6e dinsdag van Pascha – verkondiging als een donderslag bij heldere Hemel, die stem is er voor ons geweest.

vragen om een teken, ‘wij zouden ‘de Heer’ wel willen zien’.

    De Farizeeën dan zeiden tot elkaar:
‘ Jullie zien toch duidelijk voor uw ogen, dat jullie niets bereiken; zie, de gehele wereld loopt Hem na.
Er waren enige Griekse Jodengenoten onder hen, die opgingen om op het feest te aanbidden, dezen dan gingen tot Philippus, die van Betsaida in Galilea was, en vroegen hem en zeiden:
    Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’.
Philippus ging en zei het aan Andreas; Andreas en Philippus gingen en zeiden het aan Jezus.
Maar Jezus antwoordde hun en zei:

Graankorrel in de Aarde, glas-in-lood raam parochiekerk H. Willibrord Deurne, Ndlnd.

Het uur is gekomen, dat de Zoon des mensen moet verheerlijkt worden.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort.
Wie zijn leven liefheeft, maakt dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren ten eeuwigen leven.
– Indien iemand Mij wil dienen, hij volge Mij, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.
– Indien 
iemand Mij dienen wil, de Vader zal hem eren.
            Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?
Vader, verlos Mij uit dit uur! Maar hiertoe ben Ik in dit uur gekomen.
Vader, verheerlijk uw Naam!
Toen kwam een stem uit de hemel:
          Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal Hem nogmaals verheerlijken!

De menigte dan, die daar stond en toehoorde, zei, dat er een donderslag geweest was;  anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.
Jezus antwoordde en zei:
          Niet om Mij is die stem er geweest, maar om u.
Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken.
En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou.
De schare dan antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; hoe kunt Gij dan zeggen, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?
Jezus dan zei tot hen:
          Nog een korte tijd is het licht onder u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet zal overvallen; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
           Gelooft in het licht zolang je het licht hebt, opdat jullie kinderen van het Licht mogen zijn.Dit sprak Jezus en Hij ging heen en verborg Zich voor henJohn.12: 19-36.

      En zij [enige van de Epikureische en Stoicijnse wijsgeren] namen Paulus mee en brachten hem naar de Areopagus en zeiden:
    Zouden wij ook mogen vernemen, wat dit voor een nieuwe leer is, waarvan gij spreekt? Want gij brengt ons enige vreemde dingen ten gehore; wij wensten dan wel te weten, wat dit zeggen wil.
Alle Atheners nu en de vreemdelingen, die zich daar ophielden, hadden voor niets anders tijd over dan om iets nieuws te zeggen of te horen.
En Paulus, voor de Areopagus staande, zei:
            Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt; want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen van uw verering aan-schouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: ‘ Aan een onbekende god’.
Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u.
             De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft.
            Hij heeft uit een enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte van de aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald,  opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons  Hand.17: 19-28a.

 

Koning Salomon, afb. koninklijk paleis op de dam, Amsterdam

    Hoewel een rechtvaardig mens vóór zijn tijd zal kunnen sterven zal hij rusten.
Want ouderdom wordt niet geëerd door de lengte van zijn bestaansduur, noch gemeten naar het aantal jaren; maar onderscheidingsvermogen valt de grijze mensheid ten deel, en
een leven zonder spot geeft blijk van de groei van de ouderdom.
Er was eens een mens
[de rechtvaardige Henoch] die zich aan God had overgeleverd en van Hem hield, en terwijl hij tussen tal van zondaars woonde, werd hij [uit het leven] opgenomen.
Hij werd [door God] voortijdig opgehaald opdat het kwaad zijn begrip niet zou veranderen of zijn ziel zou misleiden.
Want afgunst welke voortkomend uit gebrek aan  oordeel verduistert datgene wat juist goed is.
En een werveling van verlangen ondermijnt een onschuldig hart.
Hij was volmaakt geschapen, want in korte tijd vervulde hij vele jaren, want
hij gaf zijn ziel over aan de Heer; daarom onttrok God hem vroeg vanuit het midden van het kwaad.
Maar ondanks dat de volkeren dit hebben aanschouwd, hebben zij het niet begrepen, noch een dergelijks handreiking ter harte genomen, dat
de Genadegave en de Barmhartigheid van de Heer toekomt aan Zijn uitverkorenen en  dat God toeziet op Zijn heilige navolgers

Wijsheid van Salomo 4: 7-15.

Bovenstaande gedeelten uit de Blijde Boodschap, zowel van Christus,
de Zoon van de Levende God en Paulus, Zijn dienaar apostel
geeft ons een beetje inzicht in
de onvergelijkbare Grootheid van onze God en Zijn onmetelijke Heiligheid.
Er bestaat een enorm verschil tussen God Zelf en
alles wat Hij heeft geschapen, inclusief de mensheid.
Hij alleen is de enige Bron van leven, van Heerlijkheid en van Schoonheid.
Alle andere vormen van leven, heerlijkheid en
schoonheid bestaan door Hem en bij Zijn gratie.
Alles dat is, bestaat daarom ook tot Zijn eer:
alles is geschapen om Zijn Heerlijkheid te openbaren.
Daarom is het zo tragisch en dwaas wanneer de mens
opgaat in het geschapene en zichzelf maakt tot het hoogste wezen.

Wat is dat een armoede vergeleken bij  het kennen en aanbidden van Hem, Die:
Heilig, Heilig, Heilig is de Heer Sabaoth;
Hemel en aarde zijn vol van Zijn Heerlijkheid.
Hosanna in de Hoge.
Gezegend hij, Die komt in de Naam des Heren,
Hosanna in de Hoge
”.
God de Vader en Zijn eengeboren Zoon en
Zijn Heilige Geest zijn Al-Heilig;
en hoogverheven is God’s Heerlijkheid

uit: Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos.

De grootste vreugde van de christen is de Heer, God Zelf.
Wij zijn geschapen om:
➙ in Hem gelukkig te zijn,
➙ in Hem onze vreugde te vinden,
➙ in Hem op te gaan en
🌈 om met hart en ziel volkomen tevreden te zijn
om Wie Hij is.

Degene, die zijn vreugde en lust probeert te vinden in
de dingen van dit leven zal grote kans lopen om
teleurgesteld te raken, want in de gebrokenheid van dit bestaan zijn
teleurstellingen en tegenslagen, zonde, onrecht en ziekte vroeg of laat ons deel.
Dan is het logische gevolg dat die mensen hoe langer hoe meer verbitterd raken,
boos worden op het leven of op God en vervallen in zelfmedelijden en neerslachtigheid.
Hoe kan het dan dat sommige andere mensen, die minstens zoveel ellende hebben meegemaakt, toch vitaal, hoopvol, liefdevol en enthousiast in het leven blijven staan?
Zij hebben ontdekt dat niet het leven zelf, maar Degene Die Leven geeft, niet de schepping zelf, maar de Eeuwige Schepper de reden van hun geluk is.

✥ ✥ ✥                      Wij kunnen dit niet vaak genoeg zeggen tegen tieners en jong-volwassenen:
    De grootste Vreugde van het Christelijk Leven de Heer onze God Zelf”;
‘    Er is veel moois te ontdekken in dit leven’.
‘Zoveel dingen zijn leuk en mooi en spannend’.

Dat beleeft een Christen ook op die wijze, de navolgers van Christus kunnen erg
enthousiast worden over veel dingen, ja zelfs  de gewoonste dingen als een zingende merel in onze tuin ons doet opleven.
Wij houden van het leven en zitten vol met plannen en ambities.
Maar niets van dat alles kan het winnen van de kennis van de Heer onze God Zelf.  Wanneer een Christen eenmaal is aangeraakt, be-‘vuurd’ door God’s Geest en de navolger eenmaal iets heeft geproefd van de Goedheid en de Heerlijkheid van God, dan  zegt het hart:
”   Hem wil ik kennen!, wat ik er ook voor opzij moet zetten’.
Omdat Zijn Heerlijkheid duizendmaal groter is dan alle heerlijkheid die
we vinden in deze prachtige schepping
”.

 

Christus Pantocrator, Alexander Nevsky kerk, Belgrado.

Griekse Jodengenoten willen Christus zien en Epikureische en Stoicijnse wijsgeren] namen Paulus apart en brachten hem naar de Areopagus, want zij wilden wel eens weten, Wie, Die voor hen bekende God wel niet was.
God is zo getuigt onze Heer en Verlosser voorafgaand aan Zijn Lijden en sterven,
wordt het meest verHeerlijkt in ons, wanneer wij het meest gelukkig zijn in Hem
”.
                    Dit dient het gebed voor onze naasten te zijn, onze mede-gemeenteleden en eenieder, die we goedschiks of kwaadschiks kennen, dat óók zij volledig gelukkig zullen mogen zijn in Hem. 
Dat de pijn vanwege verlies, onrecht of verval ook in jouw hart zal verbleken in
het Licht van Zijn Glorie en Genade.
                    Richt je ogen op de icoon, de Pantocrator, kijk recht in Zijn lieflijke Aangezicht en zie hoe lief de Heer jou heeft gehad en maak Hem tot jouw grootste Schat voor tijd en eeuwigheid. Hij zal je niet teleurstellen.

Wijsheid, staat recht

Wanneer er sprake is van een deugdzaam leven
Hij was perfect gemaakt en in een korte tijd vervulde hij lange jaren . . . . . “.
Wijsheid van Salomo 4: 13.
In de verzen die aan bovenstaande passage voorafgaan, geeft de wijze Salomo het contrast weer tussen de mensen, die tot God gericht zijn en degenen die zich slechts op de wereld richten en derhalve een goddeloos bestaan leiden.
Wijsheid verklaart dat de goddelozen de straf zullen ervaren, die zij in zichzelf met zich mee dragen.
Met andere woorden, zij die het rechtvaardige terzijde hebben gesteld en
tegen al wat de Heer ons in Zijn Pedagogie heeft geleerd samenspannen
komen zich op een zeker moment zelf tegen Wijsheid van Salomo 3: 10.
Salomon geeft de opvallende tegenstelling weer dat goddelozen, in zichzelf de vruchten [kinderen] dragen zoals voortkomt uit het zaad wat een “een wetteloos bed”:
kinderen van echtbrekers kunnen onmogelijk volwassen worden Wijsheid van Salomo 3: 16 en wordt vergeleken met een kamerling een dienaar van de Koning, die zichzelf ‘niet’ door een wetteloze daad beschadigd heeft Wijsheid van Salomo 3: 16.
Zulke god- toegewijde individuen zullen in de tempel des Heren hun rechtschapen deel op hun bordje krijgen, “ want de vrucht van goed werk is een goed verslag en de wortel van onderscheidingsvermogen is onfeilbaarWijsheid van Salomo 4: 14; 3: 15.

De omringende samenleving dient medelijden te hebben met de vruchteloze omdat ze teven naar wereldse maatstaven geen erfenis zullen verwerven, maar “de Genade en Barmhartigheid des heren komt is recht evenredig met Zijn uitverkorenenWijsheid van Salomo 4: 15.


Juni 4e, feestdag van de H. Metrophanos, 1e Patriarch van Constantinopel [325-326]
In deze kun je aan de familie van Dometios, de broeder van de Romeinse keizer Probus, een voorbeeld nemen, zoals de Heilige Nikolai van Zicha ons voorhoudt.
Deze familie ontvluchtte “Rome, die de christenen tijdens een vervolging het vuur aan de schenen stelde”.
“De goddelijke bekeerling ging naar Byzantium, waar
hij na verloop van tijd tot toezichthouder, bisschop werd aangesteld na Titus.
Twee van zijn zonen, die in zijn vroegere heidense dagen geboren waren bezetten
na zijn dood daar-op-een-volgend de bisschoppentroon.
De tweede zoon, Metrophanes, werd later benoemd door
het concilie van Nicea benoemd om als patriarch van Nieuw Rome te gaan dienen,
deze werd de eerste van vele grote hiërarchen van Constantinopel.
Saint Nikolai zegt dat
“toen keizer Constantijn voor het eerst z’n oog op Metrophanes liet vallen,
hij van hem hield als als een vader” uit. Proloog uit Ochrid, deel 2, blz. 269.

Laten we daarom eens kijken hoe de woorden van Salomon op
deze patriarch die “God behaagde en lief heeft gehad” van toepassing zijn.
  Er was eens een mens [een rechtvaardige] die
zich aan God had overgeleverd en van Hem hield, en
terwijl hij tussen tal van zondaars woonde” Wijsheid van Salomo 4: 10,
zowel als toezichthouder als kamerdienaar naar eigen keuze, conform:
    Er zijn immers gesnedenen, die zó uit de moederschoot geboren zijn, en
er zijn gesnedenen, die door de mensen gesneden zijn, en
er zijn gesnedenen, die zichzelf gesneden hebben, ter wille van het Koninkrijk der Hemelen.
-‘   Die het vatten kan, die vatte het’ 
Matth.19: 12.
1.]. Allereerst zullen wij dan lering trekken uit het feit dat,
    Hoewel een rechtvaardig mens vóór zijn tijd zal kunnen sterven zal hij rusten” Wijsheid van Salomo 4: 7.
2.].  Want ouderdom wordt niet geëerd door de lengte van zijn bestaansduur,
noch gemeten naar het aantal jaren
Wijsheid van Salomo 4: 8,
want “   maar onderscheidingsvermogen valt de grijze mensheid ten deel, en

een leven zonder spot geeft blijk van de groei van de ouderdomWijsheid van Salomo 4: 9.
3.]. Tenslotte “   Hij was volmaakt geschapen, want in korte tijd vervulde hij vele jaren, want
hij gaf zijn ziel over aan de Heer; daarom onttrok God hem vroeg
vanuit het midden van het kwaad.
Wijsheid van Salomo 4: 13,14.
Waaruit blijkt dat de kiem tot het ‘goddelijke’ tot een godvruchtig leven al heel vroeg in het leven wordt gelegd en vaak recht evenredig opgroeit tot de volwassenheid van de ouderdom. Het waarachtig toegewijde leven voor de Heer, wordt door Salomon gezien als een Genadegave en Barmhartigheid des Heren ten opzichte van Zijn uitverkorenen , God waakt over Zijn Heiligen en
kan hoe dit in onze tijd ook regelmatig wordt ontkend “ een heilig leven schenken aan iemand, die totaal verloren lijkt te zijn”.
– Ja, zelfs in een stad als Amsterdam [toonbeeld van een overtrokken wereldgeest], worden er nog dagelijks vele gevallenen geroepen.
    ondanks [het feit] dat de volkeren dit hebben aanschouwd,  hebben zij het niet begrepen, noch een dergelijks handreiking ter harte genomen“ Wijsheid van Salomo 4: 13.

Nadat hij tien jaar als bisschop van Byzantium had gediend, koos Metrophanes
er zorgvuldig voor om niet tegen de grote christelijke keizer in opstand te komen,met
wie hij toch een sterke vriendenband had opgebouwd.
Ergens blijkt hi toch door Constantijn beïnvloed te zijn, want
“om Byzantium tot de belangrijkste stad van het Byzantijnse Rijk te maken,
begeleidde deze toezichthouder de koning [weliswaar op een ezeltje] door de gehele stad
na dat de keizer [rijdend op een groot wit paard]
besloten had om Constantinopel tot de grootste stad ter wereld te maken,
welke de stad van het westerse Rome niet buitensluit

uit Poulos, Orthodox Heiligen, vol. 3, p. 170.

De Heilige Nicolai Velimirovic wijst erop dat Constantijn het concilie van Nicea bijeen riep om het Arische geschil te beslechten,

Metrophanes was al “een heel oude man en. . . bleek niet in staat te zijn om
volledig deel te nemen aan de beraadslagingen van dit concilie”.

In plaats daarvan liet Constantijn deze toezichthouder/bisschop
door het concilie tot de rang van aartsvader verheffen.
Zo zie je maar weer dat ‘de grote boze buitenwereld’ net als in onze dagen een
weerzinwekkende invloed heeft op onze prelaten – door hun ‘molochiaanse’ bezittingen
oefent zij een misselijk makende invloed uit.
Nadat de Heilige Vaders van het concilie “De zieke en bejaarde hiërarch” hadden bezocht

werd zijn nieuwe eer een zegel voor zijn rust en rustte hij in de Heer Wijsheid van Salomo 4: 7.

Het was duidelijk dat Metrophanes ‘onderscheidingsvermogen en smetteloze leven Wijsheid van Salomo 4: 9. dat de keizer, het concilie en de Kerk in haar onschuld en heiligheid heeft gerespecteerd.
Metrophanes ontving de eer, die zijn leven toekwam, en spoedig daarna schonk God hem de rust

welke God voor “Zijn uitverkorenen” heeft gereserveerd Wijsheid van Salomo 4: 15.

Lofpsalmen canon metten 6e dinsdag van Pascha

tn.5.   “ Heer, Gij hebt de ijzeren grendels verbrijzeld, en
de eeuwige boeien verbroken>
Gij zijt opgestaan uit het graf:
slechts de doeken zijn achtergelaten als getuigen van Uw rust in het graf,
waar Gij drie dagen in de grote bewaard werd.
Gij zijt toen voorgegaan naar Galilea:
Groot is Uw Erbarmen, onvatbare Verlosser;
ontferm U over ons en red ons”.

Maandag in de 6e week van Pascha – samenzweringen om Christus te doden en de wijsheid van de Christelijke gemeenschap

Christ Pantocrator enthroned with four Evangelists

  De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden:
‘Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen?
Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en
de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen’.
Maar een van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen:
‘ Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat’.
Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen God’s bijeen te vergaderen.
Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden.
Jezus dan bewoog Zich niet meer vrij onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de landstreek 
dicht bij de woestijn, naar een stad, Efraim genaamd, en Hij bleef daar met Zijn discipelenJohn.11: 47-54.

  En hun weg nemende over Amfipolis [handelsstad nabij natuurlijke hulpbronnen] en Apollonia [stad vernoemd naar godin van de zon], kwamen zij te Thessalonica [hoofdstad regio Centraal-Macedonië], waar een synagoge van de Joden was.
En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik [zo zei hij] u predik.
En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen.
Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen.
Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders, en schreeuwden:
Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is.
En zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders, die dit hoorden, ongerust.
Doch toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrijHand.17: 1-9.

Onze Heer en Verlosser predikte het Koninkrijk God’s en had bevestigd dat Hij de te verwachten Messias was, hetgeen Hij nog eens bekrachtigd had door Lazaros uit de doden op te wekken.
Het gehele personeel van de Tempel dreigde z’n baantje te verliezen omdat
zij vreesden dat de Romeinen zouden ingrijpen.
Zij zagen in onze Heer en Verlosser een concurrerende partij, die
onrust veroorzaakte en wanneer de Romeinen zouden ingrijpen
dreigden zij hun lucratieve baantjes te verliezen.
Het is dus niet verwonderlijk dat zij zich gingen beraden over
hetgeen Gods doel voor de wereld is om een volk voor zichzelf te behouden en
de wereld voor dat volk te vernieuwen,
impliceert Zijn koninklijke heerschappij
een reddende en verlossende activiteit
ten behoeve van hen?
Dit is waarom de komst van het Koninkrijk in het Nieuwe Testament
de Blijde Boodschap, het Goede Nieuws wordt genoemd .
In en door onze Heer en Verlosser komt God, als de Heer,
de koning van het heelal, op een nieuwe manier naar de wereld om
Zijn behoudende Heerschappij te vestigen.
1.]. In de harten van Zijn God’s-volk en in de manier waarop Zijn onderdanen en dingen met elkaar samenhangen – waardoor de zonde onder de mensen, de Satan en de dood overwonnen wordt.
2.]. Door de uitoefening van Zijn Macht als Alpha & Omega, begin en eind, verzamelt Hij Zich een God’s-volk als een huwelijk’s Verbond onder de mensen, die leven als burgers van een nieuw Koninkrijk waaraan zij zich blijvend verbonden weten en zich distantiëren van wereldse aangelegenheden
3.]. Christus zal een tweede keer weerkomen en zal alsdan de heerschappij voltooien door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde te vestigen. Deze Heerschappij over al wat leeft is nog niet bereikt, maar zal eens gevestigd worden.
Wanneer Christus Zijn Pedagogie in samenhang met het Hemels Koninkrijk uiteenzet laat Hij ons het vooruitzicht zien van datgene dat zowel aanwezig is maar in de menselijke tijd nog niet gerealiseerd is.
Het Koninkrijk der Hemelen is een Mysterie, welke zich reeds onder ons bevindt – het is een aanwezigheid, die geen einde kent.
De toekomstige dimensie van het koninkrijk der Hemelen is overduidelijk in het gebed des Heren,  het Onze Vader te horen: “Uw koninkrijk kome” Matth.6: 10.
We zouden dit elke dag dienen te bidden: “   Heer, breng ons het Koninkrijk”.
Momenteel is het niet zoals wij het zouden willen, maar:
Breng ons Uw Koninkrijk, Heer.
Laat het Koninkrijk over ons neerdalen, neem de overhand in het leven van de mensen.  Vestig uw Overmacht en neem het leven van de mensen volledig in Uw hand. ‘Kom, Heer Jezus, Kom in mijn leven, in de wereld’, want
onze Heer is opgevaren ten Hemel, maar de Heilige Geest lijkt
na een periode van aanwezigheid, uit de Lage Landen verdwenen“.

    Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden. Toen zij daarnaar luisterden, sprak Hij nog een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond openbaar zou wordenLuc.19: 10-11.
De Heerschappij van de gekruisigde en Verrezen Christus zou
vandaag de bovenhand moeten voeren, de nadruk dienen te krijgen.
Maar onze Heer en Verlosser wist dat het niet ‘meteen’ zou komen òf
zoals in onze tijd zonder slag of stoot zou blijven bestaan!!!.
Het koninkrijk van God zal niet onmiddellijk verschijnen, en
tòch zegt onze Heer herhaaldelijk:
    Het Koninkrijk is nabij. Heb berouw, want het Koninkrijk van God is nabij”.
In feite heeft onze Heer het hier duidelijker naar voren gebracht dan in:
    Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u 
gekomenLuc.11: 20.
Nog duidelijker stelt Onze Heer het als antwoord op de vraag van de Farizeeën in:
    Het Koninkrijk Gods komt niet zo, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij uLuc.17: 20,21.

Hoe kan het Koninkrijk van God zowel ‘wel als niet’ aanwezig zijn en toch al aanwezig zijn?
Onze Heer maakt ons eigenlijk duidelijk:
    Bidt erom. Het komt eraan. Het is er nog niet. Het zal niet onmiddellijk zijn, en
toch is het al in jullie midden aanwezig, bij jou, onder handbereik
”.

Hoe kan Christus dat allemaal zeggen?
Het antwoord is:
het Koninkrijk van God is ‘God’s Heerschappij’,
– Zijn Soevereine handelen in de wereld om
een volk te verlossen en te bevrijden en
om deze verlossing/bevrijding op
een later tijdstip af te maken en
Zijn Volk en het universum
volledig te vernieuwen.

de christen draagt Christus’ Kruis

Je Kruis opnemen in plaats van jezelf op een troon plaatsen
    Zo is het een welbehagen geweest voor de Vader.
Alle dingen zijn [aan] Mij [Christus] overgegeven door Mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren. Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 26-30.
Waarom komt de term Koninkrijk der Hemelen in de Pedagogie van de Heer Zelf méér vóór dàn klaarblijkelijk in de van Paulus en de anderen het geval is?
Je zou je kunnen voorstellen dat de weg van onze Heer en Zijn openbaring dat Hij de Zoon van God is enerzijds een smalle marge bevat ten opzichte van de anderzijds daadwerkelijke aanwezigheid van Zijn Koningsschap een dilemma vormde aangezien Hij Zich niet tot een wereldgericht koning wilde laten bestempelen [zoals het volk in Johannes 6 voornemens was te gaan doen].

Het volk stond immers klaar om Hem als koning te gaan benoemen.
Je herinnert je hoe Jezus herhaaldelijk tegen mensen zei om
anderen niet te vertellen wat ze hadden gezien Matth.17: 9, Marc. 7: 36.
Dat komt omdat er zo’n wijdverbreid misverstand over de aard van Zijn koningschap zou ontstaan, hetgeen een politieke opstand zou kunnen veroorzaken, indien het volk Hem op de troon probeerde te dwingen, zoals in Johannes 6 .

Neen, Christus is op aarde gekomen om Zijn Kruis op Zich te nemen en
door lijden en sterven onze verlossing te bewerkstelligen, dat
was immers waarom Hij in de wereld gekomen was; dat
is van het begin af aan de Wil van de Vader geweest.

Hij kwam om te sterven en [nog] niet op een troon verheven te worden.
Hij zou het koning’s-schap alleen verwerven door Zijn Kruisiging en de Opstanding.
Dat was [en is] voor zijn navolgelingen nauwelijks te bevatten.

De Opgestane/Verrezene is Heer
Ná Zijn Opstanding zie je nu kristalhelder datgene, wàt de discipelen
tijdens Zijn leven – ‘niet’ – konden doorgronden.
Namelijk, dat het Koninkrijk der Hemelen, het Koninkrijk God’s eerst
het meest Glorieus onthuld kon worden in een gekruisigde en opgestane Koning.
Daarom doet dàt op geen enkele manier iets af aan de verschuiving
die plaats vindt ten opzichte van Zijn verkondiging over het Koninkrijk
tijdens het leven van Zijn Openbare leven.
De Pedagogie, de werkelijke inhoud blijft dezelfde, er vindt wel een verschuiving in de Openbaring plaats – eerst nú begrijp je de woorden van voorheen..
Het legt nu de overweldigende nadruk op de koning zelf als
‘ de gekruisigde, opgestane Heer’ van het universum.
  God is Heer en Hij is ons verschenen als Licht” is
bijna synoniem in de brieven met “de koning is gekomen”.
Alles heeft een gelijke betekenis gekregen:
“ de koning is gekomen” – ‘ de Heerschappij is ge[be-]vestigd
Het is niet alleen dat Hij gekomen is, Hij zal komen.
Het zou goed zijn òm dit voor ogen te stellen wanneer wij
onze diensten beginnen met:
Gezegend is het Koninkrijk, van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest;
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.
Waarmee wij beginnen met te verkondigen dat:
onze leer de smaak heeft van de apostolische toepassing van
de Heerschappij van onze Heer en Verlosser in Zijn Kerk en in de wereld;
het is de Heerschappij van de gekruisigde en verrezen Christus,
Die hier en nu en voor altijd de benadrukt zal dienen te worden.

Wat is Wijsheid?
Het boek Wijsheid van Salomon is geschreven tussen 50 v. Chr. en 30 na Chr en is waarschijnlijk geschreven door een tijdgenoot van Philo te Alexandrië; het wordt door de Orthodoxe en Roomse Kerken tot de Canonieke Boeken van de Blijde boodschap gerekend. Dit werk is geschreven in het Grieks en komt dus niet voor in de Joodse heilige geschriften, die immers allen in het Hebreeuws of Aramees zijn opgetekend. In Protestantse kringen wordt dit boek aangeduid als een ‘apocrief‘ geschrift: wel nuttig, maar niet gezag- hebbend [Maarten Luther, 1534]. De vroeg-christelijke Kerk beschouwt het boek Wijsheid van Salomon als gezaghebbend en meer dan dat, lees maar:

               Ik wist anders dat ik niet zelfbeheersing zou krijgen, tenzij God mij wijsheid gaf, en het was een teken van onderscheiding om te weten wiens gave zij was – dus smeekte ik de Heer en smeekte Hem. . . met heel mijn hart: O God van onze vaderen en Genaderijke Heer, Die alle dingen door Uw Woord heeft gemaakt en in Uw Wijsheid mens heeft geformeerd Die door U Heer en Meester is van al wat geschapen is. . . .Wijsheid van Salomon 8: 21:8- 9: 1,2.

Hierotheos Vlachos , Grieks Metropoliet [Aartsbisschop] en theoloog legt uit dat:
Waar de Orthodoxie op de juiste manier en in de Heilige Geest wordt beleefd,
het een gemeenschap van God en mensen is,
van Hemelse en aardse dingen, van de levenden en de doden.
In deze gemeenschap worden alle problemen die
zich in ons leven voordoen echt opgelost
“ .
uit Orthodoxe Psychotherapie, blz. 25.

            In zijn boek Wijsheid wijst Salomo op
de waarachtige “gemeenschap van God en mensen“, want
hij prijst de wijsheid
“wetende dat ze me goede raad en aanmoediging zal geven
in tijden van zorgen, kommer en kwel” Wijsheid van Salomon 8: 9.

            In onze hedendaagse opvoeding, die wij eigen [aan deze tijd] ‘modern’ noemen, biedt daarentegen alleen intellectuele verworvenheden wijsheid en wordt God systematisch uitgezuiverd als de betrouwbare bron van ware wijsheid.
In het beste geval levert het [geloofs- en op de Jood’s-Christelijk cultuur georiënteed] onderwijs een verdienstelijk werk op in het geval van het opdoen van een noodvoorraad aan menselijke kennis,
het wordt slechts beschouwd als bijzaak in het vergroten van het intellect en
het verscherpt de waarneming van de mens binnen een ondergeschikt kader.
In het slechtste geval biedt het alleen toegang tot een professioneel gespecialiseerd gebied en produceert het [gewijd]  toezichthouders en spelleiders leiders die niet veel met wijsheid ophebben om de blijvende problemen van het leven aan te pakken.
Salomo verheerlijkt Wijsheid als “vanuit haar nobele geboorte levend met God” Wijsheid van Salomon 8: 3,
zijnde het “ tot een ingewijde behoren van de kennis van GodWijsheid van Salomon 8: 4.
Ze is niet beschikbaar tenzij God haar geeft Wijsheid van Salomon 8: 21,
maar Salomo openbaart ook dat Wijsheid
gaat over het zoeken van degenen die haar waardig zijnWijsheid van Salomon 6: 16.
Hier is de wijze Salomo een heraut die ons roept om het ware christendom te omhelzen, dat ieder van ons
deelgenoot  van de gemeenschap en daardoor deel heeft aan de dood en de Opstanding van Christus onze Goduit dienst van het Mysterie [Sacrament] van de doop.
Want alleen in Jezus Christus, onze Heilige Wijsheid, leren we
‘zelfbeheersing, onderscheidingsvermogen, gerechtigheid en moed:
      Indien iemand van gerechtigheid houdt, zijn de producten van gerechtigheid de deugden. Want Wijsheid leert zelfbeheersing, onderscheidingsvermogen, gerechtigheid en moed, over welke dingen er niets waardevoller is in het leven van de mensWijsheid van Salomon 8: 7.
    
Je vindt dit eveneens terug in:
      Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid 
en dit alles zal u bovendien geschonken worden. Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van morgen,want de dag van morgen zal zijn eigen zorgen hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad Matth.6: 33,34 en
      Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de wet nietGal.5: 22,23.
Toezichthouder, aartsbisschop Hierotheos herinnert ons eraan dat:
Waar het menselijke woord machteloos was, kwam daar het goddelijk-menselijke Woord. . . Christus. . . het levende Woord van God”.

             Eerst nú beginnen we het grote contrast te zien tussen wàt het seculiere onderwijs tegenwoordig wel niet allemaal biedt [lees: ontkent en kapot tracht te maken] en wàt onze christelijke kerken en kloosters bieden:
het leven in Christus’.
                          We willen uiteraard dat onze geliefden een goede opleiding, professionele vaardigheden en intellectuele ontwikkeling opdoen, maar
indien ze niet toegerust zijn/worden voor de “hitte van de dag” en
bewapend worden met de overtuigingen van ons Geloof,
zullen zij in het leven enorme belemmeringen ondervinden.
                        Joseph Stalin, die aan een orthodox seminarie studeerde, wendde
zich niettemin tot de wijsheid van het marxisme en
werd een barbaarse onderdrukker van de Heilige Kerk.
Hij heeft nooit en tenimmer de Wijsheid waargenomen,
Die “op [Zijn] troon zit”:
      Geef mij de Wijsheid die bij Uw troon zit en wijs mij niet af als een van Uw dienaren, want Ik ben [, Die ben, Die is] Uw dienaar en de Zoon van Uw dienstmaagd” Wijsheid van Salomon 9: 4 en regeert met de Vader.

Kijk naar wàt Christus, de wáre Wijsheid van God, ons allemaal biedt.
Wanneer we ernaar streven ons te bekeren door gebed en ascese, geeft
Hemelse Wijsheid ons een waarneming die “stralend en niet-ontvankelijk” is Wijsheid van Salomon 6: 12.
Wijsheid Zelf stelt diegenen die worstelen in staat
de perfectie van het onderscheidingsvermogen” te bereiken en
vrij van zorgen te wezenSalomon 6: 15.

Hoewel de maatschappij om ons heen aan het wegzakken is, als maar slechter wordt,
is “ Christus is onder ons, Hij is en zal zijn” uit de Goddelijke liturgie,
anders gezegd Christus onze God is nog steeds onder ons en
doet ons genadevol kennis toekomen die niet faalt.
Hijzelf is Wijsheid die “het kwaad niet kan overwinnen” Salomon 7: 30.,
inclusief de ondeugd in de media, op de werkplek en bij sociale bijeenkomsten.
Christus geeft genade die “gerechtigheid liefheeft” Salomon 8: 7 en
vindt “goede raad en aanmoediging in zorgen en zorgen” Salomon 8:9.

Terwijl de wereld dronken wordt van zelfgenoegzaamheid en vluchtige prestaties,
verzekert Christus de Wijsheid van God de ziel.
Hij is “aanwezig met mij
“. . . opdat ik zou weten wat Hem welbehaaglijk is “Wijsheid van Salomon 8:10.
Hij raadt ons aan “na te denken over wat de Heer wil” Wijsheid van Salomon 8: 13 en
leidt ons “wijselijk in [onze] handelingen” Wijsheid van Salomon 8: 11.

“ O, God van onze vaders en de Heer van genade. . .
Geef mij de Wijsheid Die bij Uw troon zit en
wijs mij niet af onder Uw dienaren”
Wijsheid van Salomon 9: 1,4.

 

In het Koninkrijk der Hemelen zullen de blinden zien, de kreupelen lopen en de melaatsen rein worden

Uit ‘Heer ik roep – Vespers maandag na de Blindgeborene
tn.5.  ”     Een waar standbeeld van heldenmoed heeft de genezen blinde voor zichzelf opgericht, door de trouw van zijn inzicht, waarmee hij zo hoog de zienden overtrof.
Want hij, die eerst blind was, erkende de Maker Die hem geschapen had, en Die
het heelal tot het zijn heeft gebracht, omdat hij de macht ervoer van het Mysterie [Wonder], dat met speeksel genezing schonk aan zijn lichtloze ogen.
Hij zah Hem als de Zoon van God, en als de Heer van de wereld.
Maar zij die lichamelijk goede ogen bezaten, waren blind door de ziekte van de afgunst, en zagen niets in Hem, ofschoon zij zulke geweldige krachten in Hem konden aanschouwen, Die met een enkel woord zulke wonderen deed

6e Zondag na Pascha – Zondag van de Blindgeborene, die dienaar wordt die z’n weg de berg opwaarts kiest

      En voorbijgaande zag onze Heer en Verlosser een mens, die sedert zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: ‘ Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?’. Jezus antwoordde: ‘ Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden.
Wij moeten werken de werken doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld’.
        Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen en zeide tot hem:
        ‘Ga heen, was u in het badwater Siloam’, hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden worden.
Hij dan ging heen, waste zich en kwam ziende terug.
De buren dan en zij, die hem vroeger als bedelaar gekend hadden, zeiden: ‘Is hij dat niet, die zat te bedelen?’.

Genezing, inclusief hun gaven, mogelijkheden en beperkingen. Daarom zul je in de omgang en communicatie met hen op zoek moeten gaan naar passende vormen!

Sommigen zeiden: ‘Hij is het; anderen zeiden: Neen, maar hij gelijkt op hem’.
Hij zei [zelf]: ‘Ik ben het’.
Zij dan zeiden tot hem: ‘Hoe zijn dan uw ogen geopend?’.
Hij antwoordde: ‘De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zei tot mij: ‘Ga heen naar Siloam
[Hebr.= uitgezonden worden] en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende’.
En zij zeiden tot hem: ‘Waar is Hij? Hij zeide: Ik weet het niet’.
Zij brachten hem, die vroeger blind geweest was, naar de Farizeeën.
Nu was het Sabbath op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.
Opnieuw vroegen hem ook de Farizeeën, hoe hij ziende was geworden.
En hij zei tot hen: ‘Hij legde slijk op mijn ogen, ik waste mij, en nu kan ik zien’.
Sommige dan van de Farizeeën zeiden: Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de Sabbath niet.
Anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen. Zij dan zeiden nog eens tot de blinde. Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei: Hij is een profeet.
De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind geweest en ziende geworden was, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem, die ziende was geworden en zij vroegen hun en zeiden:
‘Is dit uw zoon, van wie gij zegt, dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?’.
Zijn ouders antwoordden en zeiden: ‘Wij weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet; vraagt het hemzelf, hij heeft zijn leeftijd, hij zal voor zichzelf spreken’.   Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden waren reeds overeengekomen, dat, indien iemand mocht belijden, dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen.
Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf.
Zij riepen dan ten tweeden male de man, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef aan God de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is.
Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan.
Zij dan zeiden tot hem: Wat heeft Hij aan u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?
Hij antwoordde hun: ‘Ik heb het u al gezegd, en gij hebt er niet naar gehoord; waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden?’.
En zij scholden hem uit en zeiden: ‘Gij zijt een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes; wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet, vanwaar Hij komt’. De man antwoordde en zei tot hen:
‘ Hierin is toch iets wonderlijks, dat gij niet weet, vanwaar Hij komt, maar mijn ogen heeft Hij geopend. Wij weten, dat God naar zondaars niet hoort, maar is iemand godvruchtig, en doet hij zijn wil, die verhoort Hij. Van eeuwigheid is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen’.
Zij antwoordden en zeiden tot hem: ‘Gij zijt geheel in zonden geboren en wilt gij ons leren?’. En zij wierpen hem uit.
Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en Hij zei, toen Hij hem aantrof: ‘Gelooft gij in de Zoon des mensen?’.
Hij antwoordde en zei: ‘En wie is Hij, Heer, dat ik in Hem moge geloven?’.
Jezus zei tot hem: ‘Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar die met u spreekt, die is het’.
Hij zei: ‘Ik geloof, Heer en hij wierp zich voor Hem neer’
“ John.9: 1-38.

 

Waakzaam! als een kotashinouk, want de satan gaat rond als een brullende leeuw; Watchful! like a kotashinouk, because Satan goes around like a roaring lion

      En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam, welke aan haar eigenaars met waarzeggen veel voordeel aanbracht. Deze liep Paulus en ons achterna, luid roepende:
      Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen’.
En dit deed zij vele dagen lang. Maar toen dit Paulus verdroot, wendde hij zich tot de geest en zei: ‘Ik gelast u in de Naam van Jezus Christus van haar uit te gaan’. En hij ging uit op datzelfde uur.
Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: ‘  Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen’.
Ook de menigte schoolde tegen hen samen en de hoofdlieden scheurden hun de kleren van het lijf en lieten hen met de roede geselen; en na hun vele slagen gegeven te hebben, wierpen zij hen in de gevangenis met bevel aan de bewaarder hen zorgvuldig te bewaken.
Daar deze zulk een bevel ontvangen had, zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.
Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los. En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren.
Maar Paulus riep met luider stem: ‘Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!’.
En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neer. En hij leidde hen naar buiten en zei: “ Heren, wat moet ik doen om behouden te worden?’.
En zij zeiden: ‘Stel uw vertrouwen op de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’.
En zij spraken het Woord van God tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren. En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mee om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het geloof in God gekomen was
“ Hand.16: 16-34.

    Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op hem gelegd: Hij zal de volkeren het Recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen.
Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het Recht openbaren.
Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het Recht zal hebben gebracht; en op Zijn Wetsonderricht zullen de kustlanden wachten.
Zo zegt God, de Heer, Die de Hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen:
       Ik, de Heer, heb u geroepen in Gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een Verbond voor [al] het Volk, tot een licht der natiën: Om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.
Ik ben de Heer, dat is Mijn Naam, en Mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch Mijn lof aan de gesneden beelden. Het vroegere, zie, het is gekomen, en nieuwe dingen kondig Ik u aan; voordat zij uitspruiten, doe Ik ze u horen.
Zingt de Heer een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart en haar volheid; gij kustlanden en hun bewoners.
Laten de woestijn en haar steden de stem verheffen, de dorpen waar Kedar [Hebr.=‘duister’] woont; laten de rotsbewoners jubelen, laten zij van de top der bergen juichen.
Laten zij de Heer eer geven en Zijn lof in de kustlanden vermelden.
De Heer trekt uit als een held; als een krijgsman doet Hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen Zijn vijanden.
Ik heb van oudsher gezwegen, Ik heb gezwegen en Mij ingehouden; nu zal Ik schreeuwen als een barende vrouw; Ik zal snuiven en hijgen tegelijk. Ik zal bergen en heuvels verschroeien en al hun gewas zal Ik doen verdorren; Ik zal rivieren tot land maken en plassen zal Ik doen opdrogen.
En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte.
Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten
Isaiah 42: 1-16.

Bewaar, mijn kind, het Gebod van uw vader en verwerp
de Onderwijzing van uw moeder niet. 
Bind ze bestendig op uw hart, hang ze om uw hals. Als u op weg zijt, moge het u leiden; als u uzelf neerlegt, zal het over u mogen waken, als u wakker wordt, zal het u het toestaan u toe te spreken.
Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht, de vermaningen van de tucht zijn een weg ten leven, om u te bewaren voor de slechte vrouw, voor de gladde tong der onbekende.
Begeer haar schoonheid niet in uw hart, laat zij u niet vangen met haar wimpers.
Want ter wille van een ontuchtige [vervalt] [men] tot een schamel stuk brood, en eens anders vrouw maakt jacht op een kostbaar levenSpreuken 6; 20-26.

  Welke cruciale boodschap of wezenlijke gedachtengang dient onze aan het hart liggende gemeenschap op dit moment op te pakken?“.
Van ons, navolgers van Christus, wordt steeds maar weer opnieuw in al de teksten van afgelopen tijd verwacht dat wij ons losmaken van de wereld, die ons omringt en tracht te verslinden.
Er wordt ieder dag maar weer opnieuw verwacht dat wij de draad van het Verbond met God weer serieus voor ogen stellen, met vallen en opstaan wijs geworden – in verbinding te blijven staan voor waar we eigenlijk geen oog voor hebben, want al het andere, het verhevene is veel en veel aantrekkelijker.
       Als God’s Volk, als navolgers van Christus dienen we ons aan de ene kant van alles en iedereen los te maken en anderzijds in verbinding te blijven met God, opdat wij de ander als onze naasten blijven onderkennen en met hem/haar te doen zoals wijzelf gewend zijn het goede te doen.
      Dat is van toepassing op het gehele Lichaam van Christus, Zijn Kerk;
      Dat gold voor ieder van Zijn Apostelen, die gedurende drie jaar met Hem optrokken,
      Dat geldt nog steeds voor iedere navolger van Christus, welke positie deze ook in het Lichaam van Christus, de Kerk inneemt, de gezalfden en het gewone voetvolk.
         Wordt de plank in deze misgeslagen, dan ondervindt ieder individueel ledemaat pijn onder de verwonding van die misstap.
Wanneer vervolgens een nog levende voormalig westerse kerkleider stelt dat misstappen van zijn spelleiders slechts veroorzaakt zijn door de tijdgeest van de zestiger jaren van de vorige eeuw, dan verkondigt deze slechts de helft van de Waarheid en tracht deze lange tijd onrechtmatige voorvallen te verbloemen.
We weten allemaal dat de zware lasten, die het christenvolk jarenlang van bovenaf werd opgelegd, met het 2e Vaticaans concilie tot een totale ontreddering heeft geleid.
          De mens, het voetvolk, werd voorheen – ‘dom’ – gehouden en diende slechts te doen wat vanuit Rome werd bepaald en trachtte met de boosdoeners met elan het vaandel hoog te houden.    

  Uw hart dient niet ontroerd te worden; u gelooft in God, gelooft ook in Christus.
In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen – anders zou Christus het u gezegd hebben – want Hij is heen gegaan om voor u alleen een plaats te bereiden; en wanneer Christus heen zal zijn gegaan en u plaats zal hebben bereid, dan komt Hij weerom [= terug] en zal ons tot Zich nemen, opdat ook wij mogen zijn, waar Hij isconf. John.14: 1-3.

We hebben het reeds eerder aangestipt.
Toen Christus sprak van Zijn heengaan, van Zijn vertrek van de aarde naar de Hemelen, was grote ontroering de vrucht ervan in het hart van Zijn discipelen ontstaan.
Dàt konden ze toch ècht niet verwerken,
dàt hadden zij niet voorzien,
dàt het zó diende te gaan verlopen.
        Een blijvende Christus, dáár hadden de Apostelen veel mee op, maar
een weggaande en hen eenzaam achter laten, dàt kon toch niet? Ze konden immers toch niet leven ‘zonder‘ Hem?
Wanneer er problemen waren, onderling of met andere mensen,
dàn loste de Heer en Verlosser die moeilijkheden altijd op.
En dàn waren ze allemaal weer stil en konden zij er het zwijgen toe doen.
        Je heb in onze tijd eveneens zwijgers, die zich op gezag van vooraanstaanden
alles maar laten aanleunen, die hun verantwoordelijkheden op de schouders van
anderen overlaten er op blijven leunen en daarmee het gevecht met de eigen verantwoording ontlopen.
        Maar dàt is de bedoeling van onze Heer en Verlosser toch niet geweest?
– om God’s water maar over God’s land te laten lopen?
Immers: zolang het dag [het licht] is, we ons begeleid weten, dienen wij de werken te doen van Degene, Die Christus gezonden heeft, de Wil van de Vader dient te geschieden. En in tijden van eenzaamheid en verlatenheid pakken we de aloude god van de wereld maar weer op en doen we al wat God verboden heeft.
Indien je de roep van Christus werkelijk hebt gehoord en begrepen
dàn gaat het om méér dan leunen op streke schouders:
1.]. “….. Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
2.]. “….. Neemt mijn juk [Kruis] op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van harten vervolgens
3.]. “…..Zult u rust vinden voor uw zielen; want het juk [Kruis] van Christus is zacht en Zijn last is lichtconf. Matth.11: 28-30.
            Ook bij God gaat de zon niet voor niets op en wordt er verwacht dat u uw deel van de pijpkaneel oppakt en uw talenten zult dienen in te zetten om
de voortgang van de mensheid via de Kerk mogelijk te maken;
anders gaan we met z’n allen ten onder.
            En even later laat Christus weten dat dat geen opoffering dient te zijn maar dat het uit naasten-liefde dient te geschieden, uit Barmhartigheid.
Dat betekent tevens dat je jezelf er niet met een ‘Jantje van Leiden’ van dient af te maken – en daarmee de inzet maar aan anderen dient over te laten:
Indien jullie geweten hadden wàt het wil zeggen:
Barmhartigheid wil Ik en geen offerande, dàn zouden jullie geen onschuldigen/die er altijd voor opdraaien, ertoe hebben veroordeeld. Want de Zoon des mensen is Heer en Meester over [uw vrije tijd] de Sabbath’” conf. Matth.12: 7,8.
    Méér dàn de Tempel [van uw hart] is hier” conf. Matth.12: 6;
dat wil zeggen dat u naar eer en geweten uw aandeel dient te leveren, al
naar datgene wat in uw vermogen ligt.
Het Koninkrijk der hemelen breekt zich baan met geweld…..

Know nothing except Christ

We gaan het pas binnen, als we ons met Christus hebben bekleed en
ons égo-’tje kruisigen:
– “   Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, [dàt is], niet meer mijn ‘ik’, maar ‘Christus’ leeft in mij.
En voor zover ik nu
[nog] in het vlees leef leef ik door het Geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en
Zich voor mij heeft overgegeven
Gal.2: 20 en
– “   Maar doet de Heer Jezus Christus aan en
wijdt geen zorg aan het vlees, zodat
[wereldse] begeerten worden opgewektRom.13: 14.
En dan nòg, als iedereen het laat af-weten geldt:
Aanvaardt de zwakke in het Geloof, maar
niet om overwegingen te beoordelen
Rom.14: 1.
        De Énige, Die oordeelt is
onze Heer Jezus Christus, wanneer deze zegt:
“. . . . . Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Laten uw lendenen omgord zijn en houdt uw lampen
[zoals de tien wijze maagden] brandende.
En u, weest gelijk aan mensen, die op hun Heer wachten,
wanneer Hij van de bruiloft weerkeert, om Hem, als
Hij komt en klopt, terstond te kunnen opendoen.
Zalig die slaven, die de Heer bij Zijn [weer]komen wakende zal aantreffen.
Voorwaar, Ik zeg u, Hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en
bij hen komen om hen te bedienen
Luc.12: 34-37.

Wij zijn immers geroepen om te leven met ons hart gericht op het Koninkrijk van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.
– Dat Koninkrijk is absoluut geen vèr, niet te bereiken land, dat we eens hopen te bereiken.
– Dat Koninkrijk is ook niet in de 1e plaats het leven ná de dood, nòch
een ideale [door een christelijk politieke partij] uitgekiende samenleving.
– Neen, het Koninkrijk der Hemelen is in het -hier en nu- op de 1e plaats
de actieve aanwezigheid van God’s Geest in ons, en in onze omgeving,
‘ Die ons de Vrijheid biedt waar we wèrkelijk naar verlangen’.
Dit betekent dan automatisch dat we het leven van de Geest in onszelf en
het leven tussen de mensen onderling tot het centrum maken van
alles wat we denken, zeggen en doen.
Want het Koninkrijk God’s bestaat niet in eten en drinken, maar
in Rechtvaardigheid, Vrede en Blijdschap, door de Heilige Geest.
Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is
welgevallig bij God en in achting bij de mensen om je heen.
Laten wij dan aldus najagen hetgeen
de Vrede en de onderlinge Opbouwing
bevordert
” Rom.14: 17-19.

Het Koninkrijk der Hemelen, het -hier en nu-
Wanneer je een kerkgemeenschap gaat opzetten dan begin je daartoe
een fundament te leggen hetgeen voor langere tijd zorg draagt, dat
het een en ander door verzak[k]ing van de menselijke inzet tot een teleurstelling leidt. 
Zelfs na verloop van tijd dien je hier aandacht aan te besteden, zul je jezelf blijvend te dienen af te vragen:
Hoe ga ik die mensen, die ik als bestuur om mij heen heb verzameld,
dusdanig motiveren dat ik hier een blijvende gemeenschap bewaar?
Hoe gaan wij dat als bestuur aan pakken?
” Hoe gaan wij onze gemeenschap tot een Hemels Koninkrijk omvormen – waar iedreen zich thuis voelt.

Een Kerkgemeenschap opzetten in Nederland vanuit een andere cultuur
maakt op dit moment een stormachtige groei door.
            Door elkaar te ontmoeten leren kerkgemeenschappen van elkaar,
            zij delen hun hemelse goederen met elkaar en
            scherpen zich aan elkaar, dat wil zeggen
de Nederlandse cultuur verwacht van de immigrant
aanpassing aan de hier in ons land [‘de lage landen‘] gebruikelijke omgangsvormen.
            Dat houdt in de eerste plaats in dat je elkaar verstaat, elkaar begrijpt,
elkaars taal verstaan betekent, dat je weet wat er in de ander omgaat en
waarom de ander reageert, zoals deze reageert.
            Het beste komt dit tot uitdrukking in de omgang met elkaar en
die begint veelal door het gebruik van een andermans ruimte.
Biedt de ander jou ruimte aan, dan doet deze dit vanuit
een Christelijke basishouding en verwacht daar
eenzelfde Christelijke basishouding voor terug.
En dàt brengt ons op bovenstaande lezingen van Isaiah en Spreuken,

Hoe gedraag ik mijzelf in een Joods-Christelijke cultuur – en
dàt houdt in dàt ‘jij je gedraagt, zoals jijzelf behandeld wilt worden’:
niet als onderhorige, als slaaf, maar als een mede-broeder of zuster, die
na verloop van tijd en optrekken/schuren aan elkaar zijn zelfstandigheid verkrijgt.
       Ik, [God,] de Heer, heb u geroepen in Gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een Verbond voor [al] het Volk, tot een licht van de natiën:
‘ Om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis
[van] wie in duisternis gezeten zijn’”.

De Blindgeborene
De Evangelielezing van de blindgeborene geeft een wijze aan waarop onze Heer en Verlosser mensen benadert, die van geen verandering willen weten, die blind zijn en als gevangene in de duisternis gezeten zijn.
Onze Heer en Verlosser begint niet met modder/slijk te smijten, confronteert
ons niet verbaal met datgene wat nu weer verkeerd blijkt te zijn gelopen.
One Heer en Verlosser is niet hier, Hij is Verrezen/Opgestaan
– is een Goddelijke verschijning geworden, die transparant als Hij is zegt:
“Vrede zij u allen”.

overgave aan de ‘Wil van de Vader‘.

En vervolgens neemt hij modder/slijk en als Goddelijk Wezen begint Hij te herscheppen. Christus bestrijkt onze ogen met het slijk der aarde, Hij houdt ons de werkelijkheid voor.
Hij  houdt ons een spiegel voor en opnieuw laat Hij ons zien dat wanneer wij ‘als mensen’ doen, wij onze energie verspillen, want wij doen daarmee God’s Wil niet. Wij zijn dan niet als Zijn  Beeld, zoals Zijn Gelijkenis.
God’s Wil is, jezelf niet te verheffen, maar zonder ophouden dienstbaar te zijn aan de gemeenschap. Dat houdt in regelmatig overleg te plegen zodat transparantie ontstaat, inzicht in wat je aan het doen bent en mensen te inspireren [in vuur en vlam te zetten] door God’s werken te doen.
Een mens kan niet in eenzaamheid functioneren, een mens dient onophoudelijk samen te werken, zodat door gezamenlijk optreden een toekomst voor onze kinderen wordt opgebouwd.

Cultuurverandering – “mission impossible

Heilige, ‘dwaas om Christus Wil‘; Saint ‘fool for Christ

De weg naar de bron des Levens heeft een altijd een nauwe toegang, is net als de opening van een alledaagse waterput een gespannen situatie, maar beneden is ze ruim en geeft de toegankelijke mens al de ruimte om zich te laven aan het Leven.
            Een cultuur is nooit neutraal, een cultuur draagt een kern; een wijziging van cultuur impliceert een ‘andere‘ cultuur.
            Je kunt niet een beetje christen zijn, evenmin als wanneer je een beetje modern of een beetje ‘primitief’ [juist dit woord dat tegenwoordig vervangen wordt door het even bevooroordeelde ‘niet-westers’ geeft de exclusiviteit claims als oriëntatie voor hedendaagse mensen in onzelage landen aan].
            Je kunt zoals de profeet Elia tegen Israël [de Kerk] zegt, niet hinken op twee gedachten, een beetje Baäl als god en een beetje Heer en Meester.
    Dan blijken ook wij valse getuigen van God te zijn, want dan hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden.
Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dan is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dan is uw Geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren
1Cor.15: 15-18.
Je kunt eenvoudig niet twee oriëntatiepunten in je leven hebben, zonder de echtheid/waarachtigheid te verliezen, net zomin als een cirkel twee middelpunten kan hebben. 

Navolging van Christus
Opvoeden, ook het [(her-)op]voeden van volwassenen vindt niet plaats 
door uitsluitend bij wijze van verboden en onthoudingen te communiceren.
Zoals veelal binnen een leger soldaten klinkt:
Dìt mag niet, dàt is verboden en alleen toegankelijk voor ingewijden”; “ Jij behoort maandelijks je [financiële] bijdrage aan de gemeenschap te leveren”.
            Een groot deel van zulke wereldse communicatie is dusdanig gekleurd dat
het bij wijze van spreken -bij nader inzien- negatief wordt opgepakt.
            Leiding geven en correctie streven echter een ‘positief’ doel na, de ander te bewegen de Joods- Christelijke cultuur van samenleven bij te brengen, hetgeen gebaseerd is op de Blijde Boodschap.
           Als vanzelfsprekend wordt vervolgens in de lijn der verwachtingen
uitvoering gegeven aan de invulling van het dagelijks christelijk functioneren

 

Cross point in gold, ‘knoop het in je oren‘; ‘tie it in your ears‘.

        Daarom is zelfkennis, onderzoek het effect van beslissingen in het verleden en positieve bemoediging van benadering in deze binnen een [beginnende] gemeenschap belangrijk en noodzakelijk.
Het is een vrome plicht van de rijken om de behoeftigen te ondersteunen; dat geldt niet alleen voor de financiële behoeften, welke een gemeenschappelijk optreden nu eenmaal met zich mee-brengt, maar voornamelijk de geestelijke rijkdom welke met de mede-broeders en zusters transparant gedeeld dient te worden.

‘Spelleider, Herder, onder de vleugelen van de Allerhoogste’, moderne icoon in stiltehoek van de oecumenische geloofsgemeenschap ‘Brandpunt’, Amersfoort Nederland; ‘Game leader, Herder, under the wings of the Supreme’, modern icon in the quiet corner of the ecumenical faith community ‘Brandpunt’, Amersfoort The Netherlands

          Reeds in het vroeg-christelijk geschrift ‘de Herder van Hermas’,  wordt bovenstaande benadrukt. De Apostel Hermas is een van de 70 apostelen, die vandaag de 31e mei wordt herdacht. Deze kwestie is alleen begrijpelijk indien de initiatiefnemers van de gemeenschap
– de spelleider in samenspraak met het bestuur
– inzicht hebben en hier ook
– ‘in hoge mate’
– ‘waarde
’ aan hechten.
Wij zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de voortgang in de navolging van Christus en dat dient in Woord en daad gerealiseerd te worden; wij zijn dat eenvoudig verplicht ten opzichte van onze gezamenlijke Goddelijke roeping.  

        Een positieve verandering’s methodiek, begint bij de planmatige aanpak door middel van een diagnose. Het gaat er daarbij om ‘helder’ te krijgen wàt er aan de hand is en wàt dat betekent.
Bij een veranderkundige diagnose van een organisatie gaat het om vragen als:
Wat is er precies aan de hand?
Hoe kom ik daar achter?
Hoe geef ik betekenis aan wat ik zie en gezamenlijk heb vastgesteld?

        In het traject tussen cultuur-verander-idee en
– de uiteindelijk-uitkomst zijn in grote lijnen
– vier fasen of stappen te onderscheiden:
1.]. het diagnosticeren
2.]. het vinden van een verander-strategie
3.]. het opstellen van een interventie-plan
4.]. het uitvoeren van het interventie-plan.
            Naast het be-ïnvloeding’s-spel van actoren zijn inhoudelijke activiteiten
onderdeel van de weg tussen idee en uitkomst.
Die inhoudelijke activiteiten vormen geen homogene ononderbroken stroom.

> tijdsindeling
Er zijn altijd verschillende onderdelen achteraf te onderscheiden, maar
het ‘vóóràf’ onderscheiden van verschillende fasen is het meest belangrijk,
het biedt perspectief op ‘Vrede’.
Het komt de slaagkans van veranderingen ten goede.
Het nut van indeling in fasen is dat, door veranderingstrajecten te faseren, deze overzichtelijker worden. Het wordt daardoor gemakkelijker de aandacht inhoudelijk op verschillende aspecten van het traject te focussen.
Fasering dwingt bovendien tot reflectie, oftewel eerst denken en dàn doen.
Veranderen is geen kunstje, maar vaardigheid – kennis van hoe te besturen.

> Zichtbare stappen
De indeling in fasen maakt gebruik van het proces voor ‘zichtbare’ stappen binnen grote trajecten: bijvoorbeeld een jaar-proces van gezamenlijk gebruik.
Het bestuur pleegt zerk in de aanvang continu overleg met elkaar en heeft meerdere malen overleg met elkaar. Men doet vervolgens bijvoorbeeld een driemaandse diagnose van de gebruik’s-partners en stelt samen met deze partners een strategie en interventieplan op.
               Om vervolgens een aantal grotere implementatiestappen te nemen gedurende het komende jaar:
– bijvoorbeeld eerst opzetten van een overlegstructuur [= bestuur],
– dan het gezamenlijk vormen van beleid [= bestuur] en
– vervolgens het een en ander overbrengen naar de gemeenschap [=parochievergadering],
⁌ de daadwerkelijke uitvoering van financiering [wie draagt wat bij en hoe wordt dat inzichtelijk], wat doe je als iemand nalatig blijkt te zijn aan de aangegane verplichtingen.
⁌ bijhouden [=behoud] van de diensten [opbouw, afbraak en schoonhouden van de Kerk].
⁌ Wie doet buiten de diensten wàt en wie is veràntwóórdelijk voor:
          onderwijs [zowel kerkelijk als kennisvergaring op ander gebied] en
uitvoering van verplichtingen, die zich op allerlei gebied voordoen?
⁌ Hoe vindt tussentijdse evaluatie en bijsturing plaats.
⁌ Bovenstaande indeling is evenzeer te benutten voor ‘onzichtbare’ handelingen van de zijde van de spelleider/de priester in het eerste gesprek met een initiatiefnemer. Want binnen zo’n gesprek kan deze pionier/spelleider al diagnostisch bezig zijn en op basis daarvan strategisch kiezen voor bepaalde interventies binnen datzelfde gesprek.
In die zin is er sprake van een ‘Droste effect’: het Cacao-doosje met een verpleegster op een blikken doosje met in haar hand nieuwe adviezen.

”     Ik hef mijn ogen tot U, Die in de Hemelen woont. Zie, zoals de ogen van dienaars, op de handen van hun meesters.
Zoals de ogen van de dienaressen, op de handen van haar meesteres.
Zo zien onze ogen naar de Heer onze God, totdat Hij zich over ons ontfermt.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons: wij zijn overladen met verachting, onze ziel is er geheel en al van vervuld.
Wij zijn de hoon van de rijkaards, de verachting van de hoogmoedigen“.
✥✥✥
”     Als de Heer niet met ons geweest was; Israël [Kerk] ontken het niet !
Als de Heer niet met ons geweest was, toen de mensen tegen ons opstonden.
Dàn hadden zij ons zeker verslonden, toen hun razernij tegen ons woedde.
Dàn zou het water ons stellig hebben verzwolgen, want onze ziel is door een stroom gegaan. Onze ziel is immers getrokken door bodemloze wateren.
Gezegend zij de Heer, Die ons niet heeft overgeleverd als een prooi voor
hun tanden.
Onze ziel is als een vogel ontsnapt uit het net van de vogelaar.
Het net werd verscheurd, en wij zijn bevrijd.
Onze hulp is in de naam van de Heer: de Maker van Hemel en aarde“.
Psalm 122,123[123,124] vert ROK.’s-Gravenhage

Canon van de Blindgeborene – Joseph van Thessaloniki
1e Irmos. tn.5.    Een land dat nooit de zon had aanschouwd, noch door haar stralen was verlicht, wordt nu  betreden in het diepste van de zee,
en Israël [de Kerk] schrijdt daar droogvoets doorheen, terwijl Gij het leidt naar Uw Heilige Berg; en zingt het voor U een overwinning’s-lied”
.

          Eer aan U, onze God, eer aan U’.

  Vrijwillig het U de dood aan het Kruis op U genomen, en daardoor hebt U zegen en leven doen ontspringen voor de wereld,
boven alles gezegende Heer, Schepper van het heelal.
Daarom roemen wij U, en bezingen en verheerlijken U met het overwinning’s-lied
”.

          Eer aan U,onze God, eer aan U’.

  Toen U een dode was, heeft de edele Joseph U neergelegd, diep onder de aarde; en hij rolde een steen voor de ingang van het graf.
Maar U bent opgestaan in Heerlijkheid, en U hebt de wereld mede-opgewekt.
Daarom zingt en jubelt deze voor U het overwinning’s-lied”

          Eer aan U,onze God, eer aan U’.

Engel aan het graf, atelier John Damascene

Waarom breiden jullie de Myron onder tranen? zo sprak de Engel, die hun verschenen was, tot de vererenswaardige vrouwen; Christus is opgestaan! spoed u om het te verhalen aan de ‘God’-schouwende Leerlingen, die nog rouwen en wennen, opdat ook jullie mogen opspringen en dansen van Vreugde”.

          Eer aan U,onze God, eer aan U’.

  Bij al Zijn ongelooflijke Mysteriën [Wonderen] heeft de Verlosser zelfs de mens genezen, die blind was vanaf zijn geboorte, door met speeksel slijk [modder] te maken en te zeggen:
‘Ga u wassen in Siloam [= uitgezonden worden], opdat u Mij mag aanschouwen’, God Die wandelt op aarde, nadat Ik Mij met vlees heb bekleed, door de innerlijke diepte van Mijn Barmhartigheid

          ‘Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest’.

  Laat ons de Drie-persoonlijke Wezenheid aanbidden, gelovigen;
Laat ons ver-Heerlijken de Vader en de Zoon en de Goede Geest: Maker, Heer en Verlosser van alles wat bestaat; de Éne ongeschapen God.
En laat ons roepen met de Onlichamelijken: Heilig, Heilig, Heilig zijt Gij, onze Koning”.

          ‘Nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN’.

  De Heer heeft gewoond in uw schoot, die nooit een man gekend heeft, omdat Hij vanuit Zijn innige Barmhartigheid de mensheid wilde verlossen, die door listen van de vijand ten prooi gevallen was aan het bederf.

Theotokos, – Zij, Die naar haar Zoon wijst

Smeek daarom tot Hem dat Hij deze stad [onze gemeenschap] wil redden van alle aanslagen en hinderlagen van de vijand”.

Kathismazang  tn.8.    De Meester, Die het heelal geschapen heeft, vond langs de weg van de blindgeborene, die wenend tot Hem riep:
nog nooit van mijn leven heb ik de zon kunnen zien, noch hoe de maan haar licht verspreidt; en daarom roep ik tot U:
‘U Die uit de Maagd geboren zijt, om het heelal tot Licht te zijn,  verlicht ook mij, in Uw Barmhartigheid, opdat ik U mag aanbidden en tot U roepen:
Meester, Christus mijn God, schenk mij vergeving voor mijn zonden, vanuit de volheid van Uw Barmhartigheid, want alleen U bent de Vriend van de mensen’
”.

Apolytikion    
tn.5.
    Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.

Transfiguratie μεταμόρφωση

Kondakion
tn.4.
    Ik ben blind aan de ogen van mijn ziel, maar ik kom tot U, Christus, zoals de Blindgeborene, en vol berouw roep ik tot U:
Gij zijt het helder stralend Licht
voor allen die in duisternis zijn
”.

Kondakion
tn.5.
    Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Al Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd,
en Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.

Theotokion
tn.5.
    Gij zijt in waarheid de cherubijnentroon,
want in U heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit U voortgekomen.
Om ons heeft Hij het kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag voor ons om vergeving van zonden
”.

En ik zal aan Mijn Verbond met Jaäcob en ook Mijn Verbond met Isaäc herinneren en ook aan Mijn Verbond met Abraham zal ik het [Verbond] herinneren, en het Land zal ik herinneren . . . . . Maar ondanks dit alles, wanneer zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik hen niet haten noch verachten ze om hen te vernietigen, om Mijn Verbond met hen te schrappen, want
‘Ik ben de Heer hun God’Lev.26: 42-44.
”     Onze God is Heilig, Hij is Sterk en onsterfelijk en heeft de mensen lief.
Hij stelt iedere mens op aarde in staat naar Hem terug te keren, het juk [Kruis] van het Hemels koningschap te aanvaarden en de wereld in
het Koningschap van het Goddelijke te vervolmaken,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, AMEN”.

5e Woensdag na Pascha – mag mijn klaaglied opstijgen als wierook voor Uw Aangezicht

Iconen onlosmakelijk onderdeel van Christus’ Pedagogie; Icons are an integral part of Christ’s Pedagogy

    Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zei Hij tot Philippus [Hebr.= ‘liefhebber van paarden’ (een harde, sterke werker, die doorzet)]: ‘ Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten ?’.
Maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou.
Philippus antwoordde Hem:
  Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen’.
Een van zijn discipelen, Andreas [Hebr.= ‘mannelijk’], de broeder van Simon Hebr.=‘luisterend’] Petrus [Hebr. = ‘(standvastig) rotsblok’], zei tot Hem:
  Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?’.
Jezus zei: ‘ Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend.
Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.
En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan.
Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had.
Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: ‘ Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou’John.6: 5-14.

Χριστός- Κύριος και Δάσκαλος της ζωής μας; Christus, Heer en Meester van ons leven; Christ: Lord and Master of our lives

    Jullie noemen Mij Meester en Heer, en jullie zeggen dat terecht, want Ik ben hetIndien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen [= dienstbaar te zijn jegens elkander]; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie doet, zoals Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. 
Indien jullie dit weten, zalig zijn jullie, indien jullie het [ook] doen [in praktijk brengen]. 
Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.
       Thans reeds zeg Ik het u, eer het geschiedt, opdat jullie, wanneer het geschiedt, gelooft, dat Ik het ben.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie ontvangt, die Ik zend, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.
Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest en Hij getuigde en zei:
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij verraden.
De discipelen zagen elkander aan, in het onzekere, van wie Hij sprak.
Een van de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus; hem dan gaf Simon Petrus een wenk en zei tot hem: ‘Zeg, wie het is, van wie Hij spreekt’Hand.13: 13-24.

      Toen hoorden Sefatja [Hebr.=‘de Heer heeft recht gesproken’], de zoon van Mattan [Hebr.= ‘een gift’], Gedalja [Hebr.=‘de Heer is groot’], de zoon van Paschur
[Hebr.=‘vrijheid’]; Ju(ch)kal [Hebr.=’De Heer vermag’] , de zoon van Selemja [Hebr.=’door de Heer vergolden’], en Paschur, de zoon van Malkia [Hebr.=’mijn Koning is de Heer’],
de woorden, die Jeremia
[Hebr.= ‘door de Heer aangesteld’]tot het gehele Volk bleef spreken:
Zo zegt de Heer: Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie eruit gaat naar de Chaldeeen, zal leven en zijn ziel als buit hebben en in leven blijven.
   Zo zegt de Heer: Voorzeker zal deze stad in de macht van het leger van de koning van Babel gegeven worden en dat zal haar innemen.
       Toen zeiden de vorsten tot de koning:
Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de krijgslieden die in deze stad zijn overgebleven, en de gehele bevolking, door op zulk een wijze tot hen te spreken, want deze man zoekt niet het heil voor dit volk, maar het kwade.
Koning Sedekia [Hebr.=‘De Heer is rechtvaardig’] zei:
Zie hij is in uw hand, want de koning vermag niets tegen u.
Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia
[Hebr.=’mijn Koning is de Heer’], die in de gevangenhof was, en zij lieten hem aan touwen zakken; in de put nu was geen water, maar wel slijk; en Jeremia zonk in het slijk.
Ebed-melek [Hebr.=‘dienaar van de koning’] echter, de Ethiopier [Aithiops; zwart, van aitho (verbranden) en ops (het gezicht)], een hoveling, die in het paleis des konings was, hoorde, dat zij Jeremia in de put hadden neergelaten [de koning nu vertoefde in de Benjaminpoort (Benjamin = zoon van geluk)].
En Ebed-melek ging uit het paleis van de koning en sprak tot de koning:
       Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, dat zij hem in de put hebben geworpen; hij zou toch op de plaats zelf wel sterven van de honger, doordat er geen brood meer in de stad is.
       Toen gebood de koning Ebed-melek, de Ethiopier:
Neem van hier drie mannen mee en trek de profeet Jeremia uit de put, voordat hij sterft.
       Toen nam Ebed-melek de mannen mee en ging in het paleis des konings in de ruimte onder de voorraadkamer en nam vandaar lappen van afgedragen en gescheurde klederen, die hij aan touwen naar Jeremia in de put neerliet.
       En Ebed-melek, de Ethiopier, zeide tot Jeremia:
Leg nu de lappen van de afgedragen klederen en de lompen onder de oksels van uw armen, onder de touwen. En Jeremia deed dit.
       Toen trokken zij Jeremia aan de touwen op en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de gevangenhofJeremia 38: 1-13.

Het verval van de Kerk in ‘onze’ tijd

Onze Heer, Jezus Christus = onze God; Our Lord, Jesus Christ = our God; Ο Κύριός μας, ο Ιησούς Χριστός = ο Θεός μας

              Hoe is het goud donker geworden, het goede, fijne goud veranderd! De stenen van het Heiligdom liggen in het rond op de hoek[en] van alle straten!
De kostbare kinderen van Sion, [eens] gewaardeerd als zuiver goud, hoe worden zij [nu] beschouwd als aarden kruiken, het werk van pottenbakker’s-handen!
Zelfs jakhalzen reiken
[nog] hun jongen de borst,  om ze te laten zuigen; [maar] de dochter van mijn Volk is zo wreed geworden als struisvogels in de woestijn. De tong van de zuigeling kleeft aan haar gehemelte van dorst. Kleine kinderen vragen om [Hemels] Brood, niemand verstrekt [het] hun. Zij die [eens] lekkernijen aten, en kwijnen [nu verslaafd aan weet ik wat al niet] weg op de straten; zij die [eens] met karmozijnrode stof vertrouwd waren, omarmen [nu] het vuil.
Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk dan de zonde van Sodom, dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,
zonder toedoen van [mensen-]handen.
Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, blanker dan melk, roder van lichaam dan robijnen; hun gestalte was gladder dan een saffier. 
[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als hout.
Zij die vielen door het zwaard zijn beter af dan zij die vielen door de honger,
[want als] doorstoken kwijnen die weg omdat de velden niets opbrengen.
De handen van barmhartige vrouwen  hebben hun [eigen] kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden bij de ondergang van de dochter van Mijn Volk

Klaagliederen 4: 1-10.

    Heer, ik roep tot U; verhoor mij; verhoor mij, o Heer.
Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking.
Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer.
Laat mijn gebed opstijgen, evenals wierook voor Uw Aangezicht.
De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.
Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen.
Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen.
Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten.
Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen.
Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf.
Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet.
Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners.
Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg.
Met mijn stem heb ik tot de Heer geroepen; met mijn stem heb ik tot de Heer gebeden.
Ik stort mijn gebed uit voor Zijn aangezicht; voor Zijn aanschijn klaag ik mijn nood.
Mijn geest ging uit mij heen, maar Gij, Heer, kent mijn wegen.
Op de weg die ik gaan moest, hadden zij een valstrik voor mij verborgen.
Tevergeefs wendde ik mij naar rechts om een verdediger, maar er was niemand die mij wilde kennen. Vluchten was mij onmogelijk; er was niemand die zich om mijn leven bekommerde.
Toen heb ik tot U geroepen, heer; ik zei: Gij zijt mijn hoop, Gij zijt mijn deel in het land der levenden. Luister naar mijn gebed, want ik ben ten uiterste vernederd.
Bevrijd mij van mijn vervolgers, want zij hebben mij overmeesterd.
Voer mijn ziel uit de kerker, opdat ik Uw naam moge belijden.
De gerechten zien uit, tot Gij mij vergeldt
                                                                     ✥✥✥
    Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond.
Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste.
Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden van Uw handen; Ik strek mijn handen naar U uit.
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn
geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf.
Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid;
Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid.
Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar;
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land
Psalm140,141[141,142] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Jeremia, by Ernst Alt.

Jeremia, zonder brood in de Put:
    En zij wierpen Jeremia in de put van van prins Malkia [Hebr.= ‘mijn Heer is Koning’], de zoon van de koning, die in het voorhof van de gevangenis was.
Ze lieten Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’] in de put vallen waar geen water was, behalve modder; aldus was hij in de modder [in het slijk der aarde]“.
De belegering van Jeruzalem duurde van januari 588 tot aan juli van 587 vóór Christus, n de zomer van 588 voor een korte tijd onderbroken. Op dat moment werden de Babyloniërs gedwongen te onthechten om te handelen met een Egyptisch leger oprukkende tegen hen.
Tijdens die korte onderbreking in de gevechten werd Jeremia gearresteerd en vastgehouden.
De functionarissen van Juda die de voorkeur gaven aan
een pro-Egyptische politiek, hebben de overhand: ‘de stad moet standhouden’.
Ze beschouwen Jeremia niet als een Profeet; in plaats daarvan
demoraliseert hij de troepen van het leger terwijl
ze zich verzetten tegen de Babylonische aanval op de stad.
Ze roepen:
“Laat die man [Jeremia] ter dood worden gebracht, want door te spreken . . .
door zulke woorden te uiten worden de handen van de strijdende mannen verzwakt die in de stad zijn achtergelaten en ondermijnt dit tevens de inzet van alle mensen” Jeremia 38: 4.

De zwakzinnige koning Zedekia heeft weinig feitelijke macht, dus
geeft hij de functionarissen toestemming om met Jeremia te doen wat ze willen Jeremia 38: 5.
Tijdens de hete zomer is het water in de stortbak in het huis van de koningszoon uitgeput, dus laten ze Jeremia in deze waterloze put vallen om
te sterven temidden van de insecten die in de modder gedijen Jeremia 38: 6.

Let erop dat de Profeet gedurende deze opeenvolging van gebeurtenissen niets zegt, hij laat alles stilzwijgend over zich heenkomen.
Nèt als Christus die in handen van Pontius Pilatus was overgeleverd Luc. 23,
blijft Jeremia diep in de put zwijgen, het enige wat te horen is, is de zwerm insecten, die luid te keer gaan en zich tegoed doen aan zijn bloed.
Is de stem van de Heer Die Zich tegen de wereldse wijsheid verzet eveneens niet meer te horen? Kan het woord van God alleen verstikt worden door zijn Profeet
in een modderige stortbak te laten wegkwijnen?

gebed, “Heer, ontferm U”.

O God,  gedenk ons westerlingen in Uw Genade over zulke zelfverzekerde overheersende gedachten en daden!
We weten tot op het bot dat het Woord des Heren nooit uit wordt gevaagd,
gemuilkorfd of verborgen kan worden als
gevolg van een simpel fiat, een potloodstreep van een ambtenaar,
door het fiat van gewone stervelingen.
Laten we nooit de andere kant opkijken, zoals koning Zedekia doet Jeremia 38: 7
en zwijgzaam toekijken, terwijl anderen van plan zijn het Woord van God om zeep te helpen. Boze mensen mogen concluderen dat hun ideeën beter zijn dan
die van God, maar wee degenen die zich voorstellen dat ze de stem des Heren kunnen doen verstommen!

Heilige Andreas van Salos, ‘dwaas om Christus Wil’; Saint Andreas of Salos, ‘fool for Christ’

Een buitenlander – een vluchteling, zoals in onze tijd,
een slaaf in het huishouden van de koning,
een ontkracht iemand die geen macht heeft
– is [nog] de enige mens die tot in z’n hart geroerd is
door Jeremia’s benarde situatie.
Deze gemarginaliseerde bevolkingsgroep doet ook in onze tijd [veelal tegen het wettelijk minimum loon of een bijstandsuitkering] drie simpele dingen die iemand kan doen die onaangename Waarheid aan het Licht zou willen brengen;
ook in onze tijd in ons Missieland.
Ten eerste doet hij een beroep op iemand die in staat is
de onrechtvaardigheid om te keren en roept “Heer, ontferm U” Jeremia 38: 8,9.
Vervolgens gaat hij verder met het nemen van de nodige stappen om degene die de Waarheid spreekt uit de put te verheffen Jeremia 38: 11-13.
Ten slotte probeert hij bij het uitvoeren van het reddingsplan de persoon die hij wil helpen niet te schaden Jeremia 38: 12.

We hebben altijd de mogelijkheid om nog te spreken wanneer de Waarheid uit het zicht verdwenen is. Mogen we altijd en eeuwig de moed vinden om diegenen aan te spreken die in staat zijn om een ​​fout te corrigeren wanneer de Waarheid in de kiem wordt gesmoord.
Elke genoegdoening van grieven begint wanneer iemand blootlegt wat er gebeurt met degenen die aan de macht zijn, òf het nu gaat om plaatselijk aangestelde of zichzelf verheven [tot goden verheven] hebbende functionarissen,
spelleiders, toezichthouders, koningen, prinsen, directeuren,
managers of eigenaren,
allen, die hun macht en aanzien
misbruiken.
Deze leiders zijn in een positie om
onze persoonlijk beredeneerde oproepen
namens God’s Waarheid te vernemen,
òf zij er iets mee doen is een tweede.
Het blijkt in de praktijk steeds maar weer ‘mis’ te gaan, want
ook zij doen de dingen ‘in zonde’, d.w.z. ‘zonder God’ en
komt er geen mentaliteitsverandering op gang.
De mens kàn de mens niet veranderen, dat is slechts in de handen van ‘GOD”, Die is De Éne, Énige Waarachtige, Die ons in staat kan stellen ons te doen opstaan.

Terwijl anderen helpen, stelt de Ethiopische eunuch
een paar “oude lompen en oude touwen” [uit de kringloop]
samen tot een hef-gelegenheid Jeremia 38: 11 en
wendt ze aan om de profeet die in het slijk der aarde is gestrand,
tot een menswaardig bestaan te verheffen.
Dàn trekken hij en de dertig [gelijkgezindte] mannen Jeremia er op uit.
Ebed-Melech doet wat hij kan.
Ook wij zijn in staat ons in te spannen met
alle middelen die ‘God’ ons ter beschikking stelt, je dient er alleen maar inzicht in zien te verkrijgen en dáár ontbreekt het veelal aan.

Merk op dat de eunuch in de loop van de redding
oh zó voorzichtig is om Jeremia niet te verwonden, noch
ook maar iets toe te voegen aan zijn ongemak.
De oude vodden [uit de kringloop] vangen de oksels
van de profeet op
terwijl de mannen hem optillen,
hem bevrijdend vanuit de modder verheffen en
hem doen herstellen
voor ‘het Licht en het Leven‘,
voor God’s aangezicht Jeremia 38: 12.
En God zag dat het goed [=’tov’] was

‘Talendon’, oproep tot gebed op de botten van Adam; ‘Talendon’, call for prayer on the bones of Adam

Hoe zal ik beginnen de werken van mijn armzalig leven te bewenen.
Hoe zal ik een begin maken, Christus, met deze klaagzang?
Schenk mij toch, Barmhartige, vergeving van mijn zonden
Eph.1: 7.

Kom, ongelukkige ziel, in uw lichaam:
belijd uw zonden aan de Schepper van het heelal.
Onthoudt u voortaan van uw vroegere redeloosheid, en
breng aan God tranen van berouw
”.

  Adam, de eerst-geschapene, heb ik voorbijgestreefd in zijn overtreding, en
toen bemerkte ik dat ik van God ontbloot ben, en
van het eeuwig Koninkrijk en haar genietingen, door mijn zonden
Gen.3: 7.

Wee mij, ongelukkige ziel!
Waarom hebt gij uzelf gelijk gemaakt aan de eerste Eva?
Want gij keek met begeerte en ge werd bitter gewond.
Gij raakte de boom aan en proefde onbezonnen van de bedrieglijke vrucht
Gen.3: 5.

  In plaats van de zichtbare Eva is
een zinnebeeldige Eva in mij opgestaan:
de hartstochtelijke gedachte in mijn vlees.
Deze toont mij het zoete genot, maar
laat mij steeds proeven van het bittere voedsel
Gen.3: 7.

  Terecht werd Adam uit Eden weggejaagd, Verlosser, omdat
hij Uw éne gebod niet onderhouden had; hoe
zal het mij dan vergaan, die steeds weer
Uw leven-brengende woorden verwerp?Gen.3: 24.

  Vrijwillig heb ik de bloedige moord van Kaïn nagevolgd, en
werd ik een moordenaar voor het geweten van mijn ziel.
De vleselijke begeerten heb ik doen opleven, en
met mijn slechte daden ben ik tegen haar ten strijde getrokkenGen.4: 8.

  Ik leek niet op Abel in zijn rechtvaardigheid, o Heer:
nooit heb ik U welgevallige gaven gebracht, noch
aan God welgevallige werken, noch
reine offeranden, noch een onberispelijk leven
Gen.4: 4.

  Net als Kaïn, ongelukkige ziel, hebben ook wij
onreine werken aan de Schepper van het heelal opgedragen,
een verwerpelijk offer en een nutteloos leven:
daarom werden wij dan ook veroordeeld
Gen.4: 5.

  Als Pottenbakker hebt Gij van leem
een levende gestalte geboetseerd en
Gij voorzag mij van vlees en gebeente, adem en leven.
Gij, mijn Schepper, mijn Verlosser en Rechter,
neem mij aan nu ik berouw heb
Rom.9: 21; Gen.2: 7; Jer.18: 6; Hand.17:5. 

  Voor U, mijn Redder, belijd ik de zonden die ik heb begaan en
de wonden van mijn ziel en van mijn lichaam, die
mij zijn toegebracht door mijn moordende gedachten als door rovers”
Luc.10: 30.

  Ook al heb ik gezondigd, o Heiland, toch weet ik dat Gij menslievend zijt:
Gij tuchtigt met medelijden en zijt barmhartig met warme liefde:
gij slaat acht op tranen, en snelt toe als Vader, Die de verloren Zoon terugroeptLuc.15: 20. 

  In mijn ouderdom heb ik mij neergeworpen voor Uw poorten, o Heiland.
Verwerp mij niet zonder meer in de hades, maar
geef mij vóór het einde vergiffenis van mijn zonden,
als Menslievende
Luc.16: 20; Psalm 70 [71]: 9.

uit: de Canon van Andreas van Kreta,
triodion donderdag 5e week,
belijdenis van berouw voor
onze Heer en Verlosser.

5e Dinsdag na Pascha – getroffen worden door de Pedagogie van Heer, onze God

Christus leidt ons in verzoeking, opdat wij er iets van leren; Christ leads us into temptation, so that we can learn something from it

    Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen.
De Joden zeiden tot Hem:
    Nu weten wij, dat Gij bezeten zijt. Abraham is gestorven en ook de profeten, en Gij zegt: indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet smaken. Gij zijt toch niet meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven; voor wie houdt Gij Uzelf?
     Jezus antwoordde:
    Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, van Wie 
gij zegt: Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem.
En indien Ik zei:
    Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn, een leugenaar; doch Ik ken Hem en Zijn  Woord bewaar ik. Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd Mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.
De Joden dan zeiden tot Hem:
    Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Gij Abraham gezien?
Jezus zei tot hen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben ik.
Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar
Jezus verborg Zich en verliet de Tempel
John.8: 51-59.

    Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na hun liefdedienst te hebben volbracht, en namen ook Johannes, bijgenaamd Marcus, mee.
Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaen, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus.
En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zei de Heilige Geest:
‘ Zonderen jullie Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb’.
Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan.
       Dezen dan, door de Heilige Geest uitgezonden, trokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus; en te Salamis gekomen, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden ook Johannes tot helper.
En na het gehele eiland doorgetrokken te zijn tot aan Pafos, troffen zij een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Barjezus; hij hield zich op bij de landvoogd Sergius Paulus, een verstandig man. Deze begeerde het woord van God te horen en liet Barnabas en Saulus tot zich roepen.
      Maar Elymas, de tovenaar, want zo wordt zijn naam vertaald, verzette zich tegen hen en trachtte de landvoogd van het geloof afkerig te maken.
Doch Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld met de Heilige Geest, zag hem scherp aan, en zei:
‘     Zoon van de duivel, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden de rechte wegen des Heren te verdraaien? En nu, zie, de hand des Heren keert zich tegen u, en gij zult een tijd lang blind zijn en de zon niet zien’. En terstond viel op hem donkerheid en duisternis, en rondtastende zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden.
Toen de landvoogd zag, wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof, zeer getroffen door de leer des HerenHand.12: 25-13: 12.

De val van Jerusalem en de ongebreidelde gevangenschap van een Profeet
    Sedekia, de zoon van Josia, die Nebukadnessar, de koning van Babel, over het land Juda koning gemaakt had, kwam aan de regering, in plaats van Konjahu, de zoon van Jojakim. En hij gaf geen gehoor, hij noch zijn dienaren, noch het volk van het land, aan de Woorden des Heren, Die God door de dienst van de Profeet Jeremia sprak.
Toen zond koning Sedekia Jehukal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maaseja, tot de profeet Jeremia met de vraag:
       ‘Bid toch voor ons tot de Heer, onze God’.
Jeremia ging toen nog vrij in en uit te midden van het Volk en men had hem nog niet in de gevangenis gezet. Ook was het leger van Farao uit Egypte opgerukt, en toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, de tijding daarvan vernomen hadden, waren zij van Jeruzalem weggetrokken.
       Toen kwam het Woord des Heren tot de Profeet Jeremia:
⁌ Zo zegt de Heer, de God van Israel: Zo zult gij zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft om Mij te vragen: zie, het leger van Farao, dat uitgetrokken is om u te helpen, keert naar zijn land, Egypte, terug; en de Chaldeeen zullen terugkomen en tegen deze stad strijden, haar innemen en met vuur verbranden.
⁌ Zo zegt de Heer: Bedriegt uzelf niet met de gedachte: De Chaldeeen trekken werkelijk van ons weg; want zij trekken niet weg. Ja, al zouden jullie het gehele leger der Chaldeeen die tegen u oorlog voeren, verslaan, zodat er onder hen slechts zwaargewonden overbleven, dan zouden die, een ieder in zijn tent, nog oprijzen en deze stad met vuur verbranden.
            Toen het leger der Chaldeeen van Jeruzalem was opgebroken vanwege het leger van Farao, wilde Jeremia Jeruzalem verlaten, om naar het land van Benjamin te gaan met het doel daar onder het volk een erfdeel te aanvaarden.
            Maar toen hij in de Benjaminpoort kwam, was daar een bevelhebber van de wacht, Jiria genaamd, de zoon van Selemja, de zoon van Chananja, en die hield de profeet aan met de woorden:
Gij wilt naar de Chaldeeen overlopen!
Òf Jeremia al zei: ‘ Het is niet waar, ik wil niet naar de Chaldeeen overlopen, Jiria luisterde niet naar hem, greep hem en bracht hem naar de vorsten.
En de vorsten werden toornig op Jeremia, gaven hem slagen en zetten hem in de gevangenis in het huis van de schrijver Jonatan, want dat hadden zij tot kerker ingericht.
• Zo kwam Jeremia in het gevangenhuis, in de gewelfde vertrekken; en Jeremia bleef daar lange tijd.
Toen liet de koning Sedekia hem halen, en de koning vroeg hem in zijn paleis in het geheim en zei:
       Is er een Woord van de Heer?
En Jeremia zei:
      Ja; gij zult, zo zei Hij, in de macht van de koning van Babel gegeven worden.
Verder zei Jeremia tot koning Sedekia:
      Wat heb ik tegen u of uw dienaren of dit volk misdaan, dat gij mij in de gevangenis hebt gezet? Waar zijn nu uw profeten, die u profeteerden: ‘ De koning van Babel zal niet optrekken tegen u en tegen dit land?
Nu dan, hoor toch, mijn heer de koning, laat mijn bede toch bij u gehoor vinden, en laat mij niet naar het huis van de schrijver Jonatan terugbrengen, opdat ik daar niet zal sterven.
Toen gaf koning Sedekia bevel en men zette Jeremia in verzekerde bewaring in de gevangenhof en men gaf hem een brood per dag uit de Bakkersstraat, totdat al het brood in de stad op was. En Jeremia bleef in de gevangenhof” Jeremia 37: 1-21.

De uiteindelijke val van Jeruzalem
Ja, Ik zal bezoeking doen over hen die in het land
Egypte wonen, zoals Ik bezoeking gedaan heb over
Jeruzalem, door het zwaard, de honger en de pest;
En van het overblijfsel van Juda, dat gegaan is om
daar te verblijven in het land Egypte, zal niemand
ontkomen en ontsnappen, namelijk om terug te
keren naar het land van Juda, waarop zij hun hart
hebben gezet om daar te wonen, want zij zullen er
niet terugkeren, behalve enkele vluchtelingen
Jeremia 44: 13-14.

Het Licht des Levens
Hij greep de Profeet Jeremia en zei:
U vlucht naar de Chaldeeën!
Maar deze zei: ” Dat is een leugen! Ik vlucht niet naar de Chaldeeën”.
Toch luisterde hij niet naar hem.
Daarop volgde dat de bevelhebber van de wacht, Jiria genaamd,
de zoon van Selemja, de zoon van Chananja
Jeremia greep en hem opbracht bij de overheersers.

Mozes gestorven, ‘ontslapen’.

Het uur van onze dood.
In de tijd van het Oude Testament ging het lichaam van een overledene,
net als in onze tijd, naar het graf. Het lichaam ging daarheen met een tweevoudig doel. Ook dat is gelijk aan onze tijd. Het doel was en is:
1.]. Het lichaam gaat naar het graf om tot ontbinding over te gaan en terug te keren naar zijn oorspronkelijke materiaal: stof, aarde.
2.]. De resten van het lichaam van de mens wacht[t]en in de aarde op de dag der Opstanding, Die eens zal komen. Ná de Opstanding zullen de resten van de overledene weer bij elkaar komen en weer een lichaam met beenderen, spieren, pezen, vlees, organen en huid vormen.
       Het wachten in de aarde van het lichaam, wordt in de Bijbel ook wel “slapen” en “ontslapen” genoemd. Het lichaam rust in de aarde en wacht daar, al slapende, op de grote dag der opstanding. De Bijbel kent dus wel een “slapen na de dood“, maar geen “zielenslaap, maar een “slaap van het lichaam“.
Dit moeten wij goed zien en deze twee moeten wij niet met elkaar verwarren.
Bij het sterven verlaat de ziel het lichaam. Terwijl in de tijd na de Opstanding van de Heer en Verlosser de zielen van de gelovigen en van de ongelovigen niet meer naar de zelfde plaats gaan, was dat in de tijd van het Oude Testament wel het geval.
Wij moeten er daarom goed op letten, dat er verschil is in de bestemming van de ziel  ná het sterven tussen de tijd van het Oude Testament en de tijd van het Nieuwe Testament.
        In de tijd van het Oude Testament was er één grote “verzamelplaats” voor de zielen van de gestorvenen [de sheool. Gr. =‘ de hades’], ongeacht of het om verloren mensen of om behouden mensen ging. Wel was die verzamelplaats verdeeld in twee gescheiden afdelingen, waarbij de behoudenen in de ene afdeling waren en de verlorenen in de andere afdeling [het zgn. ‘afvalputje’].
☦️     Onze Heer en Verlosser is nooit in de hel geweest. Ná Zijn sterven aan het Kruis was Zijn ziel gedurende drie dagen en drie nachten in het dodenrijk [de Hadès] en niet in de hel !
Dat maakt ook Hand.2: 30,31 ons duidelijk, wanneer David in Psalm 9: 10 zegt, dat de Heer wèl naar het dodenrijk zou gaan, maar daar niet zou blijven.
Toen onze Heer en Verlosser aan het kruis hing, sprak hij met één van de twee misdadigers over hun beider toekomstige bestemming. De Heer sprak niet met hem over de plaats waar hun lichaam naar toe gebracht zou worden, maar over de plaats waar hun zielen naar toe zouden gaan. De Heer liet merken, dat hun beider ziel naar dezelfde plaats zou gaan. De Heer noemde deze plaats “het ParadijsLuc.23: 43.

Wij dienen er op te letten, dat er in de verschillende periodes in de Blijde Boodschap telkens een andere plaats aangewezen wordt, wanneer het over het Paradijs gaat. De plaats waar wij na onze dood terecht komen, behoeft dus geen mens te beangstigen, want het zal – vermits wij ons leven in vrede en boetvaardigheid mogen beëindigen een plaats van Licht zijn waar wij alsdan een goede verdediging voor de ontzagwekkende rechterstoel van Christus mogen verwachten.
De “dag” van iemand, die God’s Woord heeft bewaard, zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen, is voorzeker dezelfde dag waarnaar de Profeet David op zoek is:  “ Voor velen ben ik een voorteken geworden, want Gij zijt mijn Sterke Helper. Moge mijn mond met lofzang gevuld zijn om Uw Heerlijkheid te bezingen, heel de dag Uw VerhevenheidPsalm 70[71]: 6,7.
Verwijzend naar zo’n dag herinnert de apostel Paulus eraan
dat we ‘niet in de duisternis zijn‘, maar eerder ‘zonen/dochters van het licht en zonen/dochters van de dag‘. Wij zijn niet van de nacht noch van de duisternis.
Hij voegt er nog aan toe:
Maar jullie, broeders/zusters, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen: want jullie zijn allen kinderen van het Licht en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dàn óók niet slapen gelijk de anderen, 
doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop op de Zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van Zaligheid door onze Heer Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven1Thess 5: 4-10.

We dienen dus te accepteren ​​dat de “vrees voor God, en het Geloof en de tweevoudige Liefde” onze ziel bewaken tegen het vallen van de avond en duisternis, zodat er geen “dieven” zijn. . . die ons in de nacht opzoeken en ons beroven, ons dodelijk treffen en ons   eenvoudigweg ruïneren.

Indien we de gebeurtenissen die in deze passage zijn opgetekend nog eens nalezen, zullen we bemerken dat Jeremia wordt omringd door mannen wiens zielen verduisterd zijn, mensen die blind zijn voor het licht van zijn Profetie, het Woord van God, wat op Zijn mond is.
Een tijd lang wandelt hij vrijuit, maar deze mannen ‘van de nacht‘, de overheersers van Juda, zien zijn vertrek uit Jeruzalem als niets meer dan desertie voor de vijand.
Diepe, bittere duisternis verduistert hun harten en zielen.
Christus overwint de dood, overwint de ellende, die wij mensen in onze menselijke onmacht [= dodelijke verwonding] veroorzaken. Daarom is het zo helder als wat, Christus [en de Christen] heeft totaal geen behoefte aan ‘rood‘, ‘groen‘, of het ‘een blauwtje lopen‘ van het humanisme – de mens is totaal niet in staat zichzelf te redden, dat kan alleen ‘God’, door de mens de goede weg te wijzen; die z’n leven anders zal dienen te gaan inrichten.
Daarom staat er in de Doxologie dat:
”     Heer, een toevlucht zijt Gij voor ons van geslacht op geslacht. Ik sprak: Heer, ontferm U over mij en genees mijn ziel want tegen U heb ik gezondigd.
       Tot U, Heer, vlucht ik, leer mij Uw Wil te doen, want U bent mijn God.
      Bij U toch is de bron van het Leven, in Uw Licht zullen wij het licht aanschouwen, schenk ons Uw Barmhartigheid aan allen die U belijden“.
En in de Hexapsalm:
”    
Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft [onder de mensheid] mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond.
Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste.
Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden van Uw handen; Ik strek mijn handen naar U uit.
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want [slechts] op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid.
Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar; ‘ Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land’.
Psalm 142[143] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

De Anastasis icoon = een geillustreerd gebed; The Anastasis icon = an illustrated prayer; Το εικονίδιο της Αναστάσης = εικονογραφημένη προσευχή

Het is de Heer, onze God, Die de deuren van de Hades verbrijzelen zal en de hengsels van die deuren vermorzeld, opdat de mens bevrijd mag worden van z’n aardse, z’n op de wereld gerichtte genoegens.

Sprekend over de duisternis van de geest merkt de heilige Petrus van Damascus op dat
    Degenen die  geen onderscheid weten te maken
zich “enorm” kunnen inspannen, maar . . . niets  zullen bereiken; terwijl
de persoon die buitengesloten wordt, gediscrimineerd wordt op
grond van Goddelijke aanbidding en vast blijft houden aan zijn Joods-Christelijke principes een gids blijkt te zijn voor blinden en een Licht voor hen vormt in de duisternis
Philokalia.
Dit contrast onderstreept het enorme verschil tussen degenen die
halsstarrig “weten” dat Jeremia de stad verlaat, tevens het ware karakter van de profeet laat zien, die het kwaad uit de weg gaat,
als een mens, die verlicht is door God en die als een kind van de dag wandelt!
De duisternis heerst in de ziel van bevelhebber van de wacht, Jiria Jeremia 37: 13-14,
in de heersers die de profeet verslaan Jeremia 37: 15, en
in koning Zedekia die in het geheim met hem spreekt Jeremia 37: 17.
Waanideeën domineren hun denken; ze zijn ervan overtuigd dat de Egyptenaren hen zullen redden Jeremia 37: 7, en deze valse overtuiging verblindt hun ziel.
Zij kunnen Jeremia’s punt niet begrijpen dat als de Chaldeeën
“bepaalde gewonde mannen verlieten, deze mannen zouden opstaan ​​en
deze stad met vuur verbranden” Jeremia 37: 10.

Wij vallen, nèt als de leiders van Jeruzalem, gemakkelijk in het vangnet van onze angsten en bezwijken voor de vele waanideeën die zoveel mensen om ons heen blind maken.
Laten we God smeken ons naar Zijn tijd te leiden!
Zoals de Heer Jezus leert, ziet alleen degene, die wandelt in de dag: “ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is. Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekkenJohn. 11:  9-11.

Gebaseerd op indirect bewijs concludeert Jiria  of Irijah, zoals hij ook wel genoemd wordt. dat Jeremia vlucht naar de Babyloniërs.
Immers, aangezien Jeremia zei dat de Babyloniërs de stad zouden nemen, moet hij naar hen toe rennen.
Jiria’s wanen houden hem in bedwang.
Dezelfde waanideeën verbitteren de heersers tegen Jeremia.
Ze zien de nadering van het leger van Farao en de terugtrekking van de Chaldeeërs als tekenen van God’s bevrijding.
Gecontroleerd door dàt valse geloof, proberen ze Jeremia
een gevoel van betekenis te geven.
De koning is weliswaar geïntrigeerd door de Profeet, maar
hij is onderhevig aan dezelfde misvatting en houdt Jeremia in hechtenis.

            Wij, die als christenen worden geconfronteerd met een overvloed aan neo-heidense idealen, dienen ons ook bewust te zijn dat ook wij dienen te leren
van valse overtuigingen en deze dienen te identificeren om eraan te kunnen ontsnappen. De heilige Petrus van Damascus zegt:
“Bid vurig om in alles wat we doen
er in elk geval naar te streven
om zonder wrok en slechte gedachten te zijn”
We doen er goed aan de apostel Paulus op te volgen:
De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.
          Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en
aandoen de wapenen van het Licht!
          Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen,
• niet in brasserijen en drinkgelagen,
• niet in wellust en losbandigheid,
• niet in twist en nijd!
  Maar doet de Heer Jezus Christus aan en
wijdt geen zorg aan het vlees, zodat
begeerten worden opgewektRom.13: 12-14.

Verlicht onze harten, O Meester,
Die de mensheid liefheeft,
met het zuivere Licht van
Uw goddelijke kennis.
Open onze noëtische ogen voor het begrip van
Uw Evangelische Pedagogie
”.
conf.
Gebed voor het Evangelie
[van de dag]

5e Maandag na Pascha – ons eigen willetje staat het Woord des Heren in de weg

    Jezus zei tot hen:

Het Mysterie van de Drie-eenheid

‘Indien God [werkelijk] uw Vader was, zouden jullie Mij liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
Waarom begrijpt gij niet wat Ik zeg? Omdat gij Mijn Woord niet kunt horen.
      Jullie hebben de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoordenaar van den beginne en staat niet in de Waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.

Maar omdat Ik jullie de Waarheid zeg – Mij geloven jullie niet. Wie van u overtuigt Mij van zonde? Als Ik waarheid spreek, waarom gelooft gij Mij niet?
Wie uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt.
      De Joden antwoordden en zeiden tot Hem:
  Zeggen wij niet terecht, dat Gij een Samaritaan zijt en bezeten zijt?
Jezus antwoordde:
      Ik ben niet bezeten, maar Ik eer Mijn Vader, en gij onteert Mij. 
Maar Ik zoek niet Mijn eer; Één is er, Die haar zoekt en Die oordeelt.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwenJohn.8: 42-51.

    En na een ogenblik van overleg, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, bijgenaamd Marcus, waar velen vergaderd waren in gebed.
      En toen hij aan de deur van het voorportaal klopte, kwam een slavin, met name Rode, voor om te horen wat er was; en toen zij de stem van Petrus herkende, deed zij van blijdschap het voorportaal niet open, maar liep naar binnen om mede te delen, dat Petrus voor het portaal stond.
En zij zeiden tot haar: Gij spreekt wartaal. Doch zij bleef volhouden, dat het zo was.
En zij zeiden: Het is zijn engel.
Maar Petrus bleef kloppen en toen zij opengedaan hadden, zagen zij hem en waren verbijsterd.
En hij wenkte met zijn hand, dat zij zwijgen moesten, en verhaalde hun, hoe de Heer hem uit de gevangenis had geleid en hij zei:
‘ Bericht dit aan Jaäcobus
[Hebr.=‘de Hielenlichter’] en de broeders.
En hij vertrok en reisde naar een andere plaats
Hand.12: 12-17.

 

Bergrede, detail

Zalig de zachtmoedigen
Indien God werkelijk jullie Vader was, zouden jullie Mij als Zijn kinderen liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.

Waarom begrijpen jullie dan niet wat Ik [GOD] zeg? Omdat jullie Mijn Woord weliswaar horen, maar niet luisteren en dus doof zijn voor God’s Woord.
Neem het Woord uit de bergrede:
    Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërvenMatth.5: 5.

Het is duidelijk dat de voor de wereld – ideale mens- die de wereld op het oog heeft,  geheel verschilt van de wereld, die God voor ons voor ogen heeft.
De zachtmoedigen behoren tot degenen die ontzettend worden
begenadigd/ gezegend zijn, dat ze slechts in samenwerking mèt
onze Heer en Verlosser de aarde zullen beërven.

Christus was niet de eerste die het belang van zachtmoedigheid onder woorden bracht. Hij was wèl de Eerste, Die een van God afkomstige,
geordende opsomming gaf van de karakteristieken van de perfecte mens.
Anderen hebben opsommingen gemaakt van in het oog springende deugden, maar de Christelijke Pedagogie, is samen mèt Zijn van God afkomstige opsomming uniek in z’n samenhang met het Koninkrijk van God en
de diepgang van wat Hij ermee bedoelde.

De vraag, die gesteld kan worden is:
Kent u uw Heer en Meester, Jezus Christus, de Zoon van God al???”.
De meesten onder ons volgelingen zal onoplettend doorlopen en
bevestigend antwoorden.
Maar nu nog een keer:
Kent u uw Heer en Meester, de Zoon van God werkelijk???.

Wie van de 5 mannen was ‘echt‘ haar man?; Which of the 5 men was ‘really‘ her husband?

Is uw relatie met de Vader dusdanig dat u Christus kunt antwoorden:
— “Ja, ik leef in U als mijn Koning en God”
— “U bent mijn Licht en Mijn Heil: wie zal ik vrezen”.
Is Christus als Heer en Meester de beschermer van uw leven:
— “voor wie zouden we in God’s Naam beven???”
Wat gaat er in je om bij die vraag ?
Is het dàn tevens zó dat je op die manier, tot de ontdekking komt
♨︎ dat je ontzettend veel van je Kerk houdt, tot welke bloedgroep je ook behoort?
♨︎ Gaat het dan niet veel-en-veel ‘vèrder’ dan het licht van de glas-in-lood-ramen en de hemelse klanken van de hymnen en de geur, die je opsnuift?
♨︎ Gaat het dan niet om de ontmoeting met het Lichaam, de mensen van vlees en bloed, die met jou ervaren dat zij eveneens geroepen zijn en ervaren dat zij dubbelhartig zijn en zich tot God, de Vader en tot God, de Zoon en tot God, de Heilige Geest wenden, waar zij ontferming van verwachten?
♨︎ Inderdaad het gaat om een liefdesband en Verbonden weten in een liefde,
⁌  die allen en alles overstijgt;
die door de eeuwen heen ervaren wordt met onze Heer en Meester;
die grote dalen en hoge toppen heeft gekend , maar door alles en reden heen – die we zelf ook vaak niet begrijpen – nooit meer is weggegaan.
die van begin tot einde – “ God mèt ons mensen is, die is en zal zijn, wat
er ook gebeuren mag“.
Deze >wederzijdse Liefde<, waarvan God de oorsprong en de eeuwige toekomst is, is de reden dat de wereld ons afwijst.
En wij zelf? Door de reactie van de wereld voelen wij onszelf ‘narrig’ – wispelturig, ‘ als een dwaas om Christus Wil’; tegen alle beter weten van de wereld in.

Hoe kan er dàn nòg spráke zijn vàn samenhang met het Koninkrijk van God,
zult u zich afvragen?

Toren van Babel, Straatsburg.

Gelet op hoe de moderne mens over zachtmoedigheid denkt, is bovenstaande aanhankelijkheid, het je afhankelijk opstellen bijna onbegrijpelijk.
De wereld zou het geheel omgekeerd onder woorden brengen: “Zalig de sterken, die in staat zijn op eigen benen te staan”.

Toren van Babel, Brussel

De wereld houdt altijd méér van de zichtbare en zogenaamde heldhaftige deugden. Zij die in sterke mate -bijna vurig- wedijveren, agressief zijn en het zich laten gelden, zijn degenen die erkenning, bewondering en beloningen [nemen] ontvangen.
Eindigen ‘zij’ niet in de hoogste posities, bezitten ‘zij’ niet het meeste en
ook nog ‘het beste‘ ondanks duidelijke en misschien zelfs
gevaarlijke tekortkomingen in hun karakter?

Een modern woordenboek maakt duidelijk waarom zachtmoedigheid in verband wordt gebracht met zwakheid. Kijk maar naar de synoniemen, die bij het woord ‘zachtmoedig’ worden opgesomd:
”  mak, timide, mild, zacht, niet ambitieus, zich terugtrekkend,
zwak, meegaand, berustend, onderdrukt, zonder spirit, gebroken en slap“.
            Niet één van deze woorden is op Jezus Christus van toepassing;
evenmin op Mozes, van wie de Bijbel zegt:
  Mozes nu was een zeer zachtmoedig man, meer
dan enig mens op de aardbodem
Num.12: 3.
Beschrijven deze woorden de krijgsman-koning David,
een man in sterke mate door God geliefd?
Òf Paulus, de onvermoeibare, onbevreesde apostel, die
moedig zijn deel aan gevaarlijke en pijnlijke vervolgingen doorstond?

🌈🌈🌈            Nee, als we eenmaal begrijpen wat bijbelse zachtmoedigheid is, kunnen we gemakkelijk inzien dat deze mannen inderdaad zachtmoedig waren.

Het staat buiten kijf dat òns Joods-Christelijk begrip van deze opmerkelijke eigenschap niet klopt! Bijbel-commentatoren zijn het er in ’t algemeen over eens dat de moderne mens in onze westerse, Joods-Christelijke cultuur niet de beschikking heeft over deze goddelijke eigenschap.
            Zachtmoedigheid als vrucht van de Geest is een eigenschap van de almachtige God Zelf en belangrijk voor ons als we een beeld van Hem willen zijn èn een waarachtig getuige in de wereld.
Deze karaktertrek zal inderdaad in grote mate bepalen
hoeveel vrede en tevredenheid er in ons leven zal zijn en
hoe goed we ons tijdens beproevingen zullen gedragen.

Mozes Ziet Het Beloofde Land van Ver; Moses See The Promised Land of Far

Wanneer Mozes op het eind al het werk verricht heeft, wanneer al het verlossing’s-werk is volbracht, dan lezen we in deze verzen:
Op al hun tochten, op al hun wegen en op de wegen van het volk Israël, òf  het nou overdag was of ’s-nachts, daar was de wolkkolom
Overdag de wolkkolom boven de tent der samenkomst en ’s-nachts zagen zij er een vuur in.
Hoe werden zij niet voort-geleid door de Heerlijkheid des Heren?
Indien we nu gaan stilstaan over de leiding van de Heer in ons leven, dan staat hier:
De Heer ging voor hun uit, overdag in een wolkkolom, om hen te leiden op de weg.
En ’s-nachts in een vuurkolom om hen voort te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan.
Zonder ophouden bleef de wolkkolom overdag en
de vuurkolom ’s-nachts aan de spits van het uitverkoren Volk
”.
          Het liefhebben van God de Vader, waar Christus het dus vandaag over heeft is helemaal niet zo moeilijk, je dient alleen God, je bent God’s dienaar [verslaafd aan] door Christus voorbeeld maar te volgen – zònder na te denken jezelf iedere keer af te vragen: “Hoe zou Christus, dit gedaan hebben?

En ja, dan kun je je druk maken om al die geestelijkheid, die ook in de Kerk van Christus aan de kant wordt geschoven, bij het ketterse af. Onrecht zoals mensen die klein en afhankelijk worden gehouden en nooit en te nimmer tot hun recht zullen komen. Bestuursleden, die slechts de continuïteit van het behoud van hetgeen ‘zij’ gewend zijn in stand houden.

foor for Christ

Je bemerkt dat je dàn inderdaad de rol van ‘de nar‘, van ‘de dwaas om Christus Wil’ gaat spelen – tegen de behoudzucht van ‘alles maar bij het oude laten’ in.
De dwaas is de nar aan het hof van de koning, die door zijn spreken en schrijven en een soms iets te scherpe pen de koning en z’n wereldse hofhouding een spiegel probeert voor te houden. De naar stond immers onder aan de [sociale] ladder van Climacos.
Die houding is slechts in te nemen doordat Christus, tevens ‘de vrijheid’ biedt, want het Lichaam, de Kerk verkondigt zelf: “ Één is Heilig, één is Heer, Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader, AMEN”.
Denk niet dat een christelijk schrijver niet in de gaten heeft dat je je in deze tijd boos maakt om de Kerk, Die zich in Zijn Naam, veel te vaak bezig houdt met koninkrijkjes via een drukdoende en verheven hofhouding; met name op dat soort momenten komt vanzelfsprekend de ‘dwaas om Christus Wil’ boven drijven.
Uiteraard mag je van mening verschillen, maar elke koning, elk door mensen geconstrueerd koninkrijkje heeft een nar nodig om de zaken in de juiste verhoudingen te blijven zien.

Eigen Wil:

Profeet Jeremia met zijn secretaris, profeet Baruch

In het vierde jaar van Jojakim [Hebr.=‘de Heer verheft’], de zoon van Josia [Hebr.=‘de Heer brengt redding’], de koning van Juda [Hebr.= ‘hij zal geprezen worden’], kwam dit woord van de Heer tot Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’]: ‘   Neem een boekrol en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israël,  Juda en alle volkeren gesproken heb, sedert de dag dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden’.

           Misschien zal het huis van Juda [van hen, die geprezen worden] dàn gaan luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik, ‘hun God’ hun ongerechtigheid en zonde in ontferming zal vergeven.

          Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Neria, en Baruch schreef uit Jeremia’s mond al de woorden die de Heer tot hem gesproken had, op een boekrol.
Daarop gaf Jeremia aan Baruch deze opdracht:
Ik ben verhinderd, ik kan niet in het huis des Heren komen. Ga jij dus en lees van de rol die jij uit mijn mond hebt opgetekend, de woorden des Heren voor ten aanhoren van het volk in het huis des Heren en op de vastendag; en ook ten aanhoren van alle Judeeërs, die uit hun steden gekomen zijn, moet jij ze voorlezen. Misschien zal zich hun smeekgebed uitstorten voor het aangezicht des Heren en zullen zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg; want groot is de toorn en de gramschap, waarmee de Heer dit volk gedreigd heeft’.
           Baruch, de zoon van Neria, handelde daarop geheel, zoals de profeet Jeremia hem opgedragen had, en hij las uit het boek de woorden des Heren in het huis des Heren voor; hij ontving de minste wijding, die van lezer/schrijver.

In het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, in de negende maand, had men een vasten voor de Heer afgekondigd; al het volk in Jeruzalem en al het volk dat uit de steden van Juda in Jeruzalem gekomen was.
            Toen las Baruch [Hebr.=‘gezegend’] uit het boek de woorden van Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’] voor, in het huis des Heren, in het vertrek van Gemarja [Hebr. =‘de Heer heeft tot stand gebracht’], de zoon van de schrijver

konijn, (Oryctolagus cuniculus) uit de familie Leporidae

Safan [ Hebr. שפן = ‘Konijn’(de essentie en energieën van iets paradoxaals)], in de bovenste voorhof bij de ingang van de nieuwe poort van het huis des Heren, ten aanhoren van geheel het God’s Volk.

Nu hoorde Michajehu [Hebr.= ‘verborgen’], de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, al de woorden des Heren uit het boek; en hij daalde af naar het paleis van de koning, naar het vertrek van de schrijver; en zie, daar waren al de vorsten gezeten: de schrijver Elisama [Hebr.=‘mijn God heeft gehoord’], Delaja [Hebr.=‘De Heer heeft geput‘], de zoon van Semaja [Hebr.=‘door de Heer gehoord’], Elnatan [Hebr.= ‘God heeft gegeven’], de zoon van Akbor [Hebr.=‘muis’], Gemarja, de zoon van Safan, Sidkiahu [Hebr.=’De Heer is rechtvaardig’], de zoon van Chananja [Hebr.=‘de Heer vestigt’], en de overige vorsten.
En Michajehu deelde hun al de woorden mee, die hij gehoord had, toen Baruch uit het boek las ten aanhoren van het gehele Volk.
Daarop zonden al de vorsten Jehudi [Hebr.=‘Jood, schoonheid’], de zoon van Netanja [Hebr.=‘gegeven door de Heer’], de zoon van Selemja [Hebr.=‘door de Heer vergolden’], de zoon van Kusi [Hebr.=‘zwart zijn’], naar Baruch met de boodschap:
De rol, waaruit gij ten aanhoren van het volk hebt voorgelezen, neem die mee en kom hier”.
Toen nam Baruch, de zoon van Neria [Hebr.=‘lamp van de Heer’], de rol mee en kwam tot hen.
Toen zeiden zij tot hem: Neem plaats en lees ze ons voor.
En Baruch las hun voor.
Toen zij al de woorden gehoord hadden, uitten zij onder elkander hun vrees en zeiden: ‘ Stellig moeten wij al deze woorden aan de koning overbrengen’.

En zij vroegen Baruch: ‘Vertel ons toch, hoe hebt gij al deze woorden opgeschreven?’. Toen zeide Baruch tot hen: ‘ Hij [Jeremia] zei mij mondeling al deze woorden, terwijl ik ze met inkt in het boek schreef”.
Daarop zeiden de vorsten tot Baruch: ‘Ga heen, verberg u, gij en Jeremia, en laat niemand weten, waar gij zijt’.
Toen gingen zij naar de koning in de hof, nadat
zij de rol hadden weggelegd in het vertrek van de schrijver Elisama, en zij verhaalden al deze woorden ten aanhoren van de koning.
De koning zond daarop Jehudi [‘De Jood, gegeven door de Heer‘] om de rol te halen, en deze haalde haar uit het vertrek van de schrijver Elisama. En Jehudi las haar voor ten aanhoren van de koning en van al de vorsten, die rondom de koning stonden.
De koning nu was gezeten in het winterpaleis, in de negende maand, met het vuurbekken brandende voor zich.
Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning ze met een schrijversmes af en wierp ze in het vuur dat in het bekken was, totdat de gehele rol verteerd was in het vuur dat in het bekken was. Zij verschrokken niet en scheurden hun klederen niet, de koning noch een van zijn dienaren, die al deze woorden hoorden; ofschoon zelfs Elnatan en Delaja en Gemarja er bij de koning op aandrongen de rol niet te verbranden, luisterde hij niet naar hen.
Daarop gebood de koning de prins Jerachmeel en Seraja, de zoon van Azriel, en Selemja, de zoon van Abdeel, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen; maar de Heer hield hen verborgen” Jeremia 36: 1-26

Onze aandacht dient vooral uit te gaan naar:
    Misschien zal het huis van Juda [van hen, die geprezen worden] alle rampspoeden horen die ik op hen van plan ben te brengen, om hen van hun slechte weg af te wenden; en ik zal hun overtredingen en zonden genadig zijn. . . Maar de koning en zijn dienaren die al deze woorden hoorden, zochten niet de Heer, noch scheurden ze hun klerenJeremia 36; 3, 24.
We komen steeds maar weer opnieuw deze uitdrukking tegen in Jeremia:
Het Woord des Heren kwam Jeremia 1: 1. en dat doet het nog steeds tot op dit ogenblik aan toe, in het -‘hier en het nu’-.
Aanvankelijk stelt de tekst dat het Woord van de Heer tot hem kwam, maar het voornaamwoord verandert snel:
    Doch ik zei: Ach, Heer der Heerscharen, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jongJeremia 1: 6.
Daarna merken we in heel Jeremiah bij herhaling op, zoals
het ‘nogmaals en nogmaals, laat ons de Heer bidden’: “Het Woord des Heren kwam tot mijJeremia 36: 1.

Het Woord des Heren, van God de Vader, komt van de Heer en
komt dus naar iedereen – ja, zelfs naar jou en naar mij -.

Velen van ons zullen het echter niet horen en met het verstrijken van de tijd ‘kunnen velen het ook niet meer horen‘; ja, zelfs ‘zo sterk, dat zij zich er aan ergeren en zich afzetten‘.
De ervaring van Jeremia roept de vraag op of het Woord van de Heer wel een onveranderlijke grootheid, een constante Aanwezigheid is in ons leven.
Wanneer was het de laatste keer, ‘dàt’ wij überhaupt de Heer hoorden? ‘dàt’ wij in de stilte van ons hart luisterden?
Zelfs als we kunnen zeggen:
Het woord van de Heer kwam tot mij“, laten we ons ‘dàn’ tevens afvragen of Zijn woord dezelfde zekerheid voor ons houdt als voor Jeremia.

Wat staat het meeste het Woord van de Heer niet in de weg?
Het is onze eigen wil. “Ik zal nu gaan”, “Ik zal Hem vertellen wat ik wel niet denk”,
Ik zal echter vanochtend niet bidden”, want ik heb nog zó véél te doen.
Stel dat de zaak andersom was?
Wat als de Heer zei: “Ga later“, of “Vertel hem/ haar wat Ik, de Heer, er wel niet van denk“.
Stel dat het woord van de Heer kwam met de boodschap:
Bid -hier en nu- heden, vanmorgen, vanmiddag, vanavond” en niet eventjes ga, er maar eens voor zitten – één, twéé, drie uur en inetensief ?.
Zelf-wil beheerst ons leven rustig, we glijden on-opgemerkt uit, gaan op een andere manier op ons gezicht. We houden er niet van om te horen wat we ‘moeten‘ doen!
We zeggen misschien nooit hardop:
Ik vind het niet leuk dat God me vertelt wat ik moet doen“, maar
in feite draaien wij de knop om, stemmen ons maar al te vaak ‘niet‘ op Hem af.
We hebben meer aandacht voor onze sms-jes, e-mailtjes, facebook etc..

Jeremia hoort wanneer de Heer tot hem spreekt.
Dientengevolge deelt God zijn strijd met hem en dat wederzijds:
Misschien zal het huis van Juda alle rampspoeden horen die
Ik op hen van plan ben te brengen, om hen van
hun slechte weg af te wenden; en
Ik zal hun overtredingen en zonden Genadig zijn”
Jeremia 36: 3.
De Heer verlangt er naar dat het Volk van Juda [Hebr.= ‘het Volk van Juda zal geprezen worden’] dat het Volk van Juda hoort en zich afkeert van het kwade.
Hij wil geen calamiteiten ontketenen; Hij zou liever Genadig zijn voor een berouwvolle zondaar, voor hen die zich oprecht van hun slechte weg afkeren;
God zou onmiddellijk ontferming tonen.

Het Woord van de Heer horen is Gezegend zijn [en door God geprezen worden].
Dan horen we Hem in Zijn lijden.
Zoals onze Heer en Verlosser zegt:
  Als u eens wist wat dit te betekenen heeft, ‘ik verlang naar Genade en geen opoffering’, dan zou u de onschuldigen niet hebben veroordeeld ‘“ Matth.12: 6.
De eigen wil maakt ons “hardhorend“.
Het wil niet naar het Woord van de Heer luisteren, noch weten dat Hij in Genadegave voor ons wenst.
Het Woord van de Heer komt tot Jeremia en Deze stuurt hem naar Zijn Volk.
Hij stelt een plan in gang [Jeremia 36: 4-6] om God’s doel te bereiken, maar
elke persoon moet het doen, het doen, en niet alleen maar zijn persoonlijk aangename leventje beantwoorden [anders gezegd: een geleverde zaak dient te voldoen aan de overeenkomst van het Verbond]. Met ander woorden, “Laten we derhalve onze zelfzucht terzijde stellen”! [Alle aardse zorgen]
Wanneer de mensen een vasten verkondigen voor de Heer, zijn
de omstandigheden goed “in het huis van Juda”, opdat
Hij geprezen zal worden. Jeremia 36: 9.

Baruch leest het woord van de Heer trouw
in de hoorzitting van alle mensenJeremia 36: 10.
Gods woord is opvallend, want wanneer ‘alle heersers‘ erover leren (Jeremia 36: 14, willen ze het zelf horen. “En Baruch las het” Jeremia 36: 15.
Kregen ze wat ze hoorden? Helemaal niet!
“Ze vroegen Baruch:” Hoe ben je ertoe gekomen om al deze woorden op te schrijven?Jeremia 36: 17. Hoe haal je het in je hoofd!
Natuurlijk was het opnieuw Jeremia Jeremia 36: 18,19!,
het is immers altijd dezelfde, die z’n nek uit steekt.
Ze gingen hem rechtstreeks tegemoet
“[rapporteer] aan de koning al deze woordenJeremia 36: 20.
Let op het gebruik van de uitdrukking ‘deze woorden‘ in plaats van ‘het Woord van de Heer‘.
Eigenwilligheid vermindert ons vermogen om te horen.
De koning en zijn hovelingen wilden en konden het niet horen.
Jehudi [Hebr.=‘de legendarische Jood’, de geprezene] leest de woorden op de rol en “werpt ze in het vuurJeremia 36: 23.
De koning en zijn dienaren die het hoorden . . .
zij, die de Heer niet zochten, nòch hun kleren scheurdenJeremia 36: 24.
Horen en veranderen betekent dat we onze eigen wil veranderen in deze woorden: “Uw wil geschiede. O Heer,
kom mij te hulp, in Uw Genade!

    God, waarom hebt Gij ons verstoten tot aan het einde? Waarom woedt Uw toorn over Uw kudde? Gedenk Uw Gemeente, Die Gij van de beginne af hebt vrijgekocht. Gij hebt de stam van Uw erfdeel bevrijd: de berg Sion, waarop Gij woont.
Hef Uw hand op tegen hun grenzeloze hoogmoed, om al wat de vijand heeft aangericht in Uw Heiligdom.
Wie U haten hebben getriomfeerd, midden op Uw feest.
Zij hebben er tekens opgericht, hun eigen vaandels, zonder iets te weten, hoog aan de ingang.
Als was het een bos met bomen, zo hebben zij met bijlen al zijn deuren neer gehakt; met bijl en houweel hebben zij ze neergehaald.
Met vuur hebben zij Uw Heiligdom platgebrand; de woning van Uw naam hebben zij ontwijd.
Zij zeiden in hun hart, met heel hun bende: komt laat ons een eind maken aan de feesten des Heren op aarde.

de grote tragiek van Mozes’ dood; the great tragedy of Moses’ death

Wij zien hun tekens niet meer, er is ook geen Profeet:  Hij wil ons niet langer kennen.
God, hoelang nog zal de vijand honen, zal de tegenstander Uw Naam tot het uiterste tergen? Waarom wendt Gij Uw rechterhand af, Uw rechterhand, midden in Uw boezem, tot aan het einde? Toch is God van eeuwigheid onze Koning: Hij bewerkt verlossing in het midden der aarde. Door Uw Macht zult Gij heersen over de zee; Gij verbrijzelt de koppen der draken op het water. Gij hebt de kop van de draak verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan de volken van Ethiopië.
Gij doet bronnen en beken ontspringen; Gij legt de stromen van Edom droog.
Van U is de dag en van U is de nacht; Gij hebt het zonlicht geschapen.
Gij hebt alle schoonheid der aarde gevormd: zomer en lente hebt Gij gemaakt; gedenkt toch Uw eigen schepping.
De vijand heeft de Heer gehoond, een dwaas volk heeft Uw naam getergd.
Lever de ziel van die U belijdt niet over aan de wilde dieren; vergeet niet voor immer de zielen van Uw armen.
Zie neer op Uw Verbond, want de donkere hoeken der aarde zijn huizen vol van onrecht. Wijs de vernederden en beschaamden niet af; de arme en behoeftige zullen Uw naam loven.
Sta op, God, verdedig Uw rechtszaak; gedenk de beledigingen die dwazen U aandoen, heel de dag. Vergeet niet de stem van wie U smeken, want de hoogmoed van wie U haten verheft zich steeds meer tegen UPsalm 73[74] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Antiocheens Orthodox in Amersfoort

  O Heer en Meester van ons leven,
open ons de ogen van onze geest om
Uw pedagogie, Uw Blijde Boodschap te begrijpen; laat in ons de vrees voor Uw gezegende geboden opboeien, opdat
wij op een geestelijke manier Ue Hemels Koninkrijk, Uw manier van leven mogen binnengaan’.
conf. het Liturgisch gebed
vóórafgaand aan het lezen
van de Heilige Schrift.

Pedagogie
– I. – Wat probeert onze Heer en Verlosser ons met Zijn Woord duidelijk te maken:
    Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwenJohn.8: 51.
1.]. De Wet, werd in de Geest uitgevaardigd  en vindt z’n uitwerking in het Koninkrijk der Hemelen, het Paradijs, werd heruitgegeven op de berg Sinaï en is nog eens benadrukt door de Bergrede.
Deze Wet werd ons ècht niet gegeven om bij ons een gevoel van zonde op te wekken, te creëren. Zij benadrukt ons, drukt ons op het hart dat wij allen – niemand uitgezonderd – behoefte hebben aan de Heer als Verlosser en Redder en zo het uiteindelijk levensdoel kunnen bereiken.
2.]. Het Woord van het Evangelie is overeenkomst datgene wat Paulus zegt:
      Want de Wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt, van  de Wet van de zonde en van de dood. Want wat de Wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees – God heeft, door Zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat van de zonde gelijk, en wèl om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees” Rom.8: 2, 3.
De Wet is de storm die de reiziger naar het asielcentrum [de Kerk] drijft, de veroordeling waar de crimineel naar op zoek is en de middelen gebruikt om een uitstel te verzekeren.

– II. – Wat staat je vervolgens voor ogen om hier uitdrukking aan te geven:
1.]. Lees Zijn Woord met eigen ogen zorgvuldig en constant, het liefst hardop.
2.]. Laat de inhoud van de tekst binnendringen in je hart, m.a.w. ‘Het horen’:
Geloof komt door de Blijde Boodschap te horen!!!
3]. Wanneer het binnengedrongen is, blijft erop kauwen.
Datgene wat we grondig begrijpen, vergeten we namelijk niet snel.
4.]. Gehoorzaamheid betrachten geeft je als vanzelfsprekend de Genadegave om je naar Zijn Woord te gedragen

– III. – als beloning ontvang je bij wie van goed gedrag de blijvende gewaarwording van onze Heer en verlosser; je zult daarop nimmer geconfronteerd worden met:
1.]. de Geestelijke dood; het Woord dat Geest en Leven is, is het zaad van de Wedergeboorte.
2.]. de Eeuwige dood; alles wat Christus heeft geleerd is een Belofte van een gezegende Onsterfelijkheid, Die de bewaarder ervan zich door het onherroepelijk Geloof eigen heeft gemaakt.

Apostichen
tn.2.
    Gij hebt de Hemelen neergebogen om tot ons af te dalen, mijn Verlosser;
en zonder in wezen te veranderen hebt Gij uit de Maagd ons vlees op U genomen,
om ons vergeving te schenken”.

            God is van eeuwigheid onze Koning: Hij bewerkt Verlossing in het midden der aarde”.

tn.2.    Gij zijt het Woord van God, Die geheel in God verblijft,
maar Gij wilt mij opheffen uit de zonden waarin ik ten onder ga.
Maak mij aandachtig voor wat Gij mij schenkt in Uw medelijden”.

            Gedenk Uw Gemeente die Gij van den beginne Raff hebt vrijgekocht”.

tn.2.    Koning van het heelal, Gij hebt de grote Wijsheid,
waardoor de Vader, tezamen met de Heilige Geest,
de wereld zo heerlijk geschapen heeft”.

            Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.8.    Laat ons de schuilhoeken van onze gedachten reinigen,
zodat het licht van onze ziel kan stralen,
om Christus te aanschouwen.
In de overvloed van Zijn Barmhartigheid
is Hij in de Tempel
[van het hart] gekomen,
om de overwinning te behalen over de vijand,
en ons geslacht te verlossen door Zijn Lijden aan het Kruis,
en Zijn heerlijke Opstanding.
Laat ons daarom roepen:
Ondoorgrondelijke Heer, eer aan U”.

Pedagogie van de Heer onze God
1]. Levenshouding.
Wanneer een navolger van Christus het over de wil van God heeft dient deze allereerst stil te staan bij zijn persoonlijke houding ten opzichte van het Goddelijke.
    En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de Wil van God is, het goede, het welgevallige en het volkomene. Want krachtens de Genade, Die mij [Paulus] geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het Geloof, Dat God ieder van ons in het bijzonder heeft toebedeeldRom.12: 2,3.
Om God’s Wil in ons leven dus te ontdekken dienen we open te staan tot verandering. We dienen ‘vernieuwd’ te worden, op te staan en te leren om afgestemd op God te zijn.
Voorheen deden we waar we zelf maar zin in hadden, nu dienen we ons aan te leren om God’s stem te horen en Zijn wil voor ons leven te leren ontdekken.
Wie zoeken we eigenlijk? Zoeken we onszelf en onze eigen wil of zijn we werkelijk op zoek naar Gods Wil en wat Hij ons te bieden heeft en laten we de wereld voor wat die is: we zijn weliswaar ‘ìn’ de wereld, maar niet langer ‘vàn’ de wereld

2]. Wat heeft God’s wil in het vooruitzicht gesteld?
De Blijde Boodschap heeft ons verschillende richtlijnen voor ogen gesteld van
wàt Gods wil is voor ons leven:
2a.]. Onze heiliging:  Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de ontucht, dat ieder van u in heiliging en eerbaarheid zijn geestelijk houvast zal weten te verwerven, niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten, en dat men zijn broeder niet slecht zal behandelen of bedriegen in deze zaak, want de Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en nadrukkelijk betuigd hebben 1Thess.4: 3-6.
2b.]. persoonlijke verkondiging door je doen en laten:     Verkondigen, waartoe wij allen zijn aangesteld, is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat ‘alle’ mensen behouden worden en tot erkentenis van de Waarheid komen. Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, Die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen; en daarvan wordt getuigd te juister tijd1Tim.2: 3-5.
2c.]. Dooft de Geest niet uit, veracht de Profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede, opdat dit je blijdschap zal geven:
Bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u” 1Thess.5: 16-18.
2d.].
  Wees een getuigenis niet alleen voor jezelf maar tevens voor je medebroeders/mede zusters:“   want als een van de getuigen, zoals uzelf, een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in jouw gebeden voor allen worstelend, dat wij allen mogen [op-] staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil” conf. Col.4: 12.
De Profeet Micha geeft dit eveneens heel mooi weer, wanneer Hij verkondigt:
  Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Heer van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en deemoedig te wandelen met uw GodMicha 6: 8.
Bij elke stap die we ons voornemen kunnen we ons de volgende vragen stellen:
✥  Komt het ten goede van mijn relatie met God?
✥  Komt het ten goede van anderen?
✥  Komt het ten goede van mezelf?

3]. de praktijk van God’s wil te verstaan?
Er zijn twee praktische manieren om Gods wil te verstaan:
3a.]. Vanuit de relatie met God en je Christelijke vrienden:
Stel u de vraag: wie ben ik, waar voel ik mij goed bij, hoe heeft God mij gemaakt.
Welke taken en bekwaamheden heeft God mij gegeven.
Wat zou je zelf graag willen gaan ondernemen?
    Neemt de Blijde Boodschap ter ore [lees hardop] en hoort Mijn stem,
merkt op en hoort Mijn Woord! 
Is het altijd door, dat de ploeger ploegt om te zaaien, zijn land openscheurt en egt?
      Immers, als hij de oppervlakte gelijk gemaakt heeft, dan strooit hij dille en werpt komijn uit, en tarwe zaait hij op rijen, gerst in vakken en spelt langs de rand.
En zijn persoonlijke God onderricht hem over de juiste wijze en onderwijst hem.
Dille toch wordt niet met een dors-slede gedorst en over komijn rolt men geen wagenrad, maar dille wordt met een stok uitgeklopt en komijn met een roede.
Wordt broodkoren verbrijzeld? Men dorst het toch niet altijd door? Al drijft men er zijn wagenrad en zijn paarden overheen, men verbrijzelt het niet. Ook dit gaat van de Heer der heerscharen uit; Hij is wonderbaar van raad, groot van beleidIsaiah 28: 23-29.
Leg uw moeite en pijn voor in gebed bij God:
    Indien echter iemand van u in Wijsheid te kort schiet, dan dient hij/zij God daarom te bidden,  Die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem/haar gegeven wordenJac. 1:5 ; “   Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij GodPhil.4: 6.
Luister daadwerkelijk wat onze Heer ons heeft meegegeven:
    Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden: ‘ Indien jullie in Mijn Woord blijven, zijn jullie waarlijk discipelen van Mij en jullie zullen de Waarheid verstaan, en de Waarheid zal jullie  vrijmakenJohn.8: 31-32; “ De uiteenzetting van Uw Woorden schenkt licht, en maakt onmondigen verstandig” uit: Psalm.118[119].
3b.]. Wat zie je zoal om je heen?
Heeft God soms bepaalde deuren geopend of gesloten?
  Wij weten immers, dat God alle dingen doet medewerken ten
goede voor hen, die God liefhebben, die
volgens Zijn voornemen geroepenen zijn
Rom.8: 28.
Vraag raad, advies aan andere christenen:
plannen mislukken immers bij gebrek aan overleg, maar
door de veelheid van raadgevers komt iets werkelijk tot stand
Spreuken 15: 22, om van transparantie maar niet te spreken.
“ Doch wanneer de Geest der Waarheid  komt, zal
Hij ons de weg wijzen tot de volle Waarheid; want
Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar
al wat Hij hoort, zal Hij spreken en
de toekomst zal Hij ons allen tonen.
Zet derhalve je eigen verlangens opzij,
want Vrede en Rust worden slechts door God gegeven”
Joh. 16:13.

In alle sectoren en zeker die van een multiculturele kerkgemeenschap
is samenleven en werken van groot belang en die begint bij onderlinge communicatie en cultureel gelijkgestemd zijn.
Dat begint bij de Nederlandse taal en eerst dàn:
openbaart de Heer ons onze weg en
kun je op Hem en elkaar vertrouwen, wat
ons met elkaar te doen staat
Psalm 37: 5, en
kun je van ganser harte op de Heer vertrouwen en
niet langer op eigen inzicht terug vallen, want
Hij kent al onze wegen en
zal de paden recht maken
Spreuken 3: 5,6.
Je mag bevestiging verwachten van zowel Gods Woord als
van je mede-gelovigen van je gemeenschap en je omgeving op je werk of school zal zich afvragen wat is er toch met die culturele minderheidsgroep van de Antiochenen aan de hand.
Bid voor elke stap die u onderneemt en
volhard in de weg die je ‘mèt’ God gaat.
3c.]. Logisch vervolg.
• Is het duidelijk dat hetgeen wij doen God’s wil is?
• Is het duidelijk dat hetgeen wij tot nog toe gedaan hebben ‘niet’ God’s wil is?
Wanneer we blijven twijfelen:
durf dàn keuzes te maken, hoe tegenstrijdig, die
ook gevoelsmatig mogen overkomen,
God heeft ons daarmee immers de Vrijheid gegeven om
‘zelf’ beslissingen te nemen, wat wil je dan nog méér?

5e Zondag van Pascha – Zondag van de Samaritaanse – ‘naderen’ tot de Bron, meer dan vader Jaäcob wordt ‘dorsten’ hunkeren naar Het Koninkrijk God’s.

de Samaritaanse vrouw bij de bron, de heilige Ellen: Photini [Gr], Svetlana [Russ] by Liesbeth Smulders

    Hij kwam dan in een stad van Samaria [Hebr.= ‘wacht-berg’], genaamd Sichar [Hebr.=‘verdord’], dicht bij het veld, dat Jaäcob [Hebr.=‘hielenlichter’] aan zijn zoon Jozef [Hebr.=‘de Heer heeft toegevoegd’] gegeven had; daar was de bron van Jaäcob [die later Israël, de Kerk zou gaan heten].
Jezus
[Hebr.= ‘de Heer is redding’] nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur.
Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten.
Jezus zei tot haar:
      ‘Geef Mij te drinken. Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen’.
De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem:
        ‘Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?.
Want Joden gaan niet om met Samaritanen.
Jezus antwoordde en zei tot haar:

Wat dienen we hiervan te leren?; What should we learn from this?; Τι πρέπει να μάθουμε από αυτό?; ما الذي يجب أن نتعلمه من هذا؟

    ‘Indien gij wist van de Gave God’s en Wie het is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’.
Zij zei tot Hem:
      ‘Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water?  Zijt Gij soms méér dàn onze vader Jaäcob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’.
Jezus antwoordde en zei tot haar:
    ‘Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwige leven’.
De vrouw zeide tot Hem:
      ‘Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef
te gaan om te putten’.
Hij zeide tot haar:

Wie van de 5 mannen was ‘echt‘ haar man?; Which of the 5 men was ‘really‘ her husband?

      ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’.
De vrouw antwoordde en zeide:
      ‘Ik heb geen man’.
Jezus zei tot haar:
      ‘Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken’.
De vrouw zeide tot Hem:
      ‘Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden’.
Jezus zei tot haar:

De Grote Opdracht is Lofprijzen & Aanbidding; The Big Assignment is Praise & Worship; Η μεγάλη ανάθεση είναι ο έπαινος και η λατρεία; المهمة الكبيرة هي الحمد والعبادة

    ‘Geloof Mij, vrouw, het uur komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar het uur komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid’.
De vrouw zei tot Hem:
      ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die
komt, zal Hij ons alles verkondigen’.
Jezus zeide tot haar:
   
‘Ik, die met u spreek, ben het’.
En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zeide niemand: Wat zoekt Gij, of: Waarom spreekt Gij met haar?
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zeide tot de mensen: ‘ Komt mee en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?’.
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem.
Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: ‘Rabbi, eet’. Hij zei echter tot hen:
    ‘Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet’.
De discipelen dan zeiden tot elkander: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’. Jezus zei tot hen:
    ‘Mijn spijze is de Wil te doen van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk te volbrengen.
Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier zal verblijden. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt’.
En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord, en zij zeiden tot de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland van de wereld isJohn.4: 5-42.

    Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stephanos [Hebr.=‘gekroond’] plaats vond, trokken verder tot Fenicië [land van palmbomen], Cyprus [Hebr.=‘liefde: een bloesem’] en Antiochië [Hebr.=‘gedreven tegen’] toe, zonder tot iemand het Woord te spreken dan alleen tot de Joden.
Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense [Hebr.’Cyrene’ = ‘suprematie van de teugel’] mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken [Hebr. Griekenland =‘niet standvastig’] spraken en hun de Heer Jezus predikten.
En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het Geloof en bekeerde zich tot de Heer. En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië.

Paulus en Barnabas via de Heilige Geest afgezonderd.

Toen deze aankwam en de Genade God’s zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heer trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van Geloof.
En een brede schare werd de Heer toegevoegd.
En hij vertrok naar Tarsus
[Hebr.= ‘chrysoliet, gele jaspis’] om Saulus [Hebr.=‘verlangd’] te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië.
En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.
En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; en een uit hen, genaamd Agabus [Hebr.=‘sprinkhaan’], stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius [Hebr. =‘kreupel’].
En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten
door de hand van Barnabas [Hebr.=‘zoon van rust’] en Saulus [Hebr.=‘verlangd’]“ Hand.11: 19-30.

“     Zie, ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de Heer, mijn God mij geboden had, opdat gij aldus zoudt doen in het land, dat gij in bezit gaat nemen.
Onderhoudt ze dan naarstig, want dàt zal uw Wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen van de volkeren, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen:
  Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie  Deut.4: 5-6.

op het kruispunt; at the intersection

       God plaatste Zijn Volk, het volk van Israël, op het kruispunt van de wereld, om  als voorbeeld te dienen voor de buurlanden, evenals voor degenen die de handelsroutes van de regio zouden doorlopen.
Het Israëlische Volk diende een levend voorbeeld te zijn van God’s Genadegaven/zegeningen,  die hen te wachten stonden als ze Zijn Goddelijke wetten zouden gehoorzaamden.

Helaas was dit niet het geval.
Israël rebelleerde tegen zijn Schepper en  werd een voorbeeld van wat er gebeurt met landen die God ongehoorzaam zijn.
Dit land werd onophoudelijk binnengevallen en vernietigd en
de meeste overlevenden werden verbannen
tot het herstel van de staat Israël in 1948.
Heden ten dage, 26 eeuwen ná Deuteronomium, blijft
dit land het hart van verschillende conflicten in de wereld.
En het zal een laatste crescendo bereiken bij
de wederkomst van onze Heer en Verlosser Jezus Christus.
Let op de woorden van God op de mond van de Profeet:
Dàn zal Ik alle volkeren tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen ….. de helft van de stad zal wegtrekken in ballingschap, maar de rest van het Volk zal in de stad niet uitgeroeid worden.
Dàn zal de Heer uittrekken om tegen die volkeren te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijgZach.14: 2,3.

Dubbelhartig handelen en de val van Jeruzalem

Jeremia, by Tissot

In Profetieën voorafgaand aan
Jeremia werd al op
allerlei manieren gezinspeeld op
het herstel van het Verbond.
Bij Jeremia komt die thematiek tot een climax.
De Heer voorzegt dat Hij – het initiatief ligt geheel bij Hem
in de toekomst een nieuw Verbond zal sluiten met
het huis van Israël en het huis van Juda Jeremia 31: 31.
Dit Nieuwe verbond is niet zoals het Verbond dat de Heer met de voorouders sloot, toen  Hij hen bij de hand nam en hen uit het land Egypte voerde Jeremia 31: 32.
       Gedoeld wordt op de sluiting van het Verbond op de berg Sinaï Exodus 19-24.
Het Volk heeft het Verbond echter verbroken, ondanks dat het Hem toebehoorde.
Het Nieuwe verbond dat de Heer in de toekomst met het huis van Israël zal sluiten, houdt in dat Hij Zijn Thora, dat is Zijn pedagogie/onderwijzing, in hun binnenste zal leggen en in hun hart zal schrijven Jeremia 31: 33.
Dat reikt toch vèrder dan de sluiting van het Verbond op de Sinaï [Hebr.=‘doornachtig’], toen de Heer Zijn Wet op stenen tafelen schreef Exodus 24: 12; vgl. Deut.27: 8.
     Weliswaar komt in Deuteronomium al het ideaal naar voren dat
de Israëlieten God’s woorden in hun hart bewaren Deut.6: 6;11: 13-18 en
wordt vooruitgekeken naar een herstel van het Verbond waarbij de Heer het hart van het volk zal besnijden Deut.30: 6; vgl. Jeremia 9: 26, maar dit ideaal is in vroeger tijd nog niet verwezenlijkt.
     Deuteronomium en Jeremia geven aan dat het probleem is dat
het hart van de Israëlieten niet op de Heer gericht is en
gekenmerkt wordt door halsstarrigheid en verdorvenheid Deut.10: 16; 29: 48;
Jeremia 4: 14,18; 9: 11-13;13: 10
.
Jeremia zegt zelfs dat de zonde diep in het hart van de Israëlieten gegrift staat Jeremia 17: 1.
     De Israëlieten zijn niet in staat gebleken de woorden van de Heer in hun hart te bewaren.
Daarom is het een troostrijk vooruitzicht dat de Heer bij deze nieuwe sluiting van het Verbond Zelf Zijn Wet in de harten zal schrijven. Zó bewerkt Hij een innerlijke verandering, die ertoe leidt dat het God’s Volk eindelijk kàn en wìl leven in gehoorzaamheid aan de Heer vgl. Jeremia 24: 7; Ezechiël 11: 19-20.
Zó kan er werkelijk sprake zijn van herstel van de verbondsrelatie
    Ik zal hen tot een God zijn en zij zullen Mij tot een [God’s-] Volk zijnJeremia 30: 22; vgl. Exodus 6: 6.

Transparantie, Heelheid.

Het water en de Samaritaanse vrouw

De ontmoeting met de Samaritaanse en het water dat je drinkt en
waarvan je weer dorst zal krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat
Christus ons zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, doet
mij denken aan de periode dat je als kind verstoppertje speelde.
Een deel van het plezier was hèt gevònden worden.
Onze Heer en Verlosser vertelt ons dat
– ‘de kern van aanbidding’ -‘het eren van God is’- ,
voor de Verlossing, Die Hij als Vader tòt ons brengt.  

Vandaag herinnert Hij ons eraan dat
‘ – God ons zoekt terwijl wij Hem aanbidden – ‘.
Wanneer wij God benaderen om Hem te aanbidden
dienen wij te beseffen dat God op dàt moment
naar ons toesnelt ‘om ons te ontmoeten en
ons te verwelkomen in zijn Heilige nabijheid
‘.
God zoekt ons, dit is wáár-àchtig een on-Geloof-lijke gedachte.  

Maar is dàt ook niet het beeld dat wij van God hebben, wanneer
wij kijken naar Zijn ontmoeting met de geschapen mens in
de koelte van de tuin, het Paradijs?
God verlangt ernaar om niet alleen
onze aanbidding te ontvangen, maar
ook om bij ons te zijn.

Het Woord dat ons verbindt

                                   In bovenstaande lezingen van de Zondag van de Samaritaanse spreekt Christus, zowel als de navolgers van Christus, de Apostelen
al de mensen van al de tijden dusdanig aan dat wij genezen:
dat wij ziende ‘niet langer blind’ en horende ‘niet langer doof
geacht behoren te zijn en
ons niet door de wereld, de verdrukking te laten misleiden.


Het Christendom houdt van Transparantie;
De Boodschap dient helder te zijn en
er mag absoluut geen misverstand ontstaan, waardoor
de mens opnieuw tot dubbelhartigheid vervalt.
                                   Dubbelhartigheid wil zeggen dat je jezelf enerzijds
– door je te laten dopen, je door Christus te laten bekleden – verkondigt, maar
dat je maar wàt doet [aanmoddert] en niet tot de kern van het Christendom doordringt.
Je laat je weliswaar met de Myron van de Heilige Geest zalven, maar
zet het gewone leventje van de wereld op oorspronkelijke wijze voort.
De weg als navolger van Christus te gaan is
de God van uittocht en bevrijding eer brengen en
los komen van alle andere niet-goden door wie wij ons zo
vaak laten leiden, misleiden en sturen.
– Het gaat dus om het zichtbaar maken van deze omslag,
deze andere manier van denken over God,
de taak van de theologie:
het in elke tijd opnieuw zichtbaar maken wat er in een samenleving als God functioneert:
status, geld, de Vrije Markt, de nieuwste telefoon, de man heersend over de vrouw en de witte mens heersend over de zwarte mens.
daarop volgt als taak van de kerk, om de goden te identificeren, ze zichtbaar te maken en te ontmantelen.

♨︎🌈♨︎ De Wet, de Thora en de boeken van de profeten en de psalmen staan in
het teken van een visioen:
1.]. dat deze aarde ooit bewoonbaar zal zijn.
2.]. Dat deze wereld ooit voor allen zal zijn.
3.]. Dat er ooit leven is tegen alle duisternis in.
            Het dichterbij brengen en realiseren van dat visioen vraagt
niet om koningen te paard, om machthebbers die afdwingen.
            Het visioen van bevrijding uit alles wat leven onmogelijk maakt
komt volgens de joodse geschriften dichterbij in de mens
die bereid is om dienstknecht te zijn,
die bereid is om het lijden op zich te nemen en
dwars door de duisternis heen licht te zijn voor wie geen uitzicht heeft.
            In een tijd dat er bijna geen sprake meer was van een volk Israël, omdat
het door bezetters en achtervolging gekleineerd, uitgemoord en uitgebuit werd,
waren er kleine groepen die tegen alles in volhielden.
            Onder hen de volgelingen van de om het leven gebracht Jezus van Nazareth;
          Hij was een waarachtige leraar, de Zoon van God.
          Zij hadden in Hem woorden uit de Thora, de profeten en de psalmen herkend en ze begonnen Zijn levensverhaal op te schrijven.
          De beelden uit de joodse geschriften gebruikten ze om Hem te duiden:
Rechtvaardige, Mensenzoon, Dienstknecht, Messias.
         Ze plaatsten Hem als hun ‘Heer en Meester van hun leven’ in
de lange traditie van Zijn en hun eigen Geloof in God, de Vader.

Het Heden nu betreden
Om een nieuw verval te voorkomen wordt in de Orthodoxe kloosters op de
Zondag van de Samaritaanse aandacht geschonken aan de profetie van Jeremia:
Maar u wendde u af en ontheiligde Mijn Naam om elke mannelijke en vrouwelijke dienaar van Hem terug te brengen, die u in hun ziel vrijlaat, om nogmaals uw mannelijke en vrouwelijke bedienden te worden“ conf. Jeremia 34: 16.
De belegering door de Babyloniërs, de onderdrukkers legde zware tegenspoed op aan de bevolking van Jeruzalem. Koning Zedekia stelt aan het volk voor “dat elke man zijn dienstknecht vrij moet maken – elke mannelijke en vrouwelijke dienaar van hem, de Hebreeuwse man en de Hebreeuwse vrouw – dat geen enkele man van Juda een dienaar mag zijnJeremia 34: 9.
Het kennelijke doel is om de gehele bevolking te mobiliseren in de oorlogsinspanning.
In ieder geval, “de heersers van Juda en de sterke mannen, en de priesters en het volkJeremia 34: 19,  sluiten een plechtig verbond om degenen die gebonden zijn te bevrijden.
In de formele ceremonie die wordt gebruikt voor het “snijden” of het sluiten van een Verbond conf. Gen.15: 9-17, wordt een kalf in tweeën gedeeld.
Degenen die het Verbond binnengaan, moeten tussen de twee delen doorgaan Jeremia 34: 18 voor de Heer in zijn tempel Jeremia 34: 15.
Ná de bevrijding van de slaven, wordt de belegering van Jeruzalem tijdelijk opgeheven omdat de Babyloniërs een Egyptisch leger dienen te confronteren dat op weg is naar de stad.
Hoewel de stilte in gevechten eenvoudig het oog van de orkaan is,
klampen de verdedigers zich vast aan de hoop dat  de Chaldeeërs zeker van ons zullen vertrekken“, hoewel de Heer heeft gezegd: “Zij zullen niet vertrekkenJeremia 37: 9.
Vanwege deze ijdele hoop verloochenen de belegerde mensen van Jeruzalem zich over het Verbond dat ze zojuist hadden gesloten om hen te bevrijden.
Ze brengen “elke mannelijke en vrouwelijke dienaar terug. . . die [zij] bevrijden ” en hen opnieuw tot slaaf maken Jeremia 34: 16.
Echter, afwijzen wat we beloven aan een andere persoon dan aan God
reikt diep in de essentie van de zonde.
Het wordt een opstand tegen de Heer en
laat ons openstaan ​​voor ernstige geestelijke,
psychologische en fysieke gevolgen.
Zoals we weten, dwongen de Babyloniërs de troepen van Farao
zich terug te trekken en vervolgden hun aanval, waarbij
ze uiteindelijk de muren overhielden en Jeruzalem verwoestten.

Laten we ons bewust zijn van deze gevolgen wanneer we plechtige afspraken maken, ongeacht of ze geloften zijn aan God of aan onze medemensen.
Alle gedachten, acties en afspraken worden gemaakt in de ogen van de Heer Jeremia 34: 15.
Dubbelzijdig handelen ontsnapt nooit aan Zijn aandacht.

De Heer zet Zijn Pedagogie helder uiteen; The Lord clearly explains His Pedagogy; Ο Κύριος εξηγεί σαφώς την Παιδαγωγία Του; يفسر الرب بوضوح علمه التربوي

De Heer en Verlosser, Jezus, de Christus waarschuwt:
Er is niets bedekt dat niet zal worden geopenbaard,
noch verborgen dat niet zal worden gekend.
Daarom zal alles wat je in het donker hebt gesproken
in het licht worden gehoord, en wat
je in je oor in binnenkamers hebt gesproken,
zal op de daken worden verkondigd
Luc.12: 2-3.
Door onze woorden, contracten en daden zijn wij
verantwoording verschuldigd aan God;
uit-eindelijk kunnen we niet ontsnappen
aan fraude of dubbelhartigheid.

God’s wetten zijn gebaseerd op Zijn aard en Zijn doel.
Het overtreden van andermans vertrouwen is zondig,
onnatuurlijk en nodigt uit tot een ramp Jeremia 34: 13-14.
De verdedigers van Jeruzalem vergaten hun oorsprong, want
zij waren slaven in Egypte geweest totdat God hen bevrijdde.
Hij verwacht van hen dat ze anderen nooit permanent binden.
Hij beperkt specifiek dienstbaarheid, zelfs wanneer het vrijwillig is:
Als je broeder met jou armoedig wordt en zichzelf aan jou verkoopt,
zul je hem niet dwingen om jou als een slaaf te dienen.
Maar als een ingehuurde dienaar of een bijwoner,
zal hij bij je zijn en voor je werken tot het jaar van de kwijtschelding
Lev.25: 39-40.
God bepaalt vaste grenzen voor al onze woorden en handelingen!

God zet de consequenties uiteen voor het breken van beloften:
de teloopse gave van vrijheid zou vergeving schenken
voor het zwaard en voor de dood en hongersnoodJeremia 34: 17.
Het verdeelde kalf dat wordt gegeten tijdens de ceremonies van het Verbond
blijkt een symbool te zijn van het menselijk lichaam, dat
voedsel wordt voor de vogels en de beesten Jeremia 34: 20.
Overweeg zorgvuldig!
De ondergang van Jeruzalem leert ons wat
de verschrikkelijke gevolgen zijn van
dubbelhartig handelen Jeremia 34: 21,22.
De weg des Heren gaan is
onze enige redding van  de uitkomst die
dubbelhartigheid voorzeker teweeg brengt.

  O Meester, medelevende Koning van alles,
bewaar ons in Uw heiligmaking;
bevestig ons in het orthodoxe Geloof;
behoud onze ziel in zuiverheid en oprechtheid
door de vrees voor U te bewaren
” – gebed bij een zalving.

Apolytikion
tn.4.
    Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding, en
van de bevrijding van de veroordeling van de Stamouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden
riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan, en
heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion
tn.8.
    Met Geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron,
daar aanschouwde zij U, het Water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had,
begeerde zij dorstig het Koninkrijk uit den hoge,
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid
”.

Theotokion
tn.4. 
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen
onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden, en
heeft Hij om ons vrijwillig het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerste onder de geschapenen
weer opgewekt en onze zielen uit de dood verlost
”.

31 Mei, Apostel Hermas van de 70 – bekleed je met de Christelijke liefde, die ons allen samenbindt in perfecte harmonie

Christus Pantocrator, Alexander Nevsky kerk, Belgrado.

    Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weer te nemen.
Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weer te nemen; dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
      Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om die woorden. En velen van hen zeiden: Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luisteren jullie [nog langer] naar Hem?
Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden voor een bezetene, een boze geest kan toch de ogen van blinden niet openen?
      Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.
En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem:
      Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning?
Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
Jezus antwoordde hun:
      Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet; de werken, die Ik doe in de Naam van
Mijn Vader, die getuigen van Mij; maar jullie geloven niet, omdat jullie niet tot Mijn schapen behoren. Mijn schapen horen naar Mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en  Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid“ John.10:17-28a.

Stained Glass Windows, by Sigmar Polke, from agate slices in the Grossmünster Cathedral Zurich

  Doet dan aan, als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming, goedheid, nederigheid, zachtmoedigheid en geduld.
Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft; gelijk ook de Heer u vergeven heeft, doet ook gij evenzo.
En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der Volmaaktheid.
En de Vrede van Christus, tot welke gij immers in een Lichaam geroepen zijt zal regeren in uw harten; en weest daarvoor dankbaar.
Het Woord van Christus zal rijkelijk in u wonen, zodat jullie in alle wijsheid elkander leert en terechtwijst en met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen zingend,  aan God dank brengt in uw hartenCol.3: 12-16.

    Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de Wet van Mozes te houden. En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.
      En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven.
     En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het Geloof hun hart reinigende.
     Nu dan, wat stelt jullie God op de proef door een juk op de hals van de discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen?
     Maar door de Genade van de Heer Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij.
     En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen [o.a. in Antiochië] gedaan hadHand. 15: 5-12.

    Het Volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot Licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een Licht.
Gij [de Heer, onze God] hebt het Volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor Uw Aangezicht als met de Vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit.
      Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij [de Heer, onze God] verbroken als op Midjansdag. Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur.
      Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de Heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst“ Isaiah 9: 1-5.

Jerusalem, miniatur der stadt im jahre 33

Vandaag staan er andere lezingen op oud-testamentische agenda [Jeremia 44] met betrekking tot de rampspoed, die God over Jerusalem en al de steden van Juda heeft gebracht [zie, zij zijn immers een puinhoop heden ten dage en niemand woont erin].
Maar ik zie al genoeg ellende om mij heen en hou me derhalve vandaag bezig met een positieve kijk op de [toekomstige] geschiedenis van de Kerk, verwoord in bovenstaande lezing van Isaiah. We leven immer in de Paastijd en na de Hemelvaart des Heren verwachten wij de nederdaling van de Goddelijke Geest. Bovendien hebben wij respect en waardering te betonen aan de voorouders van Christus, die net als wij door schade en schande Goddelijke Wijsheid en Genade hebben verkregen, waarvan wij alleen maar kunnen leren; daarom is ook de val van Jerusalem door Egypte van de beschreven periode door Jeremia & Baruch voor ons een tragisch gebeuren.
We kijken liever naar de Midjansdag, welke is als een bevrijdingsdag van Israël [de Kerk], waarop nog in de dagen van Isaiah 9: 3; 10: 26 met vreugde wordt terug gezien.
We pakken daarom het Psalterion erbij om verder uit de mond van Asaf slechts strijdlustige woorden te vernemen over hen
die het voortbestaan van het Volk van God bedreigen:

    God, wie is met U te vergelijken? Zwijg niet, houdt U niet stil, o God.
Want zie, Uw vijanden zijn luidruchtig; die U haten heffen het hoofd.
Zij smeden slechte plannen tegen Uw Volk: zij spannen samen tegen Uw heiligen.
Zij zeiden: Komt, laat ons hen vernietigen uit de volkeren, opdat er geen herinnering meer zij aan de Naam van Israël [de Kerk]. Want eensgezind hebben zij overlegd, gezamenlijk hebben zij een verbond gesloten tegen U.
De tenten der Idumeërs en Ismaelieten; * Moab en de Agarenen, Gebal, Amon en Amalek. De vreemdelingen met de inwoners van Tyros, zelfs Assur heeft zich bij hen aangesloten, om hulp te brengen aan de zonen van Lot.
Doe met hen als Madian en Sisara, als met Jabin bij de beek Kisson.
Die te gronde gingen in Endor, waar zij werden tot mest voor het land.
Doe met hun vorsten als met Oreb en Zeb; * als met Zebeë en Salmana aan al hun  aanvoerders. Zij hebben immers gezegd: Laat ons het Altaar Gods als erfdeel bezitten. Mijn God, maak hen tot dwarrelend stof, als kaf voor het aangezicht van de wind. Als vuur dat het woud verbrandt, als de vlam die bergen verteert. Zo zal het zijn als Gij hen vervolgt in Uw storm, en Gij hen doet ontstellen over Uw toorn.
Overdek hun aangezicht met schaamte, zodat zij Uw naam zoeken, o Heer.
Zij worden beschaamd en ontsteld in de eeuwen der eeuwen; zij zullen in verwarring raken en vergaan. Dàn zullen zij weten dat Uw Naam is: Heer, en dat Gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aardePsalm 82[83] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostel Hermas van Philippo- polis

Zo dat lucht op
dàn kunnen we nú verder met
het heilige van vandaag, de Apostel Hermas.

Apostelen Hermas, Patrobas, Gaius, Linus & Philologos van de zeventig

Tientallen navolgers van onze Heer en Verlosser werden gekozen om Hem en de Twaalf Apostelen te vergezellen bij de prediking van de Blijde Boodschap, de Pedagogie van de Heer. Vele van de oorspronkelijke navolgelingen waren verontwaardigd en geschokt nadat onze Heer Zichzelf in de synagoge in Kapharnaüm het Levende Brood had genoemd John.6: 35-58. Zij ergerden zich aan Hem en toen Hij hun zei dat zij niet in staat waren te geloven tenzij God de Vader hen daartoe had uitverkoren, haakten vele van hen af.
Zij keerden Hem de rug toe en trokken niet langer met Hem op John.6: 66-67. Omdat het merendeel van hen Onze Heer en Verlosser de rug had toegekeerd, werden zij na de Hemelvaart vervangen door anderen. Samen vormden zij het college van de 70 Apostelen. Zij legden de basis van de eerste christengemeenschappen en in de Orthodoxe Kerk worden zij allen tot op de dag van vandaag als heiligen vereerd.

•     Naast de Canonieke Christelijke Leer, welke wij uit de Heilige Schrift kennen bestaan er geschriften uit de begin periode van de Kerk  welke niet in de officiële leerstukken zijn opgenomen. Daaronder is onder andere de ‘Didache’, welke diende als een verder onderricht na de verkondiging van het ‘kerygma’.
Bij het ‘Kerygma’ hoorde men ‘ Wie onze Heer is, God en mens, de gekruisigde en verrezen Verlosser; in de ‘Didache’ hoorde men hoe men Hem diende te volgen.
•   Het meest verwant met het geschrift de ‘Didache’  is er een uiterst bijzonder getuigenis uit de vroeg-Christelijke Kerk bekend als ‘de herder van Hermas’.
Na de Openbaring van Johannes, is dit het eerste geschrift wat
visioenen bevat en beschrijft.

Schrijver en geschrift.

The Shepherd of Hermas, or the Good Shepherd, 3rd century, Catacombs of Rome

Het geschrift is naar alle waarschijnlijkheid in te 2e eeuw geschreven en aan de naam van deze Apostel van de 70, Hermas toegewezen.
De ik-persoon is Hermas, een vrijgelaten slaaf. Hij heeft vrouw en kinderen, bebouwd een akker en verhandelt zijn waar. Hij woont in Rome, de 12 Apostelen zijn al overleden en de vervolgingen duren voort. Hij meldt dat er één bisschop in Rome is, en dat was in de periode van 70 – 150 na Christus. maar de Kerk tekent hij af als al verder ontwikkeld.
Bijvoorbeeld in de zorg voor weduwen en wezen en de vrijkoop van christelijke slaven. Dus het geschrift zal eerder uit de periode vlak vóór 150 na Chr. dateren.
Spanningen komen ook aan de orde, tussen rijke en arme christenen, tussen getrouwen en zondaars. Het werk heeft een bijzondere opbouw.
Eerst beschrijft Hermas vijf visioenen.
Een oude dame verschijnt hem, die gaande weg de visioenen jonger wordt!
Zij roept op tot bekering. Zij is de Kerk die ‘jonger’ wordt naar mate de christenen deugdzamer leven en volharden in de vervolgingen.
In het vijfde visioen treedt een Herder op, als de spelleider, de Pastor.
Het geschrift dank zijn naam aan deze Herder: Herder van Hermas.
De Herder is een Engel en geeft Hermas 12 aansporingen (mandata) en
10 gelijkenissen (similitudines) mee, die het tweede en derde deel van het geschrift vormen.
De overleveringen gaan over Geloof, Vreugde, Waarachtigheid, Kuisheid, Geduld, Opgewektheid, tegen valse profeten, en over de onderscheiding tussen goede en slechte verlangens.
Hermas vraagt hoe iemand dat allemaal ooit wáár kan maken:
‘ door zijn persoonlijke inzet, vanuit een sterke wil, is het antwoord’.
De 10 vormen vertellen in beelden over de hemel,
goede en slechte christenen, van martelaren tot afvalligen en over de deugden.
Hermas zelf leert vasten, om geld aan de armen te geven en
zijn lichaam in toom te houden, en hoort de aansporing van Christus dat
de deugden zijn huis [als goede geesten] dienen te bewonen.
Het geheel heeft geen duidelijk structuur maar is een aansporing tot
bekering met het oog op de eindtijd en de zorg voor de armen.

de offertafel van God’s Woord

God de Vader is de Heer, de Schepper en Schenker. Jezus is de Heer, Verlosser die in het vlees kwam voor ons.
De Heilige Geest bewerkt de visioenen, helpt ons in een deugdzame levenswandel en weert de verkeerde geesten. De Kerk wordt getekend als een vrouw, die handelt en spreekt.
Zij is de echte heilige Kerk, met het oog op deze Kerk is de wereld geschapen.
Zondaars worden niet verstoten maar opgeroepen tot bekering.

Teksten

De Alheilige Moeder Gods, abdes van de berg Athos

”  De Vrouw verschijnt terwijl ik dit bij mijzelf overweeg en
in mijn binnenste beoordeel, zie ik voor mij een blanken zetel,  hoog opgebouwd uit sneeuwwitte wol; en er kwam een oude vrouw en zij ging alleen zitten en groette mij:
Wees gegroet, Hermas’.
En treurend en wenend zei ik: ‘Wees gegroet, meesteres’.
En zij sprak tot mij:
‘Wat ben je bedroefd, Hermas, gij, die anders lankmoedig zijt en vredelievend en altijd lacht; wat kijk je zo terneergeslagen en niet vrolijk?’.
En ik zei haar:
‘Wegens een allerbeste vrouw, die mij zei, dat ik jegens haar gezondigd had’.
Maar zij sprak: ‘Bij een dienaar Gods komt zo’n daad niet voor’. […]
Nadat zij die woorden beëindigd had sprak zij tot mij:
‘Wil je mij horen lezen?’ En ik zei: ‘Ja, meesteres’.
Ze zei mij: ‘Luister dàn en verneem de lofprijzingen van God’.
Ik vernam grootse en wondervolle dingen, die ik niet onthouden kon; want
al die woorden zijn schrikwekkend, zodat een mens ze niet kan dragen.
Maar de laatste woorden heb ik onthouden, want het
verplaatst hemelen en bergen en heuvels en zeeën en
alles wordt effen voor zijn uitverkorenen, opdat
Hij hun de belofte zou doen geworden, die Hij beloofd had met
veel heerlijkheid en vreugde, wanneer zij
de geboden God’s zullen onderhouden, die
zij in groot geloof ontvangen hebben’.
Toen zij nu had opgehouden met voorlezen en
was opgestaan van de zetel, kwamen
er vier jongelingen en namen de zetel op en
gingen heen naar het Oosten.
Zij echter riep mij en raakte mijn borst aan en
sprak tot mij: ‘Beviel je mijn lezing?’.
En ik zei haar: ‘Meesteres, dat laatste beviel mij wel, maar het voorafgaande was moeilijk en hard’.
Maar zij sprak tot mij: ‘Dat laatste is voor de gerechten, maar het voorafgaande voor de heidenen en de afvalligen’.
Terwijl zij nog met mij sprak kwamen de jongelingen en namen haar bij de armen en gingen heen, waar ook de zetel was, naar het Oosten.
Zij echter ging opgewekt heen en zei mij, al gaande:
Wees flink, Hermas’”
uit: Visioen I, nrs. 2, 3 en 4.

De jeugdige Kerk
”     In het tweede visioen was zij staande en met jeugdiger gelaat en vrolijker dan de eerste keer, maar haar huid en haren waren toch oud.
Verneem ook deze gelijkenis:
‘    Wanneer een ouder iemand zichzelf reeds heeft opgegeven wegens zijn zwakheid en behoeftigheid en niets anders meer verwacht dan de laatste dag van zijn leven, maar dan valt hem plotseling een erfenis te beurt en
als hij dat hoort staat hij op en wordt vrolijk en
hervindt zijn kracht en blijft niet meer liggen maar
staat overeind en zijn geest, die reeds vertroebeld was door zijn vroegere daden, vernieuwt zicht en hij zit daar niet meer neer, maar
treedt manhaftig op, zo ook jullie, nadat je de openbaring vernomen had, die
de Heer je onthuld heeft.
Want Hij heeft Zich over jullie ontfermd en je geest heeft zich weer vernieuwd en
je bent verstrekt in het Geloof en de Heer verheugde Zich toen
Hij je versterkt zag: daarom heeft Hij jullie de torenbouw getoond en
zal Hij nog andere dingen tonen, als ge van ganser harte vrede hebt met elkander‘.
In het derde visioen nu zag je haar jeugdig en schoon en vrolijk en schoon van gestalte. Immers, evenals wanneer iemand, die bedroefd is,
een goede tijding ontvangt, hij aanstonds zijn vroegere smarten vergeten is en
hij nergens anders meer op let dan op die tijding die hij vernomen heeft en
voor het vervolg verstrekt wordt in het goede en
zijn geest vernieuwd wordt door de vreugde die hij ondervond,
zó hebt ook gij een vernieuwing van uw geest ondergaan bij
het zien van die goede dingen.
En dat gij haar op een bank zag zitten, dat is een stevige positie, omdat
de bank vier poten heeft en stevig staat.
Immers ook de wereld steunt op de vier elementen.
Zij nu, die volledig boete doen, zullen als nieuw zijn en
stevig bevestigd als zij zich namelijk van ganse harte bekeren.
Dáár heb je nu de gehele onthulling en vraag nu niets meer over openbaringen;
maar als er nog eens iets nodig is, dan zal het je geopenbaard worden.
uit: het Visioen III, nrs. 12 en 13

Christus is de rots en de poort

Christus bidt en zegent

‘Voor alles, Heer, zo zei ik, verklaar mij dit: de rots en de poort, wat betekenen die?’.
‘Die rots’, zei hij [de Herder, de engel],’en de poort dat is de Zoon van God’.
‘Hoe dan?’, zei ik, ‘de rots is toch oud en poort nieuw’.
‘Luister’, sprak hij, ‘en begrijp het dan, domkop. De Zoon van God is ouder dan heel de schepping, zodat Hij de raadsman was van Zijn Vader bij Diens scheppingswerk; daarom ook is Hij oud’.
‘Maar waarom, Heer,’ vroeg ik, ‘is de poort dan nieuw?’
‘Omdat Hij in de laatste dagen der voleinding openbaar werd; daarom
werd de poort nieuw, opdat zij, die gered zouden worden, door
haar [de Kerk] zouden binnentreden in het Rijk van God.
Heb je’, zo sprak Hij, ‘niet gezien, dat die stenen, die
door de poort binnengingen, in de torenbouw werden opgenomen, maar
dat die stenen, die niet door de poort binnengingen, werden
teruggeworpen naar hun eigen plaats?’.
‘Ja, Heer’, zei ik.
‘Zo zal niemand’, aldus sprak hij,
‘het Rijk Gods binnengaan, als hij niet de Naam van Diens Zoon aanneemt.
Immers als je de een of andere stad wilt binnengaan, en die stad is rondom ommuurd en heeft slechts één poort, kun je dat en onthoudt hij zich van alle boosheid en ijdele begeerte van deze wereld en gedraagt hij zich als minste van alle mensen en antwoordt niemand iets, als hij ondervraagd wordt, ook spreekt hij niet in het geheim, nog spreekt de heilige Geest, wanneer de mens Hem wil laten spreken, maar hij spreekt dan wanneer God wil dat Hij spreekt.
Wanneer nu een mens, die de goddelijke Geest bezit, naar een vergadering komt van rechtvaardige mannen, die geloven in de Heilig Geest, en de bede van de vergadering van deze mannen stijgt op naar God, dan vervult de engel van
de voorzeggende geest, die in hem rust, die mens en vervuld van de Heilige Geest. Spreekt die mens tot de menigte, zoals God het wil.
Zó zal dan de Geest van God openbaar worden.
Zó groot is dan de macht van de geest van de Godheid des Heren.
Verneem nu verder over de aardse, holle geest, die geen macht bezit, maar
dwaas is. Vooreerst verheft die mens, die de geest schijnt te bezitten, zichzelf en
wil voorrang hebben en wordt aanstonds brutaal en onbeschaamd en breedsprakig en hij geeft zich over aan vele genietingen en vele andere genoegens en neemt loon aan voor zijn Profetie, maar wanneer hij geen loon krijgt, voorspelt hij niet. Kan in zo’n geval dan de goddelijke geest loon ontvangen en profeteren? Een profeet Gods past het niet, dit te doen, maar
de geest van die andere profeten is aards’”.
uit: de 11de Aansporing, 5 -12

Canon lofpsalmen 4e Vrijdag van Pascha
tn.3.    De afgunst heeft mij buiten geworpen uit de vreugde , en mij doen vallen in de treurigheid van de zonde;
maar U, Meester, hebt het niet beneden U geacht
om mijn gevallen natuur [uit de put van ellende] op te heffen.
En doordat U het Kruis hebt willen verduren, hebt U mij uit de wanhoop verlost, en mij teruggebracht naar mijn vroeger Heerlijkheid.
Eer aan U, mijn Verlosser
”.

tn.3.    Komt en ziet, gij volkeren, naar de werkkracht van het geweldige Mysterie: want onze Verlosser, de Christus, het Woord Dat is in den beginne,
heeft omwille van ons het Kruis ondergaan, en is als een Dode begraven.
Maar nadat Hij is opgestaan uit de dood, heeft Hij het heelal verlost,
Laat ons Hem aanbidden”.

tn.3.  “  Hoe groot is de kracht van Uw Martelaren, Christus:
Zij liggen in het graf, en toch verjagen zij de boze geesten, omdat
zij door hun Geloof aan de Drieëenheid
de macht van de vijand hebben vernietigd, toen
zij hadden gestreden voor de ware aanbidding
”.

tn.8.    Op het midden van het Paschafeest
is onze Verlosser opgegaan naar de Tempel;
Hij stond in het midden van het Volk, en
onderrichtte hen in vrijmoedigheid:
Ik ben het Licht van de wereld wie Mij volgt zal niet in duisternis wandelen,
maar het Licht verwerven vanher onsterfelijke Leven
”.

    God, waarom hebt Gij ons verstoten tot aan het einde? Waarom woedt Uw toorn over Uw kudde? Gedenk Uw Gemeente, die Gij van de beginne af hebt vrijgekocht. Gij hebt de stam van Uw erfdeel bevrijd: de berg Sion, waarop Gij woont.
Hef Uw hand op tegen hun grenzeloze hoogmoed, om al wat de vijand heeft aangericht in Uw Heiligdom. Wie U haten hebben getriomfeerd, midden op Uw feest.
Zij hebben er tekens opgericht, hun eigen vaandels, zonder iets te weten, hoog aan de ingang.
Als was het een bos met bomen, zo hebben zij met bijlen al zijn deuren neergehakt;
met bijl en houweel hebben zij ze neergehaald.
Met vuur hebben zij Uw Heiligdom platgebrand; de woning van Uw naam hebben zij ontwijd. Zij zeiden in hun hart,
met heel hun [politieke] bende: komt laat ons een eind maken aan de feesten des Heren op aarde.
Wij zien hun tekens niet meer, er is ook geen Profeet: Hij wil ons niet langer kennen.
God, hoelang nog zal de vijand honen, zal de tegenstander Uw naam tot het uiterste
tergen? Waarom wendt Gij Uw rechterhand af, Uw rechterhand, midden in Uw boezem, tot aan het einde?
Toch is God van eeuwigheid onze Koning: Hij bewerkt verlossing in het midden der aarde.
Door Uw macht zult Gij heersen over de zee; Gij verbrijzelt de koppen der draken op het water. Gij hebt de kop van de draak verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan de volken van Ethiopië.
Gij doet bronnen en beken ontspringen; Gij legt de stromen van Edom droog.
Van U is de dag en van U is de nacht; Gij hebt het zonlicht geschapen.
Gij hebt alle schoonheid der aarde gevormd: zomer en lente hebt Gij gemaakt;
gedenkt toch Uw eigen schepping.
De vijand heeft de Heer gehoond, een dwaas volk heeft Uw naam getergd. Lever de ziel van die U belijdt niet over aan de wilde dieren; vergeet niet voor immer de zielen van Uw armen.
Zie neer op Uw Verbond, want de donkere hoeken der aarde zijn huizen vol van onrecht. Wijs de vernederden en beschaamden niet af; de arme en behoeftige zullen Uw naam loven. Sta op, God, verdedig Uw rechtszaak; gedenk de beledigingen die dwazen U aandoen, heel de dag.
Vergeet niet de stem van wie U smeken, want de hoogmoed van wie U haten verheft zich steeds meer tegen U Psalm 73[74] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostichen
tn.2.  “  Gij zijt het Woord Die geheel en al bij God verblijft, en
verlangt om mij op te heffen uit mijn zonde die mij vernietigd heeft.
Verenig U met mij in Uw Barmhartigheid”.

            Gij hebt alle schoonheid der aarde gevormd; gedenk toch Uw eigen schepping”.

tn.2.  “  Er is een einde gekomen aan de duisternis, want
zie op het midden van het feest straalt de Messias Zijn Genade als een Zon over de aarde”.

            Van U is de dag van U is de nacht; Gij hebt het zonlicht geschapen”.

tn.2.  “  Komt met vertrouwen tot Mij, gij die naar de stroom van het Leven verlangt’,
zo riep mijn Verlosser, ‘en drink daaruit Genade met Goddelijke Vreugde”.

            Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.8.  “  Laat ons de schuilhoeken van onze gedachten reinigen, zodat het licht van onze ziel kan stralen, om Christus, ons Leven te aanschouwen.
In de overvloed va Zijn Barmhartigheid is Hij in de Tempel [ van ons hart] gekomen, om
de overwinning te behalen op de vijand, en ons geslacht te verlossen door Zijn Lijden aan het Kruis, en ZijnHeerlijke Opstanding.
Laat ons daarom tot Hem roepen: ‘Ondoorgrondelijke Heer, eer aan U’”.

4e Woensdag na Pascha, onze Heer – en ook wij navolgers – gaan op de helft van het feest tot Pinksteren op naar de Tempel en leren Hem kennen.

Hij zegt je: ‘Ik ben’,
het enige wat Hij zegt is: “Ik ben”; He tells you: “I am”, the only thing He says is “I am”.

    Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de tempel en leerde. De Joden dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?
Jezus antwoordde hun en zei:
       Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, Die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij van deze leer weten, òf zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek.
➙       Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar Wie de eer zoekt van Zijn zender, Die is waar en er is geen onrecht in Hem.
Heeft Mozes u niet de wet gegeven?
En niemand van u doet de wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?
       De schare antwoordde:
Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?
Jezus antwoordde en zei tot hen:
       Een werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen.
    Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de vaderen – en gij besnijdt een mens op Sabbath. Als een mens op Sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op Sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb?  Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel.
    Sommigen dan uit de Jeruzalemmers zeiden: Is deze het niet, die zij trachten te doden?
En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is.
– Jezus dan riep, terwijl Hij in de Tempel [van het hart] leerde, en sprak: Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is Éen Waarachtige, Die Mij gezonden heeft en Die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden.
    Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want Zijn Uur was nog niet gekomen.“ John.7: 14-30

Genezing door het gebed van Paulus, detail – Karel Dujardin [1622–1678] rijksmuseum

    Toen namen zij, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonie, Lystra en Derbe en omgeving, en verkondigden daar een tijd lang het Evangelie [de Blijde Boodschap].
En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot van zijn moeder af aan, die nooit had kunnen lopen.
    Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij Geloof had om genezing te vinden, en hij zei met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer.
    En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde. En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren.
    Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende:
            Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de hemel, de aarde, de zee en 
al wat erin is gemaakt heeft.
            Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken.
En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offerenHand.14: 6-18

    De hemelen verhalen de heerlijkheid Gods, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. Elke dag openbaart een woord aan de volgende dag; van nacht tot nacht wordt kennis verkondigd. Niet met gesproken woorden, er wordt geen klank vernomen. Toch klinkt over heel de aarde hun boodschap, tot aan de grenzen der wereld hun woorden. Hij heeft een tent gemaakt voor de zon, die als een bruidegom uit Zijn bruidsvertrek  treedt. Hij juicht als een reus om zijn baan te doorlopen; hij gaat op aan het einde des hemels. Zijn loop gaat op tot het einde; niemand kan zich verbergen voor zijn gloed.
De Wet des Heren is onbevlekt, en bekeert de zielen.
Het getuigenis des Heren is waar, en geeft wijsheid aan de kleinen.
De oordelen des Heren zijn recht, zij verblijden het hart.
Het gebod des Heren is stralend, het verlicht de ogen.
De vreze des Heren is rein, en blijft in de eeuwen der eeuwen.
De gerechtigheden des Heren zijn waar, gerechtvaardigd in zichzelf.
Begerenswaard boven goud en edelgesteente; zoeter dan honing en raat.
Uw dienaar onderhoudt dan ook Uw geboden, want dat schenkt grote vergelding.
Wie kent al zijn overtredingen ? Reinig mij van mijn verborgen kwaad, en behoed Uw dienaar voor vreemde zonde. 

Als die mij niet overheersen, dan ben ik onbevlekt; en word ik gereinigd van grote zonde.
Dan hebt Gij behagen in het woord van mijn mond: de gedachten van mijn hart liggen open voor Uw  ogen. Heer, Gij zijt mijn Helper, en mijn Verlosser
Psalm 18[19] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

stammen van Israël verzameld rond de Ark van het Verbond in de woestijn bij de berg Sinaï

      En vele natiën zullen optrekken en zeggen:
     Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God van Jaäcob
[Hebr.=‘ Hielenlichter’], opdat Hij ons zal leren aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen.
Want uit Sion zal de wet uitgaan en vanuit het Woord des Heren uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen.
Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.
Want alle volkeren wandelen elk in de naam van hun god, maar wij zullen wandelen in de Naam van de Heer, onze God, voor altoos en immer.
Hoort toch wat de Heer zegt:
Sta op, treed als aanklager op ten aanhoren van de bergen, en laat de heuvelen uw stem vernemen.
Hoort, gij bergen, de aanklacht des Heren, ook gij, onwrikbare grondvesten der aarde. Want de Heer heeft een aanklacht tegen Zijn Volk, en met Israël [de Kerk] wil Hij een rechtsgeding aangaan.
Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmee heb Ik u vermoeid? Getuig tegen Mij!
Immers heb Ik u gevoerd uit het land Egypte en uit het slavenhuis heb Ik u verlost, en Ik zond voor u heen Mozes, Aäron en Mirjam. Mijn volk, gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraamde en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde. Van Sittim tot Gilgal, opdat gij het volle recht des Heren moogt erkennen.
Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en
wat de Heer van u vraagt:
niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en
ootmoedig te wandelen met uw God
Micha 4: 2-3,5; 6: 1-5, 8.

Wie ben je?

Gevangen, waar niemand aan denkt – Caught, nobody’s thinking of.

Jaäcob’s naam is hielenlichter; die naam wordt zijn levenspad. ‘Wie ben je?’, vraagt zijn blinde vader Isaäk. Ja, er zullen velen geroepenen [gedoopten] met ons optrekken, maar zijn zij niet allen verlamd, zoals de verlamde van afgelopen zondag? Zijn zij niet allen blind voor wat er werkelijk van hen verwacht wordt/ de Kerk is heel transparant, je zult verantwoordelijkheid dienen af te leggen
voor datgene wat je met je talenten hebt gedaan.
Wij zijn op de helft van onze vreugde van het Pascha
– verkeren nog in de waan van de Opstanding,
maar houden wij onszelf niet voor de gek?
Hebben wij slechts ‘luchtkastelen opgebouwd’ door
slechts enkele malen per jaar de diensten in Amersfoort of waar dan ook te bezoeken en voor de rest geen enkele verantwoordelijkheid te dragen voor
de voortgang van ons eigen Geloof en dat van onze kinderen?
Onze spelleiders, voorgangers houden het ons,
net als Mozes, Aäron en Mirjam voor:
God heeft u bekend gemaakt recht te doen:
1.].uw leven goed in te richten’, en
2.]. getrouwheid aan ‘het Woord lief te hebben en
3.]. deemoedig te ‘wandelen mèt uw God’ !!!

Hoe kun je het dan op alle fronten laten afweten ???,
hoe is dat in vredesnaam mogelijk ???
Zijn jullie dan horende doof ???
Zijn jullie ziende, blind ???

Zijn jullie van plan om nog iets te gaan ondernemen ???
Of vinden jullie het wel goed zo en laten jullie de hele boel gewoon afbranden ???
Ben jij navolger van Christus ???

in alle eenvoud je kruis dragen

Neem dan je Kruis op en volg Hem, opdat
je ‘werkelijk’ mag overleven.

Op de helft van het Feest wordt gebruikt voor een bezinning, een pas op de plaats.
Wordt hier dan met een beschuldigende vinger naar de ander gewezen?
Ja, de ervaring heeft mij geleerd dat ook ik dat doe, omdat
we nu eenmaal niet gewend zijn in de spiegel te kijken, die u en mij wordt voorhouden.
Wat de lezingen ons laten zien, dat –‘ook wij’– dit met ons meedragen, maar
dat willen we gewoon niet weten, niet zien, niet horen.
Blijkbaar zijn we met z’n allen niet helemaal eerlijk, niet transparant.
Hm. Nou ja. Vooruit.
Ik lieg ook wel eens. Om een ander te beschermen.
Of, minder nobel, om mijzelf te beschermen.

En hoe zit het hier, in ‘dìt’ verhaal?
Wijs ik ook met mijn vinger in de richting van anderen om Jaäcob vrij te pleiten?
Ik heb natuurlijk liever dat Jaäcob een Heilige is. Hij is tenslotte de stamvader van Israël, en het daarop volgende volk waarmee ik me door Jezus verbonden weet.
Zijn bedrog is echter een smet op Israëls blazoen, [lees echter òns blazoen].

Want uit Sion zal de Wet uitgaan en vanuit het Woord des Heren uit JeruzalemMicha 4: 2.
De profeet Micha, in mystieke harmonie met de profeet Isaiah:
    En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God van Jaäcob, opdat Hij ons zal leren aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en het Woord des Heren woord uit Jeruzalem. 
En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren“ Isaiah 2: 3,4

De Profeet Micha, voorziet met Isaiah een wereld-veranderend tijdperk waarin
velen van de naties en volkeren van de aarde naar het Huis van de Heer zullen komen om Zijn Wegen te leren, Zijn Oordeel te ontvangen en Vrede in Hem te vinden onder elkaar. Wat een mirakel zou zo’n mysterieus gebeurtenis zijn voor deze door de oorlog verwoeste planeet!
Maar ook voor de destructieve houding van onszelf op de weg des Heren.
           Overeenkomstig het boek Ruth  weigerden de Moabieten
[Hebr.= ‘van de Vader, maar van welke vader?]
ons brood en water in de woestijn en dus mogen ze niet met ons trouwen.
Mozes faalde om God te heiligen – Hij riep de dorstige mensen luidt toe,
zoals hij ‘met Kracht’ [‘Dynamis’] water nam van de rots – en
daarom mocht hij het Land niet binnengaan; hij sterft in Moab.
Moab is voedsel en water [wat rechtstreeks van de vader komt] dat
nooit en te nimmer wordt gegeven, een vriendelijk woord dat je niet hebt gezegd,
liefde die niet je een ander hebt onthouden, een pelgrim naar het Hemels Koninkrijk, die omgeven door de woestijn blijft verlangen naar zijn Vaderland.

Niettemin hebben we al een gedeeltelijke vervulling gezien van
de woorden van deze Profeet.
De profeet Micha was een tijdgenoot van Isaiah.
De woorden van beide mannen zijn ongeveer acht eeuwen
vóór de Incarnatie van de Zoon van God geschreven.
Op Isaiah’s soortgelijke boodschap, voegt Micha deze unieke voorspelling
van de geboorte des Heren toe:
       En u, O Bethlehem, Huis van Efrata, hoewel u het kleinst in aantal bent
       onder de duizenden van Juda, toch zal uit u naar mij toekomen
       de Ene om heerser van Israël te zijn
Micha 5: 1.

Inderdaad, Christus onze God is voortgekomen uit de eeuwigheid als “een Gouverneur van Naties, van het geïncarneerde Maagdelijke Maagd. . .
Wie zal Zijn Volk besturen, het nieuwe Israël. Laten we daarom tot Hem een ​​verheffing van onszelf brengen!
“ conf. Koninklijke uren van de geboorte.

Nu, terwijl we bij Mid-Pinksteren aankomen en mediteren over Micha’s woord,
maakt onze kennis van Christus Jezus onze Heer
onze lof zeker groter en zelfs vreugdevoller.

Christus is opgestaan ​​en onder ons!
Tegenwoordig zingen veel volkeren luidruchtig:
Kom, laten we naar de berg van de Heer gaan, naar
het huis van de God van Jaäcob
Micha 4: 2.
Ons begrip van Micha’s woorden wordt verlicht door de komst van Christus.
We weten dat Sion verwijst naar de Kerk van God, net
als de uitdrukking “het huis van de God van Jaäcob”.
Jeruzalem’ uit Micha 4: 2 heeft ook een dubbele aanduiding zoals
weerspiegeld in onze Paasliederen:
Verheug u en dans, O gij, nieuw Jeruzalem; want
de heerlijkheid des Heren is over U opgestaan.
Verheug je en verheug je nu, o Sion, en
gij, o reine, Theotokos,
verheug u over de Opstanding van uw Zoon
”.
Vandaag beoordeelt Christus Jezus mensen op elk continent over de gehele aarde.  Een nieuwe Wet, Die van de Blijde boodschap, wordt geopenbaard in en door de Kerk. Degenen die hongeren en dorsten naar Vrede en Waarheid, mogen “wandelen in de Naam van de Heer, onze God, in alle eeuwigheidMicha 4: 5,
ze worden [(her-)op-]gevoed -.
Zelfs sterke naties zijn berispt en ter ere van Hem gebracht in Zijn hoven.
Militante volkeren zijn genezen en opnieuw gevormd door de ‘Kracht van Zijn Waarheid’.

De woorden van Profeet Micha bevestigen de gelovigen dat
de Heilige Zuigeling in de kribbe ‘de eigenlijke Messias’ is
die naar voren komt om “Heerser van Israëlte zijn Micha 5: 1, want
Zijn voortgaan in Zijn schepping is op
de bestemde tijd voor haar om te barenMicha 5: 2.
Christus, de Eeuwige, vernedert Zichzelf immers om ons te redden.
Mensen onder het Oude Verbond wachtten al zo lang op Zijn komst, zoals
de Profeet aangeeft. Inderdaad, de Maagd baart dusdanig dat
het overblijfsel van hun broeders zal terugkeren naar de zonen van IsraëlMicha 5: 2.

De goede Herder, gaf Zich in Zijn Goddelijke goedheid over als zoenoffer, om verbintenis te leggen met de ‘gewone mens’

Nu, tweeduizend jaar later, is Christus nog steeds onze hoeder/herder,
Zijn kudde in de kracht van de Heer, en
zij zullen wonen in de Glorie van de Naam van de Heer, hun God, want
nu zullen zij tot de einden der aarde vergroot worden
Micha 5: 3.
Wees ervan overtuigd, dat nòch vijand nòch enige macht, valse religie of ideologie – zelfs niet de poorten van de hel! – de overhand zal hebben op Zijn Kerk Matth.16: 18.
          Tegen al deze Assyriërs’ zal de Heer zijn getrouwe herders ooit opgewekt om Gods vijanden te dwarsbomen Micha 5: 4.
De Kerk, het Lichaam van Christus, het ware overblijfsel van Jaäcob [Hebr.=‘de hielenlichter’] Micha 5: 6,7, blijft tot op de dag van vandaag met haar hand voor altijd en eeuwig
verheven in de Heer Micha 5: 8.

”     Dat God verrijze, en dat Zijn vijanden verstrooit worden.
Dat zij die Hem haten, mogen vluchten voor Zijn aangezicht.
Dat zij verdwijnen zoals rook verdwijnt; zoals was smelt voor het vuur.
Zo moge de zondaars ten verderve gaan voor het aanschijn van God.
Maar mogen de rechtvaardigen zich verheugen en juichen voor Gods aangezicht, buiten zichzelf van blijdschap.
Zingt voor God, zingt een Psalm voor Zijn Naam.
Baant een weg voor Hem die optrekt naar het Westen; Zijn naam is: Heer.
Juicht voor Zijn aanschijn, want zij worden in verwarring gebracht door
Zijn aangezicht.
Hij is de Vader der wezen, Hij is de Rechter der weduwen.
God is in Zijn heilige plaats, God doet eenzamen wonen in een huis.
Hij leidt de gevangen uit met kracht, evenals de verbitterden die wonen in het
graf. God, voor Uw volk uit zijt Gij getrokken, voortschrijdend door de woestijn.
Toen beefde de aarde, en de hemelen smolten voor het aangezicht van de God van de Sinaï, voor het aanschijn van de God van Israël.
God, Gij doet een milde regen vallen voor Uw erfdeel; toen zij zwak waren, hebt Gij hen gesterkt. Uw dieren kwamen bij hen wonen; God, dit hebt Gij in Uw goedheid gedaan voor de arme.
De Heer schenkt Zijn woord met grote Kracht aan de verkondigers der Blijde Boodschap. De koning der heerscharen van de geliefde, verdeelt de buit voor de schoonheid van het huis. Opdat gij moogt slapen temidden van Ww aandeel: 
duiven met zilveren vleugels en goudglanzende rug.
Daarom zal Hij die in de hemel woont, koningen vernietigen en hen maken als sneeuw op de Selmon.
Gods berg is een berg, vruchtbaar aan tarwe; waarom zijt ge vijandig, vruchtbare bergen? Dit is de berg waarop God het behaagt te wonen, want de Heer zal daar wonen tot het einde.
Ontelbaar zijn de wagens van God; duizenden die zich verblijden.
De Heer is onder hen op de Sinaï, in Zijn heiligdom.
Gij zijt ten hemel gestegen en hebt de gevangenschap gevangenen meegevoerd.
Gij hebt pand genomen onder de mensen; zelfs onder wie niet geloven dat Gij daar woont.
Gezegend zij God de Heer, gezegend zij de Heer van dag tot dag. De God van ons heil schenkt ons voorspoed.
Onze God is een verlossende God; door de Heer, ja door de Heer kunnen wij
ontkomen aan de dood.
God zal echter de koppen van Zijn vijanden verpletteren; het hoofd van hen die blijven rondgaan in hun misdaden.
De Heer sprak: Ik zal van de bergen terugvoeren, Ik zal terugvoeren uit de afgrond der zee. Zodat uw voet gedoopt wordt in bloed; de tong van uw honden in het bloed van Zijn vijanden.
Zo wordt Uw intocht gezien, o God, de intocht van God mijn Koning in het Heiligdom. Eerst komen de vorsten, dan de zangers, temidden der maagden met tamboerijnen.
Looft God in de Kerken, de Heer uit de bronnen van Israël.
Daar is Benjamin, de jongste, in extase; de vorsten van Juda, hun aanvoerders, de
vorsten van Zabulon en de vorsten van Neftali.
Gebeid [= ‘wacht het juiste moment af’], God, aan Uw Kracht; versterk, God, wat Gij met Kracht [‘Dynamis’] aan ons bewerkt hebt.
Omwille van Uw heilige Tempel in Jeruzalem zullen koningen U geschenken brengen. Bedwing de ondieren in het riet: de kudde stieren en de koeien der volken; dat zij hen niet benauwen die als zilver beproefd zijn: verstrooi de volkeren die oorlog willen. Uit Egypte zullen gezanten komen, Ethiopië zal zijn handen tot God uitstrekken.
Koninkrijken der aarde, zingt voor God; zingt een Psalm voor de Heer.
Zingt een Psalm voor God die oostwaarts opstijgt naar de hemel der hemelen; 
zie, Zijn stem weerklinkt met machtig geluid.
Geeft eer aan God: over Israël is Zijn grote luister en Zijn kracht reikt tot de wolken.
Wonderbaar is God in Zijn Heiligen: de God van Israël zal Macht en Sterkte geven aan Zijn volk. Gezegend zij onze God“.
Psalm 67[68] vert. ROK. ‘s-Gravenhage

Apolytikion
tn.8. 
  Geef op het midden van het Feest
aan mijn dorstige ziel het water der vroomheid te drinken, o Redder,
zoals U tot allen hebt geroepen:
‘Wie dorst heeft, komt tot Mij en drinke’
‘Bron des Levens’,
– Christus God –, eer aan U”.

Kondakion
tn.4. 
  Op de helft van het vijftigdagenfeest,
o Schepper en Meester van het Heelal,
Hebt U tot hen die bij U waren gezegd, Christus God:
‘ Komt en put het water der onsterflijkheid’
Daarom vallen wij voor U neer en roepen in Geloof:
Schenk ons Uw Ervaringen, want
U bent de Bron van ons Leven”.

    “ Jezus dan riep, terwijl Hij in de tempel leerde, en sprak:
‘ ….. Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, die Mij gezonden heeft en die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezondenJohn.7: 29.

    Voortaan zal onze [Christelijke navolger’s -] naam niet Jaäcob [[Hebr.=‘ Hielenlichter’] zijn, maar Israël [Hebr.=’ God heeft de overhand’], zegt
de boodschapper God’s met wie wij maar blijven worstelen’.
Eind goed, al goed.
Israël [Hebr.=’ God heeft de overhand’] mag
met een schone lei opnieuw beginnen en
als Israël zal deze God ons aardbewoners vast niet teleurstellen.
Uw Martelaren hebt U vast doen staan in het Geloof, en hen sterk gemaakt door de Hoop en door het Kruis van Uw Liefde hebt U hen geestelijk gemaakt. Op die wijze konden zij de overwinning behalen op de tyrannie en hebben zij uiteindelijk van U de zegekrans ontvangen. 

4e Dinsdag na Pascha, Sta op, ik ben zelf ook een mens, ik mag niemand onheilig of onrein noemen – Om Sion zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalem’s wil zal ik niet rusten – vreugde rond het feest van de Heilige Constantijn de Grote en zijn moeder Helena

 En daarna trok Jezus rond in Galilea; want Hij wilde Zich in Judea niet ophouden, omdat de Joden Hem trachtten te doden. Nu was het feest der Joden, Loofhutten, nabij.
Zijn broeders dan zeiden tot Hem: Ga van hier en 
reis naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken aanschouwen, die Gij doet.
Want niemand doet iets in het verborgen en tracht tegelijk zelf de aandacht te trekken. Indien Gij zulke dingen doet, maak, dat Gij bekend wordt aan de wereld. Want zelfs zijn [omringende] broeders geloofden niet in Hem.
       Jezus dan zeide tot hen:
Mijn tijd is nog niet gekomen, maar uw tijd is steeds bereid. U kan de wereld niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig, dat haar werken boos zijn. Gaat gij op naar het feest; Ik ga niet op naar dit feest, omdat mijn tijd nog niet vervuld is.
       En nadat Hij dit tot hen gezegd had, bleef hij in Galilea.
Maar toen zijn broeders opgegaan waren naar het feest, toen ging Hij zelf ook op, niet openlijk, maar als in het verborgen.
De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij?
En er was veel gemompel over Hem onder de scharen;
       sommigen zeiden: Hij is goed, anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt het Volk. 
Toch sprak niemand vrijuit [transparant] over Hem, uit vrees voor de JodenJohn.7 : 1-13.

      En Petrus ging naar beneden en zei tot de mannen:
Zie, ik ben het, die gij zoekt; wat is de reden van uw komst?
       En zij zeiden:
Cornelius, een hoofdman, een rechtvaardig man en vereerder van God, die goed bekend staat bij het gehele volk der Joden, heeft door een heilige engel een godsspraak ontvangen om u te zijnen huize te nodigen en te horen wat gij zeggen zult.
       Hij [Petrus] noodde hen binnen en ontving hen gastvrij.En de volgende dag stond hij op en vertrok met hen, en enige der broeders uit Joppe gingen met hem mee.
       En de volgende dag kwam hij te Caesarea aan.
       En Cornelius was hen wachtende terwijl hij zijn bloedverwanten en beste vrienden had bijeengeroepen.

Saint Corneille Centurion

       En toen het geschiedde, dat Petrus binnentrad, kwam Cornelius hem tegemoet, viel hem te voet en bewees hem hulde.
      Maar Petrus richtte hem op en zeide:
Sta op, ik ben zelf ook een mens.
       En terwijl hij zich met hem onderhield, kwam hij binnen en vond er velen bijeen; en hij sprak tot hen:
       Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen.
Daarom ben ik ook zonder tegenspreken op uw uitnodiging gekomen. Ik zou nu wel willen weten, om welke reden gij mij uitgenodigd hebt.
En Cornelius zei:
Juist voor vier dagen, van dit ogenblik af gerekend, was ik op het negende uur thuis in gebed; en zie, een man stond voor mij in een blinkend kleed, en hij zeide: ‘ Cornelius, uw gebed is verhoord 
en aan uw aalmoezen is voor God gedacht geworden. Zend dan iemand naar Joppe en ontbied Simon, die bijgenaamd wordt Petrus; deze is als gast in het huis van Simon, een leerlooier, aan de zee.
Ik heb dan terstond iemand tot u gezonden en gij hebt er wel aan gedaan hier te komen. Wij zijn 
dan nu allen aanwezig voor het aangezicht Gods, om te horen al wat u door de Here opgedragen isHand.10: 21-33.

    Ja, Vader, want is het een welbehagen geweest voor U.
Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en
niemand kent de Zoon dan de Vader, en
niemand kent de Vader dan de Zoon en
wie de Zoon het wil openbaren“.

➽ †      ” Komt [dan] tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult [allen] rust vinden voor uw zielen;
want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 26-30.

♨︎♨︎♨︎   “     Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het Heil, met de mantel van de Gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.
Want zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Heer der Heerscharen Gerechtigheid en Lof doen uitspruiten voor het oog van alle volkeren.
Om Sion’s wil zal ik niet zwijgen en om Jeruzalem’s wil zal ik niet rusten, totdat Zijn Heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel.
Volkeren zullen Uw Heil zien, alle koningen Uw Heerlijkheid en men zal U noemen met een nieuwe Naam, Die de mond des Heren zal bepalen; U zult [allen] een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God.
Men zal u niet meer noemen:
      Verlatene, en men zal uw land niet meer noemen: Woestenij; maar u zult genoemd worden: Mijn Welgevallen, en uw land: Gehuwde. Want de Heer heeft een welgevallen aan u, en uw land wordt ten huwelijk genomen. Want zoals een jongeling een maagd huwt, zullen uw zonen u huwen, en zoals de Bruidegom zich over de bruid verblijdt, zal uw God Zich over u verblijden’
”.
Isaiah 61: 10- 62: 5

”     God wordt gekend in Judea, Zijn Naam is Groot in Israël.
Zijn verblijfplaats is Vrede, Zijn woning Sion. Dáár heeft Hij
de kracht gebroken van de boog, schild en zwaard: 
Hij maakt een eind aan de oorlog.
Wonderbaar doet Gij licht stralen over de eeuwige bergen; 
alle dwazen van hart maakt Gij bevreesd.
Zij sliepen hun slaap. alle mannen van rijkdom; 
zij vonden niets in hun handen.
Uw bestraffing, God van Jaäcob [Hebr.= ‘hielenlichter’], 
bracht alle ruiters en strijdwagens in slaap.
Gij zijt vreeswekkend, wie kan U weerstaan, wanneer Gij toornig wordt?
Uit de hemel deed Gij Uw oordeel klinken; de aarde beefde en zweeg, toen God ten oordeel opstond om alle zachtmoedigen van hart te verlossen.
Want ‘s mensen gedachte moeten U belijden; de rest van zijn geest zal feest voor U vieren.
Doet geloften aan de Heer Uw God en volbrengt ze; gij allen rondom, brengt Hem geschenken. Aan de Vreeswekkende, die vorsten hun geest ontneemt; aan Hem, die vreeswekkend is voor de koningen der aarde
Psalm 75[76] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

Laat mijn ziel zich buitengewoon verheugen in de Heer, want Hij kleedde mij met het kleed van de zaligheid en de tuniek van blijdschapIsaiah 61: 10.
Want de Heer heeft ons geroepen en wij hebben Zijn roepen beantwoord door Hem na te volgen en ons gedoopt te weten.
Dan wordt door de omstanders bij een doop de vraag gesteld:

Doopgelegenheid, toegewijd aan H. Lydia van Phillipi

‘  Maar waarom dopen jullie zo’n klein gespeend kind, welke nog nauwelijks aan de luier is ontgroeid? ‘.
In onze westerse wereld is het besef dat we als mensen bij elkaar horen heel ver weggezakt. Zelfs in gezinnen kan men langs elkaar heen leven, hoewel we als gezin en familie toch bij elkaar horen.
In het Midden-Oosten is dat besef nog heel sterk aanwezig.
Dit gemeenschap’s-denken vinden we ook terug in de Blijde Boodschap.
                     Zo blijkt in het Oude en Nieuwe Testament dat God Zijn Verbond sluit met een héél gezin, een gehele familie, een héél volk. Toen Abraham het verbondsteken van de besnijdenis kreeg, werd hij besneden met allen die in zijn “huis” waren, ook de zuigelingen vanaf 8 dagen oud, lezen we in Gen.17: 12,13, 23-27.
Deze handelwijze heeft de vroeg-Christelijke Kerk nu in de Orthodoxe Kerk bij de doop vastgehouden: eerst wordt de volwassene gedoopt en tegelijk ook z’n gehele huis, met name z’n kinderen, zij worden gezalfd met Myron, ontvangen de H. Communie en zelfs de kruinschering – zij zijn ‘volledig‘ Christen [in de dop] en genieten mee met al de Mysteriën; ‘God’s Welgevallen, in Zijn land: ‘Gehuwde’.

Dezelfde procedure komen we ook tegen in Hand.16:14,15. waar staat dat Lydia,
een weduwe of alleenstaande vrouw, nadat zij tot Geloof gekomen was gedoopt werd “en haar huis“, d.w.z. haar [eventuele] kinderen en alle slaven en slavinnen en hùn kinderen, die van haar huis [gezin, bedrijf] deel uit maakten.
Datzelfde lezen we van de gevangenbewaarder te Philippi Hand.16: 30-34.
Hij werd terstond gedoopt en al de zijnen . . . . . en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was“.
Het is wat flauw wanneer tegenstanders van de kinderdoop opmerken dat we hier toch niet van kleine kinderen lezen. Want het “huis” van Abraham omvatte wel degelijk de kleintjes! Dat was in hetzelfde oude ‘oosten’ niet anders bij Lydia als de bewaardster van de stamgeest.

Het is zelfs zo dat Paulus er vanzelfsprekend van uit gaat dat met de hoofdpersoon tegelijk ook zijn “huis” gedoopt wordt.
In 1Cor.1: 16 zegt hij dat hij het huis van Stephanos gedoopt heeft, maar
in 1Cor.1: 14 zegt hij “alleen Crispus” gedoopt te hebben.
Later blijkt uit Hand.18: 8 dat Crispus, de overste van de synagoge tot Geloof kwam met zijn gehele huis! De vraag of van dat gehele “huis” ook iedereen persoonlijk geloofde, de kinderen incluis, is niet van doorslaggevend belang, ze werden ‘allen’ gedoopt en God zorgde met zijn roepen – de catechese met name aan de kinderen – dat het Geloof van jong’s-af-aan aangroeide tot volwassenheid.

Wees daarom vele malen méér verheugd, want door dit Joods, Vroeg-Christelijk gebruik, wordt vandaag het feest gevierd van de Apostel-gelijke Constantijn de Grote [274-337] en zijn moeder Helena. Flavia Julia Helena [Augusta], Helena van Constantinopel oftewel de Heilige Helena [255–329] was de moeder van de Romeinse keizer Constantijn de Grote.
Aan haar wordt de ontdekking van diverse belangrijke relieken toegeschreven, waaronder die van het Groot en Heilig Kruis.
Ze wordt samen met haar zoon binnen het Orthodoxe Kerken als een belangrijke figuur aan het keizerlijk hof in hoge mate vereerd
☦️  als heilige omdat zij de roemrijke vrouw is die de roep des Heren beantwoordde en zich met heel haar huis [= heel haar hof en byzantijnse Rijk] liet dopen en daarmee een eind maakte aan de tot dan toe heersende woede en vervolging van de toenmalige wereld ten opzichte van het Christendom.

Bovenstaande passage uit Isaiah drukt dan ook de grote vreugde en opluchting van de Kerk uit en een overvloedige dankbaarheid aan God voor de toetreding van de door God gekroonde soeverein, Constantijn, aan de keizerlijke troon.
Na drie eeuwen van vervolging en repressie was een heldere lente voor God’s navolgers – Zijn nieuwe Verbond’s-Volk aangebroken.
De Heer werkte door het genereuze hart van Constantijn om de christelijke gelovigen te vereren die zo lang hadden geleefd onder de dreiging van marteling en dood.
       Inderdaad, “de Heer der Heerscharen heeft Gerechtigheid en Lof doen uitspruiten voor het oog van alle volkerenIsaiah 61: 11 en
vervolgens begon de Kerk te leven binnen het uitgestrekte Byzantijns Romeinse Rijk en verspreidde zich over de gehele wereld. 

God maakt Zijn rol duidelijk in het volgende vers, door Zichzelf uit te spreken:
Om Sion zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet rusten, totdat Mijn gerechtigheid voortgaat als licht, en Mijn heil brandt als een lampIsaiah 62: 1.
De Heer geeft hier aan de Kerk de aanhankelijke namen van Sion en Jeruzalem,
die ooit alleen van toepassing waren op specifieke plaatsen in het Heilige Land.
     En Hij trad zeker op namens de kerk via de Romeinse generaal Constantijn.
     Op een kritiek moment in de carrière van Constantine stond hij voor een uitdager die de macht      
     had over de keizerlijke stad Rome. Constantijn ontving een visioen waarin God hem opdroeg
     het Kruis van Christus op zijn schild te plaatsen en op die van zijn legionairs. De strijd die
     volgde, sloeg volledig in zijn voordeel en hij nam de controle over de hoofdstad van het
     imperium.

Hagia-Sophia, Architectuur

Constantine koos echter niet om zijn hoofdstad in het oude Rome te vestigen, hij verplaatste de keizerlijke residentie naar Byzantion, dat hij zelf Nova Roma [het Nieuwe Rome] noemde, maar later vernoemd werd naar hem het ‘Constantinopel’.
Hier stichtte hij een nieuw keizerlijk centrum vrij van heidense tempels – een puur christelijke hoofdstad.
Volkeren zullen Uw Heil zien, alle koningen Uw Heerlijkheid en men zal U noemen met een nieuwe Naam, Die de mond des Heren zal bepalen; U zult [allen] een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God” Isaiah 62: 2,3.
Men spreekt van de “Constantinische Wende“: van een groep verschillende, kleine, vervolgde, pacifistische in het Romeinse Rijk verspreide christelijke kerkjes naar een geïnstitutionaliseerde Rijkskerk onder één [uiteindelijk verdeeld] gezag.
Eén rijk, één keizer, één godsdienst.
Was dienen in een leger en oorlog’s-strijd eerst ‘absoluut niet christelijk‘, nu werd het steeds meer een edele zaak, ook voor een christen; daar bloeide vervolgens gedurende duizenden jaren een christelijke beschaving uit op.

Heilige Helena

Hoewel niet altijd even perfect, werd de nieuwe maatschappij op koers gezet door Constantijn, die op zijn beurt sterk werd beïnvloed door zijn vrome moeder, Helena.
Ongetwijfeld was het ‘haar door Genade opgewekte hart‘ dat hem ertoe bracht de beschermer van de Kerk te worden, en zij wordt deze dag samen met hem herinnerd.
Geboren uit nederige afkomst in 255 na Christus in Bithynia, huwde Helen met keizer Constantius Chlorus en droeg hem een ​​zoon, Constantijn, in 274.
Haar man verliet haar in 292 om de stiefdochter van keizer Maximianus te trouwen met het oog op politiek voordeel, maar toen Constantijn keizer werd in 306 haar positie werd hersteld.
Ze verliet een blijvende nalatenschap aan de kerk door heilige plaatsen op de Olijfberg en in Bethlehem te zoeken, het Heilig Kruis, het Graf van Christus en
de Grot van de Geboorte op te sporen toen ze een hoge leeftijd had.
Iconen, die de kruisverheffing verheft [feest 14 September], schilderen haar meestal af vanwege haar toegewijde inspanningen.

Deze twee heiligen een nieuwe dag voor de Kerk ingeluid, brachten een grote [weliswaar wereldse] verandering teweeg, waarop de Kerk groeide tot de ‘eenheid in verscheidenheid‘, in baren’s-nood, wachtend op de wederkomst, die ze heden ten dage is.
Maar vandaag doet dat er niet toe, we zijn immers broeders en zusters in Christus en is er slechts “ één Heilig, één Heer, Jezus Christus, to Heerlijkheid van God, de Vaderuit: Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos

Met de olie van blijdschap, hebt U, o Christus,
op een wonderbaarlijke wijze uw communicanten gezalfd,
Constantijn en Helena, die, alle bedrog en leugen hatend,
naar Uw Schoonheid hunkerden; en
U hebt Uw beloofde Koninkrijk der hemelen
vrijelijk toegestaan ​​aan hen die op
uw eigen manier eerst op aarde hadden geregeerd
in goddelijke vroomheid en ware religie opgenomen,
o al-Heilig Woord van God”.

Op deze dag heeft de heilige Constantijn en de gezegende Helena, zijn moeder,
het Kruishout geopenbaard 
het hoogste van alle eerbewijzen.
Voor de onwaardigen is het een teken tot schande; maar
trouwe heersers hebben het als een wapen verheven,
dat hun tegenstanders overwint.
Omwille van ons wordt getoond als
een grote strijdbanier

– uit de Metten
ter gelegenheid van de heiligen Constantijn en Helena.

Onze zielen verblijden zich in de Heer en juichen in onze bevrijdende God,
Christus is opgestaan” – “Hij is waarlijk opgestaan” en
🌈🌈🌈
Hij heeft ons het eeuwige Leven geschonken“.
➙♥︎➙    Wij aanbidden Zijn Verrijzenis [tot] op de derde dag.