk dat Jezus niet gekomen is om de wetten, die God in het Oude Testament al gegeven heeft te ontkrachten, af te schaffen, of uiteen te doen vallen.
Hij waarschuwt:
      Wie dan één van de kleinste van deze geboden ontbindt en de mensen zó leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der HemelenMatth.5: 19.
Christus heeft namelijk bepaald dat er slechts één Waarheid is, en één hoofd van de Kerk en dat slechts ‘Hij’ dat in Liefde en verbonden met de Vader is, als de mensgeworden Zoon van God.
Christus is hier nooit en te nimmer onduidelijk over geweest.
Het Lichaam van Christus, indien je het zo wilt noemen de broeder-, zusterschap- sterker nog het Kindschap van God de Vader heeft geen geïnstitutionaliseerde organisatie nodig, het gaat om de onderlinge Liefde, zoals ook de Drieëenheid onderling met elkaar verbonden is tot één God.
            Ik beweer daarbij niet dat de concilies en hun richtlijnen niet van nut zijn gebleken in de historische ontwikkeling van het navolgen van Christus, maar de machtsblokken Oost- en West, en daartussen het aloude europese Rome, welke heden ten dage in de Kerk zijn doorgedrongen laten zien, waar een nadruk op een werelds georiënteerde manier van denken toe kan leiden.
Het is ook absoluut niet de bedoeling in deze ‘een strijdgeest‘ te voeden, het gaat in de kern bij Christus om Zijn Pedagogie, een leer, die strekt tot een levensreddende houding voor iedere mens, die Hij liefheeft. Het gaat in de Kerk,  zoals die nu bestaat helemaal niet om de ‘Waarheid in Christus‘, maar veelal om een eigen clubje, met een eigen [nationaal getint] nestgeurtje.
            Het is niet voor niets dat ondergetekende spreekt van navolgers van Christus, van spelleiders en toezichthouders, opdat niemand het in z’n [bisschoppelijke] hoofd haalt een te grote broek aan te trekken.
De vroeg-christelijke Kerk draaide ondanks de invloed van diverse ismen/ ketterijen zonder al te veel moeilijkheden op basis van de aloude monastieke beweging, die al vanaf de tijd van de profeten het Licht van de onderlinge Liefde had doen zien. Zonder instituut waren zij maar al te best in staat gebleken en zijn nog steeds in staat afstand te nemen van wereldse invloed en tot een uiteindelijk ‘statuut’ te komen.
De eenheid van de Kerk behoort tot het fundamenteel belijden van de Kerk en zolang die geen gestalte krijgt, leven wij ‘de Heer en Zijn Pedagogie loslatend’ in zonde, sterker nog: dan lasteren we Zijn ene Naam onder de Volkeren.
Het gaat dus niet om goede intenties en alleen ‘een voor het wereldtoneel’ [de publieke opinie] elkaar zoeken met het oog op en tòch niet te bereiken eenheid. Wie van hen [‘de Heren‘] wenst immers z’n positie op te geven?
Het gaat om bekering en bekering kun je niet uitstellen, anders is het niet serieus. Dàn heb je na al die tijd nog steeds niet ingezien
wàt je hebt aangericht en
wàt je ‘zelf‘ in stand houdt.

Tijdens het concilie van Nicea werd los van bovenstaande door persoonlijke inbreng ook de datum van Pasen vastgelegd, het werd de eerste zondag ná de volle maan ná de lente-equinox [wie de tijd, de agenda beheerst, heeft de macht].
Christenen die vasthielden aan de joodse berekeningswijze, gelijk dus aan het begin van Pesach, werden in liefde ‘quarto-decimanen’ genoemd.
Ook werden er een aantal disciplinaire canons/ kerkelijk recht !!! opgesteld en
de autoriteit, de zogenaamde eerste onder gelijken werd aan Rome toegewezen.
Beïnvloeding, handje-klap en werelds bestuur vormde vanaf dàt moment de  boventoon, hetgeen in de daaropvolgende geschiedenis tot vele mistoestanden heeft geleid.
Wanneer dan gesteld wordt dat ons oor geneigd dient te zijn:
“[de] [geschillen] tussen uw broeders en rechtvaardig tussen
de een en de ander te beoordelen en te bezien òf dit
diens broeder dan wel de vreemdeling is die bij hem woont“,
dàn is het helemaal niet zo verwonderlijk dat de Kerk verworden is tot een warboel, waarbij een buitenstaander/toeschouwer er geen touw meer aan vast kan knopen.

Mozes, door de kracht van onze Heer Jezus Christus verheven, leidde het Volk door de Rode Zee.

De aanklacht van Mozes bepaalt wàt God verwacht van elke bevinding die
rechtvaardig wordt genoemd en dat heeft tot gevolg gehad dat zelfs gerechtelijke procedures de concilies van orthodox-christelijke naties gingen overheersen.
Het menselijk-, financieel-, machts- belang stond voorop en de grote tegenstander, de duivel had vrij spel.
Menselijk ingrijpen en menselijke macht en majesteit kunnen van gerechtelijke procedures bespottelijke dingen maken. Ze buigen en verdraaien de oordelen van de rechtbanken om zich aan te passen aan populaire ideologieën door in macht en rijkdom van de situatie te profiteren.
God echter ziet en veroordeelt al dergelijke zondige geestelijke dwalingen.
Vanuit een joods-christelijk perspectief vallen echter helaas alle rechtbanken in
alle landen onder het Mozaïsche bevel, want de grote profeet gaf Gods Volk
slechts een menselijke waarheid die van toepassing is op alle volkeren in alle tijden en plaatsen. Mozes vergat daarbij het ingrijpen van God, Die immers altijd het laatste Woord heeft.
In het ‘onderricht van de twaalf apostelen‘ wordt de gelovige geadviseerd:
‘Zorg niet voor verdeeldheid’, maar maak ‘Vrede tussen disputanten’.
Wanneer er Recht gesproken wordt toon dan als Salomon geen
partijdigheid bij het terechtwijzen van overtredingen.
Hink niet op twee gedachten of iets wèl òf niet waarachtig zou dienen te zijn’
conf. ‘The Apostolic Fathers’, blz. 311.

Terwijl we het Feest van de Heilige Vaders van het 1e Concilie van Nicea vieren, zien we dat hun beraadslagingen eveneens in overeenstemming zijn met
de beschuldiging van de profeet.
Allereerst vergroot Mozes het bevel om  ” -‘rechtvaardig’- te oordelen” door zowel de waarheid in zowel negatieve als positieve bewoordingen te vermelden, alsook door een specifieke toepassing te geven:
“Je zult geen partijdigheid in oordeel tonen; je zult de kleine -‘èn’- de grote oordelen “ Deut. 1: 17.
Het Eerste Oecumenische Concilie volgde deze zelfde regel toen zij de zaak van Arius behandelde. Als spelleider/priester ten dienste van de grote en rijke parochie van Baucalis, in de stad Alexandrië, trok de blik van Arius aanvankelijk veel belangstelling en steun.
Toen hij en de toezichthouder/bisschop van Alexandrië openlijk van mening verschilden, werden plaatselijke conilies bijeen geroepen ter ondersteuning van beide partijen.

H.Nicolaas, toezichthouder van Myra [in het huidige Turkije] slaat Arius tijdens het Concilie van Nicea om de oren.

De kwestie werd uiteindelijk overgenomen door het Eerste Oecumenische [=algemene] Concilie van de Kerk, gesponsord door keizer Constantijn in Nicaea. Arius kreeg ‘zijn‘ dag om zich voor de rechtbank te verantwoorden, maar een meerderheid van de verzamelde ascetisch doorleefde vaders veroordeelden ronduit zijn mening.
Ze streefden ernaar onpartijdig te handelen in het oplossen van wat begon als een zaak tussen ‘n priester en z’n bisschop: ‘klein en groot‘ in de Kerk werden gelijk gehoord. Evenzo, ondanks de sterke steun voor Arius’ opvattingen van velen in de Kerk, inclusief de populaire bisschoppen van drie invloedrijke bisdommen [Nicomedia, Nicea en Chalcedon], keerden de Heilige Vaders van het 1e Concilie niet op hun woorden terug ” voor de aanwezigheid van een mens, want het oordeel is aan God “ Deut. 1: 17.
Ze streefden ernaar getrouw te zijn aan Goddelijke Openbaring zoals ze die hadden ontvangen, want de levenschenkende en reddende Waarheid van God stond op het spel.
Pas nadat er géén geschikte uitdrukking uit de Heilige Schrift gevonden kon worden, gebruikten ze hun toevlucht tot de niet-bijbelse term ‘homo-ousios’ (“van één essentie”) om de relatie tussen God de Vader en God de Zoon tot uitdrukking te brengen. Nicea zelf vormde het laatste hof van beroep, nadat er her en der talloze kleinere concilies waren gehouden in het oosten en het westen, evenals in Alexandrië. Toen de “zaak [te] te hard was”Deut. 1: 17. om een ​​regionaal concilie definitief te bevestigen, spraken zij noodzakelijkerwijs, zoals Mozes gebiedt, vanuit “monastiek doorleefde, verstandige en geïnformeerde mensen” Deut. 1: 15.
Zó werd een beroep gedaan op het hoogste gezag, dat in de Kerk de roeping van een ‘Oecumenisch’ concilie vereist en dat slaat niet alleen op de grote Patriarchaten, maar op de ‘gehele Kerk‘ en omvat niet slechts een aandringen op een compromis in consensus van enkelingen.

” Reconcile yourself first with God and with each other prepare first the way of the Lord make straight His paths”

      De Heer is Koning, met luister getooid: de Heer heeft Zich bekleed met Macht en Zich  omgord. Want ‘Hij’ heeft heel de wereld gegrondvest: zij staat onwankelbaar.
Vanaf het begin staat Uw troon gevestigd: Gij zijt van alle eeuwigheid.
Stromen verhieven, Heer, stromen verhieven hun stem; stromen zweepten hun golven op met geweldig gedonder van water.
Wonderbaar zijn de hoge golven der zee; wonderbaar is de Heer in de hoge.
Uw getuigenissen zijn uiterst geloofwaardig: Uw huis, Heer, past heiliging tot in lengte van dagen
Psalm 92[93] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apolytikion    
tn.6.
  “  De scharen der Engelen stonden aan Uw graf en
‘de wachters’ lagen als dood.
Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend
het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
Gij hebt de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast.
Gij hebt de Maagd ontmoet, Levenschenkende,
Die uit de dood zijt opgestaan.
Heer, ere zij U
”.

            Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,’

tn.8.  Boven al zijt Gij verheerlijkt, o Christus onze God,
Die onze
[monastieke] Vaders op aarde als sterren bevestigd hebt.
Door hen hebt Gij ons tot het ware Geloof gebracht:
Barmhartige Heer, eer aan U
”.

            nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen,. AMEN”.

tn.4.    In Heerlijkheid zijt Gij opgestegen, o Christus onze God, en
hebt Uw Leerlingen verblijd door de Belofte van de Heilige Geest.
Want door Uw Zegen leerden zij, dat
Gij de Zoon God’s zijt, en
de verlosser van de wereld
”.

Woensdag in de 6e week van Pascha – afscheid van Pascha, voorfeest van Hemelvaart, Herstel van de Menselijke natuur.

 


Theophany, Transfiguration & Opstanding van Lazaros, Sinaï-icon
      ‘Gelooft in het Licht zolang gij het Licht hebt, opdat jullie kinderen van het Licht mogen zijn’. Dit sprak onze Heer en Verlosser en Hij ging heen en verborg Zich voor hen.
En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had,
geloofden zij niet in Hem, opdat het woord van de profeet Isaiah
vervuld werd, dat hij sprak:
         ‘Heer, wie heeft geloofd, wat hij van ons hoorde? En aan wie is de arm des Heren geopenbaard?’.
Hierom konden zij niet geloven, omdat Isaiah elders gezegd heeft:

Genezing van de Blindgeboren mens

         ‘Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, dat zij niet met hun ogen zien, met hun hart verstaan en zich bekeren, en Ik hen zal genezen’.
Dit zei de profeet Isaiah, omdat hij Zijn Heerlijkheid zag en van Hem sprak.
En toch geloofden zelfs uit de oversten velen in Hem, maar ter wille van de Farizeeën kwamen zij er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen; want zij waren gesteld op de eer der mensen, meer dan op de eer van God.
Jezus riep en zei:
        ‘ Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij gezonden heeft; en wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem, die Mij gezonden heeft.
        ‘ Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis zal blijven.
        ‘ En indien iemand naar Mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart,
Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch
om de wereld te behouden
John.12: 36-47.

      En hij [Paulus] kwam te Caesarea [naam als eerbetoon aan de Romeinse keizer], ging aan land en groette de gemeente en ging naar Antiochië. En toen hij daar een tijd lang geweest was, ging hij weer weg en doorreisde achtereenvolgens het land van Galatie en Frygie om al de discipelen te versterken.
        En een zekere Jood, genaamd Apollos, geboortig uit Alexandrië, een geleerd man, doorkneed in de Schriften, kwam te Epheze.
Deze was ingelicht omtrent de weg des Heren en, vurig van geest, sprak en leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes.
En deze begon vrijmoedig op te treden in de synagoge.
En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg God’s nauwkeuriger uit.
En toen hij naar Achaje wilde oversteken, moedigden de broeders hem daartoe aan en schreven aan de discipelen, dat zij hem vriendelijk moesten ontvangen.
Deze, daar aangekomen, was door (Gods) genade van veel nut voor hen, die geloofden. Want onvermoeid bestreed hij de Joden in het openbaar“ Hand.18: 22-28a.

    En het zal geschieden in het laatste der dagen:
dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als
de hoogste der bergen, en Hij zal verheven zijn boven de heuvelen.
En alle volkeren zullen daar naar toe gaan en
vele natiën zullen optrekken en zeggen:
    Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God van Jaäcob,
– opdat Hij ons zal leren aangaande Zijn wegen en
– opdat wij Zijn paden bewandelen.
➙ Want de wet des Heren zal gaan uit Sion en
het Woord des Heren zal uitgaan van Jeruzalem
”.
Isaiah 2: 2,3

Omhoog kijken

De diepste betekenis van het feest van Hemelvaart is dezelfde als die van het feest van de Opstanding/de Verrijzenis.
Christus’ Hemelvaart is namelijk absoluut géén afscheid nemen:
het is het feest van Zijn blijvende Aanwezigheid onder ons als de verheerlijkte Heer en Meester over alle dingen.
Na zijn lijden en dood heeft Christus Zijn navolgers herhaaldelijk bewezen dat Hij leefde; gedurende veertig dagen is Hij in hun midden verschenen en sprak Hij met hen over het Koninkrijk der Hemelen.
          In een eerder stadium sprak Christus met Nikodemus,
een overste der Joden; die ’s-nachts tot Hem kwam en zei:
  Gij zijt de leraar van Israël, en het opnieuw geboren worden verstaat gij niet? Voorwaar, voorwaar, Ik, de Zoon van God zeg u:
‘wij spreken van wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, en u neemt ons getuigenis niet aan. Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het Hemelse spreek? 
En niemand is opgevaren naar de Hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is de Zoon des mensen. En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven zal hebben’
John.3: 10-13.
Er is dus maar één menselijk Persoon Die naar de Hemelen gaat.
De God-mens, Die een tijdje daarvoor voor het eerst als mens naar de aarde afdaalde. De God-mens wiens oorsprong niet in het aardse gegrondvest is, ook niet te beredeneren is, het is een Mysterier, zoals God een Mysterie is, maar
Zelf hoogst-Persoonlijk vanuit de Hemelen is afgedaald.
Dàt is onze Heer Jezus Christus, de eeuwige Zoon van God, Die
de enige onder de mensen is, Die tot God’s Almachtige Rijk behoort.

Hij is mens geworden – omwille van ons en – om onze verlossing 
In de volheid van de tijden werd Hij,
de Zoon des mensen in de schoot van Maria geboren. Ná Zijn zondeloze, getrouwe leven en Zijn verzoenende dood, stond Jezus als mens op en ging voor ons naar de Hades om
die voor ons leeg te halen – in hetzelfde menselijk Lichaam waarin Hij door de mens werd gekruisigd!
De Verlosser keerde als God, een van de Heilige Drieëenheid, terug naar Zijn Vader, maar toch bleef Hij een van ons, terwijl Hij onze menselijkheid met Zich meenam.
                Alleen de God-mens kon voor onze Verlossing afdalen en weer ten Hemel varen. Dus ons toekomstig, belichaamd leven, samen met alle heiligen, in de aanwezigheid van God,  hangt om het zo te zeggen af van Zijn pendeldienst, door Zijn Opstanding zullen wij Hem daarin volgen.
               Om het voor ons mogelijk te maken naar de Hemel te gaan,
moest Hij een weg banen.
Hij moest de hemel opnieuw met de aarde verbinden.
En wij dienen daarom als navolgers en als medereizigers
onderweg naar het Hemels Koninkrijk met Christus te zijn.
Wij dienen door de Heilige Geest een Verbond met
de Vader in de Zoon aan te gaan opdat allen één worden.

Als deelnemers aan Zijn Lichaam, de Kerk – in lijden, sterven en Opstanding

Wij dienen als mens met onze Heer en Meester als leden van
Zijn Lichaam [de Kerk] verenigd te worden.
Ik dien in Zijn Lichaam te worden opgenomen om nèt als Hij, Die één is met de Vader en de Geest:
Heilig te worden tot Heerlijkheid van God de Vader”. We zingen dit ieder Goddelijke Liturgie en het lijkt zo gewoon, maar het is de essentie, de geestelijke kern waar het om gaat. Hij heeft door Zijn dood, de dood overwonnen en zetelt aan de rechterhand van de Vader, terwijl Hij onlosmakelijk door de Geest in het Mysterie van God één is met de Vader; dit betreft een zo’n grote liefdesband dat wij in Zijn Koninkrijk mogen functioneren als Zijn dienaren en dienaressen, sterker nog als Zijn kinderen.
In die menselijke gedaante, in dàt Lichaam, in de Kerk, dien ik opgenomen te zijn, wil ik Zijn weg gaan tot Heerlijkheid van God, de Vader.
Christus is ‘de Bron des Levens’ in Wie wij de overtocht, de doorgang van de aarde naar de Hemel kunnen maken.
En dàt betekent ‘niet’ dat wij ná onze doop, waarmee wij de Verbintenis met
God zijn aangegaan, op onze lauweren kunnen gaan rusten, want
⁌ dàn begint het pas
⁌ dàn begint de werkelijke strijd om te overleven ten
opzichte van de aanvallen van de vijand.

Een levendige relatie met onze Heer en Meester.
Wij mensen leven alleen in Hem.
Wanneer wij ons slechts op de wereld richten en daarmee God terzijde stellen dan zijn wij dood, verloren.
We leven alleen door Hem en tot Hem en in Hem.
Onze Heer en Verlosser helpt ons niet alleen de weg te vinden;
Hijzelf ‘is’ de nieuwe en levende weg naar God:
    Waar dan voor onze ongerechtigheden vergeving bestaat, is
er geen zondoffer meer [nodig]. Daar wij dan, broeders en zusters,
volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het Heiligdom
door het bloed van onze Heer Jezus Christus, langs
de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door
het voorhangsel, dat is, Zijn vlees, en wij een grote priester over
het huis van God hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in
de volle verzekerdheid van het Geloof, met een hart, dat door
besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met
een lichaam, dat gewassen is met zuiver water
Hebr.10: 18-22.
Ik kan als navolger gaan waarheen Hij gegaan is
⁌  in innige gemeenschap door de Zoon met Zijn Vader
⁌  alleen als ik ‘in’ Hem ga door het verenigende werk van de Geest.
En daarom is Zijn Hemelvaart zo belangrijk voor ons.
          Het is het fundament van de gebeurtenis in de geschiedenis van het Heil,
van “Christus is onder ons, Hij is en zal zijn”,
Hij is onder ons vanwege onze voortdurende vereniging met Hem.
          De Hemelvaart van onze Heer en Verlosser, onze Heer Jezus Christus,
de Zoon van God is voor ons persoonlijk van levensbelang.
We hebben allemaal een plaats verkregen – een eeuwige reeds betaalde plaats
in wat er gebeurde toen Jezus terugkeerde naar Zijn Vader.
Hij heeft voor ons, die plaats bereid in de Hemelse gewesten:
    God, de Vader echter, Die rijk is aan erbarmen, heeft, om
Zijn grote Liefde, waarmee Hij ons [mensen] heeft liefgehad, ons, hoewel
wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus,
– door Genade zijn wij behouden -, en heeft ons mede opgewekt en
ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om
in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van Zijn Genade te tonen
naar [Zijn] goedertierenheid over ons in Christus Jezus.
Want door Genadegaven zij wij behouden, door het Geloof, en
dat niet uit uzelf: het is een Gave van God; niet uit werken, opdat
niemand [onder ons] zal roemen.
Want Zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om
goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat
wij daarin zouden wandelen
Eph. 2: 4-10

Herstel van de menselijke natuur

 

Profeet Isaiah & de cherubijn – Προφήτης Ησαΐας & Χερουβείμ –              إشعياء النبي والملاك

Want de wet des Heren zal gaan uit Sion en
het Woord des Heren zal uitgaan van JeruzalemIsaiah 2: 3
           Toen de Heer met Zijn Opstanding en Hemelvaart naar de hemel opsteeg, heeft Hij Zichzelf niet van zijn menselijkheid ontdaan.
Wèl hief Hij “de gelijkenis aan Adam op:
  Gij hebt op aarde gezocht naar het Verloren Schaap, en dit terug gebracht bij hen die zich ‘niet’ hadden laten verleiden door het bedrog.
En nadat Gij zijt opgegaan naar de Hemel, Woord van God, zetelt Gij in Heerlijkheid aan de rechterhand van Hem, Die U heeft voortgebracht.
Ere zij Uw grote Barmhartigheid
uit 3e ode Canon 6e woensdag.
          De opvoeding welke wij hebben opgepakt uit de Pedagogie van Christus  over de menselijke natuur aan de rechterhand van de Vader verzekert ons dat de weg ‘nu’ open is voor iedereen die ijverig op zoek is naar het herstel van de menselijkheid.
De verheffing van onze natuur geeft iedereen in elke natie op aarde de motivatie
ga de berg op van de Heer, naar het huis van de God van Jaäcob, dat
Hij ons Zijn weg bekend mag maken zodat wij erin mogen wandelenIsaiah 2: 3.
We begrijpen dat wanneer de profeet spreekt van de “berg des Heren” òf
het “huis van de God van Jaäcob“, deze verwijst naar de Kerk, ” hèt ‘Lichaam van Christus’“.
De heilige toezichthouder/bisschop Nikolai Velimirovic zegt:
De berg of de hoogten van het huis van de Heer is inderdaad gevestigd . . .
in de hoogten van de Hemelen  – want de Kerk van Christus is in de eerste plaats niet aards, maar Hemels en een deel van de leden van de Kerk is [en dat nu grotendeels] in de Hemel, terwijl de anderen hier op aarde zijn
uitProloog van Ochrid’, deel 3, blz. 163.
Verder is de Kerk van Christus “verheven boven de heuvels “,
dat wil zeggen,
boven alle aardse of menselijke dimensies verheven.
De grote filosofieën en kunst en al de wereldse culturen, zijn allemaal slechts  aardse hoogten, alleen uitlopers [het gevolg van] onder de verre bergen van de Kerk van Christus, want,  zo gaat deze Heilige Nikolai verder:
de Kerk zou er geen moeite mee hebben om deze ‘aardse hoogten’ te creëren, terwijl er niet één bestaat. . . . die in staat zou zijn om de Kerk te creëren”.
Indien we eenmaal dóór hebben/begrijpen, dat Isaiah in deze passage profetisch
over de Kerk spreekt, wordt het duidelijk dat hij ons uitnodigt
naar de berg des Heren te gaan, naar het huis van de God van JaäcobIsaiah 2: 3..
Zoals de Heilige Athanasios opmerkt is dìt nu juist de stem/het geluid/ de erfenis  van de Heiligen, de heilige vaders en moeders van de Kerk.
De heiligen hebben de waarachtigheid ontdekt van de rijkdom van God’s Waarheid, want de Heer openbaarde hen “de weg waarin [zij] dienen te wandelen”, zoals de profeet David reeds sprak:
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water:
verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders word ik gelijk aan wie afdalen in het graf, doe mij in de ochtend Uw Barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan,
want tot U heb ik mijn ziel verheven

Psalm 142[143]: 9-11 vert. ROK. ’s-Gravenhage.
De heilige Athanasios gaat echter verder met uitleggen dat
de weg die door deze heilige mannen en vrouwen wordt onthuld, niet is
Voor de onzuivere. . . noch is het opklimmen [op de maatschappelijke ladder]
naar zondaars toe; maar het is voor de deugdzame en toegewijde mensen, en
voor degenen die liefde volgens het doel van de heiligen nastreven

uitIsaiah through the ages’, blz. 29.
Deze goddelijke taak is alleen mogelijk omdat onze mensheid door de vleesgeworden Heer Zelf naar de Hemelse plaatsen is geleid.

het Mysterie van de Doop

Alleen door de verbintenis [het Verbond van het Mysterie van de Doop] met Christus Jezus, onze Heer, Die zowel God is als de mens, kan de goddelijkheid onze menselijkheid binnendringen.
Onze Weldoener zal de schepping reinigen en herstellen tot “de oorspronkelijke ongerepte schoonheid” welke er voor Adam & Eva was.
Het zuiverende Mysterie dat bij de doop begint, is nu in ons volbracht door de Heilige Geest.

Wat bedoelt de profeet als hij verkondigt dat
de wet van de Heer zal uitgaan van Sion, en het Woord des Heren uit JeruzalemIsaiah 2: 3 ? Volgens Theodoret van Cyrrhus “roept” Isaiah “niet God” het Woord aan, maar de leer van het het Goddelijke Woord. Voor God kwam het Woord niet ‘uit’ Sion, maar het wàs ‘in’ Sion; Hij onderwees de waarheid “ uit Isaiah door de tijdperken, blz. 30.
Het punt is dat de Heer onderwees in Zion, in de Tempel van Jeruzalem, toen hij riep:
En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende Indien iemand dorst heeft, hij dient tot Mij te komen en te drinken !
– ‘Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’ -.
Dit zei Hij van de Geest, welke zij, die tot Geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt wasJohn 7: 37-39, met de nadruk op vers 38.
Verder gaat “het Woord des Heren” uit “vanuit Sion“, d.w.z. vanuit de Kerk.
Veel vernam Onze Heer, Jezus Christus in de Tempel, maar Hij ontving Zijn woorden alleen in termen van de oude Wet, die in gebreke bleef om Hem als ‘het Leven Zelf’ te zien.
Tegenwoordig biedt Hij alle mensen ‘het eeuwige Leven’ door de Kerk.

O Christus, onze God,
Hoezeer gaan Uw Genadegaven elk begrip te boven!
Hoe ontzagwekkend is dit Mysterie!
De Meester van het heelal steeg op van de aarde naar de Hemelen en
Hij zond over Zijn Volgelingen de Heilige Geest, Die hun verstand verlichtte en
hen door Zijn Genade vlammend tot volmaaktheid bracht
”.
conf. Prijslied Hemelvaart

6e Zondag na Pascha – Zondag van de Blindgeborene, die dienaar wordt die z’n weg de berg opwaarts kiest

      En voorbijgaande zag onze Heer en Verlosser een mens, die sedert zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: ‘ Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?’. Jezus antwoordde: ‘ Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden.
Wij moeten werken de werken doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld’.
        Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen en zeide tot hem:
        ‘Ga heen, was u in het badwater Siloam’, hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden worden.
Hij dan ging heen, waste zich en kwam ziende terug.
De buren dan en zij, die hem vroeger als bedelaar gekend hadden, zeiden: ‘Is hij dat niet, die zat te bedelen?’.

Genezing, inclusief hun gaven, mogelijkheden en beperkingen. Daarom zul je in de omgang en communicatie met hen op zoek moeten gaan naar passende vormen!

Sommigen zeiden: ‘Hij is het; anderen zeiden: Neen, maar hij gelijkt op hem’.
Hij zei [zelf]: ‘Ik ben het’.
Zij dan zeiden tot hem: ‘Hoe zijn dan uw ogen geopend?’.
Hij antwoordde: ‘De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zei tot mij: ‘Ga heen naar Siloam
[Hebr.= uitgezonden worden] en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende’.
En zij zeiden tot hem: ‘Waar is Hij? Hij zeide: Ik weet het niet’.
Zij brachten hem, die vroeger blind geweest was, naar de Farizeeën.
Nu was het Sabbath op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.
Opnieuw vroegen hem ook de Farizeeën, hoe hij ziende was geworden.
En hij zei tot hen: ‘Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij, en nu kan ik zien’.
Sommige dan van de Farizeeën zeiden: Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de Sabbath niet.
Anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen. Zij dan zeiden nog eens tot de blinde. Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei: Hij is een profeet.
De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind geweest en ziende geworden was, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem, die ziende was geworden en zij vroegen hun en zeiden:
‘Is dit uw zoon, van wie gij zegt, dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?’.
Zijn ouders antwoordden en zeiden: ‘Wij weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet; vraagt het hemzelf, hij heeft zijn leeftijd, hij zal voor zichzelf spreken’.   Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden waren reeds overeengekomen, dat, indien iemand mocht belijden, dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen.
Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf.
Zij riepen dan ten tweeden male de man, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef aan God de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is.
Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan.
Zij dan zeiden tot hem: Wat heeft Hij aan u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?
Hij antwoordde hun: ‘Ik heb het u al gezegd, en gij hebt er niet naar gehoord; waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden?’.
En zij scholden hem uit en zeiden: ‘Gij zijt een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes; wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet, vanwaar Hij komt’. De man antwoordde en zei tot hen:
‘ Hierin is toch iets wonderlijks, dat gij niet weet, vanwaar Hij komt, maar mijn ogen heeft Hij geopend. Wij weten, dat God naar zondaars niet hoort, maar is iemand godvruchtig, en doet hij zijn wil, die verhoort Hij. Van eeuwigheid is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen’.
Zij antwoordden en zeiden tot hem: ‘Gij zijt geheel in zonden geboren en wilt gij ons leren?’. En zij wierpen hem uit.
Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en Hij zei, toen Hij hem aantrof: ‘Gelooft gij in de Zoon des mensen?’.
Hij antwoordde en zei: ‘En wie is Hij, Heer, dat ik in Hem moge geloven?’.
Jezus zei tot hem: ‘Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met u spreekt, die is het’.
Hij zei: ‘Ik geloof, Heer en hij wierp zich voor Hem neer’
“ John.9: 1-38.

 

Waakzaam! als een kotashinouk, want de satan gaat rond als een brullende leeuw; Watchful! like a kotashinouk, because Satan goes around like a roaring lion

      En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam, welke aan haar eigenaars met waarzeggen veel voordeel aanbracht. Deze liep Paulus en ons achterna, luid roepende:
      Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen’.
En dit deed zij vele dagen lang. Maar toen dit Paulus verdroot, wendde hij zich tot de geest en zei: ‘Ik gelast u in de Naam van Jezus Christus van haar uit te gaan’. En hij ging uit op datzelfde uur.
Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: ‘  Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen’.
Ook de menigte schoolde tegen hen samen en de hoofdlieden scheurden hun de kleren van het lijf en lieten hen met de roede geselen; en na hun vele slagen gegeven te hebben, wierpen zij hen in de gevangenis met bevel aan de bewaarder hen zorgvuldig te bewaken.
Daar deze zulk een bevel ontvangen had, zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.
Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los. En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren.
Maar Paulus riep met luider stem: ‘Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!’.
En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neer. En hij leidde hen naar buiten en zei: “ Heren, wat moet ik doen om behouden te worden?’.
En zij zeiden: ‘Stel uw vertrouwen op de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’.
En zij spraken het Woord van God tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mee om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was
“ Hand.16: 16-34.

    Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op hem gelegd: Hij zal de volkeren het Recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen.
Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het Recht openbaren.
Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het Recht zal hebben gebracht; en op Zijn Wetsonderricht zullen de kustlanden wachten.
Zo zegt God, de Heer, Die de Hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen:
       Ik, de Heer, heb u geroepen in Gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een Verbond voor [al] het Volk, tot een licht der natiën: Om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.
Ik ben de Heer, dat is Mijn Naam, en Mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch Mijn lof aan de gesneden beelden. Het vroegere, zie, het is gekomen, en nieuwe dingen kondig Ik u aan; voordat zij uitspruiten, doe Ik ze u horen.
Zingt de Heer een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart en haar volheid; gij kustlanden en hun bewoners.
Laten de woestijn en haar steden de stem verheffen, de dorpen waar Kedar [Hebr.=‘duister’] woont; laten de rotsbewoners jubelen, laten zij van de top der bergen juichen.
Laten zij de Heer eer geven en Zijn lof in de kustlanden vermelden.
De Heer trekt uit als een held; als een krijgsman doet Hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen Zijn vijanden.
Ik heb van oudsher gezwegen, Ik heb gezwegen en Mij ingehouden; nu zal Ik schreeuwen als een barende vrouw; Ik zal snuiven en hijgen tegelijk. Ik zal bergen en heuvels verschroeien en al hun gewas zal Ik doen verdorren; Ik zal rivieren tot land maken en plassen zal Ik doen opdrogen.
En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte.
Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten
Isaiah 42: 1-16.

Bewaar, mijn kind, het Gebod van uw vader en verwerp
de Onderwijzing van uw moeder niet. 
Bind ze bestendig op uw hart, hang ze om uw hals. Als u op weg zijt, moge het u leiden; als u uzelf neerlegt, zal het over u mogen waken, als u wakker wordt, zal het u het toestaan u toe te spreken.
Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht, de vermaningen van de tucht zijn een weg ten leven, om u te bewaren voor de slechte vrouw, voor de gladde tong der onbekende.
Begeer haar schoonheid niet in uw hart, laat zij u niet vangen met haar wimpers.
Want ter wille van een ontuchtige [vervalt] [men] tot een schamel stuk brood, en eens anders vrouw maakt jacht op een kostbaar levenSpreuken 6; 20-26.

  Welke cruciale boodschap of wezenlijke gedachtengang dient onze aan het hart liggende gemeenschap op dit moment op te pakken?“.
Van ons, navolgers van Christus, wordt steeds maar weer opnieuw in al de teksten van afgelopen tijd verwacht dat wij ons losmaken van de wereld, die ons omringt en tracht te verslinden.
Er wordt ieder dag maar weer opnieuw verwacht dat wij de draad van het Verbond met God weer serieus voor ogen stellen, met vallen en opstaan wijs geworden – in verbinding te blijven staan voor waar we eigenlijk geen oog voor hebben, want al het andere, het verhevene is veel en veel aantrekkelijker.
       Als God’s Volk, als navolgers van Christus dienen we ons aan de ene kant van alles en iedereen los te maken en anderzijds in verbinding te blijven met God, opdat wij de ander als onze naasten blijven onderkennen en met hem/haar te doen zoals wijzelf gewend zijn het goede te doen.
      Dat is van toepassing op het gehele Lichaam van Christus, Zijn Kerk;
      Dat gold voor ieder van Zijn Apostelen, die gedurende drie jaar met Hem optrokken,
      Dat geldt nog steeds voor iedere navolger van Christus, welke positie deze ook in het Lichaam van Christus, de Kerk inneemt, de gezalfden en het gewone voetvolk.
         Wordt de plank in deze misgeslagen, dan ondervindt ieder individueel ledemaat pijn onder de verwonding van die misstap.
Wanneer vervolgens een nog levende voormalig westerse kerkleider stelt dat misstappen van zijn spelleiders slechts veroorzaakt zijn door de tijdgeest van de zestiger jaren van de vorige eeuw, dan verkondigt deze slechts de helft van de Waarheid en tracht deze lange tijd onrechtmatige voorvallen te verbloemen.
We weten allemaal dat de zware lasten, die het christenvolk jarenlang van bovenaf werd opgelegd, met het 2e Vaticaans concilie tot een totale ontreddering heeft geleid.
          De mens, het voetvolk, werd voorheen – ‘dom’ – gehouden en diende slechts te doen wat vanuit Rome werd bepaald en trachtte met de boosdoeners met elan het vaandel hoog te houden.    

  Uw hart dient niet ontroerd te worden; u gelooft in God, gelooft ook in Christus.
In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Christus het u gezegd hebben – want Hij is heen gegaan om voor u alleen een plaats te bereiden; en wanneer Christus heen zal zijn gegaan en u plaats zal hebben bereid, dan komt Hij weerom [= terug] en zal ons tot Zich nemen, opdat ook wij mogen zijn, waar Hij isconf. John.14: 1-3.

We hebben het reeds eerder aangestipt.
Toen Christus sprak van Zijn heengaan, van Zijn vertrek van de aarde naar de Hemelen, was grote ontroering de vrucht ervan in het hart van Zijn discipelen ontstaan.
Dàt konden ze toch ècht niet verwerken,
dàt hadden zij niet voorzien,
dàt het zó diende te gaan verlopen.
        Een blijvende Christus, dáár hadden de Apostelen veel mee op, maar
een weggaande en hen eenzaam achter laten, dàt kon toch niet? Ze konden immers toch niet leven ‘zonder‘ Hem?
Wanneer er problemen waren, onderling of met andere mensen,
dàn loste de Heer en Verlosser die moeilijkheden altijd op.
En dàn waren ze allemaal weer stil en konden zij er het zwijgen toe doen.
        Je heb in onze tijd eveneens zwijgers, die zich op gezag van vooraanstaanden
alles maar laten aanleunen, die hun verantwoordelijkheden op de schouders van
anderen overlaten er op blijven leunen en daarmee het gevecht met de eigen verantwoording ontlopen.
        Maar dàt is de bedoeling van onze Heer en Verlosser toch niet geweest?
– om God’s water maar over God’s land te laten lopen?
Immers: zolang het dag [het licht] is, we ons begeleid weten, dienen wij de werken te doen van Degene, Die Christus gezonden heeft, de Wil van de Vader dient te geschieden. En in tijden van eenzaamheid en verlatenheid pakken we de aloude god van de wereld maar weer op en doen we al wat God verboden heeft.
Indien je de roep van Christus werkelijk hebt gehoord en begrepen
dàn gaat het om méér dan leunen op streke schouders:
1.]. “….. Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
2.]. “….. Neemt mijn juk [Kruis] op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van harten vervolgens
3.]. “…..Zult u rust vinden voor uw zielen; want het juk [Kruis] van Christus is zacht en Zijn last is lichtconf. Matth.11: 28-30.
            Ook bij God gaat de zon niet voor niets op en wordt er verwacht dat u uw deel van de pijpkaneel oppakt en uw talenten zult dienen in te zetten om
de voortgang van de mensheid via de Kerk mogelijk te maken;
anders gaan we met z’n allen ten onder.
            En even later laat Christus weten dat dat geen opoffering dient te zijn maar dat het uit naasten-liefde dient te geschieden, uit Barmhartigheid.
Dat betekent tevens dat je jezelf er niet met een ‘Jantje van Leiden’ van dient af te maken – en daarmee de inzet maar aan anderen dient over te laten:
Indien jullie geweten hadden wàt het wil zeggen:
Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dàn zouden jullie geen onschuldigen/die er altijd voor opdraaien, ertoe hebben veroordeeld. Want de Zoon des mensen is Heer en Meester over [uw vrije tijd] de Sabbath’” conf. Matth.12: 7,8.
    Méér dàn de Tempel [van uw hart] is hier” conf. Matth.12: 6;
dat wil zeggen dat u naar eer en geweten uw aandeel dient te leveren, al
naar datgene wat in uw vermogen ligt.
Het Koninkrijk der hemelen breekt zich baan met geweld…..

Know nothing except Christ

We gaan het pas binnen, als we ons met Christus hebben bekleed en
ons égo-’tje kruisigen:
– “   Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dàt is], niet meer mijn ‘ik’, maar ‘Christus’ leeft in mij.
En voor zover ik nu
[nog] in het vlees leef leef ik door het Geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en
Zich voor mij heeft overgegeven
Gal.2: 20 en
– “   Maar doet de Heer Jezus Christus aan en
wijdt geen zorg aan het vlees, zodat
[wereldse] begeerten worden opgewektRom.13: 14.
En dan nòg, als iedereen het laat af-weten geldt:
Aanvaardt de zwakke in het Geloof, maar
niet om overwegingen te beoordelen
Rom.14: 1.
        De Énige, Die oordeelt is
onze Heer Jezus Christus, wanneer deze zegt:
“. . . . . Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Laten uw lendenen omgord zijn en houdt uw lampen
[zoals de tien wijze maagden] brandende.
En u, weest gelijk aan mensen, die op hun Heer wachten,
wanneer Hij van de bruiloft weerkeert, om Hem, als
Hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen.
Zalig die slaven, die de Heer bij Zijn [weer]komen wakende zal aantreffen.
Voorwaar, Ik zeg u, Hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en
bij hen komen om hen te bedienen
Luc.12: 34-37.

Wij zijn immers geroepen om te leven met ons hart gericht op het Koninkrijk van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.
– Dat Koninkrijk is absoluut geen vèr, niet te bereiken land, dat we eens hopen te bereiken.
– Dat Koninkrijk is ook niet in de 1e plaats het leven ná de dood, nòch
een ideale [door een christelijk politieke partij] uitgekiende samenleving.
– Neen, het Koninkrijk der Hemelen is in het -hier en nu- op de 1e plaats
de actieve aanwezigheid van God’s Geest in ons, en in onze omgeving,
‘ Die ons de Vrijheid biedt waar we wèrkelijk naar verlangen’.
Dit betekent dan automatisch dat we het leven van de Geest in onszelf en
het leven tussen de mensen onderling tot het centrum maken van
alles wat we denken, zeggen en doen.
Want het Koninkrijk God’s bestaat niet in eten en drinken, maar
in Rechtvaardigheid, Vrede en Blijdschap, door de Heilige Geest.
Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is
welgevallig bij God en in achting bij de mensen om je heen.
Laten wij dan aldus najagen hetgeen
de Vrede en de onderlinge Opbouwing
bevordert
” Rom.14: 17-19.

Het Koninkrijk der Hemelen, het -hier en nu-
Wanneer je een kerkgemeenschap gaat opzetten dan begin je daartoe
een fundament te leggen hetgeen voor langere tijd zorg draagt, dat
het een en ander door verzak[k]ing van de menselijke inzet tot een teleurstelling leidt. 
Zelfs na verloop van tijd dien je hier aandacht aan te besteden, zul je jezelf blijvend te dienen af te vragen:
Hoe ga ik die mensen, die ik als bestuur om mij heen heb verzameld,
dusdanig motiveren dat ik hier een blijvende gemeenschap bewaar?
Hoe gaan wij dat als bestuur aan pakken?
” Hoe gaan wij onze gemeenschap tot een Hemels Koninkrijk omvormen – waar iedreen zich thuis voelt.

Een Kerkgemeenschap opzetten in Nederland vanuit een andere cultuur
maakt op dit moment een stormachtige groei door.
            Door elkaar te ontmoeten leren kerkgemeenschappen van elkaar,
            zij delen hun hemelse goederen met elkaar en
            scherpen zich aan elkaar, dat wil zeggen
de Nederlandse cultuur verwacht van de immigrant
aanpassing aan de hier in ons land [‘de lage landen‘] gebruikelijke omgangsvormen.
            Dat houdt in de eerste plaats in dat je elkaar verstaat, elkaar begrijpt,
elkaars taal verstaan betekent, dat je weet wat er in de ander omgaat en
waarom de ander reageert, zoals deze reageert.
            Het beste komt dit tot uitdrukking in de omgang met elkaar en
die begint veelal door het gebruik van een andermans ruimte.
Biedt de ander jou ruimte aan, dan doet deze dit vanuit
een Christelijke basishouding en verwacht daar
eenzelfde Christelijke basishouding voor terug.
En dàt brengt ons op bovenstaande lezingen van Isaiah en Spreuken,

Hoe gedraag ik mijzelf in een Joods-Christelijke cultuur – en
dàt houdt in dàt ‘jij je gedraagt, zoals jijzelf behandeld wilt worden’:
niet als onderhorige, als slaaf, maar als een mede-broeder of zuster, die
na verloop van tijd en optrekken/schuren aan elkaar zijn zelfstandigheid verkrijgt.
       Ik, [God,] de Heer, heb u geroepen in Gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een Verbond voor [al] het Volk, tot een licht van de natiën:
‘ Om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis
[van] wie in duisternis gezeten zijn’”.

De Blindgeborene
De Evangelielezing van de blindgeborene geeft een wijze aan waarop onze Heer en Verlosser mensen benadert, die van geen verandering willen weten, die blind zijn en als gevangene in de duisternis gezeten zijn.
Onze Heer en Verlosser begint niet met modder/slijk te smijten, confronteert
ons niet verbaal met datgene wat nu weer verkeerd blijkt te zijn gelopen.
One Heer en Verlosser is niet hier, Hij is Verrezen/Opgestaan
– is een Goddelijke verschijning geworden, die transparant als Hij is zegt:
“Vrede zij u allen”.

overgave aan de ‘Wil van de Vader‘.

En vervolgens neemt hij modder/slijk en als Goddelijk Wezen begint Hij te herscheppen. Christus bestrijkt onze ogen met het slijk der aarde, Hij houdt ons de werkelijkheid voor.
Hij  houdt ons een spiegel voor en opnieuw laat Hij ons zien dat wanneer wij ‘als mensen’ doen, wij onze energie verspillen, want wij doen daarmee God’s Wil niet. Wij zijn dan niet als Zijn  Beeld, zoals Zijn Gelijkenis.
God’s Wil is, jezelf niet te verheffen, maar zonder ophouden dienstbaar te zijn aan de gemeenschap. Dat houdt in regelmatig overleg te plegen zodat transparantie ontstaat, inzicht in wat je aan het doen bent en mensen te inspireren [in vuur en vlam te zetten] door God’s werken te doen.
Een mens kan niet in eenzaamheid functioneren, een mens dient onophoudelijk samen te werken, zodat door gezamenlijk optreden een toekomst voor onze kinderen wordt opgebouwd.

Cultuurverandering – “mission impossible

Heilige, ‘dwaas om Christus Wil‘; Saint ‘fool for Christ

De weg naar de bron des Levens heeft een altijd een nauwe toegang, is net als de opening van een alledaagse waterput een gespannen situatie, maar beneden is ze ruim en geeft de toegankelijke mens al de ruimte om zich te laven aan het Leven.
            Een cultuur is nooit neutraal, een cultuur draagt een kern; een wijziging van cultuur impliceert een ‘andere‘ cultuur.
            Je kunt niet een beetje christen zijn, evenmin als wanneer je een beetje modern of een beetje ‘primitief’ [juist dit woord dat tegenwoordig vervangen wordt door het even bevooroordeelde ‘niet-westers’ geeft de exclusiviteit claims als oriëntatie voor hedendaagse mensen in onzelage landen aan].
            Je kunt zoals de profeet Elia tegen Israël [de Kerk] zegt, niet hinken op twee gedachten, een beetje Baäl als god en een beetje Heer en Meester.
    Dan blijken ook wij valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden.
Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw Geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren
1Cor.15: 15-18.
Je kunt eenvoudig niet twee oriëntatiepunten in je leven hebben, zonder de echtheid/waarachtigheid te verliezen, net zomin als een cirkel twee middelpunten kan hebben. 

Navolging van Christus
Opvoeden, ook het [(her-)op]voeden van volwassenen vindt niet plaats 
door uitsluitend bij wijze van verboden en onthoudingen te communiceren.
Zoals veelal binnen een leger soldaten klinkt:
Dìt mag niet, dàt is verboden en alleen toegankelijk voor ingewijden”; “ Jij behoort maandelijks je [financiële] bijdrage aan de gemeenschap te leveren”.
            Een groot deel van zulke wereldse communicatie is dusdanig gekleurd dat
het bij wijze van spreken -bij nader inzien- negatief wordt opgepakt.
            Leiding geven en correctie streven echter een ‘positief’ doel na, de ander te bewegen de Joods- Christelijke cultuur van samenleven bij te brengen, hetgeen gebaseerd is op de Blijde Boodschap.
           Als vanzelfsprekend wordt vervolgens in de lijn der verwachtingen
uitvoering gegeven aan de invulling van het dagelijks christelijk functioneren

 

Cross point in gold, ‘knoop het in je oren‘; ‘tie it in your ears‘.

        Daarom is zelfkennis, onderzoek het effect van beslissingen in het verleden en positieve bemoediging van benadering in deze binnen een [beginnende] gemeenschap belangrijk en noodzakelijk.
Het is een vrome plicht van de rijken om de behoeftigen te ondersteunen; dat geldt niet alleen voor de financiële behoeften, welke een gemeenschappelijk optreden nu eenmaal met zich mee-brengt, maar voornamelijk de geestelijke rijkdom welke met de mede-broeders en zusters transparant gedeeld dient te worden.

‘Spelleider, Herder, onder de vleugelen van de Allerhoogste’, moderne icoon in stiltehoek van de oecumenische geloofsgemeenschap ‘Brandpunt’, Amersfoort Nederland; ‘Game leader, Herder, under the wings of the Supreme’, modern icon in the quiet corner of the ecumenical faith community ‘Brandpunt’, Amersfoort The Netherlands

          Reeds in het vroeg-christelijk geschrift ‘de Herder van Hermas’,  wordt bovenstaande benadrukt. De Apostel Hermas is een van de 70 apostelen, die vandaag de 31e mei wordt herdacht. Deze kwestie is alleen begrijpelijk indien de initiatiefnemers van de gemeenschap
– de spelleider in samenspraak met het bestuur
– inzicht hebben en hier ook
– ‘in hoge mate’
– ‘waarde
’ aan hechten.
Wij zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de voortgang in de navolging van Christus en dat dient in Woord en daad gerealiseerd te worden; wij zijn dat eenvoudig verplicht ten opzichte van onze gezamenlijke Goddelijke roeping.  

        Een positieve verandering’s methodiek, begint bij de planmatige aanpak door middel van een diagnose. Het gaat er daarbij om ‘helder’ te krijgen wàt er aan de hand is en wàt dat betekent.
Bij een veranderkundige diagnose van een organisatie gaat het om vragen als:
Wat is er precies aan de hand?
Hoe kom ik daar achter?
Hoe geef ik betekenis aan wat ik zie en gezamenlijk heb vastgesteld?

        In het traject tussen cultuur-verander-idee en
– de uiteindelijk-uitkomst zijn in grote lijnen
– vier fasen of stappen te onderscheiden:
1.]. het diagnosticeren
2.]. het vinden van een verander-strategie
3.]. het opstellen van een interventie-plan
4.]. het uitvoeren van het interventie-plan.
            Naast het be-ïnvloeding’s-spel van actoren zijn inhoudelijke activiteiten
onderdeel van de weg tussen idee en uitkomst.
Die inhoudelijke activiteiten vormen geen homogene ononderbroken stroom.

> tijdsindeling
Er zijn altijd verschillende onderdelen achteraf te onderscheiden, maar
het ‘vóóràf’ onderscheiden van verschillende fasen is het meest belangrijk,
het biedt perspectief op ‘Vrede’.
Het komt de slaagkans van veranderingen ten goede.
Het nut van indeling in fasen is dat, door veranderingstrajecten te faseren, deze overzichtelijker worden. Het wordt daardoor gemakkelijker de aandacht inhoudelijk op verschillende aspecten van het traject te focussen.
Fasering dwingt bovendien tot reflectie, oftewel eerst denken en dàn doen.
Veranderen is geen kunstje, maar vaardigheid – kennis van hoe te besturen.

> Zichtbare stappen
De indeling in fasen maakt gebruik van het proces voor ‘zichtbare’ stappen binnen grote trajecten: bijvoorbeeld een jaar-proces van gezamenlijk gebruik.
Het bestuur pleegt zerk in de aanvang continu overleg met elkaar en heeft meerdere malen overleg met elkaar. Men doet vervolgens bijvoorbeeld een driemaandse diagnose van de gebruik’s-partners en stelt samen met deze partners een strategie en interventieplan op.
               Om vervolgens een aantal grotere implementatiestappen te nemen gedurende het komende jaar:
– bijvoorbeeld eerst opzetten van een overlegstructuur [= bestuur],
– dan het gezamenlijk vormen van beleid [= bestuur] en
– vervolgens het een en ander overbrengen naar de gemeenschap [=parochievergadering],
⁌ de daadwerkelijke uitvoering van financiering [wie draagt wat bij en hoe wordt dat inzichtelijk], wat doe je als iemand nalatig blijkt te zijn aan de aangegane verplichtingen.
⁌ bijhouden [=behoud] van de diensten [opbouw, afbraak en schoonhouden van de Kerk].
⁌ Wie doet buiten de diensten wàt en wie is veràntwóórdelijk voor:
          onderwijs [zowel kerkelijk als kennisvergaring op ander gebied] en
uitvoering van verplichtingen, die zich op allerlei gebied voordoen?
⁌ Hoe vindt tussentijdse evaluatie en bijsturing plaats.
⁌ Bovenstaande indeling is evenzeer te benutten voor ‘onzichtbare’ handelingen van de zijde van de spelleider/de priester in het eerste gesprek met een initiatiefnemer. Want binnen zo’n gesprek kan deze pionier/spelleider al diagnostisch bezig zijn en op basis daarvan strategisch kiezen voor bepaalde interventies binnen datzelfde gesprek.
In die zin is er sprake van een ‘Droste effect’: het Cacao-doosje met een verpleegster op een blikken doosje met in haar hand nieuwe adviezen.

”     Ik hef mijn ogen tot U, Die in de Hemelen woont. Zie, zoals de ogen van dienaars, op de handen van hun meesters.
Zoals de ogen van de dienaressen, op de handen van haar meesteres.
Zo zien onze ogen naar de Heer onze God, totdat Hij zich over ons ontfermt.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons: wij zijn overladen met verachting, onze ziel is er geheel en al van vervuld.
Wij zijn de hoon van de rijkaards, de verachting van de hoogmoedigen“.
✥✥✥
”     Als de Heer niet met ons geweest was; Israël [Kerk] ontken het niet !
Als de Heer niet met ons geweest was, toen de mensen tegen ons opstonden.
Dàn hadden zij ons zeker verslonden, toen hun razernij tegen ons woedde.
Dàn zou het water ons stellig hebben verzwolgen, want onze ziel is door een stroom gegaan. Onze ziel is immers getrokken door bodemloze wateren.
Gezegend zij de Heer, Die ons niet heeft overgeleverd als een prooi voor
hun tanden.
Onze ziel is als een vogel ontsnapt uit het net van de vogelaar.
Het net werd verscheurd, en wij zijn bevrijd.
Onze hulp is in de naam van de Heer: de Maker van Hemel en aarde“.
Psalm 122,123[123,124] vert ROK.’s-Gravenhage

Canon van de Blindgeborene – Joseph van Thessaloniki
1e Irmos. tn.5.    Een land dat nooit de zon had aanschouwd, noch door haar stralen was verlicht, wordt nu  betreden in het diepste van de zee,
en Israël [de Kerk] schrijdt daar droogvoets doorheen, terwijl Gij het leidt naar Uw Heilige Berg; en zingt het voor U een overwinning’s-lied”
.

          Eer aan U, onze God, eer aan U’.

  Vrijwillig het U de dood aan het Kruis op U genomen, en daardoor hebt U zegen en leven doen ontspringen voor de wereld,
boven alles gezegende Heer, Schepper van het heelal.
Daarom roemen wij U, en bezingen en verheerlijken U met het overwinning’s-lied
”.

          Eer aan U,onze God, eer aan U’.

  Toen U een dode was, heeft de edele Joseph U neergelegd, diep onder de aarde; en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.
Maar U bent opgestaan in Heerlijkheid, en U hebt de wereld mede-opgewekt.
Daarom zingt en jubelt deze voor U het overwinning’s-lied”

          Eer aan U,onze God, eer aan U’.

Engel aan het graf, atelier John Damascene

Waarom breiden jullie de Myron onder tranen? zo sprak de Engel, die hun verschenen was, tot de vererenswaardige vrouwen; Christus is opgestaan! spoed u om het te verhalen aan de ‘God’-schouwende Leerlingen, die nog rouwen en wennen, opdat ook jullie mogen opspringen en dansen van Vreugde”.

          Eer aan U,onze God, eer aan U’.

  Bij al Zijn ongelooflijke Mysteriën [Wonderen] heeft de Verlosser zelfs de mens genezen, die blind was vanaf zijn geboorte, door met speeksel slijk [modder] te maken en te zeggen:
‘Ga u wassen in Siloam [= uitgezonden worden], opdat u Mij mag aanschouwen’, God Die wandelt op aarde, nadat Ik Mij met vlees heb bekleed, door de innerlijke diepte van Mijn Barmhartigheid

          ‘Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest’.

  Laat ons de Drie-persoonlijke Wezenheid aanbidden, gelovigen;
Laat ons ver-Heerlijken de Vader en de Zoon en de Goede Geest: Maker, Heer en Verlosser van alles wat bestaat; de Éne ongeschapen God.
En laat ons roepen met de Onlichamelijken: Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij, onze Koning”.

          ‘Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN’.

  De Heer heeft gewoond in uw schoot, die nooit een man gekend heeft, omdat Hij vanuit Zijn innige Barmhartigheid de mensheid wilde verlossen, die door listen van de vijand ten prooi gevallen was aan het bederf.

Theotokos, – Zij, Die naar haar Zoon wijst

Smeek daarom tot Hem dat Hij deze stad [onze gemeenschap] wil redden van alle aanslagen en hinderlagen van de vijand”.

Kathismazang  tn.8.    De Meester, Die het heelal geschapen heeft, vond langs de weg van de blindgeborene, die wenend tot Hem riep:
nog nooit van mijn leven heb ik de zon kunnen zien, noch hoe de maan haar licht verspreidt; en daarom roep ik tot U:
‘U Die uit de Maagd geboren zijt, om het heelal tot Licht te zijn,  verlicht ook mij, in Uw Barmhartigheid, opdat ik U mag aanbidden en tot U roepen:
Meester, Christus mijn God, schenk mij vergeving voor mijn zonden, vanuit de volheid van Uw Barmhartigheid, want alleen U bent de Vriend van de mensen’
”.

Apolytikion    
tn.5.
    Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.

Transfiguratie μεταμόρφωση

Kondakion
tn.4.
    Ik ben blind aan de ogen van mijn ziel, maar ik kom tot U, Christus, zoals de Blindgeborene, en vol berouw roep ik tot U:
Gij zijt het helder stralend Licht
voor allen die in duisternis zijn
”.

Kondakion
tn.5.
    Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Al Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd,
en Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.

Theotokion
tn.5.
    Gij zijt in waarheid de cherubijnentroon,
want in U heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit U voortgekomen.
Om ons heeft Hij het kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag voor ons om vergeving van zonden
”.

En ik zal aan Mijn Verbond met Jaäcob en ook Mijn Verbond met Isaäc herinneren en ook aan Mijn Verbond met Abraham zal ik het [Verbond] herinneren, en het Land zal ik herinneren . . . . . Maar ondanks dit alles, wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik hen niet haten noch verachten ze om hen te vernietigen, om Mijn Verbond met hen te schrappen, want
‘Ik ben de Heer hun God’Lev.26: 42-44.
”     Onze God is Heilig, Hij is Sterk en onsterfelijk en heeft de mensen lief.
Hij stelt iedere mens op aarde in staat naar Hem terug te keren, het juk [Kruis] van het Hemels koningschap te aanvaarden en de wereld in
het Koningschap van het Goddelijke te vervolmaken,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.

5e Woensdag na Pascha – mag mijn klaaglied opstijgen als wierook voor Uw Aangezicht

Iconen onlosmakelijk onderdeel van Christus’ Pedagogie; Icons are an integral part of Christ’s Pedagogy

    Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zei Hij tot Philippus [Hebr.= ‘liefhebber van paarden’ (een harde, sterke werker, die doorzet)]: ‘ Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten ?’.
Maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou.
Philippus antwoordde Hem:
  Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen’.
Een van zijn discipelen, Andreas [Hebr.= ‘mannelijk’], de broeder van Simon Hebr.=‘luisterend’] Petrus [Hebr. = ‘(standvastig) rotsblok’], zei tot Hem:
  Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?’.
Jezus zei: ‘ Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend.
Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.
En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan.
Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had.
Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: ‘ Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou’John.6: 5-14.

Χριστός- Κύριος και Δάσκαλος της ζωής μας; Christus, Heer en Meester van ons leven; Christ: Lord and Master of our lives

    Jullie noemen Mij Meester en Heer, en jullie zeggen dat terecht, want Ik ben hetIndien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen [= dienstbaar te zijn jegens elkander]; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie doet, zoals Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. 
Indien jullie dit weten, zalig zijn jullie, indien jullie het [ook] doen [in praktijk brengen]. 
Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.
       Thans reeds zeg Ik het u, eer het geschiedt, opdat jullie, wanneer het geschiedt, gelooft, dat Ik het ben.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie ontvangt, die Ik zend, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.
Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest en Hij getuigde en zei:
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij verraden.
De discipelen zagen elkander aan, in het onzekere, van wie Hij sprak.
Een van de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus; hem dan gaf Simon Petrus een wenk en zei tot hem: ‘Zeg, wie het is, van wie Hij spreekt’Hand.13: 13-24.

      Toen hoorden Sefatja [Hebr.=‘de Heer heeft recht gesproken’], de zoon van Mattan [Hebr.= ‘een gift’], Gedalja [Hebr.=‘de Heer is groot’], de zoon van Paschur
[Hebr.=‘vrijheid’]; Ju(ch)kal [Hebr.=’De Heer vermag’] , de zoon van Selemja [Hebr.=’door de Heer vergolden’], en Paschur, de zoon van Malkia [Hebr.=’mijn Koning is de Heer’],
de woorden, die Jeremia
[Hebr.= ‘door de Heer aangesteld’]tot het gehele Volk bleef spreken:
Zo zegt de Heer: Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie eruit gaat naar de Chaldeeen, zal leven en zijn ziel als buit hebben en in leven blijven.
   Zo zegt de Heer: Voorzeker zal deze stad in de macht van het leger van de koning van Babel gegeven worden en dat zal haar innemen.
       Toen zeiden de vorsten tot de koning:
Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de krijgslieden die in deze stad zijn overgebleven, en de gehele bevolking, door op zulk een wijze tot hen te spreken, want deze man zoekt niet het heil voor dit volk, maar het kwade.
Koning Sedekia [Hebr.=‘De Heer is rechtvaardig’] zei:
Zie hij is in uw hand, want de koning vermag niets tegen u.
Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia
[Hebr.=’mijn Koning is de Heer’], die in de gevangenhof was, en zij lieten hem aan touwen zakken; in de put nu was geen water, maar wel slijk; en Jeremia zonk in het slijk.
Ebed-melek [Hebr.=‘dienaar van de koning’] echter, de Ethiopier [Aithiops; zwart, van aitho (verbranden) en ops (het gezicht)], een hoveling, die in het paleis des konings was, hoorde, dat zij Jeremia in de put hadden neergelaten [de koning nu vertoefde in de Benjaminpoort (Benjamin = zoon van geluk)].
En Ebed-melek ging uit het paleis van de koning en sprak tot de koning:
       Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, dat zij hem in de put hebben geworpen; hij zou toch op de plaats zelf wel sterven van de honger, doordat er geen brood meer in de stad is.
       Toen gebood de koning Ebed-melek, de Ethiopier:
Neem van hier drie mannen mee en trek de profeet Jeremia uit de put, voordat hij sterft.
       Toen nam Ebed-melek de mannen mee en ging in het paleis des konings in de ruimte onder de voorraadkamer en nam vandaar lappen van afgedragen en gescheurde klederen, die hij aan touwen naar Jeremia in de put neerliet.
       En Ebed-melek, de Ethiopier, zeide tot Jeremia:
Leg nu de lappen van de afgedragen klederen en de lompen onder de oksels van uw armen, onder de touwen. En Jeremia deed dit.
       Toen trokken zij Jeremia aan de touwen op en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de gevangenhofJeremia 38: 1-13.

Het verval van de Kerk in ‘onze’ tijd

Onze Heer, Jezus Christus = onze God; Our Lord, Jesus Christ = our God; Ο Κύριός μας, ο Ιησούς Χριστός = ο Θεός μας

              Hoe is het goud donker geworden, het goede, fijne goud veranderd! De stenen van het Heiligdom liggen in het rond op de hoek[en] van alle straten!
De kostbare kinderen van Sion, [eens] gewaardeerd als zuiver goud, hoe worden zij [nu] beschouwd als aarden kruiken, het werk van pottenbakker’s-handen!
Zelfs jakhalzen reiken
[nog] hun jongen de borst,  om ze te laten zuigen; [maar] de dochter van mijn Volk is zo wreed geworden als struisvogels in de woestijn. De tong van de zuigeling kleeft aan haar gehemelte van dorst. Kleine kinderen vragen om [Hemels] Brood, niemand verstrekt [het] hun. Zij die [eens] lekkernijen aten, en kwijnen [nu verslaafd aan weet ik wat al niet] weg op de straten; zij die [eens] met karmozijnrode stof vertrouwd waren, omarmen [nu] het vuil.
Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk dan de zonde van Sodom, dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,
zonder toedoen van [mensen-]handen.
Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, blanker dan melk, roder van lichaam dan robijnen; hun gestalte was gladder dan een saffier. 
[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als hout.
Zij die vielen door het zwaard zijn beter af dan zij die vielen door de honger,
[want als] doorstoken kwijnen die weg omdat de velden niets opbrengen.
De handen van barmhartige vrouwen  hebben hun [eigen] kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden bij de ondergang van de dochter van Mijn Volk

Klaagliederen 4: 1-10.

    Heer, ik roep tot U; verhoor mij; verhoor mij, o Heer.
Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking.
Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer.
Laat mijn gebed opstijgen, evenals wierook voor Uw Aangezicht.
De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.
Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen.
Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen.
Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten.
Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen.
Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf.
Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet.
Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners.
Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg.
Met mijn stem heb ik tot de Heer geroepen; met mijn stem heb ik tot de Heer gebeden.
Ik stort mijn gebed uit voor Zijn aangezicht; voor Zijn aanschijn klaag ik mijn nood.
Mijn geest ging uit mij heen, maar Gij, Heer, kent mijn wegen.
Op de weg die ik gaan moest, hadden zij een valstrik voor mij verborgen.
Tevergeefs wendde ik mij naar rechts om een verdediger, maar er was niemand die mij wilde kennen. Vluchten was mij onmogelijk; er was niemand die zich om mijn leven bekommerde.
Toen heb ik tot U geroepen, heer; ik zei: Gij zijt mijn hoop, Gij zijt mijn deel in het land der levenden. Luister naar mijn gebed, want ik ben ten uiterste vernederd.
Bevrijd mij van mijn vervolgers, want zij hebben mij overmeesterd.
Voer mijn ziel uit de kerker, opdat ik Uw naam moge belijden.
De gerechten zien uit, tot Gij mij vergeldt
                                                                     ✥✥✥
    Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond.
Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste.
Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden van Uw handen; Ik strek mijn handen naar U uit.
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn
geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf.
Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid;
Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid.
Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar;
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land
Psalm140,141[141,142] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Jeremia, by Ernst Alt.

Jeremia, zonder brood in de Put:
    En zij wierpen Jeremia in de put van van prins Malkia [Hebr.= ‘mijn Heer is Koning’], de zoon van de koning, die in het voorhof van de gevangenis was.
Ze lieten Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’] in de put vallen waar geen water was, behalve modder; aldus was hij in de modder [in het slijk der aarde]“.
De belegering van Jeruzalem duurde van januari 588 tot aan juli van 587 vóór Christus, n de zomer van 588 voor een korte tijd onderbroken. Op dat moment werden de Babyloniërs gedwongen te onthechten om te handelen met een Egyptisch leger oprukkende tegen hen.
Tijdens die korte onderbreking in de gevechten werd Jeremia gearresteerd en vastgehouden.
De functionarissen van Juda die de voorkeur gaven aan
een pro-Egyptische politiek, hebben de overhand: ‘de stad moet standhouden’.
Ze beschouwen Jeremia niet als een Profeet; in plaats daarvan
demoraliseert hij de troepen van het leger terwijl
ze zich verzetten tegen de Babylonische aanval op de stad.
Ze roepen:
“Laat die man [Jeremia] ter dood worden gebracht, want door te spreken . . .
door zulke woorden te uiten worden de handen van de strijdende mannen verzwakt die in de stad zijn achtergelaten en ondermijnt dit tevens de inzet van alle mensen” Jeremia 38: 4.

De zwakzinnige koning Zedekia heeft weinig feitelijke macht, dus
geeft hij de functionarissen toestemming om met Jeremia te doen wat ze willen Jeremia 38: 5.
Tijdens de hete zomer is het water in de stortbak in het huis van de koningszoon uitgeput, dus laten ze Jeremia in deze waterloze put vallen om
te sterven temidden van de insecten die in de modder gedijen Jeremia 38: 6.

Let erop dat de Profeet gedurende deze opeenvolging van gebeurtenissen niets zegt, hij laat alles stilzwijgend over zich heenkomen.
Nèt als Christus die in handen van Pontius Pilatus was overgeleverd Luc. 23,
blijft Jeremia diep in de put zwijgen, het enige wat te horen is, is de zwerm insecten, die luid te keer gaan en zich tegoed doen aan zijn bloed.
Is de stem van de Heer Die Zich tegen de wereldse wijsheid verzet eveneens niet meer te horen? Kan het woord van God alleen verstikt worden door zijn Profeet
in een modderige stortbak te laten wegkwijnen?

gebed, “Heer, ontferm U”.

O God,  gedenk ons westerlingen in Uw Genade over zulke zelfverzekerde overheersende gedachten en daden!
We weten tot op het bot dat het Woord des Heren nooit uit wordt gevaagd,
gemuilkorfd of verborgen kan worden als
gevolg van een simpel fiat, een potloodstreep van een ambtenaar,
door het fiat van gewone stervelingen.
Laten we nooit de andere kant opkijken, zoals koning Zedekia doet Jeremia 38: 7
en zwijgzaam toekijken, terwijl anderen van plan zijn het Woord van God om zeep te helpen. Boze mensen mogen concluderen dat hun ideeën beter zijn dan
die van God, maar wee degenen die zich voorstellen dat ze de stem des Heren kunnen doen verstommen!

Heilige Andreas van Salos, ‘dwaas om Christus Wil’; Saint Andreas of Salos, ‘fool for Christ’

Een buitenlander – een vluchteling, zoals in onze tijd,
een slaaf in het huishouden van de koning,
een ontkracht iemand die geen macht heeft
– is [nog] de enige mens die tot in z’n hart geroerd is
door Jeremia’s benarde situatie.
Deze gemarginaliseerde bevolkingsgroep doet ook in onze tijd [veelal tegen het wettelijk minimum loon of een bijstandsuitkering] drie simpele dingen die iemand kan doen die onaangename Waarheid aan het Licht zou willen brengen;
ook in onze tijd in ons Missieland.
Ten eerste doet hij een beroep op iemand die in staat is
de onrechtvaardigheid om te keren en roept “Heer, ontferm U” Jeremia 38: 8,9.
Vervolgens gaat hij verder met het nemen van de nodige stappen om degene die de Waarheid spreekt uit de put te verheffen Jeremia 38: 11-13.
Ten slotte probeert hij bij het uitvoeren van het reddingsplan de persoon die hij wil helpen niet te schaden Jeremia 38: 12.

We hebben altijd de mogelijkheid om nog te spreken wanneer de Waarheid uit het zicht verdwenen is. Mogen we altijd en eeuwig de moed vinden om diegenen aan te spreken die in staat zijn om een ​​fout te corrigeren wanneer de Waarheid in de kiem wordt gesmoord.
Elke genoegdoening van grieven begint wanneer iemand blootlegt wat er gebeurt met degenen die aan de macht zijn, òf het nu gaat om plaatselijk aangestelde of zichzelf verheven [tot goden verheven] hebbende functionarissen,
spelleiders, toezichthouders, koningen, prinsen, directeuren,
managers of eigenaren,
allen, die hun macht en aanzien
misbruiken.
Deze leiders zijn in een positie om
onze persoonlijk beredeneerde oproepen
namens God’s Waarheid te vernemen,
òf zij er iets mee doen is een tweede.
Het blijkt in de praktijk steeds maar weer ‘mis’ te gaan, want
ook zij doen de dingen ‘in zonde’, d.w.z. ‘zonder God’ en
komt er geen mentaliteitsverandering op gang.
De mens kàn de mens niet veranderen, dat is slechts in de handen van ‘GOD”, Die is De Éne, Énige Waarachtige, Die ons in staat kan stellen ons te doen opstaan.

Terwijl anderen helpen, stelt de Ethiopische eunuch
een paar “oude lompen en oude touwen” [uit de kringloop]
samen tot een hef-gelegenheid Jeremia 38: 11 en
wendt ze aan om de profeet die in het slijk der aarde is gestrand,
tot een menswaardig bestaan te verheffen.
Dàn trekken hij en de dertig [gelijkgezindte] mannen Jeremia er op uit.
Ebed-Melech doet wat hij kan.
Ook wij zijn in staat ons in te spannen met
alle middelen die ‘God’ ons ter beschikking stelt, je dient er alleen maar inzicht in zien te verkrijgen en dáár ontbreekt het veelal aan.

Merk op dat de eunuch in de loop van de redding
oh zó voorzichtig is om Jeremia niet te verwonden, noch
ook maar iets toe te voegen aan zijn ongemak.
De oude vodden [uit de kringloop] vangen de oksels
van de profeet op
terwijl de mannen hem optillen,
hem bevrijdend vanuit de modder verheffen en
hem doen herstellen
voor ‘het Licht en het Leven‘,
voor God’s aangezicht Jeremia 38: 12.
En God zag dat het goed [=’tov’] was

‘Talendon’, oproep tot gebed op de botten van Adam; ‘Talendon’, call for prayer on the bones of Adam

Hoe zal ik beginnen de werken van mijn armzalig leven te bewenen.
Hoe zal ik een begin maken, Christus, met deze klaagzang?
Schenk mij toch, Barmhartige, vergeving van mijn zonden
Eph.1: 7.

Kom, ongelukkige ziel, in uw lichaam:
belijd uw zonden aan de Schepper van het heelal.
Onthoudt u voortaan van uw vroegere redeloosheid, en
breng aan God tranen van berouw
”.

  Adam, de eerst-geschapene, heb ik voorbijgestreefd in zijn overtreding, en
toen bemerkte ik dat ik van God ontbloot ben, en
van het eeuwig Koninkrijk en haar genietingen, door mijn zonden
Gen.3: 7.

Wee mij, ongelukkige ziel!
Waarom hebt gij uzelf gelijk gemaakt aan de eerste Eva?
Want gij keek met begeerte en ge werd bitter gewond.
Gij raakte de boom aan en proefde onbezonnen van de bedrieglijke vrucht
Gen.3: 5.

  In plaats van de zichtbare Eva is
een zinnebeeldige Eva in mij opgestaan:
de hartstochtelijke gedachte in mijn vlees.
Deze toont mij het zoete genot, maar
laat mij steeds proeven van het bittere voedsel
Gen.3: 7.

  Terecht werd Adam uit Eden weggejaagd, Verlosser, omdat
hij Uw éne gebod niet onderhouden had; hoe
zal het mij dan vergaan, die steeds weer
Uw leven-brengende woorden verwerp?Gen.3: 24.

  Vrijwillig heb ik de bloedige moord van Kaïn nagevolgd, en
werd ik een moordenaar voor het geweten van mijn ziel.
De vleselijke begeerten heb ik doen opleven, en
met mijn slechte daden ben ik tegen haar ten strijde getrokkenGen.4: 8.

  Ik leek niet op Abel in zijn rechtvaardigheid, o Heer:
nooit heb ik U welgevallige gaven gebracht, noch
aan God welgevallige werken, noch
reine offeranden, noch een onberispelijk leven
Gen.4: 4.

  Net als Kaïn, ongelukkige ziel, hebben ook wij
onreine werken aan de Schepper van het heelal opgedragen,
een verwerpelijk offer en een nutteloos leven:
daarom werden wij dan ook veroordeeld
Gen.4: 5.

  Als Pottenbakker hebt Gij van leem
een levende gestalte geboetseerd en
Gij voorzag mij van vlees en gebeente, adem en leven.
Gij, mijn Schepper, mijn Verlosser en Rechter,
neem mij aan nu ik berouw heb
Rom.9: 21; Gen.2: 7; Jer.18: 6; Hand.17:5. 

  Voor U, mijn Redder, belijd ik de zonden die ik heb begaan en
de wonden van mijn ziel en van mijn lichaam, die
mij zijn toegebracht door mijn moordende gedachten als door rovers”
Luc.10: 30.

  Ook al heb ik gezondigd, o Heiland, toch weet ik dat Gij menslievend zijt:
Gij tuchtigt met medelijden en zijt barmhartig met warme liefde:
gij slaat acht op tranen, en snelt toe als Vader, Die de verloren Zoon terugroeptLuc.15: 20. 

  In mijn ouderdom heb ik mij neergeworpen voor Uw poorten, o Heiland.
Verwerp mij niet zonder meer in de hades, maar
geef mij vóór het einde vergiffenis van mijn zonden,
als Menslievende
Luc.16: 20; Psalm 70 [71]: 9.

uit: de Canon van Andreas van Kreta,
triodion donderdag 5e week,
belijdenis van berouw voor
onze Heer en Verlosser.

5e Dinsdag na Pascha – getroffen worden door de Pedagogie van Heer, onze God

Christus leidt ons in verzoeking, opdat wij er iets van leren; Christ leads us into temptation, so that we can learn something from it

    Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen.
De Joden zeiden tot Hem:
    Nu weten wij, dat Gij bezeten zijt. Abraham is gestorven en ook de profeten, en Gij zegt: indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet smaken. Gij zijt toch niet meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven; voor wie houdt Gij Uzelf?
     Jezus antwoordde:
    Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, van Wie 
gij zegt: Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem.
En indien Ik zei:
    Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn, een leugenaar; doch Ik ken Hem en Zijn  Woord bewaar ik. Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd Mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.
De Joden dan zeiden tot Hem:
    Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Gij Abraham gezien?
Jezus zei tot hen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben ik.
Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar
Jezus verborg Zich en verliet de Tempel
John.8: 51-59.

    Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na hun liefdedienst te hebben volbracht, en namen ook Johannes, bijgenaamd Marcus, mee.
Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaen, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus.
En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zei de Heilige Geest:
‘ Zonderen jullie Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb’.
Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan.
       Dezen dan, door de Heilige Geest uitgezonden, trokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus; en te Salamis gekomen, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden ook Johannes tot helper.
En na het gehele eiland doorgetrokken te zijn tot aan Pafos, troffen zij een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Barjezus; hij hield zich op bij de landvoogd Sergius Paulus, een verstandig man. Deze begeerde het woord van God te horen en liet Barnabas en Saulus tot zich roepen.
      Maar Elymas, de tovenaar, want zo wordt zijn naam vertaald, verzette zich tegen hen en trachtte de landvoogd van het geloof afkerig te maken.
Doch Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld met de Heilige Geest, zag hem scherp aan, en zei:
‘     Zoon van de duivel, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden de rechte wegen des Heren te verdraaien? En nu, zie, de hand des Heren keert zich tegen u, en gij zult een tijd lang blind zijn en de zon niet zien’. En terstond viel op hem donkerheid en duisternis, en rondtastende zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden.
Toen de landvoogd zag, wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof, zeer getroffen door de leer des HerenHand.12: 25-13: 12.

De val van Jerusalem en de ongebreidelde gevangenschap van een Profeet
    Sedekia, de zoon van Josia, die Nebukadnessar, de koning van Babel, over het land Juda koning gemaakt had, kwam aan de regering, in plaats van Konjahu, de zoon van Jojakim. En hij gaf geen gehoor, hij noch zijn dienaren, noch het volk van het land, aan de Woorden des Heren, Die God door de dienst van de Profeet Jeremia sprak.
Toen zond koning Sedekia Jehukal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maaseja, tot de profeet Jeremia met de vraag:
       ‘Bid toch voor ons tot de Heer, onze God’.
Jeremia ging toen nog vrij in en uit te midden van het Volk en men had hem nog niet in de gevangenis gezet. Ook was het leger van Farao uit Egypte opgerukt, en toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, de tijding daarvan vernomen hadden, waren zij van Jeruzalem weggetrokken.
       Toen kwam het Woord des Heren tot de Profeet Jeremia:
⁌ Zo zegt de Heer, de God van Israel: Zo zult gij zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft om Mij te vragen: zie, het leger van Farao, dat uitgetrokken is om u te helpen, keert naar zijn land, Egypte, terug; en de Chaldeeen zullen terugkomen en tegen deze stad strijden, haar innemen en met vuur verbranden.
⁌ Zo zegt de Heer: Bedriegt uzelf niet met de gedachte: De Chaldeeen trekken werkelijk van ons weg; want zij trekken niet weg. Ja, al zouden jullie het gehele leger der Chaldeeen die tegen u oorlog voeren, verslaan, zodat er onder hen slechts zwaargewonden overbleven, dan zouden die, een ieder in zijn tent, nog oprijzen en deze stad met vuur verbranden.
            Toen het leger der Chaldeeen van Jeruzalem was opgebroken vanwege het leger van Farao, wilde Jeremia Jeruzalem verlaten, om naar het land van Benjamin te gaan met het doel daar onder het volk een erfdeel te aanvaarden.
            Maar toen hij in de Benjaminpoort kwam, was daar een bevelhebber van de wacht, Jiria genaamd, de zoon van Selemja, de zoon van Chananja, en die hield de profeet aan met de woorden:
Gij wilt naar de Chaldeeen overlopen!
Òf Jeremia al zei: ‘ Het is niet waar, ik wil niet naar de Chaldeeen overlopen, Jiria luisterde niet naar hem, greep hem en bracht hem naar de vorsten.
En de vorsten werden toornig op Jeremia, gaven hem slagen en zetten hem in de gevangenis in het huis van de schrijver Jonatan, want dat hadden zij tot kerker ingericht.
• Zo kwam Jeremia in het gevangenhuis, in de gewelfde vertrekken; en Jeremia bleef daar lange tijd.
Toen liet de koning Sedekia hem halen, en de koning vroeg hem in zijn paleis in het geheim en zei:
       Is er een Woord van de Heer?
En Jeremia zei:
      Ja; gij zult, zo zei Hij, in de macht van de koning van Babel gegeven worden.
Verder zei Jeremia tot koning Sedekia:
      Wat heb ik tegen u of uw dienaren of dit volk misdaan, dat gij mij in de gevangenis hebt gezet? Waar zijn nu uw profeten, die u profeteerden: ‘ De koning van Babel zal niet optrekken tegen u en tegen dit land?
Nu dan, hoor toch, mijn heer de koning, laat mijn bede toch bij u gehoor vinden, en laat mij niet naar het huis van de schrijver Jonatan terugbrengen, opdat ik daar niet zal sterven.
Toen gaf koning Sedekia bevel en men zette Jeremia in verzekerde bewaring in de gevangenhof en men gaf hem een brood per dag uit de Bakkersstraat, totdat al het brood in de stad op was. En Jeremia bleef in de gevangenhof” Jeremia 37: 1-21.

De uiteindelijke val van Jeruzalem
Ja, Ik zal bezoeking doen over hen die in het land
Egypte wonen, zoals Ik bezoeking gedaan heb over
Jeruzalem, door het zwaard, de honger en de pest;
En van het overblijfsel van Juda, dat gegaan is om
daar te verblijven in het land Egypte, zal niemand
ontkomen en ontsnappen, namelijk om terug te
keren naar het land van Juda, waarop zij hun hart
hebben gezet om daar te wonen, want zij zullen er
niet terugkeren, behalve enkele vluchtelingen
Jeremia 44: 13-14.

Het Licht des Levens
Hij greep de Profeet Jeremia en zei:
U vlucht naar de Chaldeeën!
Maar deze zei: ” Dat is een leugen! Ik vlucht niet naar de Chaldeeën”.
Toch luisterde hij niet naar hem.
Daarop volgde dat de bevelhebber van de wacht, Jiria genaamd,
de zoon van Selemja, de zoon van Chananja
Jeremia greep en hem opbracht bij de overheersers.

Mozes gestorven, ‘ontslapen’.

Het uur van onze dood.
In de tijd van het Oude Testament ging het lichaam van een overledene,
net als in onze tijd, naar het graf. Het lichaam ging daarheen met een tweevoudig doel. Ook dat is gelijk aan onze tijd. Het doel was en is:
1.]. Het lichaam gaat naar het graf om tot ontbinding over te gaan en terug te keren naar zijn oorspronkelijke materiaal: stof, aarde.
2.]. De resten van het lichaam van de mens wacht[t]en in de aarde op de dag der Opstanding, Die eens zal komen. Ná de Opstanding zullen de resten van de overledene weer bij elkaar komen en weer een lichaam met beenderen, spieren, pezen, vlees, organen en huid vormen.
       Het wachten in de aarde van het lichaam, wordt in de Bijbel ook wel “slapen” en “ontslapen” genoemd. Het lichaam rust in de aarde en wacht daar, al slapende, op de grote dag der opstanding. De Bijbel kent dus wel een “slapen na de dood“, maar geen “zielenslaap, maar een “slaap van het lichaam“.
Dit moeten wij goed zien en deze twee moeten wij niet met elkaar verwarren.
Bij het sterven verlaat de ziel het lichaam. Terwijl in de tijd na de Opstanding van de Heer en Verlosser de zielen van de gelovigen en van de ongelovigen niet meer naar de zelfde plaats gaan, was dat in de tijd van het Oude Testament wel het geval.
Wij moeten er daarom goed op letten, dat er verschil is in de bestemming van de ziel  ná het sterven tussen de tijd van het Oude Testament en de tijd van het Nieuwe Testament.
        In de tijd van het Oude Testament was er één grote “verzamelplaats” voor de zielen van de gestorvenen [de sheool. Gr. =‘ de hades’], ongeacht of het om verloren mensen of om behouden mensen ging. Wel was die verzamelplaats verdeeld in twee gescheiden afdelingen, waarbij de behoudenen in de ene afdeling waren en de verlorenen in de andere afdeling [het zgn. ‘afvalputje’].
☦️     Onze Heer en Verlosser is nooit in de hel geweest. Ná Zijn sterven aan het Kruis was Zijn ziel gedurende drie dagen en drie nachten in het dodenrijk [de Hadès] en niet in de hel !
Dat maakt ook Hand.2: 30,31 ons duidelijk, wanneer David in Psalm 9: 10 zegt, dat de Heer wèl naar het dodenrijk zou gaan, maar daar niet zou blijven.
Toen onze Heer en Verlosser aan het kruis hing, sprak hij met één van de twee misdadigers over hun beider toekomstige bestemming. De Heer sprak niet met hem over de plaats waar hun lichaam naar toe gebracht zou worden, maar over de plaats waar hun zielen naar toe zouden gaan. De Heer liet merken, dat hun beider ziel naar dezelfde plaats zou gaan. De Heer noemde deze plaats “het ParadijsLuc.23: 43.

Wij dienen er op te letten, dat er in de verschillende periodes in de Blijde Boodschap telkens een andere plaats aangewezen wordt, wanneer het over het Paradijs gaat. De plaats waar wij na onze dood terecht komen, behoeft dus geen mens te beangstigen, want het zal – vermits wij ons leven in vrede en boetvaardigheid mogen beëindigen een plaats van Licht zijn waar wij alsdan een goede verdediging voor de ontzagwekkende rechterstoel van Christus mogen verwachten.
De “dag” van iemand, die God’s Woord heeft bewaard, zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen, is voorzeker dezelfde dag waarnaar de Profeet David op zoek is:  “ Voor velen ben ik een voorteken geworden, want Gij zijt mijn Sterke Helper. Moge mijn mond met lofzang gevuld zijn om Uw Heerlijkheid te bezingen, heel de dag Uw VerhevenheidPsalm 70[71]: 6,7.
Verwijzend naar zo’n dag herinnert de apostel Paulus eraan
dat we ‘niet in de duisternis zijn‘, maar eerder ‘zonen/dochters van het licht en zonen/dochters van de dag‘. Wij zijn niet van de nacht noch van de duisternis.
Hij voegt er nog aan toe:
Maar jullie, broeders/zusters, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen: want jullie zijn allen kinderen van het Licht en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dàn óók niet slapen gelijk de anderen, 
doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop op de Zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van Zaligheid door onze Heer Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven1Thess 5: 4-10.

We dienen dus te accepteren ​​dat de “vrees voor God, en het Geloof en de tweevoudige Liefde” onze ziel bewaken tegen het vallen van de avond en duisternis, zodat er geen “dieven” zijn. . . die ons in de nacht opzoeken en ons beroven, ons dodelijk treffen en ons   eenvoudigweg ruïneren.

Indien we de gebeurtenissen die in deze passage zijn opgetekend nog eens nalezen, zullen we bemerken dat Jeremia wordt omringd door mannen wiens zielen verduisterd zijn, mensen die blind zijn voor het licht van zijn Profetie, het Woord van God, wat op Zijn mond is.
Een tijd lang wandelt hij vrijuit, maar deze mannen ‘van de nacht‘, de overheersers van Juda, zien zijn vertrek uit Jeruzalem als niets meer dan desertie voor de vijand.
Diepe, bittere duisternis verduistert hun harten en zielen.
Christus overwint de dood, overwint de ellende, die wij mensen in onze menselijke onmacht [= dodelijke verwonding] veroorzaken. Daarom is het zo helder als wat, Christus [en de Christen] heeft totaal geen behoefte aan ‘rood‘, ‘groen‘, of het ‘een blauwtje lopen‘ van het humanisme – de mens is totaal niet in staat zichzelf te redden, dat kan alleen ‘God’, door de mens de goede weg te wijzen; die z’n leven anders zal dienen te gaan inrichten.
Daarom staat er in de Doxologie dat:
”     Heer, een toevlucht zijt Gij voor ons van geslacht op geslacht. Ik sprak: Heer, ontferm U over mij en genees mijn ziel want tegen U heb ik gezondigd.
       Tot U, Heer, vlucht ik, leer mij Uw Wil te doen, want U bent mijn God.
      Bij U toch is de bron van het Leven, in Uw Licht zullen wij het licht aanschouwen, schenk ons Uw Barmhartigheid aan allen die U belijden“.
En in de Hexapsalm:
”    
Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft [onder de mensheid] mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond.
Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste.
Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden van Uw handen; Ik strek mijn handen naar U uit.
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want [slechts] op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid.
Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar; ‘ Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land’.
Psalm 142[143] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

De Anastasis icoon = een geillustreerd gebed; The Anastasis icon = an illustrated prayer; Το εικονίδιο της Αναστάσης = εικονογραφημένη προσευχή

Het is de Heer, onze God, Die de deuren van de Hades verbrijzelen zal en de hengsels van die deuren vermorzeld, opdat de mens bevrijd mag worden van z’n aardse, z’n op de wereld gerichtte genoegens.

Sprekend over de duisternis van de geest merkt de heilige Petrus van Damascus op dat
    Degenen die  geen onderscheid weten te maken
zich “enorm” kunnen inspannen, maar . . . niets  zullen bereiken; terwijl
de persoon die buitengesloten wordt, gediscrimineerd wordt op
grond van Goddelijke aanbidding en vast blijft houden aan zijn Joods-Christelijke principes een gids blijkt te zijn voor blinden en een Licht voor hen vormt in de duisternis
Philokalia.
Dit contrast onderstreept het enorme verschil tussen degenen die
halsstarrig “weten” dat Jeremia de stad verlaat, tevens het ware karakter van de profeet laat zien, die het kwaad uit de weg gaat,
als een mens, die verlicht is door God en die als een kind van de dag wandelt!
De duisternis heerst in de ziel van bevelhebber van de wacht, Jiria Jeremia 37: 13-14,
in de heersers die de profeet verslaan Jeremia 37: 15, en
in koning Zedekia die in het geheim met hem spreekt Jeremia 37: 17.
Waanideeën domineren hun denken; ze zijn ervan overtuigd dat de Egyptenaren hen zullen redden Jeremia 37: 7, en deze valse overtuiging verblindt hun ziel.
Zij kunnen Jeremia’s punt niet begrijpen dat als de Chaldeeën
“bepaalde gewonde mannen verlieten, deze mannen zouden opstaan ​​en
deze stad met vuur verbranden” Jeremia 37: 10.

Wij vallen, nèt als de leiders van Jeruzalem, gemakkelijk in het vangnet van onze angsten en bezwijken voor de vele waanideeën die zoveel mensen om ons heen blind maken.
Laten we God smeken ons naar Zijn tijd te leiden!
Zoals de Heer Jezus leert, ziet alleen degene, die wandelt in de dag: “ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is. Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekkenJohn. 11:  9-11.

Gebaseerd op indirect bewijs concludeert Jiria  of Irijah, zoals hij ook wel genoemd wordt. dat Jeremia vlucht naar de Babyloniërs.
Immers, aangezien Jeremia zei dat de Babyloniërs de stad zouden nemen, moet hij naar hen toe rennen.
Jiria’s wanen houden hem in bedwang.
Dezelfde waanideeën verbitteren de heersers tegen Jeremia.
Ze zien de nadering van het leger van Farao en de terugtrekking van de Chaldeeërs als tekenen van God’s bevrijding.
Gecontroleerd door dàt valse geloof, proberen ze Jeremia
een gevoel van betekenis te geven.
De koning is weliswaar geïntrigeerd door de Profeet, maar
hij is onderhevig aan dezelfde misvatting en houdt Jeremia in hechtenis.

            Wij, die als christenen worden geconfronteerd met een overvloed aan neo-heidense idealen, dienen ons ook bewust te zijn dat ook wij dienen te leren
van valse overtuigingen en deze dienen te identificeren om eraan te kunnen ontsnappen. De heilige Petrus van Damascus zegt:
“Bid vurig om in alles wat we doen
er in elk geval naar te streven
om zonder wrok en slechte gedachten te zijn”
We doen er goed aan de apostel Paulus op te volgen:
De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.
          Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en
aandoen de wapenen van het Licht!
          Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen,
• niet in brasserijen en drinkgelagen,
• niet in wellust en losbandigheid,
• niet in twist en nijd!
  Maar doet de Heer Jezus Christus aan en
wijdt geen zorg aan het vlees, zodat
begeerten worden opgewektRom.13: 12-14.

Verlicht onze harten, O Meester,
Die de mensheid liefheeft,
met het zuivere Licht van
Uw goddelijke kennis.
Open onze noëtische ogen voor het begrip van
Uw Evangelische Pedagogie
”.
conf.
Gebed voor het Evangelie
[van de dag]

5e Maandag na Pascha – ons eigen willetje staat het Woord des Heren in de weg

    Jezus zei tot hen:

Het Mysterie van de Drie-eenheid

‘Indien God [werkelijk] uw Vader was, zouden jullie Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij Mijn Woord niet kunt horen.
      Jullie hebben de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoordenaar van den beginne en staat niet in de Waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.

Maar omdat Ik jullie de Waarheid zeg – Mij geloven jullie niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij niet?
Wie uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt.
      De Joden antwoordden en zeiden tot Hem:
  Zeggen wij niet terecht, dat Gij een Samaritaan zijt en bezeten zijt?
Jezus antwoordde:
      Ik ben niet bezeten, maar Ik eer Mijn Vader, en gij onteert Mij. 
Maar Ik zoek niet Mijn eer; Één is er, Die haar zoekt en Die oordeelt.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwenJohn.8: 42-51.

    En na een ogenblik van overleg, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, bijgenaamd Marcus, waar velen vergaderd waren in gebed.
      En toen hij aan de deur van het voorportaal klopte, kwam een slavin, met name Rode, voor om te horen wat er was; en toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap het voorportaal niet open, maar liep naar binnen om mede te delen, dat Petrus voor het portaal stond.
En zij zeiden tot haar: Gij spreekt wartaal. Doch zij bleef volhouden, dat het zo was.
En zij zeiden: Het is zijn engel.
Maar Petrus bleef kloppen en toen zij opengedaan hadden, zagen zij hem en waren verbijsterd.
En hij wenkte met zijn hand, dat zij zwijgen moesten, en verhaalde hun, hoe de Heer hem uit de gevangenis had geleid en hij zei:
‘ Bericht dit aan Jaäcobus
[Hebr.=‘de Hielenlichter’] en de broeders.
En hij vertrok en reisde naar een andere plaats
Hand.12: 12-17.

 

Bergrede, detail

Zalig de zachtmoedigen
Indien God werkelijk jullie Vader was, zouden jullie Mij als Zijn kinderen liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.

Waarom begrijpen jullie dan niet wat Ik [GOD] zeg? Omdat jullie Mijn Woord weliswaar horen, maar niet luisteren en dus doof zijn voor God’s Woord.
Neem het Woord uit de bergrede:
    Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërvenMatth.5: 5.

Het is duidelijk dat de voor de wereld – ideale mens- die de wereld op het oog heeft,  geheel verschilt van de wereld, die God voor ons voor ogen heeft.
De zachtmoedigen behoren tot degenen die ontzettend worden
begenadigd/ gezegend zijn, dat ze slechts in samenwerking mèt
onze Heer en Verlosser de aarde zullen beërven.

Christus was niet de eerste die het belang van zachtmoedigheid onder woorden bracht. Hij was wèl de Eerste, Die een van God afkomstige,
geordende opsomming gaf van de karakteristieken van de perfecte mens.
Anderen hebben opsommingen gemaakt van in het oog springende deugden, maar de Christelijke Pedagogie, is samen mèt Zijn van God afkomstige opsomming uniek in z’n samenhang met het Koninkrijk van God en
de diepgang van wat Hij ermee bedoelde.

De vraag, die gesteld kan worden is:
Kent u uw Heer en Meester, Jezus Christus, de Zoon van God al???”.
De meesten onder ons volgelingen zal onoplettend doorlopen en
bevestigend antwoorden.
Maar nu nog een keer:
Kent u uw Heer en Meester, de Zoon van God werkelijk???.

Wie van de 5 mannen was ‘echt‘ haar man?; Which of the 5 men was ‘really‘ her husband?

Is uw relatie met de Vader dusdanig dat u Christus kunt antwoorden:
— “Ja, ik leef in U als mijn Koning en God”
— “U bent mijn Licht en Mijn Heil: wie zal ik vrezen”.
Is Christus als Heer en Meester de beschermer van uw leven:
— “voor wie zouden we in God’s Naam beven???”
Wat gaat er in je om bij die vraag ?
Is het dàn tevens zó dat je op die manier, tot de ontdekking komt
♨︎ dat je ontzettend veel van je Kerk houdt, tot welke bloedgroep je ook behoort?
♨︎ Gaat het dan niet veel-en-veel ‘vèrder’ dan het licht van de glas-in-lood-ramen en de hemelse klanken van de hymnen en de geur, die je opsnuift?
♨︎ Gaat het dan niet om de ontmoeting met het Lichaam, de mensen van vlees en bloed, die met jou ervaren dat zij eveneens geroepen zijn en ervaren dat zij dubbelhartig zijn en zich tot God, de Vader en tot God, de Zoon en tot God, de Heilige Geest wenden, waar zij ontferming van verwachten?
♨︎ Inderdaad het gaat om een liefdesband en Verbonden weten in een liefde,
⁌  die allen en alles overstijgt;
die door de eeuwen heen ervaren wordt met onze Heer en Meester;
die grote dalen en hoge toppen heeft gekend , maar door alles en reden heen – die we zelf ook vaak niet begrijpen – nooit meer is weggegaan.
die van begin tot einde – “ God mèt ons mensen is, die is en zal zijn, wat
er ook gebeuren mag“.
Deze >wederzijdse Liefde<, waarvan God de oorsprong en de eeuwige toekomst is, is de reden dat de wereld ons afwijst.
En wij zelf? Door de reactie van de wereld voelen wij onszelf ‘narrig’ – wispelturig, ‘ als een dwaas om Christus Wil’; tegen alle beter weten van de wereld in.

Hoe kan er dàn nòg spráke zijn vàn samenhang met het Koninkrijk van God,
zult u zich afvragen?

Toren van Babel, Straatsburg.

Gelet op hoe de moderne mens over zachtmoedigheid denkt, is bovenstaande aanhankelijkheid, het je afhankelijk opstellen bijna onbegrijpelijk.
De wereld zou het geheel omgekeerd onder woorden brengen: “Zalig de sterken, die in staat zijn op eigen benen te staan”.

Toren van Babel, Brussel

De wereld houdt altijd méér van de zichtbare en zogenaamde heldhaftige deugden. Zij die in sterke mate -bijna vurig- wedijveren, agressief zijn en het zich laten gelden, zijn degenen die erkenning, bewondering en beloningen [nemen] ontvangen.
Eindigen ‘zij’ niet in de hoogste posities, bezitten ‘zij’ niet het meeste en
ook nog ‘het beste‘ ondanks duidelijke en misschien zelfs
gevaarlijke tekortkomingen in hun karakter?

Een modern woordenboek maakt duidelijk waarom zachtmoedigheid in verband wordt gebracht met zwakheid. Kijk maar naar de synoniemen, die bij het woord ‘zachtmoedig’ worden opgesomd:
”  mak, timide, mild, zacht, niet ambitieus, zich terugtrekkend,
zwak, meegaand, berustend, onderdrukt, zonder spirit, gebroken en slap“.
            Niet één van deze woorden is op Jezus Christus van toepassing;
evenmin op Mozes, van wie de Bijbel zegt:
  Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer
dan enig mens op de aardbodem
Num.12: 3.
Beschrijven deze woorden de krijgsman-koning David,
een man in sterke mate door God geliefd?
Òf Paulus, de onvermoeibare, onbevreesde apostel, die
moedig zijn deel aan gevaarlijke en pijnlijke vervolgingen doorstond?

🌈🌈🌈            Nee, als we eenmaal begrijpen wat bijbelse zachtmoedigheid is, kunnen we gemakkelijk inzien dat deze mannen inderdaad zachtmoedig waren.

Het staat buiten kijf dat òns Joods-Christelijk begrip van deze opmerkelijke eigenschap niet klopt! Bijbel-commentatoren zijn het er in ’t algemeen over eens dat de moderne mens in onze westerse, Joods-Christelijke cultuur niet de beschikking heeft over deze goddelijke eigenschap.
            Zachtmoedigheid als vrucht van de Geest is een eigenschap van de almachtige God Zelf en belangrijk voor ons als we een beeld van Hem willen zijn èn een waarachtig getuige in de wereld.
Deze karaktertrek zal inderdaad in grote mate bepalen
hoeveel vrede en tevredenheid er in ons leven zal zijn en
hoe goed we ons tijdens beproevingen zullen gedragen.

Mozes Ziet Het Beloofde Land van Ver; Moses See The Promised Land of Far

Wanneer Mozes op het eind al het werk verricht heeft, wanneer al het verlossing’s-werk is volbracht, dan lezen we in deze verzen:
Op al hun tochten, op al hun wegen en op de wegen van het volk Israël, òf  het nou overdag was of ’s-nachts, daar was de wolkkolom
Overdag de wolkkolom boven de tent der samenkomst en ’s-nachts zagen zij er een vuur in.
Hoe werden zij niet voort-geleid door de Heerlijkheid des Heren?
Indien we nu gaan stilstaan over de leiding van de Heer in ons leven, dan staat hier:
De Heer ging voor hun uit, overdag in een wolkkolom, om hen te leiden op de weg.
En ’s-nachts in een vuurkolom om hen voort te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan.
Zonder ophouden bleef de wolkkolom overdag en
de vuurkolom ’s-nachts aan de spits van het uitverkoren Volk
”.
          Het liefhebben van God de Vader, waar Christus het dus vandaag over heeft is helemaal niet zo moeilijk, je dient alleen God, je bent God’s dienaar [verslaafd aan] door Christus voorbeeld maar te volgen – zònder na te denken jezelf iedere keer af te vragen: “Hoe zou Christus, dit gedaan hebben?

En ja, dan kun je je druk maken om al die geestelijkheid, die ook in de Kerk van Christus aan de kant wordt geschoven, bij het ketterse af. Onrecht zoals mensen die klein en afhankelijk worden gehouden en nooit en te nimmer tot hun recht zullen komen. Bestuursleden, die slechts de continuïteit van het behoud van hetgeen ‘zij’ gewend zijn in stand houden.

foor for Christ

Je bemerkt dat je dàn inderdaad de rol van ‘de nar‘, van ‘de dwaas om Christus Wil’ gaat spelen – tegen de behoudzucht van ‘alles maar bij het oude laten’ in.
De dwaas is de nar aan het hof van de koning, die door zijn spreken en schrijven en een soms iets te scherpe pen de koning en z’n wereldse hofhouding een spiegel probeert voor te houden. De naar stond immers onder aan de [sociale] ladder van Climacos.
Die houding is slechts in te nemen doordat Christus, tevens ‘de vrijheid’ biedt, want het Lichaam, de Kerk verkondigt zelf: “ Één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader, AMEN”.
Denk niet dat een christelijk schrijver niet in de gaten heeft dat je je in deze tijd boos maakt om de Kerk, Die zich in Zijn Naam, veel te vaak bezig houdt met koninkrijkjes via een drukdoende en verheven hofhouding; met name op dat soort momenten komt vanzelfsprekend de ‘dwaas om Christus Wil’ boven drijven.
Uiteraard mag je van mening verschillen, maar elke koning, elk door mensen geconstrueerd koninkrijkje heeft een nar nodig om de zaken in de juiste verhoudingen te blijven zien.

Eigen Wil:

Profeet Jeremia met zijn secretaris, profeet Baruch

In het vierde jaar van Jojakim [Hebr.=‘de Heer verheft’], de zoon van Josia [Hebr.=‘de Heer brengt redding’], de koning van Juda [Hebr.= ‘hij zal geprezen worden’], kwam dit woord van de Heer tot Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’]: ‘   Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israël,  Juda en alle volkeren gesproken heb, sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden’.

           Misschien zal het huis van Juda [van hen, die geprezen worden] dàn gaan luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik, ‘hun God’ hun ongerechtigheid en zonde in ontferming zal vergeven.

          Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremia’s mond al de woorden die de Heer tot hem gesproken had, op een boekrol.
Daarop gaf Jeremia aan Baruch deze opdracht:
Ik ben verhinderd, ik kan niet in het huis des Heren komen. Ga jij dus en lees van de rol die jij uit mijn mond hebt opgetekend, de woorden des Heren voor ten aanhoren van het volk in het huis des Heren en op de vastendag; en ook ten aanhoren van alle Judeeërs, die uit hun steden gekomen zijn, moet jij ze voorlezen. Misschien zal zich hun smeekgebed uitstorten voor het aangezicht des Heren en zullen zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg; want groot is de toorn en de gramschap, waarmee de Heer dit volk gedreigd heeft’.
           Baruch, de zoon van Neria, handelde daarop geheel, zoals de profeet Jeremia hem opgedragen had, en hij las uit het boek de woorden des Heren in het huis des Heren voor; hij ontving de minste wijding, die van lezer/schrijver.

In het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, had men een vasten voor de Heer afgekondigd; al het volk in Jeruzalem en al het volk dat uit de steden van Juda in Jeruzalem gekomen was.
            Toen las Baruch [Hebr.=‘gezegend’] uit het boek de woorden van Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’] voor, in het huis des Heren, in het vertrek van Gemarja [Hebr. =‘de Heer heeft tot stand gebracht’], de zoon van de schrijver

konijn, (Oryctolagus cuniculus) uit de familie Leporidae

Safan [ Hebr. שפן = ‘Konijn’(de essentie en energieën van iets paradoxaals)], in de bovenste voorhof bij de ingang van de nieuwe poort van het huis des Heren, ten aanhoren van geheel het God’s Volk.

Nu hoorde Michajehu [Hebr.= ‘verborgen’], de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden des Heren uit het boek; en hij daalde af naar het paleis van de koning, naar het vertrek van de schrijver; en zie, daar waren al de vorsten gezeten: de schrijver Elisama [Hebr.=‘mijn God heeft gehoord’], Delaja [Hebr.=‘De Heer heeft geput‘], de zoon van Semaja [Hebr.=‘door de Heer gehoord’], Elnatan [Hebr.= ‘God heeft gegeven’], de zoon van Akbor [Hebr.=‘muis’], Gemarja, de zoon van Safan, Sidkiahu [Hebr.=’De Heer is rechtvaardig’], de zoon van Chananja [Hebr.=‘de Heer vestigt’], en de overige vorsten.
En Michajehu deelde hun al de woorden mee, die hij gehoord had, toen Baruch uit het boek las ten aanhoren van het gehele Volk.
Daarop zonden al de vorsten Jehudi [Hebr.=‘Jood, schoonheid’], de zoon van Netanja [Hebr.=‘gegeven door de Heer’], de zoon van Selemja [Hebr.=‘door de Heer vergolden’], de zoon van Kusi [Hebr.=‘zwart zijn’], naar Baruch met de boodschap:
De rol, waaruit gij ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die mee en kom hier”.
Toen nam Baruch, de zoon van Neria [Hebr.=‘lamp van de Heer’], de rol mee en kwam tot hen.
Toen zeiden zij tot hem: Neem plaats en lees ze ons voor.
En Baruch las hun voor.
Toen zij al de woorden gehoord hadden, uitten zij onder elkander hun vrees en zeiden: ‘ Stellig moeten wij al deze woorden aan de koning overbrengen’.

En zij vroegen Baruch: ‘Vertel ons toch, hoe hebt gij al deze woorden opgeschreven?’. Toen zeide Baruch tot hen: ‘ Hij [Jeremia] zei mij mondeling al deze woorden, terwijl ik ze met inkt in het boek schreef”.
Daarop zeiden de vorsten tot Baruch: ‘Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten, waar gij zijt’.
Toen gingen zij naar de koning in de hof, nadat
zij de rol hadden weggelegd in het vertrek van de schrijver Elisama, en zij verhaalden al deze woorden ten aanhoren van de koning.
De koning zond daarop Jehudi [‘De Jood, gegeven door de Heer‘] om de rol te halen, en deze haalde haar uit het vertrek van de schrijver Elisama. En Jehudi las haar voor ten aanhoren van de koning en van al de vorsten, die rondom de koning stonden.
De koning nu was gezeten in het winterpaleis, in de negende maand, met het vuurbekken brandende voor zich.
Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was. Zij verschrokken niet en scheurden hun klederen niet, de koning noch een van zijn dienaren, die al deze woorden hoorden; ofschoon zelfs Elnatan en Delaja en Gemarja er bij de koning op aandrongen de rol niet te verbranden, luisterde hij niet naar hen.
Daarop gebood de koning de prins Jerachmeel en Seraja, de zoon van Azriel, en Selemja, de zoon van Abdeel, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen; maar de Heer hield hen verborgen” Jeremia 36: 1-26

Onze aandacht dient vooral uit te gaan naar:
    Misschien zal het huis van Juda [van hen, die geprezen worden] alle rampspoeden horen die ik op hen van plan ben te brengen, om hen van hun slechte weg af te wenden; en ik zal hun overtredingen en zonden genadig zijn. . . Maar de koning en zijn dienaren die al deze woorden hoorden, zochten niet de Heer, noch scheurden ze hun klerenJeremia 36; 3, 24.
We komen steeds maar weer opnieuw deze uitdrukking tegen in Jeremia:
Het Woord des Heren kwam Jeremia 1: 1. en dat doet het nog steeds tot op dit ogenblik aan toe, in het -‘hier en het nu’-.
Aanvankelijk stelt de tekst dat het Woord van de Heer tot hem kwam, maar het voornaamwoord verandert snel:
    Doch ik zei: Ach, Heer der Heerscharen, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jongJeremia 1: 6.
Daarna merken we in heel Jeremiah bij herhaling op, zoals
het ‘nogmaals en nogmaals, laat ons de Heer bidden’: “Het Woord des Heren kwam tot mijJeremia 36: 1.

Het Woord des Heren, van God de Vader, komt van de Heer en
komt dus naar iedereen – ja, zelfs naar jou en naar mij -.

Velen van ons zullen het echter niet horen en met het verstrijken van de tijd ‘kunnen velen het ook niet meer horen‘; ja, zelfs ‘zo sterk, dat zij zich er aan ergeren en zich afzetten‘.
De ervaring van Jeremia roept de vraag op of het Woord van de Heer wel een onveranderlijke grootheid, een constante Aanwezigheid is in ons leven.
Wanneer was het de laatste keer, ‘dàt’ wij überhaupt de Heer hoorden? ‘dàt’ wij in de stilte van ons hart luisterden?
Zelfs als we kunnen zeggen:
Het woord van de Heer kwam tot mij“, laten we ons ‘dàn’ tevens afvragen of Zijn woord dezelfde zekerheid voor ons houdt als voor Jeremia.

Wat staat het meeste het Woord van de Heer niet in de weg?
Het is onze eigen wil. “Ik zal nu gaan”, “Ik zal Hem vertellen wat ik wel niet denk”,
Ik zal echter vanochtend niet bidden”, want ik heb nog zó véél te doen.
Stel dat de zaak andersom was?
Wat als de Heer zei: “Ga later“, of “Vertel hem/ haar wat Ik, de Heer, er wel niet van denk“.
Stel dat het woord van de Heer kwam met de boodschap:
Bid -hier en nu- heden, vanmorgen, vanmiddag, vanavond” en niet eventjes ga, er maar eens voor zitten – één, twéé, drie uur en inetensief ?.
Zelf-wil beheerst ons leven rustig, we glijden on-opgemerkt uit, gaan op een andere manier op ons gezicht. We houden er niet van om te horen wat we ‘moeten‘ doen!
We zeggen misschien nooit hardop:
Ik vind het niet leuk dat God me vertelt wat ik moet doen“, maar
in feite draaien wij de knop om, stemmen ons maar al te vaak ‘niet‘ op Hem af.
We hebben meer aandacht voor onze sms-jes, e-mailtjes, facebook etc..

Jeremia hoort wanneer de Heer tot hem spreekt.
Dientengevolge deelt God zijn strijd met hem en dat wederzijds:
Misschien zal het huis van Juda alle rampspoeden horen die
Ik op hen van plan ben te brengen, om hen van
hun slechte weg af te wenden; en
Ik zal hun overtredingen en zonden Genadig zijn”
Jeremia 36: 3.
De Heer verlangt er naar dat het Volk van Juda [Hebr.= ‘het Volk van Juda zal geprezen worden’] dat het Volk van Juda hoort en zich afkeert van het kwade.
Hij wil geen calamiteiten ontketenen; Hij zou liever Genadig zijn voor een berouwvolle zondaar, voor hen die zich oprecht van hun slechte weg afkeren;
God zou onmiddellijk ontferming tonen.

Het Woord van de Heer horen is Gezegend zijn [en door God geprezen worden].
Dan horen we Hem in Zijn lijden.
Zoals onze Heer en Verlosser zegt:
  Als u eens wist wat dit te betekenen heeft, ‘ik verlang naar Genade en geen opoffering’, dan zou u de onschuldigen niet hebben veroordeeld ‘“ Matth.12: 6.
De eigen wil maakt ons “hardhorend“.
Het wil niet naar het Woord van de Heer luisteren, noch weten dat Hij in Genadegave voor ons wenst.
Het Woord van de Heer komt tot Jeremia en Deze stuurt hem naar Zijn Volk.
Hij stelt een plan in gang [Jeremia 36: 4-6] om God’s doel te bereiken, maar
elke persoon moet het doen, het doen, en niet alleen maar zijn persoonlijk aangename leventje beantwoorden [anders gezegd: een geleverde zaak dient te voldoen aan de overeenkomst van het Verbond]. Met ander woorden, “Laten we derhalve onze zelfzucht terzijde stellen”! [Alle aardse zorgen]
Wanneer de mensen een vasten verkondigen voor de Heer, zijn
de omstandigheden goed “in het huis van Juda”, opdat
Hij geprezen zal worden. Jeremia 36: 9.

Baruch leest het woord van de Heer trouw
in de hoorzitting van alle mensenJeremia 36: 10.
Gods woord is opvallend, want wanneer ‘alle heersers‘ erover leren (Jeremia 36: 14, willen ze het zelf horen. “En Baruch las het” Jeremia 36: 15.
Kregen ze wat ze hoorden? Helemaal niet!
“Ze vroegen Baruch:” Hoe ben je ertoe gekomen om al deze woorden op te schrijven?Jeremia 36: 17. Hoe haal je het in je hoofd!
Natuurlijk was het opnieuw Jeremia Jeremia 36: 18,19!,
het is immers altijd dezelfde, die z’n nek uit steekt.
Ze gingen hem rechtstreeks tegemoet
“[rapporteer] aan de koning al deze woordenJeremia 36: 20.
Let op het gebruik van de uitdrukking ‘deze woorden‘ in plaats van ‘het Woord van de Heer‘.
Eigenwilligheid vermindert ons vermogen om te horen.
De koning en zijn hovelingen wilden en konden het niet horen.
Jehudi [Hebr.=‘de legendarische Jood’, de geprezene] leest de woorden op de rol en “werpt ze in het vuurJeremia 36: 23.
De koning en zijn dienaren die het hoorden . . .
zij, die de Heer niet zochten, nòch hun kleren scheurdenJeremia 36: 24.
Horen en veranderen betekent dat we onze eigen wil veranderen in deze woorden: “Uw wil geschiede. O Heer,
kom mij te hulp, in Uw Genade!

    God, waarom hebt Gij ons verstoten tot aan het einde? Waarom woedt Uw toorn over Uw kudde? Gedenk Uw Gemeente, Die Gij van de beginne af hebt vrijgekocht. Gij hebt de stam van Uw erfdeel bevrijd: de berg Sion, waarop Gij woont.
Hef Uw hand op tegen hun grenzeloze hoogmoed, om al wat de vijand heeft aangericht in Uw Heiligdom.
Wie U haten hebben getriomfeerd, midden op Uw feest.
Zij hebben er tekens opgericht, hun eigen vaandels, zonder iets te weten, hoog aan de ingang.
Als was het een bos met bomen, zo hebben zij met bijlen al zijn deuren neer gehakt; met bijl en houweel hebben zij ze neergehaald.
Met vuur hebben zij Uw Heiligdom platgebrand; de woning van Uw naam hebben zij ontwijd.
Zij zeiden in hun hart, met heel hun bende: komt laat ons een eind maken aan de feesten des Heren op aarde.

de grote tragiek van Mozes’ dood; the great tragedy of Moses’ death

Wij zien hun tekens niet meer, er is ook geen Profeet:  Hij wil ons niet langer kennen.
God, hoelang nog zal de vijand honen, zal de tegenstander Uw Naam tot het uiterste tergen? Waarom wendt Gij Uw rechterhand af, Uw rechterhand, midden in Uw boezem, tot aan het einde? Toch is God van eeuwigheid onze Koning: Hij bewerkt verlossing in het midden der aarde. Door Uw Macht zult Gij heersen over de zee; Gij verbrijzelt de koppen der draken op het water. Gij hebt de kop van de draak verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan de volken van Ethiopië.
Gij doet bronnen en beken ontspringen; Gij legt de stromen van Edom droog.
Van U is de dag en van U is de nacht; Gij hebt het zonlicht geschapen.
Gij hebt alle schoonheid der aarde gevormd: zomer en lente hebt Gij gemaakt; gedenkt toch Uw eigen schepping.
De vijand heeft de Heer gehoond, een dwaas volk heeft Uw naam getergd.
Lever de ziel van die U belijdt niet over aan de wilde dieren; vergeet niet voor immer de zielen van Uw armen.
Zie neer op Uw Verbond, want de donkere hoeken der aarde zijn huizen vol van onrecht. Wijs de vernederden en beschaamden niet af; de arme en behoeftige zullen Uw naam loven.
Sta op, God, verdedig Uw rechtszaak; gedenk de beledigingen die dwazen U aandoen, heel de dag. Vergeet niet de stem van wie U smeken, want de hoogmoed van wie U haten verheft zich steeds meer tegen UPsalm 73[74] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Antiocheens Orthodox in Amersfoort

  O Heer en Meester van ons leven,
open ons de ogen van onze geest om
Uw pedagogie, Uw Blijde Boodschap te begrijpen; laat in ons de vrees voor Uw gezegende geboden opboeien, opdat
wij op een geestelijke manier Ue Hemels Koninkrijk, Uw manier van leven mogen binnengaan’.
conf. het Liturgisch gebed
vóórafgaand aan het lezen
van de Heilige Schrift.

Pedagogie
– I. – Wat probeert onze Heer en Verlosser ons met Zijn Woord duidelijk te maken:
    Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwenJohn.8: 51.
1.]. De Wet, werd in de Geest uitgevaardigd  en vindt z’n uitwerking in het Koninkrijk der Hemelen, het Paradijs, werd heruitgegeven op de berg Sinaï en is nog eens benadrukt door de Bergrede.
Deze Wet werd ons ècht niet gegeven om bij ons een gevoel van zonde op te wekken, te creëren. Zij benadrukt ons, drukt ons op het hart dat wij allen – niemand uitgezonderd – behoefte hebben aan de Heer als Verlosser en Redder en zo het uiteindelijk levensdoel kunnen bereiken.
2.]. Het Woord van het Evangelie is overeenkomst datgene wat Paulus zegt:
      Want de Wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van  de Wet van de zonde en van de dood. Want wat de Wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees – God heeft, door Zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat van de zonde gelijk, en wèl om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees” Rom.8: 2, 3.
De Wet is de storm die de reiziger naar het asielcentrum [de Kerk] drijft, de veroordeling waar de crimineel naar op zoek is en de middelen gebruikt om een uitstel te verzekeren.

– II. – Wat staat je vervolgens voor ogen om hier uitdrukking aan te geven:
1.]. Lees Zijn Woord met eigen ogen zorgvuldig en constant, het liefst hardop.
2.]. Laat de inhoud van de tekst binnendringen in je hart, m.a.w. ‘Het horen’:
Geloof komt door de Blijde Boodschap te horen!!!
3]. Wanneer het binnengedrongen is, blijft erop kauwen.
Datgene wat we grondig begrijpen, vergeten we namelijk niet snel.
4.]. Gehoorzaamheid betrachten geeft je als vanzelfsprekend de Genadegave om je naar Zijn Woord te gedragen

– III. – als beloning ontvang je bij wie van goed gedrag de blijvende gewaarwording van onze Heer en verlosser; je zult daarop nimmer geconfronteerd worden met:
1.]. de Geestelijke dood; het Woord dat Geest en Leven is, is het zaad van de Wedergeboorte.
2.]. de Eeuwige dood; alles wat Christus heeft geleerd is een Belofte van een gezegende Onsterfelijkheid, Die de bewaarder ervan zich door het onherroepelijk Geloof eigen heeft gemaakt.

Apostichen
tn.2.
    Gij hebt de Hemelen neergebogen om tot ons af te dalen, mijn Verlosser;
en zonder in wezen te veranderen hebt Gij uit de Maagd ons vlees op U genomen,
om ons vergeving te schenken”.

            God is van eeuwigheid onze Koning: Hij bewerkt Verlossing in het midden der aarde”.

tn.2.    Gij zijt het Woord van God, Die geheel in God verblijft,
maar Gij wilt mij opheffen uit de zonden waarin ik ten onder ga.
Maak mij aandachtig voor wat Gij mij schenkt in Uw medelijden”.

            Gedenk Uw Gemeente die Gij van den beginne Raff hebt vrijgekocht”.

tn.2.    Koning van het heelal, Gij hebt de grote Wijsheid,
waardoor de Vader, tezamen met de Heilige Geest,
de wereld zo heerlijk geschapen heeft”.

            Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.8.    Laat ons de schuilhoeken van onze gedachten reinigen,
zodat het licht van onze ziel kan stralen,
om Christus te aanschouwen.
In de overvloed van Zijn Barmhartigheid
is Hij in de Tempel
[van het hart] gekomen,
om de overwinning te behalen over de vijand,
en ons geslacht te verlossen door Zijn Lijden aan het Kruis,
en Zijn heerlijke Opstanding.
Laat ons daarom roepen:
Ondoorgrondelijke Heer, eer aan U”.

Pedagogie van de Heer onze God
1]. Levenshouding.
Wanneer een navolger van Christus het over de wil van God heeft dient deze allereerst stil te staan bij zijn persoonlijke houding ten opzichte van het Goddelijke.
    En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de Wil van God is, het goede, het welgevallige en het volkomene. Want krachtens de Genade, Die mij [Paulus] geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het Geloof, Dat God ieder van ons in het bijzonder heeft toebedeeldRom.12: 2,3.
Om God’s Wil in ons leven dus te ontdekken dienen we open te staan tot verandering. We dienen ‘vernieuwd’ te worden, op te staan en te leren om afgestemd op God te zijn.
Voorheen deden we waar we zelf maar zin in hadden, nu dienen we ons aan te leren om God’s stem te horen en Zijn wil voor ons leven te leren ontdekken.
Wie zoeken we eigenlijk? Zoeken we onszelf en onze eigen wil of zijn we werkelijk op zoek naar Gods Wil en wat Hij ons te bieden heeft en laten we de wereld voor wat die is: we zijn weliswaar ‘ìn’ de wereld, maar niet langer ‘vàn’ de wereld

2]. Wat heeft God’s wil in het vooruitzicht gesteld?
De Blijde Boodschap heeft ons verschillende richtlijnen voor ogen gesteld van
wàt Gods wil is voor ons leven:
2a.]. Onze heiliging:  Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de ontucht, dat ieder van u in heiliging en eerbaarheid zijn geestelijk houvast zal weten te verwerven, niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten, en dat men zijn broeder niet slecht zal behandelen of bedriegen in deze zaak, want de Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en nadrukkelijk betuigd hebben 1Thess.4: 3-6.
2b.]. persoonlijke verkondiging door je doen en laten:     Verkondigen, waartoe wij allen zijn aangesteld, is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat ‘alle’ mensen behouden worden en tot erkentenis van de Waarheid komen. Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd1Tim.2: 3-5.
2c.]. Dooft de Geest niet uit, veracht de Profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede, opdat dit je blijdschap zal geven:
Bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u” 1Thess.5: 16-18.
2d.].
  Wees een getuigenis niet alleen voor jezelf maar tevens voor je medebroeders/mede zusters:“   want als een van de getuigen, zoals uzelf, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in jouw gebeden voor allen worstelend, dat wij allen mogen [op-] staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil” conf. Col.4: 12.
De Profeet Micha geeft dit eveneens heel mooi weer, wanneer Hij verkondigt:
  Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Heer van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en deemoedig te wandelen met uw GodMicha 6: 8.
Bij elke stap die we ons voornemen kunnen we ons de volgende vragen stellen:
✥  Komt het ten goede van mijn relatie met God?
✥  Komt het ten goede van anderen?
✥  Komt het ten goede van mezelf?

3]. de praktijk van God’s wil te verstaan?
Er zijn twee praktische manieren om Gods wil te verstaan:
3a.]. Vanuit de relatie met God en je Christelijke vrienden:
Stel u de vraag: wie ben ik, waar voel ik mij goed bij, hoe heeft God mij gemaakt.
Welke taken en bekwaamheden heeft God mij gegeven.
Wat zou je zelf graag willen gaan ondernemen?
    Neemt de Blijde Boodschap ter ore [lees hardop] en hoort Mijn stem,
merkt op en hoort Mijn Woord! 
Is het altijd door, dat de ploeger ploegt om te zaaien, zijn land openscheurt en egt?
      Immers, als hij de oppervlakte gelijk gemaakt heeft, dan strooit hij dille en werpt komijn uit, en tarwe zaait hij op rijen, gerst in vakken en spelt langs de rand.
En zijn persoonlijke God onderricht hem over de juiste wijze en onderwijst hem.
Dille toch wordt niet met een dors-slede gedorst en over komijn rolt men geen wagenrad, maar dille wordt met een stok uitgeklopt en komijn met een roede.
Wordt broodkoren verbrijzeld? Men dorst het toch niet altijd door? Al drijft men er zijn wagenrad en zijn paarden overheen, men verbrijzelt het niet. Ook dit gaat van de Heer der heerscharen uit; Hij is wonderbaar van raad, groot van beleidIsaiah 28: 23-29.
Leg uw moeite en pijn voor in gebed bij God:
    Indien echter iemand van u in Wijsheid te kort schiet, dan dient hij/zij God daarom te bidden,  Die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem/haar gegeven wordenJac. 1:5 ; “   Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij GodPhil.4: 6.
Luister daadwerkelijk wat onze Heer ons heeft meegegeven:
    Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden: ‘ Indien jullie in Mijn Woord blijven, zijn jullie waarlijk discipelen van Mij en jullie zullen de Waarheid verstaan, en de Waarheid zal jullie  vrijmakenJohn.8: 31-32; “ De uiteenzetting van Uw Woorden schenkt licht, en maakt onmondigen verstandig” uit: Psalm.118[119].
3b.]. Wat zie je zoal om je heen?
Heeft God soms bepaalde deuren geopend of gesloten?
  Wij weten immers, dat God alle dingen doet medewerken ten
goede voor hen, die God liefhebben, die
volgens Zijn voornemen geroepenen zijn
Rom.8: 28.
Vraag raad, advies aan andere christenen:
plannen mislukken immers bij gebrek aan overleg, maar
door de veelheid van raadgevers komt iets werkelijk tot stand
Spreuken 15: 22, om van transparantie maar niet te spreken.
“ Doch wanneer de Geest der Waarheid  komt, zal
Hij ons de weg wijzen tot de volle Waarheid; want
Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar
al wat Hij hoort, zal Hij spreken en
de toekomst zal Hij ons allen tonen.
Zet derhalve je eigen verlangens opzij,
want Vrede en Rust worden slechts door God gegeven”
Joh. 16:13.

In alle sectoren en zeker die van een multiculturele kerkgemeenschap
is samenleven en werken van groot belang en die begint bij onderlinge communicatie en cultureel gelijkgestemd zijn.
Dat begint bij de Nederlandse taal en eerst dàn:
openbaart de Heer ons onze weg en
kun je op Hem en elkaar vertrouwen, wat
ons met elkaar te doen staat
Psalm 37: 5, en
kun je van ganser harte op de Heer vertrouwen en
niet langer op eigen inzicht terug vallen, want
Hij kent al onze wegen en
zal de paden recht maken
Spreuken 3: 5,6.
Je mag bevestiging verwachten van zowel Gods Woord als
van je mede-gelovigen van je gemeenschap en je omgeving op je werk of school zal zich afvragen wat is er toch met die culturele minderheidsgroep van de Antiochenen aan de hand.
Bid voor elke stap die u onderneemt en
volhard in de weg die je ‘mèt’ God gaat.
3c.]. Logisch vervolg.
• Is het duidelijk dat hetgeen wij doen God’s wil is?
• Is het duidelijk dat hetgeen wij tot nog toe gedaan hebben ‘niet’ God’s wil is?
Wanneer we blijven twijfelen:
durf dàn keuzes te maken, hoe tegenstrijdig, die
ook gevoelsmatig mogen overkomen,
God heeft ons daarmee immers de Vrijheid gegeven om
‘zelf’ beslissingen te nemen, wat wil je dan nog méér?

5e Zondag van Pascha – Zondag van de Samaritaanse – ‘naderen’ tot de Bron, meer dan vader Jaäcob wordt ‘dorsten’ hunkeren naar Het Koninkrijk God’s.

de Samaritaanse vrouw bij de bron, de heilige Ellen: Photini [Gr], Svetlana [Russ] by Liesbeth Smulders

    Hij kwam dan in een stad van Samaria [Hebr.= ‘wacht-berg’], genaamd Sichar [Hebr.=‘verdord’], dicht bij het veld, dat Jaäcob [Hebr.=‘hielenlichter’] aan zijn zoon Jozef [Hebr.=‘de Heer heeft toegevoegd’] gegeven had; daar was de bron van Jaäcob [die later Israël, de Kerk zou gaan heten].
Jezus
[Hebr.= ‘de Heer is redding’] nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur.
Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten.
Jezus zei tot haar:
      ‘Geef Mij te drinken. Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen’.
De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem:
        ‘Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?.
Want Joden gaan niet om met Samaritanen.
Jezus antwoordde en zei tot haar:

Wat dienen we hiervan te leren?; What should we learn from this?; Τι πρέπει να μάθουμε από αυτό?; ما الذي يجب أن نتعلمه من هذا؟

    ‘Indien gij wist van de Gave God’s en Wie het is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’.
Zij zei tot Hem:
      ‘Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water?  Zijt Gij soms méér dàn onze vader Jaäcob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’.
Jezus antwoordde en zei tot haar:
    ‘Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwige leven’.
De vrouw zeide tot Hem:
      ‘Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef
te gaan om te putten’.
Hij zeide tot haar:

Wie van de 5 mannen was ‘echt‘ haar man?; Which of the 5 men was ‘really‘ her husband?

      ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’.
De vrouw antwoordde en zeide:
      ‘Ik heb geen man’.
Jezus zei tot haar:
      ‘Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken’.
De vrouw zeide tot Hem:
      ‘Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden’.
Jezus zei tot haar:

De Grote Opdracht is Lofprijzen & Aanbidding; The Big Assignment is Praise & Worship; Η μεγάλη ανάθεση είναι ο έπαινος και η λατρεία; المهمة الكبيرة هي الحمد والعبادة

    ‘Geloof Mij, vrouw, het uur komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar het uur komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid’.
De vrouw zei tot Hem:
      ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die
komt, zal Hij ons alles verkondigen’.
Jezus zeide tot haar:
   
‘Ik, die met u spreek, ben het’.
En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zeide niemand: Wat zoekt Gij, of: Waarom spreekt Gij met haar?
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de mensen: ‘ Komt mee en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?’.
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem.
Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: ‘Rabbi, eet’. Hij zei echter tot hen:
    ‘Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet’.
De discipelen dan zeiden tot elkander: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’. Jezus zei tot hen:
    ‘Mijn spijze is de Wil te doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier zal verblijden. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt’.
En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord, en zij zeiden tot de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland van de wereld isJohn.4: 5-42.

    Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stephanos [Hebr.=‘gekroond’] plaats vond, trokken verder tot Fenicië [land van palmbomen], Cyprus [Hebr.=‘liefde: een bloesem’] en Antiochië [Hebr.=‘gedreven tegen’] toe, zonder tot iemand het Woord te spreken dan alleen tot de Joden.
Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense [Hebr.’Cyrene’ = ‘suprematie van de teugel’] mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken [Hebr. Griekenland =‘niet standvastig’] spraken en hun de Heer Jezus predikten.
En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het Geloof en bekeerde zich tot de Heer. En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië.

Paulus en Barnabas via de Heilige Geest afgezonderd.

Toen deze aankwam en de Genade God’s zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heer trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van Geloof.
En een brede schare werd de Heer toegevoegd.
En hij vertrok naar Tarsus
[Hebr.= ‘chrysoliet, gele jaspis’] om Saulus [Hebr.=‘verlangd’] te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië.
En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.
En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; en een uit hen, genaamd Agabus [Hebr.=‘sprinkhaan’], stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius [Hebr. =‘kreupel’].
En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten
door de hand van Barnabas [Hebr.=‘zoon van rust’] en Saulus [Hebr.=‘verlangd’]“ Hand.11: 19-30.

“     Zie, ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de Heer, mijn God mij geboden had, opdat gij aldus zoudt doen in het land, dat gij in bezit gaat nemen.
Onderhoudt ze dan naarstig, want dàt zal uw Wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen van de volkeren, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen:
  Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie  Deut.4: 5-6.

op het kruispunt; at the intersection

       God plaatste Zijn Volk, het volk van Israël, op het kruispunt van de wereld, om  als voorbeeld te dienen voor de buurlanden, evenals voor degenen die de handelsroutes van de regio zouden doorlopen.
Het Israëlische Volk diende een levend voorbeeld te zijn van God’s Genadegaven/zegeningen,  die hen te wachten stonden als ze Zijn Goddelijke wetten zouden gehoorzaamden.

Helaas was dit niet het geval.
Israël rebelleerde tegen zijn Schepper en  werd een voorbeeld van wat er gebeurt met landen die God ongehoorzaam zijn.
Dit land werd onophoudelijk binnengevallen en vernietigd en
de meeste overlevenden werden verbannen
tot het herstel van de staat Israël in 1948.
Heden ten dage, 26 eeuwen ná Deuteronomium, blijft
dit land het hart van verschillende conflicten in de wereld.
En het zal een laatste crescendo bereiken bij
de wederkomst van onze Heer en Verlosser Jezus Christus.
Let op de woorden van God op de mond van de Profeet:
Dàn zal Ik alle volkeren tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen ….. de helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het Volk zal in de stad niet uitgeroeid worden.
Dàn zal de Heer uittrekken om tegen die volkeren te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijgZach.14: 2,3.

Dubbelhartig handelen en de val van Jeruzalem

Jeremia, by Tissot

In Profetieën voorafgaand aan
Jeremia werd al op
allerlei manieren gezinspeeld op
het herstel van het Verbond.
Bij Jeremia komt die thematiek tot een climax.
De Heer voorzegt dat Hij – het initiatief ligt geheel bij Hem
in de toekomst een nieuw Verbond zal sluiten met
het huis van Israël en het huis van Juda Jeremia 31: 31.
Dit Nieuwe verbond is niet zoals het Verbond dat de Heer met de voorouders sloot, toen  Hij hen bij de hand nam en hen uit het land Egypte voerde Jeremia 31: 32.
       Gedoeld wordt op de sluiting van het Verbond op de berg Sinaï Exodus 19-24.
Het Volk heeft het Verbond echter verbroken, ondanks dat het Hem toebehoorde.
Het Nieuwe verbond dat de Heer in de toekomst met het huis van Israël zal sluiten, houdt in dat Hij Zijn Thora, dat is Zijn pedagogie/onderwijzing, in hun binnenste zal leggen en in hun hart zal schrijven Jeremia 31: 33.
Dat reikt toch vèrder dan de sluiting van het Verbond op de Sinaï [Hebr.=‘doornachtig’], toen de Heer Zijn Wet op stenen tafelen schreef Exodus 24: 12; vgl. Deut.27: 8.
     Weliswaar komt in Deuteronomium al het ideaal naar voren dat
de Israëlieten God’s woorden in hun hart bewaren Deut.6: 6;11: 13-18 en
wordt vooruitgekeken naar een herstel van het Verbond waarbij de Heer het hart van het volk zal besnijden Deut.30: 6; vgl. Jeremia 9: 26, maar dit ideaal is in vroeger tijd nog niet verwezenlijkt.
     Deuteronomium en Jeremia geven aan dat het probleem is dat
het hart van de Israëlieten niet op de Heer gericht is en
gekenmerkt wordt door halsstarrigheid en verdorvenheid Deut.10: 16; 29: 48;
Jeremia 4: 14,18; 9: 11-13;13: 10
.
Jeremia zegt zelfs dat de zonde diep in het hart van de Israëlieten gegrift staat Jeremia 17: 1.
     De Israëlieten zijn niet in staat gebleken de woorden van de Heer in hun hart te bewaren.
Daarom is het een troostrijk vooruitzicht dat de Heer bij deze nieuwe sluiting van het Verbond Zelf Zijn Wet in de harten zal schrijven. Zó bewerkt Hij een innerlijke verandering, die ertoe leidt dat het God’s Volk eindelijk kàn en wìl leven in gehoorzaamheid aan de Heer vgl. Jeremia 24: 7; Ezechiël 11: 19-20.
Zó kan er werkelijk sprake zijn van herstel van de verbondsrelatie
    Ik zal hen tot een God zijn en zij zullen Mij tot een [God’s-] Volk zijnJeremia 30: 22; vgl. Exodus 6: 6.

Transparantie, Heelheid.

Het water en de Samaritaanse vrouw

De ontmoeting met de Samaritaanse en het water dat je drinkt en
waarvan je weer dorst zal krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat
Christus ons zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, doet
mij denken aan de periode dat je als kind verstoppertje speelde.
Een deel van het plezier was hèt gevònden worden.
Onze Heer en Verlosser vertelt ons dat
– ‘de kern van aanbidding’ -‘het eren van God is’- ,
voor de Verlossing, Die Hij als Vader tòt ons brengt.  

Vandaag herinnert Hij ons eraan dat
‘ – God ons zoekt terwijl wij Hem aanbidden – ‘.
Wanneer wij God benaderen om Hem te aanbidden
dienen wij te beseffen dat God op dàt moment
naar ons toesnelt ‘om ons te ontmoeten en
ons te verwelkomen in zijn Heilige nabijheid
‘.
God zoekt ons, dit is wáár-àchtig een on-Geloof-lijke gedachte.  

Maar is dàt ook niet het beeld dat wij van God hebben, wanneer
wij kijken naar Zijn ontmoeting met de geschapen mens in
de koelte van de tuin, het Paradijs?
God verlangt ernaar om niet alleen
onze aanbidding te ontvangen, maar
ook om bij ons te zijn.

Het Woord dat ons verbindt

                                   In bovenstaande lezingen van de Zondag van de Samaritaanse spreekt Christus, zowel als de navolgers van Christus, de Apostelen
al de mensen van al de tijden dusdanig aan dat wij genezen:
dat wij ziende ‘niet langer blind’ en horende ‘niet langer doof
geacht behoren te zijn en
ons niet door de wereld, de verdrukking te laten misleiden.


Het Christendom houdt van Transparantie;
De Boodschap dient helder te zijn en
er mag absoluut geen misverstand ontstaan, waardoor
de mens opnieuw tot dubbelhartigheid vervalt.
                                   Dubbelhartigheid wil zeggen dat je jezelf enerzijds
– door je te laten dopen, je door Christus te laten bekleden – verkondigt, maar
dat je maar wàt doet [aanmoddert] en niet tot de kern van het Christendom doordringt.
Je laat je weliswaar met de Myron van de Heilige Geest zalven, maar
zet het gewone leventje van de wereld op oorspronkelijke wijze voort.
De weg als navolger van Christus te gaan is
de God van uittocht en bevrijding eer brengen en
los komen van alle andere niet-goden door wie wij ons zo
vaak laten leiden, misleiden en sturen.
– Het gaat dus om het zichtbaar maken van deze omslag,
deze andere manier van denken over God,
de taak van de theologie:
het in elke tijd opnieuw zichtbaar maken wat er in een samenleving als God functioneert:
status, geld, de Vrije Markt, de nieuwste telefoon, de man heersend over de vrouw en de witte mens heersend over de zwarte mens.
daarop volgt als taak van de kerk, om de goden te identificeren, ze zichtbaar te maken en te ontmantelen.

♨︎🌈♨︎ De Wet, de Thora en de boeken van de profeten en de psalmen staan in
het teken van een visioen:
1.]. dat deze aarde ooit bewoonbaar zal zijn.
2.]. Dat deze wereld ooit voor allen zal zijn.
3.]. Dat er ooit leven is tegen alle duisternis in.
            Het dichterbij brengen en realiseren van dat visioen vraagt
niet om koningen te paard, om machthebbers die afdwingen.
            Het visioen van bevrijding uit alles wat leven onmogelijk maakt
komt volgens de joodse geschriften dichterbij in de mens
die bereid is om dienstknecht te zijn,
die bereid is om het lijden op zich te nemen en
dwars door de duisternis heen licht te zijn voor wie geen uitzicht heeft.
            In een tijd dat er bijna geen sprake meer was van een volk Israël, omdat
het door bezetters en achtervolging gekleineerd, uitgemoord en uitgebuit werd,
waren er kleine groepen die tegen alles in volhielden.
            Onder hen de volgelingen van de om het leven gebracht Jezus van Nazareth;
          Hij was een waarachtige leraar, de Zoon van God.
          Zij hadden in Hem woorden uit de Thora, de profeten en de psalmen herkend en ze begonnen Zijn levensverhaal op te schrijven.
          De beelden uit de joodse geschriften gebruikten ze om Hem te duiden:
Rechtvaardige, Mensenzoon, Dienstknecht, Messias.
         Ze plaatsten Hem als hun ‘Heer en Meester van hun leven’ in
de lange traditie van Zijn en hun eigen Geloof in God, de Vader.

Het Heden nu betreden
Om een nieuw verval te voorkomen wordt in de Orthodoxe kloosters op de
Zondag van de Samaritaanse aandacht geschonken aan de profetie van Jeremia:
Maar u wendde u af en ontheiligde Mijn Naam om elke mannelijke en vrouwelijke dienaar van Hem terug te brengen, die u in hun ziel vrijlaat, om nogmaals uw mannelijke en vrouwelijke bedienden te worden“ conf. Jeremia 34: 16.
De belegering door de Babyloniërs, de onderdrukkers legde zware tegenspoed op aan de bevolking van Jeruzalem. Koning Zedekia stelt aan het volk voor “dat elke man zijn dienstknecht vrij moet maken – elke mannelijke en vrouwelijke dienaar van hem, de Hebreeuwse man en de Hebreeuwse vrouw – dat geen enkele man van Juda een dienaar mag zijnJeremia 34: 9.
Het kennelijke doel is om de gehele bevolking te mobiliseren in de oorlogsinspanning.
In ieder geval, “de heersers van Juda en de sterke mannen, en de priesters en het volkJeremia 34: 19,  sluiten een plechtig verbond om degenen die gebonden zijn te bevrijden.
In de formele ceremonie die wordt gebruikt voor het “snijden” of het sluiten van een Verbond conf. Gen.15: 9-17, wordt een kalf in tweeën gedeeld.
Degenen die het Verbond binnengaan, moeten tussen de twee delen doorgaan Jeremia 34: 18 voor de Heer in zijn tempel Jeremia 34: 15.
Ná de bevrijding van de slaven, wordt de belegering van Jeruzalem tijdelijk opgeheven omdat de Babyloniërs een Egyptisch leger dienen te confronteren dat op weg is naar de stad.
Hoewel de stilte in gevechten eenvoudig het oog van de orkaan is,
klampen de verdedigers zich vast aan de hoop dat  de Chaldeeërs zeker van ons zullen vertrekken“, hoewel de Heer heeft gezegd: “Zij zullen niet vertrekkenJeremia 37: 9.
Vanwege deze ijdele hoop verloochenen de belegerde mensen van Jeruzalem zich over het Verbond dat ze zojuist hadden gesloten om hen te bevrijden.
Ze brengen “elke mannelijke en vrouwelijke dienaar terug. . . die [zij] bevrijden ” en hen opnieuw tot slaaf maken Jeremia 34: 16.
Echter, afwijzen wat we beloven aan een andere persoon dan aan God
reikt diep in de essentie van de zonde.
Het wordt een opstand tegen de Heer en
laat ons openstaan ​​voor ernstige geestelijke,
psychologische en fysieke gevolgen.
Zoals we weten, dwongen de Babyloniërs de troepen van Farao
zich terug te trekken en vervolgden hun aanval, waarbij
ze uiteindelijk de muren overhielden en Jeruzalem verwoestten.

Laten we ons bewust zijn van deze gevolgen wanneer we plechtige afspraken maken, ongeacht of ze geloften zijn aan God of aan onze medemensen.
Alle gedachten, acties en afspraken worden gemaakt in de ogen van de Heer Jeremia 34: 15.
Dubbelzijdig handelen ontsnapt nooit aan Zijn aandacht.

De Heer zet Zijn Pedagogie helder uiteen; The Lord clearly explains His Pedagogy; Ο Κύριος εξηγεί σαφώς την Παιδαγωγία Του; يفسر الرب بوضوح علمه التربوي

De Heer en Verlosser, Jezus, de Christus waarschuwt:
Er is niets bedekt dat niet zal worden geopenbaard,
noch verborgen dat niet zal worden gekend.
Daarom zal alles wat je in het donker hebt gesproken
in het licht worden gehoord, en wat
je in je oor in binnenkamers hebt gesproken,
zal op de daken worden verkondigd
Luc.12: 2-3.
Door onze woorden, contracten en daden zijn wij
verantwoording verschuldigd aan God;
uit-eindelijk kunnen we niet ontsnappen
aan fraude of dubbelhartigheid.

God’s wetten zijn gebaseerd op Zijn aard en Zijn doel.
Het overtreden van andermans vertrouwen is zondig,
onnatuurlijk en nodigt uit tot een ramp Jeremia 34: 13-14.
De verdedigers van Jeruzalem vergaten hun oorsprong, want
zij waren slaven in Egypte geweest totdat God hen bevrijdde.
Hij verwacht van hen dat ze anderen nooit permanent binden.
Hij beperkt specifiek dienstbaarheid, zelfs wanneer het vrijwillig is:
Als je broeder met jou armoedig wordt en zichzelf aan jou verkoopt,
zul je hem niet dwingen om jou als een slaaf te dienen.
Maar als een ingehuurde dienaar of een bijwoner,
zal hij bij je zijn en voor je werken tot het jaar van de kwijtschelding
Lev.25: 39-40.
God bepaalt vaste grenzen voor al onze woorden en handelingen!

God zet de consequenties uiteen voor het breken van beloften:
de teloopse gave van vrijheid zou vergeving schenken
voor het zwaard en voor de dood en hongersnoodJeremia 34: 17.
Het verdeelde kalf dat wordt gegeten tijdens de ceremonies van het Verbond
blijkt een symbool te zijn van het menselijk lichaam, dat
voedsel wordt voor de vogels en de beesten Jeremia 34: 20.
Overweeg zorgvuldig!
De ondergang van Jeruzalem leert ons wat
de verschrikkelijke gevolgen zijn van
dubbelhartig handelen Jeremia 34: 21,22.
De weg des Heren gaan is
onze enige redding van  de uitkomst die
dubbelhartigheid voorzeker teweeg brengt.

  O Meester, medelevende Koning van alles,
bewaar ons in Uw heiligmaking;
bevestig ons in het orthodoxe Geloof;
behoud onze ziel in zuiverheid en oprechtheid
door de vrees voor U te bewaren
” – gebed bij een zalving.

Apolytikion
tn.4.
    Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding, en
van de bevrijding van de veroordeling van de Stamouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden
riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan, en
heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion
tn.8.
    Met Geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron,
daar aanschouwde zij U, het Water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had,
begeerde zij dorstig het Koninkrijk uit den hoge,
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid
”.

Theotokion
tn.4. 
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen
onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden, en
heeft Hij om ons vrijwillig het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerste onder de geschapenen
weer opgewekt en onze zielen uit de dood verlost
”.

31 Mei, Apostel Hermas van de 70 – bekleed je met de Christelijke liefde, die ons allen samenbindt in perfecte harmonie

Christus Pantocrator, Alexander Nevsky kerk, Belgrado.

    Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weer te nemen.
Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weer te nemen; dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
      Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om die woorden. En velen van hen zeiden: Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luisteren jullie [nog langer] naar Hem?
Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden voor een bezetene, een boze geest kan toch de ogen van blinden niet openen?
      Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.
En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem:
      Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning?
Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
Jezus antwoordde hun:
      Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet; de werken, die Ik doe in de Naam van
Mijn Vader, die getuigen van Mij; maar jullie geloven niet, omdat jullie niet tot Mijn schapen behoren. Mijn schapen horen naar Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en  Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid“ John.10:17-28a.

Stained Glass Windows, by Sigmar Polke, from agate slices in the Grossmünster Cathedral Zurich

  Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld.
Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Heer u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.
En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der Volmaaktheid.
En de Vrede van Christus, tot welke gij immers in een Lichaam geroepen zijt zal regeren in uw harten; en weest daarvoor dankbaar.
Het Woord van Christus zal rijkelijk in u wonen, zodat jullie in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingend,  aan God dank brengt in uw hartenCol.3: 12-16.

    Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de Wet van Mozes te houden. En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.
      En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven.
     En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het Geloof hun hart reinigende.
     Nu dan, wat stelt jullie God op de proef door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen?
     Maar door de Genade van de Heer Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij.
     En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen [o.a. in Antiochië] gedaan hadHand. 15: 5-12.

    Het Volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot Licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een Licht.
Gij [de Heer, onze God] hebt het Volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor Uw Aangezicht als met de Vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit.
      Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij [de Heer, onze God] verbroken als op Midjansdag. Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur.
      Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de Heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst“ Isaiah 9: 1-5.

Jerusalem, miniatur der stadt im jahre 33

Vandaag staan er andere lezingen op oud-testamentische agenda [Jeremia 44] met betrekking tot de rampspoed, die God over Jerusalem en al de steden van Juda heeft gebracht [zie, zij zijn immers een puinhoop heden ten dage en niemand woont erin].
Maar ik zie al genoeg ellende om mij heen en hou me derhalve vandaag bezig met een positieve kijk op de [toekomstige] geschiedenis van de Kerk, verwoord in bovenstaande lezing van Isaiah. We leven immer in de Paastijd en na de Hemelvaart des Heren verwachten wij de nederdaling van de Goddelijke Geest. Bovendien hebben wij respect en waardering te betonen aan de voorouders van Christus, die net als wij door schade en schande Goddelijke Wijsheid en Genade hebben verkregen, waarvan wij alleen maar kunnen leren; daarom is ook de val van Jerusalem door Egypte van de beschreven periode door Jeremia & Baruch voor ons een tragisch gebeuren.
We kijken liever naar de Midjansdag, welke is als een bevrijdingsdag van Israël [de Kerk], waarop nog in de dagen van Isaiah 9: 3; 10: 26 met vreugde wordt terug gezien.
We pakken daarom het Psalterion erbij om verder uit de mond van Asaf slechts strijdlustige woorden te vernemen over hen
die het voortbestaan van het Volk van God bedreigen:

    God, wie is met U te vergelijken? Zwijg niet, houdt U niet stil, o God.
Want zie, Uw vijanden zijn luidruchtig; die U haten heffen het hoofd.
Zij smeden slechte plannen tegen Uw Volk: zij spannen samen tegen Uw heiligen.
Zij zeiden: Komt, laat ons hen vernietigen uit de volkeren, opdat er geen herinnering meer zij aan de Naam van Israël [de Kerk]. Want eensgezind hebben zij overlegd, gezamenlijk hebben zij een verbond gesloten tegen U.
De tenten der Idumeërs en Ismaelieten; * Moab en de Agarenen, Gebal, Amon en Amalek. De vreemdelingen met de inwoners van Tyros, zelfs Assur heeft zich bij hen aangesloten, om hulp te brengen aan de zonen van Lot.
Doe met hen als Madian en Sisara, als met Jabin bij de beek Kisson.
Die te gronde gingen in Endor, waar zij werden tot mest voor het land.
Doe met hun vorsten als met Oreb en Zeb; * als met Zebeë en Salmana aan al hun  aanvoerders. Zij hebben immers gezegd: Laat ons het Altaar Gods als erfdeel bezitten. Mijn God, maak hen tot dwarrelend stof, als kaf voor het aangezicht van de wind. Als vuur dat het woud verbrandt, als de vlam die bergen verteert. Zo zal het zijn als Gij hen vervolgt in Uw storm, en Gij hen doet ontstellen over Uw toorn.
Overdek hun aangezicht met schaamte, zodat zij Uw naam zoeken, o Heer.
Zij worden beschaamd en ontsteld in de eeuwen der eeuwen; zij zullen in verwarring raken en vergaan. Dàn zullen zij weten dat Uw Naam is: Heer, en dat Gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aardePsalm 82[83] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostel Hermas van Philippo- polis

Zo dat lucht op
dàn kunnen we nú verder met
het heilige van vandaag, de Apostel Hermas.

Apostelen Hermas, Patrobas, Gaius, Linus & Philologos van de zeventig

Tientallen navolgers van onze Heer en Verlosser werden gekozen om Hem en de Twaalf Apostelen te vergezellen bij de prediking van de Blijde Boodschap, de Pedagogie van de Heer. Vele van de oorspronkelijke navolgelingen waren verontwaardigd en geschokt nadat onze Heer Zichzelf in de synagoge in Kapharnaüm het Levende Brood had genoemd John.6: 35-58. Zij ergerden zich aan Hem en toen Hij hun zei dat zij niet in staat waren te geloven tenzij God de Vader hen daartoe had uitverkoren, haakten vele van hen af.
Zij keerden Hem de rug toe en trokken niet langer met Hem op John.6: 66-67. Omdat het merendeel van hen Onze Heer en Verlosser de rug had toegekeerd, werden zij na de Hemelvaart vervangen door anderen. Samen vormden zij het college van de 70 Apostelen. Zij legden de basis van de eerste christengemeenschappen en in de Orthodoxe Kerk worden zij allen tot op de dag van vandaag als heiligen vereerd.

•     Naast de Canonieke Christelijke Leer, welke wij uit de Heilige Schrift kennen bestaan er geschriften uit de begin periode van de Kerk  welke niet in de officiële leerstukken zijn opgenomen. Daaronder is onder andere de ‘Didache’, welke diende als een verder onderricht na de verkondiging van het ‘kerygma’.
Bij het ‘Kerygma’ hoorde men ‘ Wie onze Heer is, God en mens, de gekruisigde en verrezen Verlosser; in de ‘Didache’ hoorde men hoe men Hem diende te volgen.
•   Het meest verwant met het geschrift de ‘Didache’  is er een uiterst bijzonder getuigenis uit de vroeg-Christelijke Kerk bekend als ‘de herder van Hermas’.
Na de Openbaring van Johannes, is dit het eerste geschrift wat
visioenen bevat en beschrijft.

Schrijver en geschrift.

The Shepherd of Hermas, or the Good Shepherd, 3rd century, Catacombs of Rome

Het geschrift is naar alle waarschijnlijkheid in te 2e eeuw geschreven en aan de naam van deze Apostel van de 70, Hermas toegewezen.
De ik-persoon is Hermas, een vrijgelaten slaaf. Hij heeft vrouw en kinderen, bebouwd een akker en verhandelt zijn waar. Hij woont in Rome, de 12 Apostelen zijn al overleden en de vervolgingen duren voort. Hij meldt dat er één bisschop in Rome is, en dat was in de periode van 70 – 150 na Christus. maar de Kerk tekent hij af als al verder ontwikkeld.
Bijvoorbeeld in de zorg voor weduwen en wezen en de vrijkoop van christelijke slaven. Dus het geschrift zal eerder uit de periode vlak vóór 150 na Chr. dateren.
Spanningen komen ook aan de orde, tussen rijke en arme christenen, tussen getrouwen en zondaars. Het werk heeft een bijzondere opbouw.
Eerst beschrijft Hermas vijf visioenen.
Een oude dame verschijnt hem, die gaande weg de visioenen jonger wordt!
Zij roept op tot bekering. Zij is de Kerk die ‘jonger’ wordt naar mate de christenen deugdzamer leven en volharden in de vervolgingen.
In het vijfde visioen treedt een Herder op, als de spelleider, de Pastor.
Het geschrift dank zijn naam aan deze Herder: Herder van Hermas.
De Herder is een Engel en geeft Hermas 12 aansporingen (mandata) en
10 gelijkenissen (similitudines) mee, die het tweede en derde deel van het geschrift vormen.
De overleveringen gaan over Geloof, Vreugde, Waarachtigheid, Kuisheid, Geduld, Opgewektheid, tegen valse profeten, en over de onderscheiding tussen goede en slechte verlangens.
Hermas vraagt hoe iemand dat allemaal ooit wáár kan maken:
‘ door zijn persoonlijke inzet, vanuit een sterke wil, is het antwoord’.
De 10 vormen vertellen in beelden over de hemel,
goede en slechte christenen, van martelaren tot afvalligen en over de deugden.
Hermas zelf leert vasten, om geld aan de armen te geven en
zijn lichaam in toom te houden, en hoort de aansporing van Christus dat
de deugden zijn huis [als goede geesten] dienen te bewonen.
Het geheel heeft geen duidelijk structuur maar is een aansporing tot
bekering met het oog op de eindtijd en de zorg voor de armen.

de offertafel van God’s Woord

God de Vader is de Heer, de Schepper en Schenker. Jezus is de Heer, Verlosser die in het vlees kwam voor ons.
De Heilige Geest bewerkt de visioenen, helpt ons in een deugdzame levenswandel en weert de verkeerde geesten. De Kerk wordt getekend als een vrouw, die handelt en spreekt.
Zij is de echte heilige Kerk, met het oog op deze Kerk is de wereld geschapen.
Zondaars worden niet verstoten maar opgeroepen tot bekering.

Teksten

De Alheilige Moeder Gods, abdes van de berg Athos

”  De Vrouw verschijnt terwijl ik dit bij mijzelf overweeg en
in mijn binnenste beoordeel, zie ik voor mij een blanken zetel,  hoog opgebouwd uit sneeuwwitte wol; en er kwam een oude vrouw en zij ging alleen zitten en groette mij:
Wees gegroet, Hermas’.
En treurend en wenend zei ik: ‘Wees gegroet, meesteres’.
En zij sprak tot mij:
‘Wat ben je bedroefd, Hermas, gij, die anders lankmoedig zijt en vredelievend en altijd lacht; wat kijk je zo terneergeslagen en niet vrolijk?’.
En ik zei haar:
‘Wegens een allerbeste vrouw, die mij zei, dat ik jegens haar gezondigd had’.
Maar zij sprak: ‘Bij een dienaar Gods komt zo’n daad niet voor’. […]
Nadat zij die woorden beëindigd had sprak zij tot mij:
‘Wil je mij horen lezen?’ En ik zei: ‘Ja, meesteres’.
Ze zei mij: ‘Luister dàn en verneem de lofprijzingen van God’.
Ik vernam grootse en wondervolle dingen, die ik niet onthouden kon; want
al die woorden zijn schrikwekkend, zodat een mens ze niet kan dragen.
Maar de laatste woorden heb ik onthouden, want het
verplaatst hemelen en bergen en heuvels en zeeën en
alles wordt effen voor zijn uitverkorenen, opdat
Hij hun de belofte zou doen geworden, die Hij beloofd had met
veel heerlijkheid en vreugde, wanneer zij
de geboden God’s zullen onderhouden, die
zij in groot geloof ontvangen hebben’.
Toen zij nu had opgehouden met voorlezen en
was opgestaan van de zetel, kwamen
er vier jongelingen en namen de zetel op en
gingen heen naar het Oosten.
Zij echter riep mij en raakte mijn borst aan en
sprak tot mij: ‘Beviel je mijn lezing?’.
En ik zei haar: ‘Meesteres, dat laatste beviel mij wel, maar het voorafgaande was moeilijk en hard’.
Maar zij sprak tot mij: ‘Dat laatste is voor de gerechten, maar het voorafgaande voor de heidenen en de afvalligen’.
Terwijl zij nog met mij sprak kwamen de jongelingen en namen haar bij de armen en gingen heen, waar ook de zetel was, naar het Oosten.
Zij echter ging opgewekt heen en zei mij, al gaande:
Wees flink, Hermas’”
uit: Visioen I, nrs. 2, 3 en 4.

De jeugdige Kerk
”     In het tweede visioen was zij staande en met jeugdiger gelaat en vrolijker dan de eerste keer, maar haar huid en haren waren toch oud.
Verneem ook deze gelijkenis:
‘    Wanneer een ouder iemand zichzelf reeds heeft opgegeven wegens zijn zwakheid en behoeftigheid en niets anders meer verwacht dan de laatste dag van zijn leven, maar dan valt hem plotseling een erfenis te beurt en
als hij dat hoort staat hij op en wordt vrolijk en
hervindt zijn kracht en blijft niet meer liggen maar
staat overeind en zijn geest, die reeds vertroebeld was door zijn vroegere daden, vernieuwt zicht en hij zit daar niet meer neer, maar
treedt manhaftig op, zo ook jullie, nadat je de openbaring vernomen had, die
de Heer je onthuld heeft.
Want Hij heeft Zich over jullie ontfermd en je geest heeft zich weer vernieuwd en
je bent verstrekt in het Geloof en de Heer verheugde Zich toen
Hij je versterkt zag: daarom heeft Hij jullie de torenbouw getoond en
zal Hij nog andere dingen tonen, als ge van ganser harte vrede hebt met elkander‘.
In het derde visioen nu zag je haar jeugdig en schoon en vrolijk en schoon van gestalte. Immers, evenals wanneer iemand, die bedroefd is,
een goede tijding ontvangt, hij aanstonds zijn vroegere smarten vergeten is en
hij nergens anders meer op let dan op die tijding die hij vernomen heeft en
voor het vervolg verstrekt wordt in het goede en
zijn geest vernieuwd wordt door de vreugde die hij ondervond,
zó hebt ook gij een vernieuwing van uw geest ondergaan bij
het zien van die goede dingen.
En dat gij haar op een bank zag zitten, dat is een stevige positie, omdat
de bank vier poten heeft en stevig staat.
Immers ook de wereld steunt op de vier elementen.
Zij nu, die volledig boete doen, zullen als nieuw zijn en
stevig bevestigd als zij zich namelijk van ganse harte bekeren.
Dáár heb je nu de gehele onthulling en vraag nu niets meer over openbaringen;
maar als er nog eens iets nodig is, dan zal het je geopenbaard worden.
uit: het Visioen III, nrs. 12 en 13

Christus is de rots en de poort

Christus bidt en zegent

‘Voor alles, Heer, zo zei ik, verklaar mij dit: de rots en de poort, wat betekenen die?’.
‘Die rots’, zei hij [de Herder, de engel],’en de poort dat is de Zoon van God’.
‘Hoe dan?’, zei ik, ‘de rots is toch oud en poort nieuw’.
‘Luister’, sprak hij, ‘en begrijp het dan, domkop. De Zoon van God is ouder dan heel de schepping, zodat Hij de raadsman was van Zijn Vader bij Diens scheppingswerk; daarom ook is Hij oud’.
‘Maar waarom, Heer,’ vroeg ik, ‘is de poort dan nieuw?’
‘Omdat Hij in de laatste dagen der voleinding openbaar werd; daarom
werd de poort nieuw, opdat zij, die gered zouden worden, door
haar [de Kerk] zouden binnentreden in het Rijk van God.
Heb je’, zo sprak Hij, ‘niet gezien, dat die stenen, die
door de poort binnengingen, in de torenbouw werden opgenomen, maar
dat die stenen, die niet door de poort binnengingen, werden
teruggeworpen naar hun eigen plaats?’.
‘Ja, Heer’, zei ik.
‘Zo zal niemand’, aldus sprak hij,
‘het Rijk Gods binnengaan, als hij niet de Naam van Diens Zoon aanneemt.
Immers als je de een of andere stad wilt binnengaan, en die stad is rondom ommuurd en heeft slechts één poort, kun je dat en onthoudt hij zich van alle boosheid en ijdele begeerte van deze wereld en gedraagt hij zich als minste van alle mensen en antwoordt niemand iets, als hij ondervraagd wordt, ook spreekt hij niet in het geheim, nog spreekt de heilige Geest, wanneer de mens Hem wil laten spreken, maar hij spreekt dan wanneer God wil dat Hij spreekt.
Wanneer nu een mens, die de goddelijke Geest bezit, naar een vergadering komt van rechtvaardige mannen, die geloven in de Heilig Geest, en de bede van de vergadering van deze mannen stijgt op naar God, dan vervult de engel van
de voorzeggende geest, die in hem rust, die mens en vervuld van de Heilige Geest. Spreekt die mens tot de menigte, zoals God het wil.
Zó zal dan de Geest van God openbaar worden.
Zó groot is dan de macht van de geest van de Godheid des Heren.
Verneem nu verder over de aardse, holle geest, die geen macht bezit, maar
dwaas is. Vooreerst verheft die mens, die de geest schijnt te bezitten, zichzelf en
wil voorrang hebben en wordt aanstonds brutaal en onbeschaamd en breedsprakig en hij geeft zich over aan vele genietingen en vele andere genoegens en neemt loon aan voor zijn Profetie, maar wanneer hij geen loon krijgt, voorspelt hij niet. Kan in zo’n geval dan de goddelijke geest loon ontvangen en profeteren? Een profeet Gods past het niet, dit te doen, maar
de geest van die andere profeten is aards’”.
uit: de 11de Aansporing, 5 -12

Canon lofpsalmen 4e Vrijdag van Pascha
tn.3.    De afgunst heeft mij buiten geworpen uit de vreugde , en mij doen vallen in de treurigheid van de zonde;
maar U, Meester, hebt het niet beneden U geacht
om mijn gevallen natuur [uit de put van ellende] op te heffen.
En doordat U het Kruis hebt willen verduren, hebt U mij uit de wanhoop verlost, en mij teruggebracht naar mijn vroeger Heerlijkheid.
Eer aan U, mijn Verlosser
”.

tn.3.    Komt en ziet, gij volkeren, naar de werkkracht van het geweldige Mysterie: want onze Verlosser, de Christus, het Woord Dat is in den beginne,
heeft omwille van ons het Kruis ondergaan, en is als een Dode begraven.
Maar nadat Hij is opgestaan uit de dood, heeft Hij het heelal verlost,
Laat ons Hem aanbidden”.

tn.3.  “  Hoe groot is de kracht van Uw Martelaren, Christus:
Zij liggen in het graf, en toch verjagen zij de boze geesten, omdat
zij door hun Geloof aan de Drieëenheid
de macht van de vijand hebben vernietigd, toen
zij hadden gestreden voor de ware aanbidding
”.

tn.8.    Op het midden van het Paschafeest
is onze Verlosser opgegaan naar de Tempel;
Hij stond in het midden van het Volk, en
onderrichtte hen in vrijmoedigheid:
Ik ben het Licht van de wereld wie Mij volgt zal niet in duisternis wandelen,
maar het Licht verwerven vanher onsterfelijke Leven
”.

    God, waarom hebt Gij ons verstoten tot aan het einde? Waarom woedt Uw toorn over Uw kudde? Gedenk Uw Gemeente, die Gij van de beginne af hebt vrijgekocht. Gij hebt de stam van Uw erfdeel bevrijd: de berg Sion, waarop Gij woont.
Hef Uw hand op tegen hun grenzeloze hoogmoed, om al wat de vijand heeft aangericht in Uw Heiligdom. Wie U haten hebben getriomfeerd, midden op Uw feest.
Zij hebben er tekens opgericht, hun eigen vaandels, zonder iets te weten, hoog aan de ingang.
Als was het een bos met bomen, zo hebben zij met bijlen al zijn deuren neergehakt;
met bijl en houweel hebben zij ze neergehaald.
Met vuur hebben zij Uw Heiligdom platgebrand; de woning van Uw naam hebben zij ontwijd. Zij zeiden in hun hart,
met heel hun [politieke] bende: komt laat ons een eind maken aan de feesten des Heren op aarde.
Wij zien hun tekens niet meer, er is ook geen Profeet: Hij wil ons niet langer kennen.
God, hoelang nog zal de vijand honen, zal de tegenstander Uw naam tot het uiterste
tergen? Waarom wendt Gij Uw rechterhand af, Uw rechterhand, midden in Uw boezem, tot aan het einde?
Toch is God van eeuwigheid onze Koning: Hij bewerkt verlossing in het midden der aarde.
Door Uw macht zult Gij heersen over de zee; Gij verbrijzelt de koppen der draken op het water. Gij hebt de kop van de draak verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan de volken van Ethiopië.
Gij doet bronnen en beken ontspringen; Gij legt de stromen van Edom droog.
Van U is de dag en van U is de nacht; Gij hebt het zonlicht geschapen.
Gij hebt alle schoonheid der aarde gevormd: zomer en lente hebt Gij gemaakt;
gedenkt toch Uw eigen schepping.
De vijand heeft de Heer gehoond, een dwaas volk heeft Uw naam getergd. Lever de ziel van die U belijdt niet over aan de wilde dieren; vergeet niet voor immer de zielen van Uw armen.
Zie neer op Uw Verbond, want de donkere hoeken der aarde zijn huizen vol van onrecht. Wijs de vernederden en beschaamden niet af; de arme en behoeftige zullen Uw naam loven. Sta op, God, verdedig Uw rechtszaak; gedenk de beledigingen die dwazen U aandoen, heel de dag.
Vergeet niet de stem van wie U smeken, want de hoogmoed van wie U haten verheft zich steeds meer tegen U Psalm 73[74] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostichen
tn.2.  “  Gij zijt het Woord Die geheel en al bij God verblijft, en
verlangt om mij op te heffen uit mijn zonde die mij vernietigd heeft.
Verenig U met mij in Uw Barmhartigheid”.

            Gij hebt alle schoonheid der aarde gevormd; gedenk toch Uw eigen schepping”.

tn.2.  “  Er is een einde gekomen aan de duisternis, want
zie op het midden van het feest straalt de Messias Zijn Genade als een Zon over de aarde”.

            Van U is de dag van U is de nacht; Gij hebt het zonlicht geschapen”.

tn.2.  “  Komt met vertrouwen tot Mij, gij die naar de stroom van het Leven verlangt’,
zo riep mijn Verlosser, ‘en drink daaruit Genade met Goddelijke Vreugde”.

            Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.8.  “  Laat ons de schuilhoeken van onze gedachten reinigen, zodat het licht van onze ziel kan stralen, om Christus, ons Leven te aanschouwen.
In de overvloed va Zijn Barmhartigheid is Hij in de Tempel [ van ons hart] gekomen, om
de overwinning te behalen op de vijand, en ons geslacht te verlossen door Zijn Lijden aan het Kruis, en ZijnHeerlijke Opstanding.
Laat ons daarom tot Hem roepen: ‘Ondoorgrondelijke Heer, eer aan U’”.