woensdag in de week  voorafgaand aan Pinksteren

God is de bouwmeester

    Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zei Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen. Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet meer, en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien.
Sommige van zijn discipelen dan zeiden tot elkander: Wat betekent dit, dat Hij tot ons zegt: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? En: Ik ga heen tot de Vader?
Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Nog een korte tijd? Wij weten niet, wat Hij bedoelt.
       Jezus bemerkte, dat zij Hem iets wilden vragen en zei tot hen: Redeneert gij hierover met elkander, dat Ik zei: Nog een korte tijd en gij ziet Mij niet en nogmaals een korte tijd en gij zult Mij zien? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. Een vrouw, die baart, heeft droefheid, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde, dat een mens ter wereld is gekomen. Ook gij hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand ontneemt u uw blijdschap. En te dien dage zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn NaamJohn.16: 15-23.

    En Paulus, de ogen op de Raad gericht, zeide: Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor God over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag.
Maar de hogepriester Ananias beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan.
Toen zei Paulus tot hem: ‘God moge u slaan, gij gewitte wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de Wet en beveelt gij tegen de wet mij te slaan?’. Maar de omstanders zeiden: ‘Scheldt gij de hogepriester Gods uit?’.
       En Paulus zei: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: ‘Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken’.
       En daar Paulus wist, dat het ene deel behoorde tot de Sadduceeën en het andere tot de Farizeeën, riep hij in de Raad: ‘Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de Hoop en de Opstanding van de doden”.
En toen hij dit zeide, kwam er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld. Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander.
[Onenigheid:] En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de schriftgeleerden van de groep der Farizeeën stonden op en streden heftig en zeiden: Wij vinden generlei kwaad in deze mens! En indien nu eens een geest tot hem heeft gesproken, of een engel!
En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, en hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen. 
En de volgende nacht stond de Heer bij hem [Paulus in de gevangenis] en zei: ‘Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen’Hand.23: 1-11.

icoon, “Hemelvaart des Heren”

Vóórdat de Heilige Geest werd uitgestort liet de Heer Zijn apostelen weten dat Hij zou heengaan om een plaats voor hen te bereiden, hetgeen plaatsvond door Zijn lijden en sterven aan het Groot en Heilig Kruis.
De apostelen werden bedroefd, omdat Hij zou heengaan, maar toen sprak de Heer en Verlosser de volgende woorden:           En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, Die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult levenJohn.14: 16-19.

Wij, volgelingen van Christus leven de uitstorting van de Heilige Geest, welke via onze doop en Myronzalving hebben ontvangen en als we onze zonden hebben beleden en Christus als Heiland en Heer hebben aangenomen is Zijn Geest in ons komen wonen, want “      In Hem zijt ook gij, nadat gij het Woord der waarheid, het Evangelie van uw behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, Die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het Volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof van Zijn HeerlijkheidEph.1: 13.
Wij zijn behoorlijk bevoorrecht, wanneer we dat vergelijken met de apostelen.
De Heer was immers gedurende ongeveer 3 jaar bij Zijn Volgelingen. Hij was echter regelmatig alleen om te bidden en Hij ging zonder de discipelen door Samaria.
Wij mogen weten dat Zijn Heilige Geest in ons is komen wonen, dus voor eeuwig -bij en in- ons blijft. Dat in tegenstelling tot het Oude Testament toen de Heilige Geest niet permanent bij de gelovigen was.
David bad in Psalm 50[51]: 11: “neem uw Heilige Geest niet van mij weg”.

Paulus, ‘Apostel der heidenen‘.

Geweldig om te mogen weten dat de Heer er voortdurend is, dat gaat ook veel verder dan Immanuel, hetgeen betekent ‘God met ons’.
Voor ons geldt: ‘Christus is onder ons, is in ons midden’:  Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u [beter: ‘in’, de tempel van het hart], de Hoop op onze heerlijkheid. Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijnCol.1: 27,28.
Daarom is de Heer zowel dag als nacht, in goede en minder goede tijden, in de Lage Landen, maar ook op vakantie elders, Hij is altijd ‘in’ ons aanwezig – wij zijn ‘Χριστοφορος’, christendragend, christenen, dragen -als het goed is- Christus in zich mee. 
De Heilige Geest die nu in de gelovigen woont wil onze Trooster zijn.
Daarover sprak de Heer, toen Hij -in bovenstaand Evangelie- tot Zijn Apostelen sprak over Zijn komende afscheid, want Hij zou de Vader vragen de Heilige Geest te zenden om hen te troosten. Maar ook -hier en nù- geldt nog steeds dat de Heilige Geest ons wil vertroosten.
We leven in een wereld vol pijn en verdriet en we mogen ons gelukkig prijzen dat er een Trooster is, Die in onze pijn wil komen en wil verzachten.
De barmhartige Samaritaan goot genezende [olijf]olie in de wond van de gewonde man om de pijn te verlichten Luc.15.
Op dezelfde wijze wil Gods Geest onze pijn eveneens verzachten en wegnemen.
Zijn Woord en Geest kunnen werken als balsem voor onze ziel en zo worden wij -door God, onze Vader- , als kinderen in staat gesteld -in en door- ons te werken in alle situaties in het leven.

mp3: Hemelse Koning [Arab] – ايها الملك السماوي

Trooster, Geest der Waarheid – is in het Grieks: Παράκλητος, το Πνεύμα της Αλήθειας, en houdt in ook dat Hij onze Voorspraak is, Iemand die ons te hulp komt.
Dat geeft rust en hier mogen we altijd op vertrouwen, dat Hij onze Voorspraak is en dat Hij het voor ons opneemt als de tegenstrever ons aanklaagt:
      En ik hoorde een luide stem in de Hemel zeggen: Nu is verschenen het Heil en de Kracht en het Koningschap van onze God en de Macht van Zijn Gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het Bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de doodOpenb.12: 10,11
Wij hebben een Trooster ‘binnenin’ onze Tempel [ons hart] èn een Trooster in de Hemel, de Heer Jezus Christus Zelf, Die we dag en nacht mogen aanroepen:
    Heer, Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar”.
Christus spreekt immers over een andere Trooster:
      Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak [Παράκλητος] bij de Vader Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld. En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren1John.2: 1-3

Er is nog een aspect van de Heilige Geest hetgeen voorafgaand aan dit Evangelie staat vermeld:            Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigenJohn.16:14.
Dit aspect is het allerbelangrijkste werk van de Heilige Geest, steeds Christus ‘groot’ maken en de ‘hoogste eer’ geven voor dat wat Hij gedaan heeft om ons te verlossen; de gehele Blijde Boodschap door gaat het telkens weer om Christus.  Alle Oude Testamentische gebeurtenissen, typeringen etc. laten net weer een ander facet zien van Christus en Zijn Verlossingswerk.
Hij is als het ware een diamant die vanuit elke hoek weer anders schittert.
In de Evangeliën wordt Hij ons op verschillende wijzen getoond, als de Koning [Matth.]; als Dienstknecht [Marc.]; als de Zoon des Mensen [Luc.] en als Zoon van God [John.]. De brieven van Paulus laten Hem o.a. zien als -verbinding met de verschillende gemeenten-, maar steeds valt het Goddelijk Licht op Hem. Christus heeft in alle opzichten God ‘groot’ gemaakt en ‘vereerd’ door Wie Hij is. Dat was de voornaamste reden van Zijn komst naar deze aarde.
Wat een rijkdom bevat de gehele Blijde Boodschap, de Heilige Schrift over Christus.
Johannes schrijft:           Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te 
hebben. Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de liefde van God niet in uzelf
John.5: 39-42.

De Blijde Boodschap

Wanneer de gehele Blijde Boodschap van God aldoor over Christus gesproken wordt is het ook begrijpelijk dat Paulus schrijft:           Mijn kinderen, ter wille van wie ik opnieuw weeën doorsta, totdat Christus in u gestalte verkregen heeftGal.4: 19.  Wij, christenen dienen door ons levensgedrag en invulling Christus te laten zien en ‘groot’ te maken, daardoor wordt God verheerlijkt en geëerd.
BOVENDIEN blijken de ongelovigen en afvalligen méér uit ons gedrag op te maken, dan dat zij de Blijde Boodschap vanuit het gratis [blauwe] zakboekje leren.
Pinkster-’feest’ wil zeggen dat u en ik dagelijks vervuld mogen en dienen te zijn van Zijn Heilige Geest, zodat Hij door ons wordt ‘groot’ gemaakt en ‘verheerlijkt’.
En “Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen’”; gaat en onderwijst alle volkeren en laat hen dopen in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Orthodoxie & de christelijke volmaaktheid

Iconostase

          De Lage landen hebben een prachtig gevarieerde natuur, niet alleen voor wat betreft het weer, maar tevens de vlakte met hun grazige weiden en de glooiingen van heuvels en duinen.
Dit kan voor zeker een invloed invloed uitoefenen op de mens, immers liefde voor de natuur heeft liefde tot de Schepper van die natuur tot gevolg.
Daarom een anekdote vanuit de schepping, van de periode voordat de mens werd geschapen.

De Schepper riep de dieren bij Zich en zei: “Ik wil iets verstoppen voor de mens, die Ik ga boetseren, totdat ze er ‘klaar’ voor zijn. Het is inzicht dat zij via hun goddelijke afkomst, als beeld en gelijkenis aan Mij, tot scheppende dingen in staat zijn”. De adelaar zei daarop: “Geef het maar aan mij, ik breng het naar de maan”.
De Schepper reageerde hierop en zei: “Neen, er komt een dag dat ze daar komen en dan zullen ze het vinden, voordat ze er aan toe zijn”; de zalm zei daarop: “Ik zal het naar de bodem van de oceaan brengen”.
De Schepper zei: “Neen, want ook daar zullen zij heengaan”; de buffel zei daarop: “Dan dienen we het net als een schat te begraven op de wijde vlaktes”.
Maar de Schepper merkte op: “Ze zullen zelfs de Aardkorst open-boren of snijden en het zelfs daar vinden”. Maar daarop reageerde de Grootmoeder van de mol, die in de schoot van de aarde geen licht had gezien, maar in plaats van fysieke, spirituele ervaringen had opgedaan en deze zei: “Plaats, die Schat in henzelf, dat is de laatste plaats waar de mens zijn Goddelijke afkomst ooit zal zoeken” en zo is het uiteindelijk gegaan.

Saint Grégoire, évêque de Nysse

          In de maand augustus van het jaar 378 trokken twee muildieren een kleine wagen langs de drassige oever van de rivier de Halys, in het tegenwoordige Turkije. Talloos waren de dorpen die deze trekdieren op hun reis aandeden en overal liepen mensen uit. In het wagentje dat zij voorttrokken, zat niemand minder dan deze beroemde bisschop Gregorius, welke ons bekend is als Gregorius van Nyssa. Van dorp tot dorp werd hij als herder [beschermheer] van de Kerk toegejuicht.
             Toen de bisschop in de buurt van het stadje Nyssa kwam, braken er twee wolkbreuken los. Het regende zo hard, dat niemand zich op straat waagde.
Maar toen de reiswagen hoog en droog onder het portiek aan het hoofdplein rolde, hield de bui op en als bij toverslag kwamen de parochianen te voorschijn. Het gedrang was zo groot, dat Gregorius niet kon uitstappen. Aangezien het al begon te schemeren, ontstaken de maagden -de monialen van de stad- in twee lange koren de toortsen. Het was, zo verhaalt Gregorius, alsof wij onder een stroom van vuur [de Heilige Geest] de basiliek binnen trokken. Na vier jaren van afwezigheid was Gregorius eindelijk weer thuis, in zijn bisdom. De vreugde onder het volk kende geen grenzen.
Gregorius werd in 372 bisschop van Nyssa. Zijn broer, de veel oudere Basilius de Grote, had hem het ambt haast opgedrongen. Dat was heel wat voor de schuchtere en zelfs ietwat onpraktische geleerde. Maar Basilius, tegen wie Gregorius zijn leven lang hoog opzag, zag zich graag omringd door ambtgenoten die van harte stonden achter de leerbeslissing van het concilie van Nicea [325], waar de kerk beleed dat Jezus Christus de waarachtige Zoon van God is, één in wezen met de Vader.

Metamorphosis, Moïse, modèle de vertu – Transfiguratie, Mozes, als model

Deze Gregorius van Nyssa, voor tijdgenoten de „tweede Mozes”, geeft eveneens blijk van een verheven kijk op de waardigheid van de mens. Het doel van de mens, zo verklaart de heilige Bisschop, is zich gelijkvormig te maken aan God en dit doel bereikt hij vooral door de liefde voor en de kennis en beoefening van de deugden, “lichtende stralen die neerdalen vanuit de goddelijke natuur”.
            De Goddelijke schoonheid betreft niet de buitenkant of een fraaie uitstraling, maar wel het onuitsprekelijk geluk van een volmaakt leven.
Zoals kunstschilders met zorg de kleuren kiezen die ze gebruiken om een persoon op het schilderdoek weer te geven, zoals ze de tinten mengen om de schoonheid van het model ten volle uit de verf te laten komen, zo dienen we ons God voorstellen, die de mensen ‘schildert’ in de verschillende deugden, waarmee zij een eigen inzicht krijgen en Zijn Beeld laten zien.
Het gaat bij deze kleuren niet om de kleuren in de letterlijke zin.
[…] Zuiverheid, spirituele vrijheid, geluk en het ontbreken van alle kwaad zorgen ervoor dat de menselijke gestalte de gelijkenis met God weerspiegelt.
Het is met deze ‘kleuren’ dat de Schepper van de Hemelen en de aarde ons heeft weergegeven. uit: G. v. Nyssa, ‘Over de Schepping van de mens’.
In een aanhoudende beweging van kiezen voor het goede [het Goddelijke], zoals de wedloper zich naar voren uitstrekt. In deze gebruikt Gregorius een treffend beeld dat al in de Brief van Paulus aan de Philippensen staat: επεκτεινόμενος [épekteinomenos = uitbreiden, in de zin dat je jezelf tot iets uitstrekt].
    Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb,  maar een ding [doe ik]: vergetende hetgeen àchter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus JezusPhil.3: 13,14.

          Dit betekent: “hunkeren” naar datgene wat groter is, naar de Waarheid en de Liefde. Deze beeldrijke uitdrukking verwijst naar een diepe werkelijkheid: de volmaaktheid die wij willen vinden is niet iets dat eens en voorgoed veroverd wordt; volmaaktheid bestaat in dit onderweg blijven, in een voortdurende bereid zijn om vooruit te gaan, want de volledige gelijkenis met God wordt nooit bereikt; we zijn er altijd naar onderweg.

Iconostase

De geschiedenis van elke ziel is die van een liefde die telkens vervuld wordt en die tegelijkertijd open staat naar nieuwe verten, want God verruimt voortdurend de mogelijkheden van de ziel, om haar in staat te maken steeds groter goed te ontvangen.
         Het is God Zelf, Die in ons de kiemen van het Goede de [scheppende] Genadegave van God, [‘en Hij zag, dat het goed was’] heeft gelegd en van Wie alle initiatief tot heiligheid uitgaat, “modelleert het blok….. door onze geest bij te vijlen en schoon te maken, vormt Hij in ons Christus
uit:, ’Over de Psalmen’.

Met zorg omschrijft kerkvader Gregorius dit precieser: “In werkelijkheid is het niet ‘ons werk’ en evenmin het resultaat van een menselijk vermogen om gelijk te worden aan de Godheid, maar het is het resultaat van de ‘vrijgevigheid van God’, Die aan onze natuur vanaf haar oorsprong de Genade heeft bewezen van de Gelijkenis met Hem
uit: G. v. Nyssa, ’Over de Maagdelijkheid’.

Het gaat er dus voor de ziel “niet om, iets van God te kennen, maar om God ‘in’ zich te hebben” Overigens, zo tekent Gregorius met scherpzinnigheid aan, “De godheid is de zuiverheid, de bevrijding van de hartstochten en de verwijdering van alle kwaad: als dit alles in je is, is God werkelijk in je
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de Zaligsprekingen.
          Wanneer wij God ‘in’ ons hebben, wanneer de mens God liefheeft, wil hij, door die wederkerigheid die eigen is aan de Wet van de Goddelijke Liefde, hetzelfde als wat God’s Wil is  [uit: G. v. Nyssa, ‘preek bij het Hooglied’] en werkt hij dus met God mee om in zichzelf het goddelijk beeld te modelleren, zodat “onze geestelijke geboorte het resultaat is van een vrije keuze, en wij in zekere zin onze eigen ouders zijn, onszelf scheppend zoals wij zelf willen zijn, en door onze wil onszelf vormend naar het model dat wij kiezen
uit: G. v. Nyssa, ‘Over het leven van Mozes’.

Iconostase

Om óp te gaan naar God, dient de mens zich te reinigen: “De weg die de menselijke natuur terugbrengt naar de hemel, is geen andere dan zich te verwijderen van het kwaad van deze wereld . . . . . Aan God gelijk worden, betekent rechtvaardig worden, heilig en goed…  m.a.w. “Kijk waar je loopt , wanneer je een kerkgemeenschap bezoekt en wees bedacht werkelijk te luisteren in plaats van als een dwaas het offer aan te bieden, omdat dwazen het idee hebben dat ze nooit kwaad doenconf. Ecclesiastès 5: 1.
God bevindt Zich in de Hemelen‘ en als het u een genoegen is om, overeenkomstig David, de Profeet “Het is dus goed voor mij om mij vast te hechten aan God, en mijn Hoop te stellen op de Heer. Om al Uw lofprijzingen te verkondigen in de poorten van de dochter SionPsalm 72[73]: 28.
Dan volgt daar noodzakelijk uit dat u dáár dient te zijn waar God Zich bevindt, omdat u met God verenigd bent. Omdat Hij u heeft opgedragen om, wanneer u bidt, God ‘Vader’ te noemen, zegt Hij u [daarmee] om zonder meer gelijk te worden aan uw Hemelse Vader, door een leven dat God waardig is, zoals de Heer ons dat elders nog duidelijker zegt:
Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt isMatth.5: 48.
uit: G. v. Nyssa, ’Over het gebed des Heren’.

Als ‘Heer en Meester van het Leven’, geeft Christus bevelen.

Op deze weg van -geestelijke afzien [ascese]- is Christus het Voorbeeld en de Meester, Die ons het mooie beeld van God laat zien
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de christelijke volmaaktheid’.
Ieder van ons merkt, al kijkend naar Hem, “de icoonschilder te zijn van het eigen leven“, met de wil als uitvoerder van het werk en de deugden als de kleuren waarvan hij zich kan bedienen
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de christelijke volmaaktheid’.
Wanneer nu de [christelijke] mens beschouwd wordt als waardig om de Naam van Christus te dragen, hoe dient hij zich dan te gedragen?
Gregorius van Nyssa beantwoordt deze vraag aldus: “[Hij dient] steeds in zijn binnenste zijn eigen gedachten, woorden en werken te onderzoeken om te zien of zij op Christus gericht zijn of zich van Hem verwijderen
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de christelijke volmaaktheid’.
En dit punt is belangrijk voor de waarde die hij aan het woord ‘christen‘ toekent. Christen is iemand die de Naam van Christus draagt en die daarom ook in z’n eigen leven zich gelijkvormig ‘dient’ te maken aan Hem. Door het Mysterie [RK Sacrament] van de Doop en de Myronzalving en deelname aan de Goddelijke Liturgie nemen wij, christenen, een grote [priester-gelijke] verantwoordelijkheid op ons.
Maar Christus -herinnert Gregorius [en ons] eraan- dat Hij is eveneens in de armen aanwezig, waardoor deze nooit beledigd mogen worden:
Veracht niet degenen die uitgestrekt terneerliggen, alsof daardoor voor hen niets meer zou gelden. Bedenk wie zij zijn en je zult hun waardigheid ontdekken: zij vertegenwoordigen voor ons de Persoon van de Zaligmaker. En zo is het ook: want de Heer gaf hun in Zijn goedheid Zijn eigen Persoon, opdat degenen die hard van hart zijn en de vijanden van de armen, daardoor met medelijden bewogen zouden worden
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de liefde tot de armen’.
God is namelijk in iedere naaste [ook je vijanden] aanwezig Marc.12: 30,31.

De droogte van de woestijn

Gregorius, zo bemerkten we bovenstaand, spreekt over een opgang: over de opgang naar God in het gebed door middel van de zuiverheid van hart; maar ook over de opgang door middel van de liefde voor de naaste. De Liefde is de ladder die leidt naar God. Bijgevolg drukt de Kerkvader uit Nyssa elk van zijn toehoorders op het hart: “Wees edelmoedig jegens deze broeders, jegens de slachtoffers van het ongeluk. Geef de hongerige wat je aan je buik ontzegt
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de liefde tot de armen’.

Met grote duidelijkheid herinnert Gregorius ons eraan dat wij allemaal van God afhankelijk zijn en daarom roept hij uit: “Denk niet dat ‘alles’ van ‘u’ is! Er moet ook een deel voor de armen zijn, voor de vrienden van God. Immers, de Waarheid houdt in, dat alles van God komt, de Vader van allen, en dat wij familieleden zijn en tot dezelfde afstamming behoren
uit: G. v. Nyssa, ‘Over de liefde tot de armen’.
Laat daarom, zo dringt Gregorius aan, de christen zich onderzoeken: “Waartoe dient jou het vasten en het je van vlees onthouden, als je vervolgens je tanden zet in de [‘hoogstnoodzakelijke’] behoeften van je medebroeders/zusters? Wat voor ‘winst voor God’ haal je hieruit dat je van het jouwe niet eet, als je vervolgens, door ‘als een onrechtvaardige‘ te handelen, uit de handen van de arme weggrist wat van hem is?”. uit: G. v. Nyssa, ‘Over de liefde tot de armen’.

‘Hoe groot zijn Uw werken, o Heer, Gij hebt alles met Wijsheid gemaakt’

Laten we deze catecheses van ons over één van de drie grote Cappadocische Kerkvaders besluiten door nog dat belangrijke aspect van de geestelijke leer van Gregorius van Nyssa te vernoemen dat het gebed is.
Om vooruit te gaan op de weg van de volmaaktheid en God in zich te ontvangen, de Heilige Geest in zich te dragen, de Liefde van God, dient de mens zich in vertrouwen tot Hem wenden in het gebed:
Door het gebed slagen wij er in bij God te blijven. Want wie bij God is, is vèr verwijderd van de vijand. Het gebed is ondersteuning en verdediging van de kuisheid, een rem op de toorn, een bedaren en beheersen van de trots. Het gebed is bewaking van de maagdelijkheid, bescherming van de trouw in het huwelijk, hoop voor hen die waken, overvloed aan vruchten voor wie het land bewerken, veiligheid voor wie zich aan boord bevindtuit: G. v. Nyssa, ‘Over het gebed des Heren’.
In zijn/haar gebed put de christen altijd inspiratie uit het gebed des Heren [het Onze Vader]: “Wanneer we willen bidden dat het Rijk van God over ons neerdaalt, laten we dit dan vragen met de Kracht van het Woord: dat ik weggehaald mag worden van het bederf, dat ik bevrijd mag worden van de dood, dat ik losgemaakt mag worden uit de ketenen van de dwaling; moge nooit de dood over mij heersen, dat nooit de tirannie van het kwaad macht over ons mag krijgen, de tegenstander mij niet overheerst noch mij tot zijn gevangene maakt door de zonde, maar moge Uw Rijk over mij komen, opdat de hartstochten die nu heer en meester over mij zijn, zich van mij zullen verwijderen of, beter nog, vernietigd worden”.
uit: G. v. Nyssa, ‘Over het gebed des Heren’.

Aan het eind van zijn aardse leven, zal de christen zo in vrede tot God kunnen wenden. Hierover sprekend, denkt de heilige Gregorius aan de dood van zuster Macrina en schrijft hij dat zij op het ogenblik van haar dood zo tot God gebeden heeft: “Gij die op aarde macht hebt om de zonden te vergeven, vergeef mij ‘opdat ik weer op adem kan komen’ [“Doch ik ben als een mens zonder gehoor, die in zijn mond geen verweer heeftPsalm 37[38]: 14], en opdat ik voor Uw ogen zonder vlek bevonden wordt, op het ogenblik waarop ik van mijn lichaam wordt ontdaan [“In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede-opgewekt door het Geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewektCol.2: 11,12] zodat mijn geest, heilig en zonder vlek [“Zo Zelf de Gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo dat zij [de Kerk] Heilig is en onbesmet” Eph.5: 27] , in Uw handen ontvangen wordt zoals ‘wierook naar U opstijgt’ conf.Psalm 140[141]: 2
uit: G. v. Nyssa, Het Leven van Macrina.

‘Christus’ als pedagoog [opvoeder]

Dit onderricht, de Pedagogie van onze Heer, welke de heilige Gregorius ons doorgeeft blijft voor altijd geldig: niet alleen spreken over God, maar God ‘in’ zich dragen. We doen dat door de inspanning van het gebed en door te leven in de Heilige Geest, de geest van de Goddelijke Liefde voor al onze familieleden en onze naasten in dit ondermaanse bestaan.

    Want er komt een tijd, dat [mensen] de gezonde Leer [de Goddelijke Pedagogie] niet [meer] zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich [tal van] leraren zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de Waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle”.
2Tim.3: 4-5

mp3: Hymne tot het Licht der wereld:
Antiochian Orth. – Hymn of Saint Ephraïm Syrian  – ترنيمة مار افرام للنور

Het refrein, “Het Licht is aangebroken, verheug u, o Hemel en aarde” herinnert ons aan het “zegevierende‘ Licht, Dat”  ‘nooit en te nimmer‘ kan worden gedoofd.

7e Zondag na Pascha, Zondag van de Heilige, door de Heilige Geest geïnspireerde Vaders van Nicea

“Zie, God is mijn heil, ik vertrouw en vrees niet,
want mijn Sterkte en mijn Psalm is de Heer der Heerscharen en Hij is mij tot Heil geworden” Isaiah 12: 2.

      Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei:  ‘Vader het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U zal verheerlijken, zoals U Hem Macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig Leven te schenken.  Dit nu is het eeuwig Leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die U gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw Woord bewaard.
Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt, want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan en zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne en Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij. Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebbenJohn.17: 1-13.

      Want Paulus had zich voorgenomen Ephese voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen, want hij haastte zich om, zo mogelijk, op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.
Maar hij zond iemand van Milete naar Ephese en ontbood de oudsten der gemeente; en toen zij bij hem gekomen waren, zei hij tot hen: ‘  Gij weet, hoe ik van de eerste dag af aan, dat ik in Asia voet aan wal zette, al die tijd onder u verkeerd heb.  Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft.
        Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.
        Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen.
        En nu, ik draag u op aan de Heer en het Woord van Zijn Genade, aan Hem, Die bij Machte is te bouwen en het erfdeel te geven onder alle geheiligden. Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd;  zelf weet gij, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien. Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Heer Jezus herinneren, die Zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.
        En toen hij dit gezegd had, boog hij de knieën en heeft hij met hen allen gebedenHand.20: 16-18, 28-36.

Samen met je levensgezel ouder worden is heerlijk. Maar toch er begint links en rechts wel iets te rammelen, broeder ezel begint op de meest kwetsbare punten van zich te doen spreken; het wil allemaal niet meer, zoals voorheen, toen je nog in de groei van het leven stond.
Onwillekeurig kom je met elkaar over de dood te spreken. Kom ik ergens tegen dat een ega [echtgenote], hoewel de man in kwestie zich in het huishouden heel goed kan redden, tegen hem zegt: “Ik heb het gevoel dat jij maar beter eerder kan gaan dan ik. Want ik denk dat jij zonder mij maar moeilijk verder kan”.  “   Nou, dat vind ik lief van je“ zegt de echtgenoot vervolgens, “We moeten maar rustig afwachten, want ik weet zeker dat het voor jou ook niet meer hoeft als ik er niet meer ben”. En daar is zij het dan roerend mee eens.
Dat is een heel herkenbare ervaring. Iemand van wie je veel houdt, komt te overlijden. Dat kan je vader of je moeder zijn, je man of je vrouw, je dochter, of je zoon, een vriend of vriendin. Het kan ook iemand zijn voor wie je een geweldige bewondering hebt; het lijkt dan wel alsof de bodem onder je bestaan wordt weggeslagen.
Je weet haast niet hoe je verder moet; het lijkt allemaal zo leeg en zinloos. Het lijkt wel alsof je er geen vertrouwen meer in hebt; je voelt je namelijk niet meer geborgen ondanks het feit dat veel mensen in je omgeving lief voor je zijn en je proberen op te vangen.
Dat gevoel van leegte zullen de leerlingen van onze Heer ook hebben gehad toen Jezus om het leven werd gebracht. Op onze Heer hadden de leerlingen al hun levensverwachtingen gesteld; Hij betekende voor hen een nieuwe toekomst; door Hem kreeg hun leven pas ècht zin.
Ze konden zich niet voorstellen dat ze voortaan ‘zonder Hem‘ verder zouden kunnen; hoe was dat in Gods Naam mogelijk? Zo’n Goddelijk Mens, Die het eindeloos goed voor had met elk mens die Hij ontmoette. Zo’n Iemand vermoorden?; ja, dan houdt alles op -dan weet je het echt niet meer- dan heb je het niet meer, de grond wordt je onder de voeten weggeslagen!

Keizer Constantijn en het concilie van Nicea

In het Evangelie van vandaag is Jezus Zelf aan het woord, op de drempel van aarde en hemel bidt Jezus vlak voor Zijn afscheid zijn ‘Hoog Priesterlijk gebed’; wat Jezus Zijn leven lang gedreven heeft, Zijn levensopdracht wordt in dit gebed weergegeven. Jezus is Zich bewust dat Hij Zijn taak heeft volbracht en Zijn verkondiging heeft geleefd. Voor Jezus Christus was het niet nodig om te bidden, want Hij is ‘één in wezen met Zijn Vader‘, maar als vertegenwoordiger van ons biedt Hij ons dit gebed: Hij verheerlijkt “de Heerlijkheid, Die Hij bij de Vader had, eer de wereld was” om dit voort te zetten via de Genadegaven van de Heilige Geest. De Heilige Drieëenheid houdt niet op het onderwijs van de Zoon voort te zetten tot verheffing van de gehele mensheid. Dit zegt Hij in dit gebed tot Zijn Vader, het is verwoord en geschreven in een verheven taal.
Dit ‘Hoog Priesterlijk gebed’ is méér dan een afsluitende samenvatting van de afscheidsrede.  Het is een waarachtig zegen-gebed, dat gelezen kan worden als een gebed voor Zijn Lichaam, de Kerk, de gemeenschap van Zijn geliefde volgelingen, verzameld rondom Jezus, onze grote Voorganger en Voorspreker.

– storm op de levenszee –

De woorden van dit gebed zijn geen uiting van hoe en wanneer er iets dient te gebeuren, ze zijn niet berekenend, maar vormen de waarachtige bede die voortkomt uit het besef dat het beoogde alleen van God verwacht en ontvangen kan/mag worden. Bij een persoonlijk gebed is de gezindheid van het menselijk hart heel belangrijk en dat blijkt wel uit deze woorden – hoe Christus, Zijn Vader en de mensen tijdens Zijn aanwezigheid hier beneden heeft liefgehad.
Hier wordt vanuit het diepst van het ‘God-menselijke‘ hart gebeden, dat wat er ook gebeuren gaat, ook in bittere tijden; de blijde boodschap helder en duidelijk is: “Blijf allen vertrouwen op God”.

Wees je bij het eigen gebed bewust, dat je als mens ziet wat je voor ogen hebt. Christus, ziet als God/mens ‘het hart’ en God weet al wat Hem gezegd gaat worden voordat wij überhaupt aan een gebed beginnen.

Dit ‘Hoog Priesterlijk gebed’ is tekenend door de Goddelijke menslievendheid, al verneem je het in verschillende -voor ons onbegrijpelijke talen- als het Grieks, Arabisch of het Koptisch het blijft een indringende ervaring. Het is bovendien onafscheidelijk verbonden met Zijn offer, met Zijn ‘doortocht’ [Pascha] naar de Vader, waar Christus als Gods Zoon geheel en al ‘toegewijd’ is aan de Vader.
         Dit gebed van Jezus kan in heel z’n rijkdom alleen begrepen worden wanneer wij het situeren in het kader van het Joodse feest van de uitboeting, Yom Kippur.
Op die dag, verricht de hogepriester de uitboeting eerst voor zichzelf, daarna voor de priesterlijke klasse en tenslotte voor de gemeenschap van het gehele volk. Het doel is, na de overtredingen van het voorafgaande jaar, het volk van Israël [de Kerk, Christus’ Lichaam] het besef terug te geven van z’n verzoening met God, het besef het uitverkoren volk te zijn, “één heilig volk” te midden van al de andere volken. Het gebed van Jezus, herneemt de structuur van dit feest. Jezus richt Zich die nacht op de olijfberg [Gethsemane, de olijfpers] tot Zijn Vader op het ogenblik dat Hij zichzelf ten offer aanbiedt: “ doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk U het wiltMatth.26: 39.
          Hij, Hogepriester en Slachtoffer, bidt niet voor Zichzelf, maar voor Zijn apostelen en voor iedereen die in Hem zal geloven – de Kerk van alle tijden.
Jezus bidt opdat Zijn leerlingen één zouden zijn: “   Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en al het Mijne is het Uwe en het Uwe is het Mijne en Ik ben in hen verheerlijkt. En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaarhen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij. Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in Uw Naam, Welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb overhen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs, opdat de Schrift vervuld werdJohn.17: 9-12.
       De Kerk wordt dan het middelpunt waar de levensopdracht van Christus Zelf zich verlengt: namelijk in de wereld -en de daar verblijvende mens, die zich van God en van zichzelf verwijderd heeft- de zonde te laten afleggen, opdat de wereld opnieuw de wereld van God wordt.
       In de Apostellezing neemt Paulus eveneens afscheid, hier van van de leiders van de gemeenschap te Ephese. Het is een afscheid voor altijd; Paulus dient mogelijk zelfs te sterven voor zijn Geloof in Christus. Het afscheid nemen gaat dan ook niet gemakkelijk, maar ook hier komt het op de manier van afscheid nemen aan. Het afscheid nemen verliest iets van zijn zwaarmoedigheid, want Paulus weet dat hij deze gemeenschap niet zonder Hulp en zonder helpers achterlaat. Hij laat haar achter ‘in de handen van God’ en in die van mensen, die Christus volgen. Deze christelijke gemeenschap blijft dus bestaan, ook ná Paulus afscheid en dat lucht Paulus op.
Paulus spreekt immers ook over de Blijde Boodschap van Gods Genadegaven, ‘de Heilige Geest’ hetgeen de gemeenschap kan opbouwen en doen opbloeien. Paulus gaat ervan uit dat waar de oudsten van Ephese zich trouw zullen blijven houden aan het Evangelie, hetgeen de individuele leden alleen maar ten goede zal komen.
Waar de Blijde Boodschap trouw wordt nagevolgd, zullen de leden in vertrouwen groeien in het christelijk Geloof; of ze nu worden bemoedigd of juist vermaand.
Waar het Evangelie in vertrouwen klinkt bij de catechese, zullen mensen de weg naar God (her)vinden. Waar het klinkt aan de ziekenbedden, zullen de zieken troost ontvangen en zo zal de gemeenschap worden uitgebouwd. Dat houdt Paulus de ambtsdragers van Ephese voor.
Dat krijgen ambtsdragers ook heden ten dage te horen, dit principe is nog steeds van kracht,  vandaar dat verder uitweiden niet nodig is.
➻       Er is echter nog een laatste muur die opgebouwd dient te worden, een muur van onderlinge bescherming, om de zwakke broeder of zuster heen.
Paulus geeft aan dat de hiërarchie èn de parochianen zich hier ‘extra‘ voor dienen in te zetten [Hand.20: 35]. Om de zwakken, de armen, met geld of goed te kunnen bij te staan, dienen de leden ‘elkaars’ lasten dragen, incl. de armoede van de ander. Paulus doelt dus op de diaconale opdracht van de gemeenschap en die geldt uiteraard nog steeds. Het Evangelie is dan pas een Blijde Boodschap wanneer ook de maag van de toehoorders van de Blijde Boodschap wordt gevuld en er dient te worden voorzien in eventuele andere noden. Belangrijk hierbij is dat ook de ambtsdragers hier –in onderling overleg– het goede voorbeeld dienen te  geven.
-/-     Paulus sluit z’n toespraak af, afscheid nemen – is als een beetje afsterven, het doet pijn. Maar het wordt als Goddelijk Licht ervaren waar hij weet dat God in deze gemeenschap zal blijven doorwerken. God is rechtvaardig in alles wat Hij aan ons heeft gedaan: al Zijn werken zijn Waarheid”:

Hoe lieflijk zijn Uw tenten, Heer der krachten: 
mijn ziel dorst en smacht naar de Voorhoven des Heren.
Mijn hart en mijn vlees juichen voor de Levende God.
Zelfs de mus vindt zich een woning, de tortel een nest om voor haar jongen te
zorgen. Bij Uw altaren, Heer der krachten, mijn Koning en mijn God.
Zalig zij die in Uw Huis wonen; in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven.
Zalig de mens die zijn hulp vindt bij U: hij maakt opgangen gereed in zijn hart.
Weg uit het dal der tranen, naar de plaats die Hij heeft vastgesteld.
Want de wetgever schenkt zegeningen, zodat zij gaan van kracht tot kracht, 
om de God der goden te zien in Sion.
Heer, God der krachten, verhoor mijn gebed; neig Uw oor, God van Jacob.
God, onze beschermer, zie ons aan: zie neer op het aangezicht van Uw gezalfde.
Want één dag in Uw voorhoven is beter dan vele duizenden daarbuiten.
Liever ben ik veracht in het Huis van mijn God, dan thuis te zijn in de tenten der zondaars.
Want de Heer bemint Barmhartigheid en Waarheid; God schenkt Genade en Heerlijkheid. De Heer weigert geen enkele weldaad aan hen die wandelen in onschuld. Heer, God der krachten, zalig is de mens die op U vertrouwt“.
Psalm 83[84] vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Apolytikion     tn.6
    Boven alles zijt Gij verheerlijkt, Christus onze God,
Die onze Vaders op aarde als sterren bevestigd hebt.
Door hen hebt Gij ons tot het ware Geloof gebracht.
Barmhartige Heer, ere zij U
”.

Kondakion      tn.6
    Met Uw levenschenkende hand,
wekt Gij alle doden op uit het duistere dal,
o Leven-schenker Christus onze God,
Die aan het mensengeslacht de Opstanding gegevens hebt.
Gij zijt waarlijk onze Heiland,
onze Verrijzenis, ons Leven en de God van het heelal
”.

Hemelvaart van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

icoon,                               “Hemelvaart des Heren

    En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden; en zij werden ontzet en verschrikt en meenden een geest te aanschouwen.
Doch Hij zei tot hen: ‘Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op in uw hart? Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb’.
        En bij dit woord toonde Hij hun zijn handen en voeten. En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zei Hij tot hen:
‘Hebt gij 
hier iets te eten?’. Zij reikten Hem een stuk van een gebakken vis toe. En Hij nam het en at het voor hun ogen. Hij zei tot hen:
‘Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over 
Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden’.      Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de Schriften begrepen.
En Hij zei tot hen:
‘Aldus staat er geschreven, dat de Christus moest lijden en ten derden dage 
opstaan uit de doden, en dat in zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving van de zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. Gij zijt getuigen van deze dingen. En zie, Ik doe de belofte van mijn Vader op u komen. Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit den hoge’.
      En Hij leidde hen naar buiten tot bij Bethanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen. En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde. En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, en zij  waren voortdurend in de tempel, lovende GodLuc.24: 36-53.

    Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Theophilos, over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de Heilige Geest zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft.
En terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij [zo zei Hij] van Mij gehoord hebt.
Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze.
Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: ‘Heer, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israel?’.
Hij zei tot hen: ‘Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult Kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.

Hemelvaart                                     – ‘Wat staat gij daar?’.

En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen.
En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij heenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: ‘Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen’.
Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dichtbij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaanHand.1: 1-12.

Kathismazang Metten     tn.1
  De Engelen stonden verbaasd over Uw wonderbare Hemelvaart
en de Leerlingen waren met vrees bevangen door Uw Verheffing;
want als God zijt Gij opgestegen in Heerlijkheid;
en de Poorten openden zich voor U, Verlosser.
Daarom rapen de Machten der Hemelen:
Ere zij, o Heiland, Uw Nederdaling;
ere zij Uw Koningschap;
ere zij Uw Hemelvaart, Gij enig menslievende
”.

Op de veertigste dag nadat Christus uit de doden is opgestaan/verrezen, werd Hij in de wolk opgenomen in de hemel.

De wolk die Christus zowel vandaag als bij Zijn Hemelvaart omhult, staat voor de geur van het offer dat van het altaar naar God opstijgt. Het offer wordt geaccepteerd en het slachtoffer wordt tot Gods aanwezigheid toegelaten, waar het op een eeuwige en Hemelse wijze aangeboden zal blijven worden. Het werk van onze redding is bereikt en wordt door God gezegend”; woord van diverse kerkvaders.

Deze week viert de Kerk de “Hemelvaart des Heren“; sinds Pascha vindt onze vreugde over de Opstanding/Verrijzenis haar voedingsbodem. In het Licht van deze glorieuze, vredige en vervullende periode in de jaarcyclus van onze Kerk zouden we in de aanwezigheid van onze Heer geheel ontspannen en voldaan dienen te zijn. Maar we worstelen nog steeds om te ontspannen en zijn nog steeds niet in staat de Hemelse Vrede te laten neerdalen.

Waarom? Gedeeltelijk omdat we ons leven tot een soort emotionele en spirituele valkuil hebben omgebouwd. We zijn zo druk, we nemen de rust niet om ergens ook nog maar iets diepgaander over na te denken, te luisteren, teneinde inzicht te krijgen in onze beweegredenen.
mp3: ‘Maak haast‘ – Herman van Veen, Nederlands podiumkunstenaar, schrijver, componist, regisseur, muzikant [geb. 1945].

We zijn druk bezig anderen terwille te zijn; wij laten anderen toe onze agenda te bepalen. We zijn vaak niet bewust wat voor redenen we hebben om te doen wat we doen. We zijn allemaal een beetje dolgedraaid met allerlei taken, plannen en verantwoordelijkheden. Het is belangrijk voor ons om iets onder handen te hebben, iets te doen te hebben. Maar het is voor onszelf even belangrijk om te ontspannen, tot onszelf te komen. Al is het alleen maar om inzicht te verkrijgen in datgene wat ons ergens toe aanzet, om datgene te doen wat we doen, om ervoor te zorgen dat de keuzes, die we maken en  onze activiteiten vanuit ons diepste kernpunt voortkomen.

Hoe maken we deze omslag? We beginnen vanuit het hart!
Door middel van ‘Zelfreflectie’ oftewel [verbeter de wereld, begin bij jezelf].
Het Psalterion accentueert de Pedagogie van dit onderwerp op een enkel vers: “zoek de Vrede en jaag die naPsalm 33[34: 15.
We hebben behoefte aan Vrede, maar we dienen ons actief op te stellen om dit te blijven [onder-]vinden. We dienen dit te blijven zoeken en na te streven.
Wat betekent dit? Wat is dit nastreven?

De  Heilige Isaäc de Syriër geeft ons het antwoord:
Dring door in de schatkamer, die in je binnenste [je hart] aanwezig is en zo zult je de verzameling Hemelse onderwerpen bloot leggen. De ladder die naar het Koninkrijk der Hemelen leidt is in jouzelf verborgen en dient in je ziel te worden ontdekt. Ga bij jezelf te rade en in je binnenste[ je ziel, je hart] zal je datgene ontdekken waarmee je in staat wordt gesteld jezelf te verheffen”.

mp3: ‘Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder’, Ramses Shaffy 1933 – 2009, was een kind van Armeense vluchtelingen , Nederlands zanger en acteur.

Zoek en jaag dit na, neem het als leidraad en verhef daarmee jezelf.
Ik ben misschien een beetje lyrisch bij het opsommen van deze lijst; het omvat echter de taal van de Vrede. Jezus Christus verkondigt: “ Want zie, het Koninkrijk Gods is bij uLuc.17: 21, het zit van binnen. Wij zijn geroepen om ons hart te exploiteren, ons centrale punt, onze ziel te vinden en dat is het beginpunt; daar kan je een nieuw begin maken.

filosoof, catacomben, Rome

De klassieke Grieks filosofen hadden zelfs al vóór de geboorte van Christus het inzicht in deze fundamentele waarheid van onze mensheid. De centrale leer van Plato, van Socrates, is ‘Ken  jezelf‘. We dienen uit onze innerlijke valkuilen te ontsnappen, onze oppervlakkige slaapwandelingen, die ons leven bepalen. We worden opgeroepen om ‘wakker’ te worden, om de diepte in te gaan.
➽ Dit is niet makkelijk. Inderdaad, het is een levenswerk, het neemt een heel leven in beslag. Het kan niet anders dan dat we beginnen waar we ons momenteel bevinden en gaan met vallen en opstaan de strijd aan.
De Heilige Isaäc de Syriër zei eveneens: “Er is geen deugd die geen voortdurende strijd oplevert”. Of neem het woord van een abt ter harte, die ooit een vraag beantwoordde over wat monniken zoal de hele dag doen: “We vallen en we staan ​​op , We vallen en we staan ​​weer op . . . . . en dat 70 maal 70 keer op één dag en ook dan zijn we er nòg niet”.
➽ We worden allemaal door te veel informatie overweldigd en we laten dat nog toe ook. Er is een orthodoxe anekdote die verklaart dat de duivel [de tegenstrever] voor het overgrote deel de Kerk van de 20e eeuw al heeft overwonnen door de informatie te onderdrukken; door het voor mensen onmogelijk te maken Gods Woord nog te horen. En helaas gebeurt dit nog steeds op ik weet niet hoeveel plaatsen; ook in de Lage Landen.
Maar het gezegde gaat nog verder en luidt: heden ten dage [de 21e eeuw] heeft de duivel zijn strategie veranderd. Hij probeert ons te overspoelen met woorden en ideeën en gedachten, met een te veel aan informatie, om het voor ons, te midden van alle afleiding, onmogelijk te maken om het Woord van God überhaupt nog te ontmoeten.

Saint Païsios of Mount Athos [1924-1994]

  Maar dit hoeft ons niet te weerhouden te volharden.
Staretz Païsios [een wijze oudere, die door veel monniken en leken werd benaderd, die om raad waren verlegen], leerde dat we als bijen dienen te zijn. Een bij zal de ene bloem vinden op een mestvaalt, zo zei deze grote 20ste eeuwse leraar van de Heilige berg Athos. Het probleem is dat het merendeel van ons zich voordoen als vliegen, die de enige stapel mest in een veld vol bloemen vinden. ‘Gods Wil‘ is onze bloem, we dienen ‘Hem‘ te ontdekken en te benaderen en in onszelf te zoeken, daar ‘bij Hem‘ te rade te gaan en ‘Hem‘ te vinden.

Het levende water symboliseert de Heilige Geest, Die ons gegeven wordt, nadat Jezus, na Zijn dood aan het Kruis en Zijn Opstanding, is verheerlijkt.

➽ De lezing van het Heilig Evangelie van Johannes de Theoloog voor de zondag van de Blindgeboren Mens John.9: 1-38, op de zondag vòòr Hemelvaart, laat zien hoe gemakkelijk het is om in de hooghartige dwaze redenen verzeild te raken; hoe verloren mensen, bewust of onbewust, wel niet verloren raken door verkeerde motieven te beproeven en het najagen juiste dingen uit de weg gaan.
En de oplossing om daarentegen in vrede je leven in te richten is:
– Christus in je leven centraal te stellen –“.
    Indien je geproefd hebt, dat de Heer Genadig is en een groot inlevend vermogen heeft 
en je Hem benadert, de levende Hoeksteen, Die door de mensen weliswaar werd verworpen, maar door God uitverkoren werd en kostbaar werd bevonden. En je laat jezelf ook als levende hoeksteen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die aan God welgevallig zijn door Jezus Christus. Dan zul je  tot de toestand van de zalige opgroeienconf.1Petr.2: 2-5.
Waarom doen we eigenlijk, zoals we gewoon zijn te doen? Ken jezelf, zoek de vrede in jezelf, de onschatbare rijkdom en je zal de bron van juiste beslissingen vinden. conf. http://www.antiochian.org

Apolytikion Hemelvaart     tn.4
    In Heerlijkheid zijt Gij opgestegen, o Christus onze God
en hebt Uw Leerlingen verblijf door de belofte van de Heilige Geest.
Want door Uw Zegen leerden zij
dat Gij de Zoon Gods zijt en de Verlosser van de wereld
”.

Kondakion     tn.8
  Nadat Gij de Heilsorde had volbracht
en het hemelse met het aardse verenigd had,
zijt Gij opgestegen in Heerlijkheid, o Christus onze God,
zonder van ons heen te gaan zodat er geen scheiding kwam.
Ik ben met u en niemand tegen u
”.

Orthodoxie & het Geloof in de Waarheid

kaarsen opgestoken in de kerk

    En Jezus zei:  ‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden’.
Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zij zeiden tot Hem: ‘Zijn wij soms ook blind?’.
        Jezus zei tot hen: ‘Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen’. In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
       Jezus zei dan nogmaals: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden’John.9: 39 – 10: 9.

Jezus sprak zich heel duidelijk uit: “Εἰς κρίμα … γένωνται –  tot schaamte . . . tot een oordeel”. Hij wilde dit aan het licht brengen en de onvermijdelijke gevolgen aantonen welke de bestaande innerlijke toestand van de mens zou hebben.

icoonlampje

        Niemand steekt een lamp aan en bedekt die met een vat of zet haar onder een bed, maar hij zet haar op een standaard, opdat wie binnentreden het licht mogen zien. Want er is niets verborgen, dat niet aan het licht zal komen, en niets geheim, dat niet zal bekend worden en aan het licht komen. Ziet dan toe, hoe gij hoort. Want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niet heeft, ook wat hij meent te hebben, zal hem ontnomen wordenLuc. 8: 16-18.
Dit betekent dat degenen die zich bewust zijn van hun blindheid en dit hen verdriet doet, hierdoor verlicht kunnen worden; terwijl zij, die zich slechts tevreden stellen met dit licht – zich slapende rijk achten, m.a.w. zich niet inzetten om aan de hand van de Blije Boodschap te groeien – het licht kunnen verliezen. Met een bepaalde galgenhumor verkondigt Christus hier hoe gemakkelijk het vooruitzicht op redding kan vervliegen door hardnekkig vast te houden aan het feit dat ‘jij’ er wel genoeg van weet.
Een mens weet immers nooit genoeg – aangezien de christelijke weg welke in de Blijde Boodschap verkondigd wordt – een persoonlijke levensopdracht inhoudt om ‘onafgebroken‘ alert te zijn, dit is voor iedereen bedoeld, niet alleen voor de beminde gelovigen. Levenservaring houdt nooit op en je kunt het niet zo maar uit een boekje leren, dat leer je alleen met met vallen en opstaan.

De blindgeboren mens krijgt inzicht, omdat hij beseft dat hij blind is en maakt gebruik van de Genadegaven welke hij -keer op keer- ‘om niet’ van God krijgt aangereikt. Farizeeën blijken volslagen blind te zijn voor datgene wat de Heer hen openbaart; zij zijn van mening dat zij het allemaal wel weten en trekken zich genoegzaam in hun wereldje terug; zij zijn immers geschoold in de door God aan Mozes gegeven wetten en menen daar wel voldoende aan te hebben. Bij hen komt de hoogmoed voor de val, terwijl de blindgeborene in zijn eenvoud de Blijde Boodschap ter harte neemt en Christus blijft volgen. De Blindgeborene laat zijn aanbiddende dankbaarheid in het zicht van de omstanders openlijk blijken.
Christus verblijdt Zich immers door de Heilige Geest en heeft gezegd: Ik dank U, Vader, Heer van Hemels en aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan eenvoudigen [als kinderen] hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het voor U een welbehagen 
geweestconf. Luc.10: 21.  Zij die door studie kennis hebben van -leer en haar wetten- , vinden zichzelf “‘dè’ wijzen en verstandigen” en in hun onbeschaamdheid, beschikken zij over hun [voor-]kennis, hun voordelen, over hun positie en kunnen zij zich ‘mooi‘ voordoen, maar tegelijkertijd keren zich hierbij tevens resoluut af van ……..             ” t Licht van deze wereld “, zij verliezen hun kracht en gaan ten onder in zelfgenoegzaamheid.

“Heer, ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”  – يا رب، أنا أصدق الكفر

Maar de onbedorven behoeftigen, zelfs de tollenaars en zondaars, blijven zich bewust van de schaduw des doods en houden hun aandacht onafgebroken gericht op het onvolkomen Geloof en de behoefte aan bekering en zijn zich bewust van ‘het Genaderijke Licht’ van Christus wat hen begeleid.
En de apostelen zeiden tot de Heer:
‘Geef ons meer Geloof’.
De Heer zei daarop: ‘Indien gij het Geloof had als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze moerbeiboom zeggen: wordt ontworteld en in de zee geplant, en hij zou U gehoorzamen’
Luc.17: 5,6.
Geloof zonder zekerheid is alleen maar de helft of het Geloof, de Blijde  Boodschap geeft immers voorbeelden van situaties waar Geloof ‘alleen’ wordt vereist, ja, zelfs geboden. Er is geen tijd om bewijzen te verzamelen, om te wachten, om te slechts oog te hebben op zekerheid.
We dienen alleen ‘onvoorwaardelijk te geloven; zoals Petrus wandelde op het water – denk niet na, gewoon, doe het! [Just, do it!].
God verlangt zelfs van ons dat wij in Hem blijven geloven, wanneer, de bewijzen [tijdelijk] een slecht vooruitzicht bieden. Vertrouw op Hem!
God eist in alle omstandigheden [ook in ogenblikken van menselijke zwakheid] van ons Hem te geloven en vertrouwen; Geloof en vertrouwen op Hem maakt ons sterk, zoals Hij Sterk is!
Geloof is de toestand waarin wij zonder twijfel zijn, zonder aarzelen, totale zekerheid hebben in en op wat wij hopen.

Wij westerlingen hebben zelfs in tijden van crisis in alle opzichten een beter leven dan de meeste landen in de wereld. Slechts een kleine blik op het leven van de christenen in het Midden-Oosten en je zult je zegeningen kunnen tellen, die wij ieder moment van de dag maar weer krijgen. “Houd je hoofd in de hel en wanhoop niet” stelt de Heilige Silouan [1866-1938] van de berg Athos ons voor ogen. Wanneer je gered wilt worden dient dit toch een geweldig gevoel te geven.

21-5-2017 – herdenkingsdienst van de al           4 jaar ontvoerde bisschoppen van Aleppo

In het traditionele christendom worden, de moeilijkheden van het leven en de ontberingen beschouwd als een vanzelfsprekend onderdeel van ons gevallen bestaan [de zondeval].
Ons lichaam en onze geest lijden onder de kwellingen van alle dag, maar dit is niets anders dan een ‘tijdelijk’ proces.

De ascetische kerkvaders beschouwen de kwellingen als een test, welke neerkomen op een atletische oefeningen, welke ons tot nut -ter lering- worden aangeboden.
De beoefening [de ascese] van deze aantijgingen zijn zeer nuttig en brengen de krachten van de ziel op een hoger niveau, zoals geduld, vriendelijkheid, hoop, geloof, enzovoort. De Heer, onze God formeerde de mens van stof uit de aardbodem en blies hem de levensadem in zijn neus en aldus werd de mens tot een levend wezenGen.2: 7.
Wij houden onze geest in de hel‘ [H. Silouan, de Athoniet] wanneer wij ons onophoudelijk bewust blijven van de pijn van het leven. Wanneer wij in onze gevallen wereld niet leren van de onlosmakelijk voorbijgaande lijdensweg, die wij hebben te doorstaan op weg naar een nog grotere marteling van een eeuwigheid, die wij tegemoet treden wanneer wij deze -zonder Christus- trachten te betreden. Ons leven is immers onlosmakelijk met de dood verbonden, daar zijn wij mensen voor, maar doe dit niet zonder -‘de Bron’- van het Leven.
Er is maar één hoop in dit ondermaanse lijden, omdat onze Heer, Jezus Christus, ‘Zelf’ het eerst heeft geleden en daarmee voor ons een uitweg heeft geopend uit de wanhoop, een uitweg uit de pijn, een uitweg uit de dood.
Christus is de Bron van het Leven, het brood van de eeuwigheid, en de enige [God-]mens, Die we nodig hebben.

herdenkingsbijeenkomst Mgr. Isaäk Barakat

➽ “Vandaag de dag zien we de Christenen hun voortrekkers-positie hernemen en zij spelen een belangrijke rol in het redden van hun land in het Midden-Oosten.
Hij is vast besloten om Zo zien we hoe ze tegen het terrorisme in Syrië hebben gestreden en waarvoor ze met  vele martelaren de prijs hebben betaald. Zo zien we hen in Libanon elkaar weer een hand geven om als eenheid op te treden in het proces hun land opnieuw op te bouwen.  Voor Orthodoxe Christenen zijn er twee principes:
1.]. Zijn identiteit:  Hij is vast besloten om zijn principes ondanks alle moeilijkheden, lijden, oorlog of vernietiging te behouden.
2.]. Zijn Openheid: Zij weigeren om zich door sociale overtuigingen of door bloed- en spirituele verbintenissenen te laten beperken; zij hebben een ‘wereld’-visie, de gehele wereld is waar zij zich een ‘thuis‘ gevoelen. Zij hebben genoeg zelfvertrouwen om altijd ‘open’ te staan voor verandering om hen heen en overal ‘bij’ te horen, waar en in welke omstandigheden zij zich ook bevinden.
Voor hen maakt het niet uit hoe groot de wereld is, want God is nog groter [“nog Heiliger, nog Sterker en nog Onsterfelijker” red.].
Voor hen maakt het niet uit ‘met hoe weinig ze‘ [op dit moment ‘nog’, red.] óver zijn [en dan maken wij ons in onze westerse parochies zorgen over de ‘christelijke’ teloorgang? red.], want de discipelen waren alleen met z’n twaalven en toch hebben die ‘twaalf’ -met de hulp van God- de gehele wereld veranderd.
De Orthodoxe Christenen van vandaag hebben dezelfde genen als hun voorvaderen. Zij hebben de wil en het vermogen om deze wereld te veranderen. Dat komt door hun eenheid, intellectueel vermogen en hun georganiseerd beheer. Maar vooral door hun eenheid en nederigheid, dààr is de Bron van hun macht. Op dezelfde manier is de geliefde ontvoerde broeder [een van de Metropolieten red.] ‘Paulus’ altijd vol van Genade in liefde ‘vast‘ blijven houden aan zijn religieuze culturele identiteit.

koor Antiocheense Parochie tijdens de herdenkingsbijeenkomst

Hij heeft een groot aantal broeders en zusters begeleid om overal in de wereld als ~dienaren van God~ te werken;  daar zijn priesters, bisschoppen, monniken/monialen en gehele families, die hard werken voor hun land en voor hun kerk. Samen bidden wij -met hen- ‘onze lieve Heer’ voor de veilige terugkeer van onze geliefde broeders en ook alle andere gekidnapten. Amen.
uit: toespraak van Aartsbisschop Mgr. Isaäk Barakat, Metropoliet van de Antiocheens Orthodoxe Kerk in Duitsland en Centraal Europa tijdens de herdenkingsdienst ontvoerde bisschoppen van Aleppo

Dus als christenen houden wij “onze geest in de hel en we wanhopen niet”, maar brengen eer aan God in alle dingen, zelfs in de pijn, die wij ervaren, in de Hoop.
Het christelijk Geloof nu is de zekerheid van de dingen, die wij hopen en het bewijs van de dingen, die wij ‘niet’ zien” conf. Hebr.11: 1.
Wij leven altijd in de Hoop op onze Heiland, de Enige, Die ons vanaf de rand van de wanhoop kan wegleiden en stellen ons op voor ‘een nieuw leven’ in Hem. In Hem stellen wij onze Hoop en op Hem stellen we datgene waarnaar wij streven.
Abraham [en al onze voorvaderen] heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: ‘Zo zal uw nageslacht zijn’. En zonder te verflauwen in het Geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven; maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn Geloof en gaf aan God de eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. Daarom ook werd het hem gerekend tot gerechtigheidRom.4: 18- 22.

Apostichen Metten dinsdag vóór Hemelvaart     tn.5.
Licht-brengende glans zagen wij stralen op de Sabbat over de licht-brengende Blindgeborene;
maar zij die te zeer gehecht waren aan de Wet van Mozes, blijven blind in hun hart, omdat zij de schaduw niet bemerken, die de Wet verduistert. Daarom zagen zij niet de Licht-schenker, Die door Zijn woord de Sabbath geschapen heeft en Die in het [Doop-]bad de Blinde ziende maakt door een nieuwe schepping uit stof en speeksel. Laten wij ons daarom met Hem vereenzelvigen, zodat ook wij God mogen zien, met het schouwen dat door de Machtige geschonken wordt., waardoor de blindheid van de op zichzelf vertrouwende beschaamd wordt gemaakt
”.

Zie op mij neer en ontferm U over mij, volgens Uw Oordeel over hen die
Uw Naam liefhebben
conf Psalm 118[119]: 17.

tn. 5.
Het licht breekt aan voor de Blinde die zoveel geleden heeft, toen hij in het duister moest gaan, in de nacht van de blindheid. Nadat hij zich op goddelijk bevel gewassen had in het water van Siloam, ontving hij het licht van de ogen. Daardoor is hij zelf een drager van licht, terwijl de behoeders van de Wet door hun liefde voor de duisternis geheel verblind waren; in dit ruiter straks helder het licht dat van de genezen Blinde uitgaat, en doet weer duidelijk zien wat in de Schrift door de letteraanbidding verduisterd was, door de blijde glans die uitgaat van het Goddelijk Woord”.

Richt mijn schreden naar Uw Godsspraak, dan
zal geen boosheid mij overheersen
”.

tn.5.
Het hoogtepunt van het stralende Licht ging op voor de Blinde, nadat hij inwendig verlicht was door het licht van de kennis van God. En hoewel hij eerst blind geweest was naar lichaam en ziel, erkent hij nu de Schenker en Schepper van het licht, Die uit het graf is opgestraald op de derde dag en Die de gehele aarde vreugdig verlicht door Zijn Opstanding. Daaruit straalt een herscheppend Licht voor hen die gevangen waren in de duisternis: de stervelingen die op de aarde geboren zijn; omwille van Zijn medelijden en grote barmhartigheid”.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest”,

tn.8.
Geestelijke Zon der Gerechtigheid, Christus onze God, Die door Uw zuivere aanraking hem die vanaf de moederschoot van het licht was beroofd, zowel inwendig als uitwendig de ogen geopend hebt; straal ook in de ogen van onze ziel en maak ons tot zonen van de volle dag, opdat wij voor Geloof tot U mogen roepen: Vriend der mensen, hoe rijk en onzegbaar is Uw Barmhartigheid over ons

nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen, Amen”.

3e paashymne
Dag der Opstanding! Laat ons lichtstralen worden door de plechtigheid en laat ons elkander omarmen. Laat ons zeggen: “Broeders”, ook tot degenen die ons haten; laten wij alles vergeven omwille van de Opstanding en zo roepen:
Christus, verrezen uit de doden, door Zijn dood vertreedt Hij de dood en schenkt het leven aan hen in het graf
” [3x].

6e Zondag na Pascha, Zondag van de Blindgeboren mens

‘En terwijl hij langs kwam zag Hij een mens die vanaf zijn geboorte blind was’ – ‘ Και όπως ο ίδιος πέρασε από, είδε έναν άνδρα τυφλός από τη γέννησή του ‘ – ‘وفيما هو مجتاز رأى إنساناً أعمى منذ ولادته’

    En voorbijgaande zag Hij een man [een mens] , die sedert z’n geboorte blind was.
En zijn discipelen vroegen Hem en zeiden: ‘Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?’.
      Jezus antwoordde: ‘Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden. Wij moeten werken de werken van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld’.

‘ Gered door het Spirituele inzicht ‘ – ‘σωσε από την πνευματική διορατικότητα’ – ‘ أنقذ البصيرة الروحية ‘

Na dit gezegd te hebben, spuwde Hij op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen, en zei tot hem: ‘Ga heen, was u in het badwater  Siloam, hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden’. Hij dan ging heen, wies zich en kwam ziende terug.
      De buren dan en zij, die hem vroeger als bedelaar gekend hadden, zeiden: ‘Is hij dat niet, die zat te bedelen?’.  Sommigen zeiden: ‘Hij is het’; anderen zeiden: ‘Neen, maar hij gelijkt op hem’. Hij zei: ‘Ik ben het’. Zij dan zeiden tot hem: ‘Hoe zijn dan uw ogen geopend?’.      Hij antwoordde: ‘De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zei tot mij: Ga heen naar Siloam en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende’.
En zij zeiden tot hem: ‘Waar is Hij?’. Hij zei: ‘Ik weet het niet’. Zij brachten hem, die vroeger blind geweest was, naar de Farizeeen.
Nu was het sabbat op de dag, dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende.
Opnieuw vroegen hem ook de Farizeeen, hoe hij ziende was geworden. En hij zei tot hen: ‘Hij legde slijk op mijn ogen, ik wies mij, en nu kan ik zien’.
      Sommige dan van de Farizeeen zeiden: ‘Deze mens komt niet van God, want Hij houdt de sabbat niet’. Anderen zeiden: ‘Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen’.
Zij dan zeiden nog eens tot de blinde, ‘Wat zegt gij van Hem, daar Hij uw ogen geopend heeft?’. En hij zei: ‘Hij is een profeet’. De Joden dan geloofden niet van hem, dat hij blind geweest en ziende geworden was, totdat zij de ouders geroepen hadden van hem, die ziende was geworden, en zij vroegen hun en zeiden: ‘Is dit uw zoon, van wie gij zegt, dat hij blind geboren is? Hoe kan hij dan nu zien?’.
Zijn ouders antwoordden en zeiden: .Wij weten, dat dit onze zoon is, en dat hij blind geboren is;  maar hoe hij nu zien kan, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet; vraagt het hemzelf, hij heeft zijn leeftijd, hij zal voor zichzelf spreken.. Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang waren voor de Joden, want de Joden waren reeds overeengekomen, dat, indien iemand mocht belijden, dat Hij de Christus was, hij uit de synagoge zou worden gebannen.
Daarom zeiden zijn ouders: ‘Hij heeft zijn leeftijd, vraagt het hemzelf’.
Zij riepen de man, die blind geweest was, dan voor de tweede keer en zeiden tot hem: ‘Geef aan God de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is’.
      Hij dan antwoordde: ‘Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan’.
Zij dan zeiden tot hem: ‘Wat heeft Hij aan u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?’.
     Hij antwoordde hun: ‘Ik heb het u al gezegd, en gij hebt er niet naar gehoord; waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook discipelen van Hem worden?’. En zij scholden hem uit en zeiden: ‘Gij zijt een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes; wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet, vanwaar Hij komt’.
     De man antwoordde en zei tot hen: ‘Hierin is toch iets wonderlijks, dat gij niet weet, vanwaar Hij komt, maar mijn ogen heeft Hij geopend. Wij weten, dat God naar zondaars niet hoort, maar is iemand godvruchtig, en doet hij zijn wil, die verhoort Hij. Van eeuwigheid is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft.  Als deze niet van God was gekomen, Hij had niets kunnen doen’.
     Zij antwoordden en zeiden tot hem: ‘Gij zijt geheel in zonden geboren en wilt gij ons leren?’. En zij wierpen hem uit.
    Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en Hij zei, toen Hij hem aantrof: ‘Gelooft gij in de Zoon des mensen?’.
     Hij antwoordde en zei: ‘En wie is Hij, Here, dat ik in Hem moge geloven?’
Jezus zei tot hem: ‘Gij hebt Hem niet slechts gezien, maar Die met u spreekt, die is het’.
     Hij zei: ‘Ik geloof, Heer, en hij wierp zich voor Hem neer’John.9: 1-38.

reizen van de apostel
Paulus

    En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam, welke aan haar eigenaars met waarzeggen veel voordeel aanbracht.
     Deze liep Paulus en ons achterna, luid roepende: ‘Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen’. En dit deed zij vele dagen lang. Maar toen dit Paulus verdrietig maakte, wendde hij zich tot de geest en zei: ‘Ik gelast u -in de naam van Jezus Christus- van haar uit te gaan’. En hij ging uit op datzelfde uur.
     Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid, en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn, en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen. Ook de menigte schoolde tegen hen samen en de hoofdlieden scheurden hun de kleren van het lijf en lieten hen met de roede geselen; en na hun vele slagen gegeven te hebben, wierpen zij hen in de gevangenis met bevel aan de bewaarder hen zorgvuldig te bewaken.
      Daar deze zulk een bevel ontvangen had, zette hij hen in de binnenste kerker en sloot hun voeten zorgvuldig in het blok.
Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen.  Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los.
      En de bewaarder, uit zijn slaap opgeschrikt, zag de deuren der gevangenis openstaan, trok zijn zwaard en was op het punt zelfmoord te plegen, in de waan, dat de gevangenen ontsnapt waren.
Maar Paulus riep met luider stem: Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier! En hij liet licht brengen, sprong naar binnen en wierp zich, bevende over al zijn leden, voor Paulus en Silas neer.

geef ruimte om te groeien in Christus – Δώστε χώρο για να αναπτυχθούν στο Χριστό – إعطاء مجال للنمو في المسيح

En hij leidde hen naar buiten en zei: ‘Heren, wat moet ik doen om behouden te worden?’.
      En zij zeiden: ‘Stel uw vertrouwen op de Heer Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis’. En zij spraken het woord Gods tot hem in tegenwoordigheid van allen, die in zijn huis waren.
      En in datzelfde uur van de nacht nam hij hen mee om hun striemen af te wassen, en hij liet zichzelf en al de zijnen terstond dopen; en hij bracht hen naar boven in zijn huis en richtte een tafel aan, en hij verheugde zich, dat hij met zijn gehele huis tot het Geloof in God gekomen wasHand.16: 16-34.

‘de wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God’ 1Cor.3: 19

      De dwaze mens zegt in zijn hart: Er is geen God. Verdorven en afschuwelijk zijn z’n gewoonten: er is niemand die het goede doet, zelfs niet één.
De Heer ziet uit de hemel neer op de mensenkinderen, om te zien of er iemand inzicht heeft en God zoekt. Allen zijn afgedwaald, zij zijn omkoopbaar: er is niemand die het goede doet, zelfs niet één. Hun keel is een open graf, hun tong pleegt bedrog: addervergif zijn hun lippen. Hun mond is vol verwensing en bitterheid; hun voeten zijn vlug om bloed te vergieten. Hun wegen zijn verderf en ongeluk, maar de weg van Vrede kennen zij niet; de vreze Gods staat hun niet voor ogen.
        Weten zij dan niets, die onrecht bedrijven; die Mijn Volk verslinden als een stuk brood ? Zij roepen de Heer niet aan, zij beven van angst waar niets te vrezen valt: maar God is met een rechtvaardig geslacht. Het besluit van de arme hebt gij geminacht, omdat hij vertrouwt op de Heer.
        Wie zal dan uit Sion verlossing brengen aan Israël ?
Wanneer de Heer de gevangenen van Zijn Volk terugvoert, zal Jacob juichen en Israël zich verheugenPsalm 12[13] conf. vert ROK ’s-Gravenhage.

Onze Heer heeft gezegd: “Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden. Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zij zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind?”.
Jezus zei tot hèn: “Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zondeJohn.9: 39-41.

Gods gedachten en hoe God Zich gedraagt zijn totaal verschillend en zijn tevens afhankelijk van onszelf! Het ontbreekt ons vaak aan vertrouwen en wij zijn méér met onze pleziertjes bezig, dan dat wij voor onszelf aan ‘God’ een ereplaats toekennen, die Hem toekomt.
God heeft vanaf de Schepping -in den beginne- aan ons proberen duidelijk te maken dat er manieren en gewoontes zijn aan te leren waardoor wij kunnen overleven, maar dat wordt tegenwoordig veelal als ouderwets afgedaan, als oplossingen, die al lang geleden zijn afgelegd en die geen betekenis meer of waarde zouden hebben voor de -op de wereld- gerichte mens.

Saint John Damascene with Saint Cosmas the  Hymnographer composing                            the Canon of Pascha

➽      De wereldse mens maakt de verkeerde keuzes; het gehele aardse leven wordt gekenmerkt door het menselijke misbruik van zijn verkregen [keuze-]vrijheid.
Als gevolg hiervan ontstaat de ijdelheid [hoogmoed, Eccl.1: 2,14] in het leven welke zijn oorsprong vindt in de dominantie binnen elke menselijke hypostase [Gr. ὑπόστασις = de basishoedanigheid van het wezen, de filosofisch gezien diepere behoefte aan egoïstisch welbevinden] van “deze monsters”: vóórliefde tot plezier, vóórliefde lof toegezwaaid te krijgen en de vóórliefde tot geld en macht. Waar kan ik ‘m’n’ gepassioneerde attractie in de wereld bekomen? Waar kan ik door  tussenkomst van anderen ‘mijn eigen’ kansen vergroten? Waar is kan ik uiteindelijk het meeste munt [goud, zilver] uit slaan? Waar kan ik m’n huishouden dusdanig uitbouwen dat iedereen ‘mijn’ dienaar wordt?“.
conf. Heilige Johannes Damascinos blz 34. ‘Theology, Image and Melody’ – ISBN 978-9953-452-57-9.
       Gods gedachten en hoe Hij zich gedraagt zijn verschillend en afhankelijk van ons! Het ontbreekt ons vaak aan vertrouwen en wij zijn méér met onze pleziertjes behept, dan dat wij voor onszelf ‘God’ de ereplaats toekennen, die Hem toekomt.
       God heeft vanaf den beginne ons proberen duidelijk te maken dat er manieren en gewoontes zijn aan te leren waardoor wij kunnen overleven, maar dat wordt als ouderwets afgedaan, als oplossingen, die al lang geleden zijn afgelegd en die geen betekenis meer of waarde zouden hebben voor de op de wereld-gerichte mens.
Paulus roept zijn geestelijk kind niet voor niets op het Geloof in de Liefde tot God en de medemens te bewaren: “    Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus. Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust2Tim.3: 14-17En daar tegenover stelt hij: “     Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid2Tim.3: 13.

De gehele Blijde Boodschap wordt door God geïnspireerd en dient slechts om ons winst op te leveren en ons goed te doen; een christen kan geen enkel gedeelte van het Woord verwaarlozen zonder verlies te lijden: ” Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting van de Schriften de Hoop zouden vasthouden. De God nu van de volharding en de vertroosting moge u/ons eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat jullie/wij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus zullen mogen verheerlijkenRom.15: 4-6. Over en weer maakt de Heilige Geest in het Nieuwe Testament figuurlijke verwijzingen naar de tabernakel [het draagbare heiligdom in ons hart] en haar meubelen, en veel in de apostelbrief aan de Hebreeën kan ‘niet’ begrepen worden zonder verwijzing naar de inhoud van Exodus en Leviticus.

Psalm tot eer en glorie aan God

Het heiligdom in ons hart [de tabernakel] is een van de belangrijkste en instructieve types. Hier is zo’n verscheidenheid aan waarheden, hier bevindt zich zo’n onnoemlijke volheid en opeenstapeling van geestelijk onderwijs, hetgeen ons de grootste moeite kost om alle verschillende lessen en aspecten met elkaar te combineren die het voorstelt. Het heiligdom [de Tempel] van ons hart heeft niet minder dan drie betekenissen.
1.]. Het is de aanduiding van een zichtbare illustratie van die hemelse plaats waarin God Zijn woning heeft.
2.]. Het is de aanduiding van de gelijkenis aan Jezus Christus, De ontmoetingsplaats tussen God en de mens.
3.]. Het is de aanduiding van de gelijkenis aan Christus in Zijn Lichaam [de Kerk] – de gemeenschap van de christen met alle gelovigen in Zijn Lichaam [de Kerk].
    Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods. Ik bedoel namelijk, dat Christus ter wille van de waarachtigheid Gods, een dienaar van hen die besneden zijn, geweest is, om de beloften, aan de vaderen gedaan, te bevestigen, en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: ‘Daarom zal ik U loven onder de heidenen en Uw Naam met snarenspel prijzen’.
En verder zegt Hij: ‘Verheugt u, heidenen, met Zijn Volk’.
En verder: ‘Looft, al gij heidenen, de Heer, en laten alle volkeren Hem prijzen’ En verder zegt Isaiah: ‘Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, Die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen. De God nu van de Hoop zal u met louter Vreugde vervullen en Vrede in uw Geloof, om overvloedig te zijn in de Hoop, door de kracht van de Heilige GeestRom.15: 7-13.

Het is onder jongeren nogal ‘in’ om je aanwezigheid in deze wereld te delen via een WhatsApp, dit is een technische invulling van het feit dat zij behoefte hebben aan contact – maar het blijkt slechts een dooddoener te zijn, wanneer het slechts gaat om aantallen elektronische contacten.
De behoefte is méér dat zij hun verlangens willen
delen en zichzelf willen manifesteren, waarmaken – maar dat lukt niet door eenvoudig op wat knopjes in te drukken, dat vraagt om betrokkenheid, inlevingsvermogen, medeleven, aan iemand toegewijd zijn, –‘bíj’– iemand zijn.
Wanneer er iets aan de hand is met een kind of een jongere, dan is het beter ‘niet’ onmiddellijk in gesprek te gaan. Wanneer het echt nodig is begint het kind zelf’ wel te praten. Je kunt beter je mond houden en troost bieden via je aanwezigheid, na een hele tijd zwijgen kun je misschien een arm om hem/haar heen leggen. Antwoorden, adviezen en al helemaal geen verwijten of beschuldigingen – daar zitten een kind ècht niet op te wachten. ‘Gewoon bij iemand zijn’ naast elkaar zitten; zijn of haar plaats delen – een vader of moeder wil er immers altijd voor hen zijn – zeker wanneer zij het moeilijk hebben.

De Goddelijke zegen, van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.

De Aanwezige of Zijnde is hetzelfde als God, Die zegt: “Ik ben”, dat is de grootste openbaring van God over Zichzelf.
Zijn Naam is niet overwegend ‘de Almachtige’ òf ‘de Alwetende’ – ook niet dè Rechtvaardige of dè Onoverwinnelijke.
Neen, wanneer Hij Zich voorstelt noemt Hij Zich: ‘“Ik ben’; Hij is, Hij is -bij- ons.
Dat is ook de Naam, Die Jezus krijgt: “Zijn Naam zal zijn, Immanuel, God -met- ons”. God is zoals Christus ons in het gebed leert een Vader en Die wil er altijd voor je zijn – zeker wanneer je het moeilijk hebt.

➽ Het lijkt erop, zo laat de filosoof  Van der Waal in zijn ‘Mystiek voor goddelozen’ ISBN 978-9021-404-35-6 weten dat religie wat hem betreft voor veel tijdgenoten geen houvast meer biedt; de jongeren dagen ons uit. Zij tonen ons misschien allereerst dat het Beeld van God Die altijd nabij is – nieuwe en grotere aandacht verdient.   Zij tonen ook dat hedendaags christelijk denken méér dan ooit een persoonlijk-existentieel en tegelijk holistisch [de waarde legt van het geheel met onderdelen die met elkaar samenhangen] karakter dient te dragen.
Geen Pantheïsme [‘alles is God’], want dat zou het verschil tussen God en de materiële werkelijkheid ontkennen, maar wel een pan-en theïsme: ‘alles-is-in-God’ en ‘God-is-in-alles’. Een wisselwerking die van een alles doordringbare Aanwezigheid, Die wij zonder verdienste erkennen, herkennen en waaruit wij leven en constant veranderen, groeien. Omdat Geloof – minstens in haar christelijke variant- uiteindelijk niet gekozen is, het wordt ons ‘om niet’ verleend, is dit dus geen verdienste, maar een Genadegave, door de Heilige Geest.
Wanneer jongeren leven, leven ze méér in de wereld, dan dat zij met God en de hemel bezig zijn – dat kan ook niet anders, want daar is hun hele onderwijs op gericht – er moet immers brood op de plank komen.
Bagage voor tijdens met problemen of mislukkingen krijgen ze hierdoor marginaal mee; zo zit onze consumptie maatschappij in elkaar, het ‘geluk’ vliegt ons de mond in. Er wordt op die leeftijd veelal niet ervaren dat je wanneer je zònder God gewoon dood gaat, niet leeft.
Een volgend levensjaar wordt voor de meesten als vanzelfsprekend ervaren en dat vinden ze maar goed ook. 
Duisternis, het ontbreken van het Goddelijk helder stralende Licht voor de blindgeborene uit de Blijde Boodschap wordt terzijde geschoven door buitensporig gedreven opgaan in vermakelijke mogelijkheden, die de wereld ons aanbiedt. Een diepte, maar ook de volheid van de Blijde Boodschap wordt nauwelijks onderwezen, maar Gods Woord en Wijsheid is veelzijdig in z’n toepassing. Veelal bevat een enkele gelijkenis [bijvoorbeeld van de Zaaier en de roepende in de woestijn] belangrijke praktische aanwijzingen, leerstellige instructies en een profetische voorspelling. Op een gegeven moment wordt door een crisis of anderszins een behoefte ervaren de leegte anders te vullen dan met kunst, muziek of verslavende genotsmiddelen. De gevolgen van het van ‘God’ los zijn doet de mens ervaren dat geluk niet als een broodje op een schaaltje ligt te wachten.

➽ Er wordt een roep ervaren om tot bezinning te komen, omdat het leven zoals het ‘gevierd’ werd geen genoegdoening meer geeft.
De ontmoeting met Geloof vindt op velerlei manieren plaats, voor de een is het de kunst [muziek of ikonen] voor de ander een toevallige gebeurtenis, voor weer een ander een bewust langdurig zoeken. Soms gebeurt het door een gesprek, zoals de ontmoeting bij de bron van vorige week: “Geef Mij te drinkenJohn 4: 7.
Op de een of andere manier wordt de mens geraakt en voelt een Liefde, die hij/zij niet kent, want God ontmoeten is de Liefde ontmoeten. We bemerken in ons leven een dubbele kracht waardoor we mensen “ontmoeten”. Er is eerst een onzichtbare stroming van onze vrijheid: daardoor nemen we beslissingen, we ontmoeten wie we “willen” zien. En dan is er de onzichtbare stroming: noem je dat toeval, noem je dat voorzienigheid, waardoor we mensen ontmoeten, die ‘niet’ op onze agenda stonden. Waarom hunkert de mens naar zijn Heer? Omdat hij de Genade bij de eerste ontmoeting heeft herkent – en als God deze Genadegave verleent en het toelaat dat die persoon blijft leven om getuigenis te geven van de Heer aan zijn medemensen. Dat hunkeren zal op een gegeven moment verminderen, dat is de test, de beproeving, die God toelaat, opdat zo’n persoon dit ervaart als een gemis, zoals een kind dat zijn moeder/vader verloren heeft.

fresco I.M. John the Baptist, Maldon [GB] دير-جداري-القديس-يوحنا-المعمدان،-مالدون-انجلترا
➽  Heer, hoezeer hebt U uw schepsel lief? Mijn ziel kan Uw rustige, zachtmoedige blik niet vergeten.
Heer, heel de dag en heel de nacht is mijn ziel U indachtig en ik zoek U.
Uw Geest sleept mij mee om U te zoeken en de gedachte aan U verblijdt mijn geest.
Mijn ziel heeft U lief gekregen, zij verheugt zich dat U mijn God en mijn Heer zijt en tot tranen toe verlang ik naar U
conf. H.Silouan, de Athoniet.

De Heilige Geest leert ons de Goddelijke Liefde kennen en deze Liefde is van de Heilige Geest. Het is een Mysterie, en wonder: door de Heilige Geest leert de mens zijn Heer en Schepper kennen, Hem te zien, te horen, te ervaren. De mens weet dat deze Liefde van een ongeschapen natuur is door haar ‘smaak’. Kennis en Liefde dienen als identiek te worden beschouwd. God geeft ons ‘om niet’ de liefde voor Hemzelf. Wanneer God niet de H. Drieëenheid was, maar slechts één persoon, zou dit gelijk staan met zelfverheerlijking. Maar het zijn goddelijke personen die ons dezelfde Liefde brengen, Die Liefde, Die Elk van de goddelijke personen heeft voor de anderen, voor de Vader en voor de Zoon en voor de Heilige Geest: ‘de Nederige Liefde’.
conf. lezing monachia MAGDALEN klooster Saint John the Baptist, Maldon [GB].

Saint Silouan, the Athonite [1866-1938]

  En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot uJohn.14: 16-18.
Het is de vertrouwelijke, als gelijke met iemand omgaande, Genadegave van de H. Drieëenheid, Die eeuwig de band is tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, één in wezen.
Zo kunnen wij vragen: “O Heer, Gij ziet hoe machteloos mijn ziel is zonder Uw Genade en dat zijn nergens rust vindt. Geef Gij, Die onze vreugde zijt en onze Hemelse Vader, ons de kracht om U lief  te hebbenconf. H.Silouan, de Athoniet.

Wanneer de liefde tot God haar hoogste volmaaktheid heeft bereikt die voor een mens op aarde mogelijk is, dan bemint hij de gehele mensheid vanaf Adam tot de laatste die uit een vrouw geboren wordt, als zichzelf.
De heilige Silouan verbindt de liefde voor God en onze naaste in praktische zin, toepasbaar voor allen.
Als wij onze broeders liefhebben komt de liefde van God tot ons. Iedere dag dienen wij onszelf te dwingen tot het goede en uit alle macht zoeken naar de nederigheid van Christus”. Wij hebben hier een contemplatief ingebeeld leven, het is niet op een hoogmoedige wijze dat wij beweren God te zien, maar wel:
    Bedenk dat de Heer jou ziet en wees ervoor beducht om je broeder door iets pijn te doen of te verwonden; kijk niet op hem neer en bedroef hem niet, zelfs niet door een oogopslag of uitdrukking op je gelaat en de Heilige Geest zal jou liefhebben en Hijzelf zal je in alles helpen”.
Wanneer je de Heer wilt leren kennen, word dan tot het uiterste nederig, wees gehoorzaam en gematigd in alles, bemin de waarheid en de Heer zal je voor zeker verlenen Hem te zien, te leren kennen door de Heilige Geest; dan zal je bij ervaring weten wat de liefde is voor God en wat de liefde is voor de mens”.

God bewijst Zijn Liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. Veel meer zullen wij derhalve, thans door Zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van nog ergens kwaad over te wordenconf. Rom.5: 8.

Apolytikion     tn5
    Komt, laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
om door Zijn roemrijke Opstanding de doden op te wekken
”.

Kondakion     tn.4
   
Ik ben blind aan de ogen van mijn ziel,
maar ik kom tot U, Christus, zoals de blindgeborene,
en vol berouw roep ik tot U:
Gij zijt het helder stralende Licht
voor allen, die in het duister zijn
”.

woensdag 17 mei – teruggave van Mid-Pinksteren, het feest van het midden van Pascha tot Pinksteren

Wonderbare ‘spijziging‘ met vijf gerstebroden en twee vissen, miniatuur Codex Egberti

      Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zei Hij tot Philippus: ‘ Waar zullen wij broden kopen, dat deze mensen kunnen eten; maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou.
Philippus antwoordde Hem: ‘Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zei tot Hem:
‘ Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?’.
       Jezus zei: ‘Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend.
       Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.
En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: ‘Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan’. Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had.
       Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zouJohn.6: 5-14.

      Paulus en die met hem waren, voeren af van Paphos en kwamen te Perge in Pamphylië; maar Johannes scheidde zich van hen af en keerde weer naar Jeruzalem.
Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, namen zij plaats.
En na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan.
       En Paulus stond op, wenkte met zijn hand en zei: ‘Mannen van Israel en vereerders van God, luistert. De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd, toen zij bijwoners waren in het land Egypte, en Hij heeft hen met hoge arm daaruit gevoerd, en Hij heeft gedurende een tijd van omstreeks veertig jaren in de woestijn hun eigenaardigheden verdragen; en na zeven volken uitgeroeid te hebben in het land Canaän, heeft Hij hun land hun ten erfdeel gegeven, omstreeks vierhonderd vijftig jaren lang. En daarna gaf Hij hun richters tot op de profeet Samuël. En van toen af vroegen zij om een koning en God gaf hun Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin, veertig jaren lang; en nadat Hij deze verworpen had, verwekte Hij hun David als koning, wie Hij ook dit getuigenis gaf: ‘Ik heb David, de zoon van Isaï, gevonden, een man naar mijn hart, die al mijn bevelen zal volbrengen. Uit zijn geslacht heeft God naar de belofte voor Israël de Heiland Jezus doen komen, nadat Johannes eerst, voor zijn optreden, aan het gehele volk Israel een doop van bekering gepredikt had’Hand.13:13-24.

De geschiedenis van de wonderbare spijziging komt in de weergave van het Nieuwe Testament zes keer voor, het moet dus wel héél belangrijk zijn als iedere Evangelist hierover verhaalt en bij Mattheus en Marcus gebeurt het zelfs twee keer. En ja, het staat ook al in het Oude Testament; de profeet Elisa, die Man Gods genoemd wordt, deelt twintig broden met honderd man.
Die andere Man Gods Christus, onze Heer vermenigvuldigt niet, maar Hij ‘
deelt’ als Gods Zoon, het woord vermenigvuldigen komt in ‘al‘ die zeven verhalen niet voor!
– Voor mij persoonlijk betekent dit dat je in geval van een menselijke relatie niet berekenend dient te zijn: iemand niet dient overladen met stoffelijke geschenken vanwege mogelijke toekomstige vooruitzichten en op die manier afhankelijk probeert te maken, hetgeen maar al te vaak in onze westerse samenleving plaatsvindt.  In tegenstelling hierop dat je dusdanig ‘màg‘ samenwerken,  zó màg ‘delen’, in woord en gebaar van wat het leven je schenkt. Christelijk samenwerken het Christelijk geloof verkondigen betekent niet vóór wat, hoort wat, zo wordt het immers ook aangeduid bij de ‘Emmaüsgangers’.
Ze ervaren nog, dat Jezus met hen optrekt, zo vlak na Zijn dood en pas wanneer zij in het brood, het “Leven” delen – herkennen zij Hem, in een flits: “ Ja, dàt is Zijn manier van doen; zó deed Christus het ook’. Bij Christus bestaat geen vooropgezet doel, geen zich gaandeweg toe-eigenen,  iemands sympathie of liefde voor zich winnen, inpalmen – maar oprechte, ongeveinsde belangstelling voor de individuele mens. Misschien kunnen wij zó, op dezelfde [christelijke] manier samen eveneens, misschien slechts bij gelegenheid, herkenbaar zijn voor de anderen om ons heen. Wanneer je echter over weinig voedsel beschikt, dan kun je, door met aandacht te deel te nemen, te eten, het gevoel krijgen dat ook dat voldoende is.

Het gehele innerlijk leven door de maaltijd-lens zien, afb. van een ‘migranten‘- kerk.

De geschiedenis van de wonderbare ‘spijziging‘ , laten we het zó noemen, heeft heel wat mensen aan het denken gezet; op de een of andere manier blijft dit verhaal ons boeien.  Misschien komt dit wel omdat het zo ver van ons afstaat; in deze geschiedenis ontbreekt namelijk elke vorm van logica. Het lukt ons gewoon niet om de eindjes van dit verhaal aan elkaar te knopen. Als mens rangschik je de wereld om je heen met je verstand. Je deelt alles in, door het in categorieën te verdelen, om greep te krijgen op de werkelijkheid. Zo proberen we de werkelijkheid ‘beheersbaar‘ te houden. We vertrouwen op de informatie die we doorkrijgen via onze zintuigen; onze zintuigen zijn dusdanig samen-gesteld dat wij de wereld proberen te ordenen; door datgene wat we waarnemen krijgen we greep op ons bestaan. Met ons verstand geven we onze eigen wereld vorm; alle indrukken die van buiten komen worden keurig op een rijtje gezet. Hierdoor scheppen we orde in een chaos van prikkels die op ons afkomen; zo orden je als mens de wereld om je heen en dat geeft houvast, een stuk zekerheid. Het maakt onze wereld voorspelbaar en daardoor beheersbaar.
Dit is de reden dat we zo’n grote moeite hebben met Mysteriën, Wonderen, Die passen niet langer in onze westerse denkpatronen; ze zijn in strijd met de ervaringen van alledag, Mysteriën brengen onze zintuigen en datgene wat wij kunnen bevatten aan het wankelen.

Maar wàt heeft er zich nu werkelijk afgespeeld aan dat meer van Galilea; we bevinden ons in het noorden van Israël. Jezus houdt Zich op in de nabijheid van de stad Kapernaüm [כפר נחום – Kefar Nachum, “dorp van Nahum”(=”trooster“)] . Het zijn hectische tijden voor Jezus; onlangs was Jezus het bericht ter ore gekomen dat Johannes de Doper door Herodes was vermoord.
Dit was echter niet het enige; de Metamorfose [verandering] die Christus in gang heeft gezet begint behoorlijk uit zijn voegen te groeien. Hierdoor voelde Hij zich genoodzaakt om Zijn leerlingen in te zetten; Hij had Zijn discipelen -twee aan twee- uitgezonden om nèt als Hijzelf deed, de komst van het Koninkrijk van de Vader te prediken en wonderen te doen. Tot hun grote verbazing bleken ook de discipelen, ‘in Zijn Naam‘, wonderen teweeg te brengen; zieken werden genezen en demonen werden uitgedreven. Hierdoor groeide de beweging van onze Heer, Jezus Christus, de Zoon van God, nog harder dan hij al deed. Van ‘heinde en van nog verder trokken mensen naar Kapernaüm, want iedereen wilde die wonderdoeners wel eens zien. De steden trokken leeg om Christus en Zijn discipelen op te zoeken; er was in de ogen van de bevolking niet één wonderdoener in de landstreek, maar dertien stuks. Het grote nieuws ging als een lopend vuurtje door het land; daar in Galilea gebeuren Mysterieuze,  wonderlijke dingen.

Na een tijdje verzamelden de leerlingen zich weer in de stad; je kunt het zien als een soort stage – ze hebben eventjes mogen proeven aan het grote werk.
Toch betekent dat niet dat ze ‘geschikt bevonden‘ zijn; hun tijd met Jezus is nog maar nèt begonnen. Zo komen ze samen om met elkaar te praten over hun ervaringen; Goddelijk werk kan uitdagend, doch zeer inspannend zijn. Vandaar dat het noodzakelijk is dat je regelmatig je eigen geestelijke accu oplaadt; en onderling overleg behoort te plegen. Het kost tijd [sabbatical periode] om tot je zelf te komen en door contacten met mensen die op gelijk niveau staan – kun je weer ‘nieuwe‘ energie opdoen.

De droogte van de woestijn

Maar zoals zo vaak gaat krijg je nauwelijks de tijd om tot rust te komen. Altijd is er wel iemand waar je naartoe kunt gaan of staat er wel iemand op je te wachten. Hetzelfde geldt voor onze Heer, de mensen laten Hem en Zijn volgelingen maar niet met rust; waar ze ook mogen gaan, overal worden ze aangesproken. Vandaar dat ze besluiten om in een boot naar de overkant van het meer te varen, daar in de woestijn zal immers niemand hen opzoeken. De woestijn is aan de ene kant een doodse plaats, maar aan de andere kant is het ook een plek van bezinning.
In het Oude Testament lezen we vaak dat profeten de woestijn intrekken om zich te bezinnen; daar in de stilte krijgen ze de mogelijkheid om geestelijk alles weer op een rijtje te zetten.
Zo varen Jezus en de discipelen naar de overkant van het meer – ondertussen hadden ze behoorlijk honger gekregen, want door hun vele werkzaamheden was de maaltijd erbij ingeschoten. Van hun rust kunnen ze nauwelijks genieten; aan de overkant van het meer midden in de woestijn staat een grote mensenmenigte hen al op te wachten. Het zaad van de Blijde Boodschap is gezaaid en het Koninkrijk der Hemelen groeit in de harten van de mensen; vol verwachting staan ze aan de oever van het meer. 
Het is een menigte van 5000 mensen en dat is een verbazingwekkend groot aantal aangezien Galilea een zeer dunbevolkt gebied is. Jezus wordt geraakt door de grote menigte van mensen die zoeken naar hulp. Ze zijn wanhopig en lopen achter iedereen aan die hen een sprankje hoop biedt; daarom is er geen moment rust.
Vandaag is Christus ‘hun Bron‘ van inspiratie al kan het morgen weer iemand anders zijn; het land bevindt zich namelijk in een volkomen chaos. Met name de provincie Galilea is een samenraapsel van allerlei verschillende bevolkingsgroepen; zo komen we er vrome joden tegen, maar ook Romeinen en Grieken; het is een smeltkroes van verschillende culturen en godsdiensten; kortom een multi-culturele samenleving, zoals in de Lage Landen. Hierdoor zijn ze nooit in staat gesteld een ‘eigen‘ cultuur en een persoonlijke identiteit te ontwikkelen. Vanuit het orthodoxe Judea werd dan ook neergekeken op Galilea. Het is een stuurloos volkje dat het ‘zelf‘ maar moest zien te redden; niemand bekommert zich om hen.
Christus [God] doet dat wel; Hij trekt Zich –zonder ophouden– het ‘lot van de mensen‘ aan – de aanblik van deze mensen raakt hem tot in Zijn binnenste. Hij ziet deze mensenmenigte als een kudde verstrooide schapen zonder herder; met deze zinsnede zinspeelt Marcus op het verhaal van Mozes die het Beloofde Land niet mag binnentrekken. Mozes pleit bij God voor een opvolger, omdat het volk niet zal zijn als schapen die geen herder hebben. Zo ziet Christus [God] het ‘geroepen‘ Volk dat vóór Hem staat; Hij vergeet Zijn vermoeidheid en begint dit 

Christus als dé Pedagoog [opvoeder]

Volk [ons] te onderwijzen. Wel is het goed om hier op te merken dat Zijn medelijden niet leidt tot het wonder, maar dat Jezus hen begint te onderwijzen. De mens leeft immers niet van brood alleen; het gaat Hem in eerste instantie om geestelijke kwesties.
Hoeveel tijd er verstrijkt weten we niet, maar op een bepaald moment stellen Zijn apostelen het punt van het eten aan de orde. Dit heeft tot gevolg dat Jezus op moet houden met Zijn onderwijs; het volk moet maar naar huis gaan, want ze hebben voedsel nodig. De Apostelen willen de mensen in de gelegenheid stellen om in de dorpen voedsel te kopen; daarmee wordt echter de groep opgebroken.
Christus Woord had de mensen geroepen/bij elkaar gebracht, maar door de honger/dè menselijke beperking worden ze gescheiden.

Jezus heeft feilloos door wat op het spel staat; wanneer Hij de menigte nu naar huis stuurt, is al Zijn onderwijs voor niets geweest. De mensen dienen te blijven zodat zich een hechte groep kan vormen, de neuzen dezelfde kant op staan; het zaad van het Koninkrijk der Hemelen is aan het ontkiemen.
Jezus en de discipelen praten in dit bijbelgedeelte langs elkaar heen. De leerlingen spreken over voedsel om een hongerige menigte mee te voeden. Het is echter de vraag of Jezus dat zo bedoeld. Spreekt Hij hier immers niet over

Christus, de Goede Herder, detail mozaïek in San Lorenzo fuori le mura, Rome

geestelijk‘ voedsel? Als een Goede Herder verschafte Hij zijn rond-dolende schapen brood voor het hart. Waarom moeten de mensen weggestuurd worden om elders brood te kopen? Voedsel is er immers -hier en nu- in overvloed aanwezig. De Goede Herder weet wat zijn schapen nodig hebben.

”     De Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets. Op grazige weiden doet Hij mij verblijven; aan verkwikkende wateren heeft Hij mij geleid.
Hij heeft mijn ziel bekeerd. Hij leidt mij langs het pad der gerechtigheid omwille van Zijn Naam. Zelfs al ga ik midden in de schaduw des doods, dan vrees ik geen kwaad, want Gij zijt met mij.
Uw staf en Uw stok, juist deze zijn mijn troost. Gij richt een tafel voor mij aan, voor de ogen van mijn verdrukkers. Met olie zalft Gij mijn hoofd: hoe heerlijk is Uw heilige Kelk!
Uw Barmhartigheid volgt mij van nabij, alle dagen van mijn leven.
Ik mag wonen in het Huis des Heren,
tot in lengte van dagen” Psalm 22[23] vert. ROK s’Gravenhage

De leerlingen zijn zich hier echter niet van bewust, de apostelen doen nog een poging om het bevel van Jezus uit te voeren; ze gaan de mensen bij langs om te vragen of ze voedsel bij zich hebben. Ze komen echter niet veel verder dan vijf broden en twee vissen; ondanks hun inspanningen hebben ze veel te weinig voedsel om het volk mee te voeden.
De situatie staat er zo voor dat Jezus Zijn lessen dient af te breken en de menigte naar huis moet sturen; er gebeurt echter iets anders.
Jezus beveelt de mensen om in het groene gras te gaan zitten; hieruit kunnen we afleiden dat deze geschiedenis zich afspeelt in het voorjaar voordat het gras is verdord door de hitte van de zomerzon. Toch speelt er méér dan op het eerste gezicht lijkt.  Jezus vond het Volk [ons] aan de oever van het meer als een kudde verstrooide schapen, nu zal Hij optreden als de Goede Herder, Die Zijn schapen leidt naar grazige weiden; het zal hen aan niets ontbreken.

Genadegaven, de goede dingen des levens, vijf broden & twee vissen – mosaïcvloer

De vijf broden en twee vissen zijn bij lange na niet toereikend; toch gaat Hij zitten in het gras.
Christus neemt vervolgens de broden, ‘dankte Zijn Vader‘ en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: “Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan”; er was veel en veel te weinig, maar uiteindelijk blijkt er veel te veel te zijn; er is een overvloed aan voedsel. Twaalf manden met brood blijven uiteindelijk over.
Wat Christus hiermee wil aangeven is – ‘dat het voedsel dat Hij te bieden heeft’- zelfs te veel is voor deze grote menigte. Er is nog genoeg over om andere schapen mee te voeden uit de andere volkeren. God, de Vader en de Zoon en de Heilige Geest geeft altijd in overvloed; Hij geeft zelfs veel meer dan de mensen op kunnen. Uit onszelf kunnen wij de mensen niet voeden; slechts door Zijn opdrachten: ‘geef hen te eten’ en ‘gaat en onderwijst alle volkeren’ – brengt hij òns in verlegenheid.
Ons menselijke inspanning is niet toereikend, maar dat wordt ook niet van ons gevraagd. Door het Goddelijke verzoek worden wij op onze tekortkomingen gewezen. Het is niet ‘òns’ voedsel dat wordt uitgedeeld maar het ‘Goddelijk Voedsel‘ en dit mogen wij uitdelen en dat blijkt in enorme hoeveelheden voorradig te zijn.

Tijdens de Goddelijke Liturgie – εὐχαριστέω [van ‘Efgaristò’, dankzeggen] worden we herinnerd aan de Genadegaven, Die God ons in Jezus Christus gegeven heeft; Christus als het Brood Wat ons mensen Leven schenkt. Hij stond ‘op’ uit de doden, heeft ons het eeuwige Leven gegeven, zodat wij nooit meer honger zullen behoeven te hebben. De Goede Herder heeft Zijn schapen verzameld en geleid hen naar de grazige weiden. Wij mogen dáár in delen als wij in de ontmoeting met Zijn Lichaam en Bloed, het Mysterie tòt ons nemen. Kom, dus en proef dat de Heer ‘goed’ is. Maar toch blijft in ons achterhoofd het bevel aanwezig: “Geef ook de anderen te eten”; “gaat en onderwijs door jullie voorbeeld alle volkeren”.
Dit is geen vriendelijk verzoek, maar een bevel.

kathismazang  Metten 6e woensdag     tn.1
U heb het gezicht geschonken Christus, aan hem, die nooit had kunnen zien, vanaf de schoot van zijn moeder.
En daardoor hebt Gij ons allen Uw onzegbare Heerlijkheid doen zien, Verlosser; dat U zijt het Licht van het heelal; maar dat zij, die uit nijd, hun hart hadden blind gemaakt legden zich in hinderlaag om U te doden, Die de gever van het Leven zijt
”.

Eer aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. 
AMEN”.

Gij zijt geboren, Verlosser, zoals U dat gewild hebt en U bent ons verschenen, zoals dat Uw verlangen was.
Als Mens hebt U geleden, maar als God zijt Gij opgestaan.
Nu zijt Gij ten Hemel gevaren in Heerlijkheid en hebt daardoor de mensennatuur omhoog gevoerd en met Goddelijke Luister bekleed
”.

Orthodoxie & de Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland

Logo GOPA-en

Antiocheens Orthodoxe Kerk [AOKN] in Nederland – Rum Orthodox.

Logo AOKN

De AOKN is 18 Januari 2015 opgericht.

Patriarch John X [Yazigi] of Antioch and All the East

De Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland omvat alle gelovigen die afkomstig zijn uit landen die onder de wettelijke bevoegdheid van de Orthodox Kerk van het Patriarchaat van Antiochië en het [Midden-] Oosten vallen.
De huidige Patriarch is Zijne Zaligheid Johannes de tiende, Yazigi, geb. 1955 in Lattakia, Syrië. Voorafgaand aan zijn verkiezing als Patriarch op 17 december 2012 leidde hij het Antiochieens Orthodoxe Aartsbisdom van Europa, via het hoofdkwartier in Frankrijk [Parijs].

De Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland

Metropolite Isaac Barakat in de Anfridus-kerk Amersfoort, waar de AOKN te gast is.

volgt het Aartsbisdom van Duitsland en Centraal-Europa en is een van de Aartsbisdommen van het Patriarchaat van Antiochië. De huidige aartsbisschop is Zijne Eminentie aartsbisschop Isaac Barakat [Köln], welke 15 October 2013 door het Patriarchaat van Antiochië en het Oosten in Duitsland en Centraal-Europa werd aangesteld. Zijn aartsbisdom Duitsland en Centraal-Europa omvat het Antiocheens Orthodoxe Aartsbisdom met parochies in de volgende landen: Duitsland, Oostenrijk, Nederland en Hongarije.
De Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland is toegewijd aan de Al-heilige “ Moeder van God” en omvat ongeveer honderdvijftig gezinnen.

De liturgische, en heilige rituelen zijn openbaar en voor eenieder te bezoeken.
De toegang tot de Mysteriën [RK. Sacramenten] in deze Parochie zijn communautair
[overeenkomstig de besluiten] aan de Orthodoxe Kerk en als zodanig toegankelijk voor eenieder, die de doop via een van de Orthodoxe kerken heeft ontvangen.

Goddelijke Liturgie, Grote intocht – dienst 12-3-2017

Abuna Basilios Khamis is een nog  jonge priester uit Syrië, die door aartsbisschop Isaac Barakat [Köln] is aangesteld als de inmiddels gewijd aartspriester voor de Grieks-orthodoxen uit Syrië en Libanon in ons land.  Het woord Abuna komt vanuit het Arabisch [أَبُونَا (ʾabū-nā, “vader”)] en komt in het Nederlands neer op de gewijd geestelijk mentor.

Abuna Basilios Khamis*

De oprichting van een nieuwe parochie in de “diaspora” ver weg van het Moederland is een apostolische inspanning bij uitstek, ondanks de vele moeite, die dit kost. De Orthodoxe Kerk gelooft echter dat de Genadegaven van de Heer de oprichters van zo’n parochie zal bijstaan. Met name in de teksten van de Goddelijke Liturgie, wordt er gebeden voor de eenheid van de christelijke kerken en voor degenen, die zich inzetten voor het werk aan de heilige Goddelijke Tempels.  In de betekenis, die de Apostel Paulus hieraan geeft is dat de tempel ‘de ziel’ [het hart] vormt van de gelovigen 1Cor.6: 19. Deze nieuwe, bezielde ereplaats aan God wordt ook opgebouwd onder de Antiocheens Orthodoxe gelovigen die in Nederland wonen. Het gaat hierbij om de gelovigen die onder het geestelijk en kerkelijk gezag van het Grieks-orthodoxe patriarchaat van Antiochië en het gehele [Midden-] oosten staan, voornamelijk mensen uit Syrië en Libanon en hun nakomelingen.
Ook zíj hebben behoefte aan een eigen kerkgebouw, waar zij naast hun sacramentele behoeften, eveneens ruimte kunnen geven aan de geestelijke opbouw. Geestelijke opbouw vindt in de eerste plaats zijn oorsprong in de Genadegaven via de Mysteriën [RK. Sacramenten], maar tevens via Catechese aan zowel kinderen als volwassenen – waarbij de gemeenschap in het gezamenlijk optrekken haar vorm behoudt.
Vanaf binnenkomst in een voor hen vreemd land ondervinden immigranten moeilijkheden bij de integratie in hun omgeving waarmee zij geconfronteerd worden. Dat is het geval bij alle migranten naar Europa en zeker bij het opzetten van een nieuwe parochie. Immigranten hebben het vanaf het begin niet breed en door hun verspreid wonen behoort de komst naar een centraal gesitueerd kerkgebouw – door een minimaal inkomen – tot een van de grotere gezinsproblemen. Daarnaast verschilt het leven van de leden van deze kerk -hier in Nederland- in vele opzichten van de gemeenschap in het Moederland. Gelovigen in het thuisland waren gewoon aan hun vele dagelijkse rituelen, maar in het nieuwe thuisland dienen zij zich aan te passen aan nieuwe omstandigheden.
Vergeet overigens niet dat vele van de parochianen een zeer traumatisch verleden [de dood kon immers elk moment toeslaan] hebben te verwerken, waarmee zij via het nieuws [en hun familieleden elders] nog dagelijks geconfronteerd worden. Door de nieuwe parochie wordt ervaring opgedaan, de Nederlandse samenleving in hun bestaan te integreren en wordt wederzijds respect bevorderd. Bovenstaande is een reden te meer de Nederlandse samenleving welwillendheid te vragen deze parochie de mogelijkheden te bieden om hun bestaan hier in Nederland op te bouwen.

* Vader Basileos Khamis is te bereiken,
mobiel: 06 55246561
e-mail: 
info.aokn@gmail.com
internet: 
http://rum-orthodox.de/gemeinden/amersfoort
Giro: NL16INGB0007235738,
Antiocheens Orthodoxe Parochie in Nederland
o.v.v. gift, [belastingtechnisch aftrekbaar]
Zie ook: Rum-Orthodox.de met haar nieuwsbrief via newsletter@rum-orthodox.de

5e Zondag na Pascha, Zondag van de Samaritaanse vrouw aan de bron

De Samaritaanse vrouw aan ‘de Bron’

    Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar [συχαρ Gr. betekent ‘dronken’], dicht bij het veld, dat Jacob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jacob.
     Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten.
     Jezus zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’ ; want Zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.
De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: ‘Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen’?; want Joden gaan niet om met Samaritanen.
     Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: ‘Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’. Zij zei tot Hem: ‘Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij soms meer dan onze vader Jacob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’.
     Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen;  maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten’.
     Hij zei tot haar: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’. De vrouw antwoordde en zei: ‘Ik heb geen man’. Jezus zei tot haar: ‘Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden’.
     Jezus zei tot haar: ‘Geloof Mij, vrouw, het uur komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar het uur komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen’
     Jezus zei tot haar: ‘Ik, die met u spreek, ben het’.
En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zei niemand: ‘Wat zoekt Gij’, of: ‘Waarom spreekt Gij met haar?’.
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zei tot de mensen: ‘Komt mee en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?’
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem. Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: ‘Rabbi, eet’.
     Hij zei echter tot hen: ‘Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet’.
De discipelen dan zeiden tot elkander: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’.
     Jezus zei tot hen: ‘Mijn spijs is de wil te doen van Degenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt’.
En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: ‘Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb’.
Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord en zij zeiden tot de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland van de wereld is’John.4: 5-42.

Handelingen van de Apostelen [met Paulus-reizen] werden geschreven door Lucas

  Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stephanos plaats vond, trokken verder tot Phenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden. Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Heer Jezus predikten. En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Heer. En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië. Toen deze aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heer trouw te blijven;  want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Heer toegevoegd.
En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië.  En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.
En in díe dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië;

Logo AOKN

 en een uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat er een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius. En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus” Hand.11: 19-30.

De ijver voor U heeft mij verteerd, omdat mijn vijanden Uw Woorden hebben vergeten. Uw Godsspraak is als het zuiverste vuur en wordt bemind door Uw dienaar. Ik ben jong en veracht, maar Uw Gerechtigheid heb ik niet vergetenPsalm 118[119]: 139-141 vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Droogte, dorst en uitdroging, veroorzaken een hartstochtelijk zoeken naar water: voor de meesten onder ons behoort dit gegeven -in de letterlijke zin- niet tot ons dagelijks leven.
Op symbolische wijze kan dat uiteraard wèl het geval zijn: er zijn in het leven van elke mens periodes en momenten waarop we ‘droog’ lijken te staan, waarop het contact met onze oorsprong, de bron verdwenen lijkt te zijn.
Dat gebeurt omwille van allerhande redenen; soms zijn we ons daarvan bewust, veelal niet.  Maar wanneer we het ons steeds helderder beginnen te realiseren – zijn we daar vaak zelf in het geheel niet zo blij mee.
Soms is het opzoeken van ‘de leegte en de droogte’ van de woestijn ook een bewuste en een goede keuze. Misschien zijn we helemaal niet zo slecht af om onze eigen woestijn te creëren, omdat het vertoeven in de droogte ons weer dorst kan doen krijgen of ons weer bewust kan maken van ons verlangen om te leven vanuit een diepere Bron te gaan ervaren.

Samaritaanse aan Christus’ Bron

De ontmoeting van de Samaritaanse met de Leven-schenkende Heer laat zien dat Christus niemand buitensloot, ook geen vrouw uit een ‘onrein’ land, hetgeen onder de toenmalige Joden zo ervaren werd. Zij deelde in Gods Genadegaven, ook al was dat volgens de normen in die tijd ondenkbaar. Deze vrouw doorbrak de grens van het denkbare en datgene wat hoort, past. Of was het de Krachtige stroom van Gods Genade, Die de grens doorbrak? Het teken van de vrouw aan de Bron op een erg symbolische plek.  Eerst en vooral is de bron van Jacob de bakermat van Israël; maar bovendien zijn bronnen in het O.T. de plek bij uitstek waar liefdesgeschiedenissen beginnen. Daar op die plek vindt het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse plaats – een gesprek dat aanvankelijk vol misverstanden zit maar uiteindelijk toch een heel vervullende afloop kent. Het gesprek begint  vanuit dagelijkse beslommeringen: op het middaguur zet onze Heer Zich neer bij de bron. Hij is moe van de reis en heeft dorst.  Aan een vrouw die water nodig heeft – allicht voor het bereiden van eten of het wassen van kleren – en water komt putten, vraagt Hij ‘iets’ te drinken.

Αγία Φωτεινή η Μεγαλομάρτυς η Σαμαρείτιδα – أجيا فوتيني السامري الشهيد العظيم

Misschien besteden we er – doordat we het verhaal zo vaak gehoord hebben – geen aandacht meer aan, maar we kennen de naam van deze vrouw niet. Zij blijft het hele verhaal door anoniem, de Kerk noemt haar Φωτεινη, светящийся, Clara, Ellen, hetgeen betekent lichtgevend, het is een teken dat Gods Genade nog steeds grenzen doorbreekt. Het is ook voor onze tijd belangrijk om dat te beseffen, het is immers zo dat ook voor ons grenzen aangescherpt dienen te worden. De vrouw blijft naamloos maar is voor Hem zeker niet betekenisloos. Christus gedrag kan alleen verklaard worden vanuit een overtuiging dat er ook in onbekende, kleine, doodgewone mensen bronnen van leven kunnen liggen, en dat zij – op hun plek, in hun eigen leven – van grote betekenis kunnen zijn. Dat dàt zo is of kàn zijn, blijkt trouwens uit de rest van deze ontmoeting. De vrouw brengt een beweging van leven en vertrouwen op gang die haar eigen individuele leven ver overschrijdt.

Het begint met de vraag om een weinig water. Christus is op het heetst van de dag, vermoeid van de reis, bij de bron gaan zitten. Als er een vrouw komt om water te putten, vraagt Hij wat te drinken.
Het begint met de vraag om een beetje water, maar al snel neemt het gesprek een andere wending, je zou kunnen zeggen: een hoge vlucht.  Al snel gaat het niet meer om de gewone alledaagse dingen, maar blijkt dàt aanleiding te zijn tot een wat moeilijk te volgen gesprek over hogere, geestelijke zaken. Dan gaat het over eeuwig leven, over de Profeet, over de Messias, over aanbidden in Geest en Waarheid.

Het gaat vanmorgen over dit gesprek, tussen Jezus en een Samaritaanse vrouw. Een gesprek waar ‘wìj’ iets uit leren kunnen. Het gaat over de ontmoeting tussen Jezus en een Samaritaanse vrouw. Maar dan moeten we wèl beseffen, dat wanneer de Blijde Boodschap vertelt over zo’n ontmoeting, dat altijd méér is dan dat Jezus toevallig een vrouw tegenkomt, met wie Hij een praatje aanknoopt. Nee, de ontmoetingen hebben allemaal iets extra’s, ze omvatten een Boodschap. Ze laten iets zien van Wie Jezus is; ze zijn openbarend.

Jezus Christus, tronend door Manuel Panselinos

  Onze Heer kijkt de mens áán, want waneer wij elkaar niet meer ‘in de ogen‘ kijken gaat er iets mis. Het valt mij op, als de mensen je op straat niet aankijken of opeens iets heel interessants aan de overkant van de straat zien; het gebeurt vaker òf ik let er meer op, dat kan ook. Ik deed het een aantal dagen eens heel bewust; tijdens -een blokje om- een stukje lopen voor een frisse neus, keek ik iedereen aan, die ik tegenkwam; en ik groette ook. Gewoon als verzet tegen het langs elkaar heen leven; tegen discriminatie, tegen mijn eigen vooroordelen. Dat groeten is voor mij goed te doen; het is ook leuk om te doen. Sommige ouderen schrapen daarna hun keel, alsof hun ‘goedemiddag’ het eerste was wat ze die dag zeggen. Hetgeen natuurlijk zou kunnen, in deze digitale maatschappij is veel eenzaamheid, kijk maar eens ’s-morgens in een forenzentrein. Ook daar helpt groeten tegen.
Wanneer mensen je niet aankijken, kunnen het ook verlegen mensen zijn. Als dàt het probleem is valt het nog wel mee, maar ik vermoed dat het méér is. Onbevangen oogcontact is een goede graadmeter van een democratische samenleving. Als een gevluchte vreemdeling je niet aankijkt, dan is dat de erfenis van het leven in een politiestaat. Kijk hen dus vooral aan, als bewijs dat het hier ècht ‘anders’ is. Wanneer je Putin of Erdogan op tv ziet, kijkt de eerste de mensen heel vaak niet aan, terwijl de tweede over de hoofden heen kijkt; let er maar eens op. Het omgekeerde is overigens niet automatisch waar; namelijk dat het met leiders, die je aankijken, wèl goed zit.

Christus, Pedagoog [opvoeder]

Terug naar ons uitgangspunt; wanneer Jezus om water vraagt, Hij heeft kennelijk dorst, begrijpelijk met zo’n lange reis achter de rug en op het heetst van de dag. Wanneer Jezus om water vraagt, zegt de vrouw: ‘hoe kunt u mij dat vragen?‘. Zij is verbaasd om zomaar door een man aangesproken te worden. Ze is immers vrouw – die worden niet geacht om zomaar met een wildvreemde man te praten en zeker niet bij de waterbron. Ze is bovendien een Samaritaanse en zoals al in de tekst wordt verklaard, Joden gaan niet met hen om, als was het verontreinigend.
Als Jezus aan Zijn discipelen zou hebben gevraagd willen jullie méér of minder Samaritanen, dan zouden ze hebben gescandeerd: ‘minder, minder’. En als Jezus Zich populair had willen maken, dan zou Hij gezegd hebben: “Nou, dan gaan we dat even regelen”. Maar dat zegt Hij niet en van de Apostelen horen we hier niets, die houden gewoon hun kiezen op elkaar, zijn hebben nog niet geleerd ‘open‘ te communiceren, hebben geen liefdevolle/respectvolle benadering voor de medemens, zij hebben de Heilige Geest nog niet ontvangen.

Christ Pantocrator enthroned with four Evangelists

De Samaritanen, die toen door de Joden als tweederangs burgers beschouwd werden en nog wel, ‘niet helemaal zuiver op de graat‘, spelen in het totale Evangelie een opmerkelijke rol. Jezus neemt één van hen als ‘lichtend’ voorbeeld in Zijn beroemdste gelijkenis van de ‘Barmhartige Samaritaan‘. Hier spreekt Christus, bewust en gewild, één van hen aan om ‘haar’ in Zijn Lichtkring te trekken. Hij reist niet ‘om’ als Hij van Judea weer naar Galilea gaat [van zuid naar noord], zoals de Joden in die dagen doen om te voorkomen dat ze door dit ‘heidens’ land moeten trekken; Hij gaat doelbewust door het Samaritaanse gebied. Het is allemaal opmerkelijk. Zeker als je het contrast er ook nog eens bij betrekt van wat hiervoor in de weergave van Johannes is verteld; daar ontmoet Jezus Nicodemus.
Een man, Jood, schriftgeleerde, tegenover de vrouw, een Samaritaanse, ‘n ongeletterde. Het ene vindt echter plaats in het ‘schemerduister van de nacht‘, de andere ontmoeting in het ‘Heldere Licht van de middag’s zon‘.

Goed, hoe dan ook, de verwonderde vraag van de vrouw, ‘hoe kunt U mij vragen?‘, kun je jezelf maar al te goed indenken. En als wij dan nèt bij het bedenken van de achtergrond een zekere sympathie voor Jezus hebben opgeroepen, dan geeft Zijn

Levend Water – een opfrisser van ons ‘christelijk geloof’

reactie hier meteen weer te denken. Want die klinkt nogal geïrriteerd: “als je eens wist wat God wil geven en Wie het je vraagt, zou jij er Hém om vragen en dan zou je ‘levend water’ krijgen”. Ik zou reageren, als ik die vrouw was: “Hé, jij, brutaal Heerschap, bekijk het lekker Zelf. Je had toch dorst? Jij vroeg mij toch om water. En nu begin je te zeuren over levend water, wat dat ook moge zijn, waar Jij de beschikking over zou hebben. Ik weet niet waar Je het over hebt, maar als Je het zo goed weet, geef Jezelf dan van dat levende water. Of begrijp ik iets niet? Heb ik iets gemist?”.
Kijk, zo zou die -veelal door Joden- gediscrimineerde vrouw hebben kunnen reageren. En als het een gewone ontmoeting zou zijn, waar een gesprek uit ontstaat, dan lijkt me dat zelfs een heel gezonde reactie te zijn. Maar zo gaat het dus niet.
En hieruit kun je concluderen, dat dit niet ‘zomaar’ een ontmoeting is, maar dat dit verhaal ‘iets méér‘ wil vertellen. Het wil aan de hand van een gewone ontmoeting ons iets duidelijk maken, zoals dat ook bij deze gewone vrouw gebeurt.

  In deze ontmoetingen, ook die met Nicodemus, is het soms nèt alsof ze langs elkaar heen praten. Het heeft iets bevreemdends, iets mysterieus. Geen normale conversatie, maar toch gebeurt er van alles; er gaan zekerheden schuiven. Je dient opnieuw geboren te worden, er wordt opeens een nieuw perspectief geopend. Gaandeweg leert de vrouw ‘Wie‘ Jezus is; dat Jezus dorst heeft, lijkt niet meer van belang te zijn. Het verkrijgen van het beetje water raakt helemaal uit het zicht. Ze raakt met Hem in een gesprek verwikkeld waarin ze stap voor stap zichzelf leert kennen. Gaandeweg leert ze Jezus kennen en gaandeweg leert ze zichzelf beter begrijpen. Omdat Hij [Jezus] ‘haar’ lijkt te kennen, leert ze zichzelf kennen.
Het bewijs dat Jezus ‘alles‘ van haar weet, zijn we geneigd te zien in die vraag om haar man erbij te halen. Op zich al een wat wonderlijk verzoek. Maar het is allemaal wat wonderlijk, dat deze vrouw op het zesde uur – dat is midden op de dag, op het heetste moment – naar de put komt.
   Dat is ongewoon en daar hebben verschillende uitleggers dan ook iets achter gezocht; durft ze soms niet met de andere vrouwen mee te gaan? Gaat ze liever alleen om niet lastig gevallen te worden, door hun blikken of door hun praatjes? Want ja, je hoort wel – ik heb geen man; inderdaad zegt Jezus, je hebt er vijf gehad en die je nu hebt is je man niet – tja, dat dit een vrouw is met een zekere reputatie. Hoewel er verder niets over wordt gezegd, is dat al gauw uitgelegd als een vrouw die vijf mannen heeft versleten. Een losbandig leven, en nu hokt ze bovendien met iemand met wie ze niet keurig getrouwd is. We weten immers vaak allerlei dingen meer te vertellen, zeker als het in die richting gaat. Als we vermoeden dat mensen niet helemaal zuiver op de graat zijn, vertelt het gemakkelijk rond en wordt het even gemakkelijk aangedikt. Dat is van alle tijden.

Jezus weet ‘alles‘ van haar. Is dat, omdat Hij [God] haar verleden kent? Een vrouw met een verleden… Zelf noemt ze Hem ‘Profeet’. Is dat omdat Hij [God] haar doorziet, of omdat Hij [God] de toekomst voor haar ziet? Misschien kun je het verhelderen met een fragment uit het gesprek tussen Jezus en de vrouw, waar het gaat om het water. Dààr is het immers allemaal om begonnen.
Jezus spreekt over levend water. De vrouw zegt, waar haal Je dat vandaan, toch niet uit onze put, zeker als je geen emmer bij Je hebt.
Neen”, zegt Christus, “van het water uit deze put zul je weer dorst krijgen. Maar van het Water dat ik te geven heb, zal je dorst voor altijd zijn gelest. Dat Water zal in je tot een Bron worden waaruit Water opwelt dat eeuwig leven geeft”.

Water wordt levend water. Water uit de put komt tegenover water uit de Bron des Levens te staan. Letterlijk staan daar ook twee verschillende woorden. Put tegenover bron. Stilstaand water tegenover stromend, Levend Water.

Mijn Lichaam en Mijn Bloed

Deze woorden, [dit Woord, deze Waarheid] worden het symbool van waar het in dit gesprek in diepere zin om gaat. Het gaat om het stromende water. Het gaat erom dat het in het leven weer stromen gaat, dat er beweging komt, dat grenzen worden overschreden, dat je jezelf overwint door jezelf te leren kennen. Dat zit allemaal in die ontmoeting opgesloten en dat komt er gaandeweg bij die vrouw uit. Zij gaat, zij bloeit open. Door de wonderlijke ontmoeting met Jezus begint er van alles in haar leven te borrelen, te bewegen. Ze wordt in het verhaal zelfs de eerste vrouwelijke Apostel, als ze haar stadsgenoten zo ver krijgt om ook naar Christus toe te gaan, ‘Χριστοφορος’  Christus ‘dragend’ te worden. In haar leven begint het te stromen, en daarmee zet zij anderen in beweging.
Het stromende water, dat is het eeuwige leven. En ‘eeuwig leven’ is, zeker in het Johannesevangelie, het echte, volle, leven dat -hier en nu- al geleefd wordt.
Maar wíj zijn vaak levend ‘dood’, alsof ons leven ‘op slot’ [gesloten] is geraakt, als de stroom is gestold, wanneer we vastzitten, aan onze vaste grondbeginselen, onze ‘opgedrongen‘ traditie, aan de gewoonte, aan ingesleten patronen en vastgelegde etiketten. Stilstaand water; jij bent zus en die is zo. Die vrouw? Dat weet je toch, dat is een vrouw met een verleden . . . . . en roddel zo maar door.
Eeuwig leven is als al díe grenzen worden doorbroken; als een verleden wordt ‘open’gebroken, er is iemand die ‘mij’ persoonlijk [er-]kent – bij wie ik mijzelf mag zijn, zonder welke schijn dan ook op te houden.
Die vrouw met een verleden, wordt een mens met toekomst!
Eeuwig leven is dat het leven dat vastgelopen is, weer stromen gaat: als schulden worden voldaan, als wonden worden geheeld. Ook dàt maakt deze ontmoeting tussen de joodse Jezus en de Samaritaanse vrouw met zoveel woorden duidelijk.
Jezus doorbreekt grenzen bij Zijn volgelingen en wanneer dat niet gebeurt, dan noemt Hij dat zij in slaap zijn gevallen, niet opletten, niet attent zijn, geen aandacht aan Zijn Boodschap schenken.

Dat is een belangrijk gegeven in dit verhaal en het wordt een belangrijk aspect van de Blijde Boodschap, Die in dit verhaal schuilt gaat en Die ook voor ons mag gelden, bij de grenzen van vandaag:
– tussen mensen, tussen religies, in relaties, in leefgemeenschappen, tussen generaties, ga zo maar door. Jezus doorbreekt hier grenzen en barricades die mensen voor zichzelf hebben opgeworpen. Ook dat wordt duidelijk in het verhaal, aan die vrouw, maar het heeft een wijdere strekking, het zegt iets over de Redding [Bevrijding], Die er van Jezus uitgaat.
Deze vrouw, hoe weinig we ook van haar weten, Jezus weet dat ze op een of andere manier in zichzelf gekeerd leeft. Ze heeft wel een man, maar dat is haar man niet. Ze komt, op het midden van de dag, alleen, naar de put. Dat is vreemd. Ze mijdt om wat voor reden ook de omgang met de andere vrouwen van het dorp, òf ze wordt door hen gemeden.

Allen die Ik liefheb, roep Ik tot Mij; weest dan ijverig en bekeert u

Hoe dan ook, ze is “alleen” – haar leven is “op een dood spoor”; het is als stilstaand water; wanneer een oorspronkelijke traditie vastgelopen is, nietszeggend is geworden, geen aandacht meer krijgt, als ouderwets wordt afgedaan en gemeden.
Maar door de ontmoeting met Jezus komt dat allemaal in een stroomversnelling; dat gebeurt voor haar op een bijzondere manier. Dat gebeurt telkens in het Evangelie, waar Jezus mensen ontmoet. Dan worden relaties hersteld, dan wordt er een ‘nieuwe gemeenschap’ geboren, dan wordt alles ‘nieuw’ – een ‘nieuwe hemel, een nieuwe aarde‘.
Het wonder is dat iemand gekend wordt, zich gekend en erkend weet, tot in het diepst van zijn/haar bestaan; zie je die verandering. Christus is God, Zijn Naam is ‘Ik ben’ en “Ik zal zijn”.
De vrouw laat haar kruik staan en gaat terug naar het dorp. Daar vertelt ze wat haar is overkomen. Kom mee, er is Iemand, Die alles van mij weet. Zou dat niet de Messias zijn? en dan komen de stadsgenoten die ook naar Jezus gaan en ook zij komen tot Geloof, zo wordt verteld, niet meer om wat de vrouw heeft gezegd, maar omdat wij “Hem Zelf” hebben gehoord en weten dat Hij werkelijk de Verlosser van de wereld is. “Er is Iemand [een God], Die alles van mij weet. Die mij ziet, zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken. Zou Dàt niet de Messias zijn?”.

De redding van de mens hangt af van twee factoren: het menselijke lichaam en de ziel. Onze menslievende God is frank en vrij [laat Zich door niets en niemand belemmeren] en nodigt ons uit om onszelf voor ‘Hèm‘ ópen te stellen en in ‘Hèm’ te leven. God biedt Zich onafgebroken aan, omdat Hij weet dat we dagelijks onafgebroken strijd voeren, verlossing dienen te bevechten, dit ook onafgebroken nodig hebben. 
God is op de hoogte van onze menselijke beperkingen/tekortkomingen, zodat wij ‘Zijn hulp‘ elk moment van de dag nodig hebben; God sluit Zich nooit voor ons af. Het ongeschapen Goddelijke Licht, de deugd daalt op ons neer “zoals dauw van de Hermon op de berg Sion“. De opening, het aanbod, is er, maar de persoon -‘die God ervaart‘- is niet permanent [Φιλότιμο] Philotimo en stabiel.
Het gekke is dat iedere Griek, die ik ken de betekenis van dit bijzondere begrip  ‘Philotimo’ kent; ‘handelen naar eer en respect, naar eer en geweten voor de wereld en de mensen om je heen‘.
Soms is dit er en soms verdwijnt het; soms lijkt het erop dat het geheel is verdwenen. Dan is het de Verlossing van de mens, Die direct wordt bedreigd. De ziel, het innerlijke, het hart communiceert niet langer met het menselijke en de enige hoop op redding vermindert.

Transfiguration, Antiochian icon, Paris

Maar wanneer men worstelt om het “ongeschapen Licht” van God te laten handelen en door “onze doop in de Heilige Geest”, de Bron van Heiligheid weten we dit,  blijven wij ‘open‘ voor God, voor Zijn verdere doorwerking. Dit is een bovennatuurlijk gegeven en overkomt de heiligen, de christenen, leken, priesters en monniken, die een poging blijven wagen – de ramen en deuren van hun ziel ‘open‘ te stellen en het aardse lichaam te verlaten, door het Ongeschapen Goddelijke Licht, de Genadegaven in ontvangst te nemen.

  Heer, U hebt mij onderzocht , en U kent mij: U kent mijn zitten en mijn opstaan. U weet mijn gedachten van verre, U doorgrond mijn weg en mijn meetsnoer. Al mijn wegen ziet U voorruit; en dat er geen ongerechtigheid is op mijn tong.
Zie, Heer, U weet alles: de eerste en de laatste dingen. U te kennen is voor mij te wonderbaar; het is te sterk, en buiten mijn macht. Want waar zou ik aan Uw Geest kunnen ontgaan?
Waarheen wegvluchten voor Uw aangezicht ? Als ik zou opstijgen tot de hemel, dan zijt Gij daar; als ik zou afdalen in de hades, Gij Zijt er aanwezig.
Al zou ik mijn vleugels uitslaan omhoog, om neer te strijken aan het einde der zee. Ook daar zou Uw hand mij geleiden: Uw rechterhand zou mij vasthouden. Ik zei: Nu zal de duisternis mij toch vertrappen; maar de nacht werd lichtend, tot mijn vreugde. Want voor U is het duister niet donker;
de nacht straalt van licht, als de dag, het duister van de een is gelijk aan het licht van de ander.
Zo U ook mijn nieren in Uw bezit: U hebt mij opgenomen, vanaf de schoot van mijn moeder.
Ik wil U belijden, om Uw ontzagwekkende wonderen. Wonderbaar zijn Uw werken, mijn ziel erkent het ten volle. Voor U was mijn gebeente niet onzichtbaar, toen U mij geformeerd hebt in het verborgene. Evenzo aanschouwt U mijn wezen, wanneer ik zal liggen, diep onder de aarde. Want Uw ogen zagen mijn levenskiem, en in Uw boek staat alles beschreven. Ook de dagen die worden geschapen, waarvan er nog geen enkele bestaat. Daarom zijn Uw vrienden bij mij zo geëerd, o God; daarom is hun heerschappij zo machtig. Ik wil ze tellen, maar ze zijn talrijker dan het zand.
Ik ben opgestaan, steeds ben ik bij U, wanneer U zondaars gaat doden, o God.
Gaat weg van mij, mannen van bloed, om wat gij zegt in uw gedachten. Geheel tevergeefs hebben zij uw steden ingenomen. Die U haten, Heer, heb ik hen niet gehaat?; ben ik niet ontvlamd tegen Uw vijanden. 
Beproef mij, God, doorgrond mijn hart; onderzoek mij en ken mijn wegen. Zie toe, of er een ongerechte weg in mij is; maar leid mij op de weg van de eeuwigheid”.
Psalm 138[139], vert. ROK ’s-Gravenhage

Zien jullie de verandering?
De Samaritaanse vrouw is niet meer alleen; ze gaat nu met haar stadsgenoten mee op weg, om te leren, om zich te laven aan alles wat deze Messias te verkondigen heeft.
Dat gebeurt er door en vanuit Christus en Zijn Lichaam [de Kerk], de beweging Die Hij op gang heeft willen brengen, dit is Zijn Blijde Boodschap.
Christus, de Opgestane Heer, legt onze wereld open; dringt ons bestaan binnen; doet ons openbloeien. Hij spreekt ons aan op onze diepste verlangens – eenheid, gekend worden, openheid, verbondenheid.  Zouden wij zó voor elkaar als levend, stromend, water kunnen zijn? Sprankelend, verfrissend, een bron van eeuwig leven?

Talrijk zijn wie mij vervolgen en verdrukken; maar ik bene niet afgeweken van Uw Getuigenissen. Ik zag de overtreders en werd bedroefd, omdat zij Uw Uitspraken niet onderhouden. Zie, hoe ik Uw Geboden liefheb; Heer, maak mij levend in Uw Barmhartigheid. De oorsprong van Uw Woorden is Waarheid; alle Oordelen van Uw Gerechtigheid zijn tot in eeuwigheid. Vorsten hebben mij zonder reden vervolgd, maar mijn hart was slechts bevreesd voor Uw Woorden. Ik wil juichen over Uw Uitspraken, als zij die een rijke buit hebben gevonden. Voor onrecht heb ik slechts haat en verachting, maar Uw Wet heb ik lief. Zevenmaal daags zing ik Uw lof: over de Oordelen van Uw Gerechtigheid. Overvloed van Vrede voor allen wie Uw Wet beminnen: voor hen ligt er geen struikelblok. Heer, ik verwacht Uw Verlossing; Uw geboden heb ik lief. Mijn ziel onderhoudt Uw Getuigenissen, omdat ik deze zozeer bemin. Ik onderhoud Uw Geboden en Uw Getuigenissen, want al mijn wegen, Heer, zijn voor Uw aanschijnPsalm 118[119]: 156-176 vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Dan zullen we ‘allen tezamen’ verheerlijkt en verlost worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer tegemoet; dan zullen we altijd bij Hem mogen zijn. Vermaant elkander dus met deze woordenconf. 1Thess 4: 17-18.
Vrijheid spreekt niet vanzelf, dient te worden bevochten, tegen onverschilligheid, tegen welbegrepen eigenbelang, tegen gemakzuchtigheid, tegen ‘eigen volk [christelijke gemeenschap] eerst‘.

Apolytikion     tn.4
  Nadat zij de blijde boodschap van de Opstanding en van de bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myron-draagsters jubelend tot de Apostelen:
vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.8
  Met Geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron,
daar aanschouwde zij U, het water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had,
begeerde zij dorstig het Hemels Koninkrijk.
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid
”.

Mid-Pinksteren, het midden van Pascha tot Pinksteren, de Paastijd

Mid-Pentecost [russian, 18th cnt]

  Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de tempel en leerde. De Joden dan verbaasden zich en zeiden: Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?
     Jezus antwoordde hun en zei: ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens wil doen wil, zal hij van deze Leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender, die is waar en er is geen onrecht in hem.
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te 
doden? De schare antwoordde: Gij zijt bezeten; wie tracht te doden?
     Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de vaderen – en u besnijdt een mens op sabbat. Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt, opdat de wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbat een geheel mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel.
Sommigen dan uit de Jeruzalemmers zeiden: Is deze het niet, die zij trachten te doden? En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is.
     Jezus dan riep, terwijl Hij in de Tempel leerde, en sprak: ‘Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, die Mij gezonden heeft en die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden’.
Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn uur was nog niet gekomenJohn 7: 14-30.

eerste dienstreis van Paulus

    Zij namen de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonie, Lystra en Derbe en omgeving en verkondigden daar een tijd lang het Evangelie. En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot van zijn moeder af aan, die nooit had kunnen lopen. Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij geloof had om genezing te vinden en hij zei met luide stem: ‘ Ga recht op uw voeten staan!’. En hij sprong overeind en liep heen en weer. En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde.
En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren.
Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende: ‘Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. Hij heeft ten tijde van de geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken’. En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offerenHand.14: 6-18.

‘Loof de Naam des Heren’ – Psalm 148, je dient dit aan je kinderen door te geven.

De Kerkvaders leren ons dat het feest van mid-Pinksteren -in het midden van de vijftig dagen van Pascha tot Pinksteren- dient te worden verstaan als een machtige vloeiende rivier van Goddelijke Genadegaven, Die deze twee grote feesten als inspirerende Bron met elkaar in samenhang brengt.
Het Pascha en Pinksteren worden in het midden met elkaar verbonden, zonder Pascha is er geen Pinksteren en zonder Pinksteren is er geen enkel doel voor Pascha. De Opstanding van Christus is een historisch feit, welke de uiteindelijke uitwerking dient te verkrijgen via de nederdaling van de Heilige Geest. Christus Pedagogie van de Blijde Boodschap dient via de Heilige Geest in te dalen in onze menselijke ziel.
Nadat de Verlosser de Verlamde op Mystieke wijze had genezen, werden de Joden en met name  de Farizeeën en Schriftgeleerden buiten zichzelf van woede. Zij vervolgden Christus en z’n volgelingen en probeerden Hem te vermoorden, met het excuus dat Hij de sabbat niet had gehouden, omdat Hij op die dag wonderen verrichtte.
Jezus vertrok vervolgens naar Galilea. Toen het midden van het Loofhuttenfeest voorbij was ging hij weer naar de Tempel en verkondigde aldaar Zijn Leer/Pedagogie.
Vijf dagen na ‘lom Kippoer’ begint volgens de joodse kalender het Soekot [Sukkot – Loofhuttenfeest] welk een joods feest is dat zeven dagen duurt en waarbij herdacht wordt, dat de joden veertig jaren lang in hutten in de woestijn rondzwierven.

De Joden verwonderden zich over de Wijsheid van Zijn woorden en zeiden: ‘Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?’. Maar Christus beschuldigde hen allereerst vanwege hun ongeloof en wetteloosheid en bewees hen aan de hand van de Wet van Mozes, dat zij Hem onrechtvaardig wilden doden, omdat zij Hem als een verachter van de Wet beschouwden, omdat Hij op de sabbat de verlamde had doen lopen; had genezen.
Vanwege het feit dat deze dingen welke door Christus in het midden van het Loofhuttenfeest  worden gesproken, staan zij in direct contact met de zondag van de Verlamde, die we afgelopen zondag hebben gevierd. Daar we nu het middelpunt van de vijftig dagen tussen Pascha en Pinksteren hebben bereikt, heeft de Orthodoxe Kerk dit feest ingesteld als een duidelijke verbintenis tussen de twee grote feesten, waardoor de twee met elkaar verenigd worden en beide de essentie van de Genadegaven bezitten. Daarom wordt dit feest heden-ten-dage het Mid-Pinksterfeest genoemd. Het Evangelie wat op het feest van het midden wordt gelezen, welke naar het Sukkot, Loofhuttenfeest verwijst, wordt op deze dag gelezen.

Loofhuttenfeest – ‘wordt wakker’

– Er dient te worden opgemerkt dat er drie grote Joodse feesten zijn/waren: ‘het Pascha’, ‘het Pinksterfeest’ en ‘het Loofhuttenfeest’. Het Pascha werd gevierd op de 15e Nissan, de eerste maand van de Joodse kalender, die ongeveer samenvalt met maart bij ons. Bij dit feest wordt de dag in herinnering gebracht waarop de Hebreeën de opdracht kregen om ‘s avonds het lam te eten en de deuren van hun huizen met het bloed van het lam te kleuren. Hierdoor ontkwamen zij aan de slavernij en de dood in handen van de Egyptenaren en liepen door de Rode Zee om naar het Beloofde Land te komen. Het heet tevens ‘het feest van het ongezuurde brood‘, omdat zij zeven dagen ongezuurd brood had. Pinksteren werd vijftig dagen na Pascha gevierd, in de eerste plaats omdat de Hebreeuwse stammen na het verlaten van Egypte de berg Sinaï hadden bereikt. Daar ontving Mozes de Goddelijke Wet, ten tweede werd het gevierd om hun toegang tot het beloofde land te herdenken, waar zij ook brood hebben gegeten nadat ze veertig jaar in de woestijn met manna werden gevoed. Brood vormt voor God een offer van nieuwe tarwe bereid. Tenslotte vierden zij ook het Loofhuttenfeest van de 15e tot de 22e van de ‘zevende maand’, die ruwweg overeenkomt met september bij ons. Gedurende deze tijd leefden ze in hutten van takken ter herdenking van de veertig jaar die ze in de woestijn doorbrachten [Ex.12: 10-20; Lev.23. LXX].

  Het Feest der Mid-Pinksteren wordt voor een hele week tot de volgende woensdag gevierd, waardoor het een acht dagen feest is. Gedurende deze gehele tijd zijn de Psalmen van het midden-Pinksteren verbonden met die van Pascha. Vanwege het thema water, wordt in de kerk traditioneel op deze dag de Kleine Waterwijding gehouden, bij voorkeur met een optocht met het Heilige Kruis naar een waterbron.
⁌ Het thema van het feest roept niet alleen bronwater op, maar staat tevens nog meer centraal in de chronologie van het Evangelie. Het verheerlijkt Christus als Leraar der Wijsheid, zoals Hij zich tussen de verhalen van de Verlamde en die van de Blinde Mens onthult.
Gedurende deze tijd wordt ons voorgehouden: “Nu over het midden van het feest ging Jezus naar de tempel en leerde. Jezus antwoordde hen en zei:” Mijn leer is niet van mij, maar is van Degene, Die mij gezonden heeft. Ik zal ten alle tijde Zijn Wil vervullen, De Vader is op de hoogte van deze Pedagogie – weet dat het ‘uit God [de Vader] is en dat Hij door Mij spreekt”. conf. John.7: 14-30. De icoon van dit feest vertoont de jonge Jezus die de oudsten in de Tempel onderwijst [Luc.2: 46, 47]. Bij die gelegenheid heeft Christus hen voor het eerst als leraar of rabbi Zijn Pedagogie geopenbaard. Traditionele orthodoxe iconen zullen Jezus uitbeelden als groter dan de ouderlingen, die Zijn superieure Geestelijke status laat zien.

Hagia-Sophia, Architectuur

Door het zingen en reciteren van psalmen in de kerkdiensten verkondigen en prijzen wij onze Heer als de Goddelijke Wijsheid, Die in het Boek der Spreuken wordt genoemd. Daarom wordt in de Orthodoxe Traditie op deze dag het parochiefeest gevierd van alle kerken, die genoemd zijn naar Heilige Wijsheid of Hagia Sophia. Ook de Grote Kerk van de Hagia Sophia in Constantinopel vierde haar feestdag op het midden van Pinksteren.

Apolytikion     tn.8
    Geef op het midden van het feest aan mijn dorstige ziel het water van vroomheid te drinken, o Redder,
zoals  U allen hebt geroepen:
‘Wie dorst heeft, zal tot Mij komen en drinken’.
Bron des Levens, ere zij U
”.

Kondakion     tn.4
    Op de helft van het vijftigdagen-feest,
o Schepper en Meester van het heelal,
hebt U tot hen die bij U waren gezegd, Christus God:
‘Komt en put het water van de onsterfelijkheid’.
Daarom vallen wij voor U neer en roepen in geloof:
Schenk ons Uw Ervaringen,
want U zijt de Bron van ons Leven
”.