7e dinsdag ná Pinksteren – De ultieme Bron van het Heil & de bron van het menselijk karakter

    In die tijd hoorde koning Herodes [Hebr.= voor de wereld ‘heldhaftig‘, een BoBo, Ndlnd = negatieve benaming voor een bestuurder; Fr.= BOurgeois BOhème], de viervorst, wat van onze Heer en Verlosser Jezus Christus verteld werd, en hij zei tot zijn dienaren:
‘Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in hem’. Want Herodes had Johannes laten grijpen, geboeid en gevangengezet, ter wille van Herodias, de vrouw van zijn broeder Filippus; want Johannes zei tot hem: ‘ Gij moogt haar niet 
hebben’. En hoewel hij hem wilde ter dood brengen, vreesde hij de schare, omdat zij hem voor een Profeet hielden. Maar op het geboortefeest van Herodes danste de dochter van Herodias in hun midden en zij behaagde Herodes, waarom hij haar onder ede toezegde haar te geven, wat zij maar vragen zou. En zij, opgestookt door haar moeder, zei: ‘Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper’. En de koning werd bedroefd, maar om zijn eden, en om hen die mee aanlagen, beval hij het haar te geven, en hij liet Johannes in de gevangenis onthoofden.
En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven en zij bracht het aan haar moeder. En zijn discipelen kwamen en namen zijn lijk weg en begroeven hem; en zij gingen heen en berichtten het aan Jezus.
            Toen Jezus dit hoorde, trok Hij Zich vandaar in een schip terug naar een eenzame plaats, alleen. En toen de scharen dit hoorden, volgden zij Hem te voet uit de steden.

in verwarring geraken

>          En zodra de mannen van die plaats Hem herkend hadden, zonden zij bericht in die gehele omgeving, en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en zij smeekten Hem, dat zij alleen maar de kwast van zijn kleed mochten aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden behouden.
            Toen kwamen uit Jeruzalem Farizeeën en schriftgeleerden tot Jezus en vroegen:
                               Waarom overtreden uw discipelen de overlevering van de ouden? Immers, zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood eten.
Onze Heer en Verlosser antwoordde hun en zei:
            “ Waarom overtreedt ook gij ter wille van uw overlevering
[zelfs] het gebod van God?
Want God heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven.
Maar gij zegt: Wie tot zijn vader of zijn moeder zegt:
            ‘Het is offergave, al wat gij van mij hadt kunnen trekken, behoeft zijn vader of zijn moeder niet te eren’.
Zó hebt gij het woord Gods van kracht beroofd ter wille van uw overlevering, huichelaars, terecht heeft Isaiah over u geprofeteerd, zeggende:
            ‘ Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
            Tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen leren, die geboden van mensen zijn’.
En toen Hij de schare tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen:
‘ Hoort en verstaat! Niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt dat maakt de mens onrein
”.  
Matth.14: 1-13; 14: 35 – 15: 11.

Hildegard van Bingen was van 8-88 jarige leeftijd actief om God verheerlijken

Verheerlijkt dan God met uw lichaam.
Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt,
– het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn, maar met het oog op de gevallen van hoererij moet ieder zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.
– De man dient jegens de vrouw zijn (echtelijke) verplichtingen na te komen en evenzo de vrouw jegens haar man.
– De vrouw heeft niet zelf over haar lichaam te beschikken, doch haar man; en eveneens heeft de man niet zelf over zijn lichaam te beschikken, doch zijn vrouw.
– Onthoudt dat elkander niet, tenzij met onderling goedvinden (en) voor een bepaalde tijd, om u te 
wijden aan het gebed, maar om daarna weer samen te komen, opdat niet de satan u zal verzoeken wegens uw gemis aan zelfbeheersing.
⁌       Dit zeg ik om u tegemoet te komen, niet om u te bevelen.
⁌       Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf.
⁌      Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die.
⁌       Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik:
Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik.
Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden. Doch hun, die getrouwd zijn, beveel ik niet, maar de Heer, dat een vrouw haar man niet mag verlaten – is dit toch gebeurd, dan dient zij ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen – en een man dient zijn vrouw niet te verstoten.
Maar tot de overigen zeg ik, niet de Heer:
heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten.
En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten. Want de ongelovige man is geheiligd in zijn vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de broeder. Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn zij heilig.
Maar indien de ongelovige haar verlaat, laat hij haar verlaten.
De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden; tot vrede heeft God u geroepen. Want hoe kunt gij weten, vrouw, dat gij uw man zult redden? Of hoe kunt gij weten, man, dat gij uw vrouw zult redden?
Alleen, laat ieder zo leven, als de Here hem toebedeeld heeft, zo, als God hem geroepen heeft. Zo schrijf ik het in alle gemeenten voor.
Is iemand als besnedene geroepen, hij late het niet verhelpen; is iemand als onbesnedene geroepen, hij late zich niet besnijden.
[Want] besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden aan 
God’s geboden.
Ieder dient bij die roeping te blijven, waarin
hij was, toen hij
[door de doop] geroepen werd.
Zijt gij als slaaf geroepen, bekommer u daarover niet, maar als gij ook vrij kunt worden, maak er dan te meer gebruik van. Want de slaaf, die in de Here geroepen werd, is een vrijgelatene des Heren; evenzo is hij, die als vrije geroepen werd, een slaaf van Christus. Gij zijt gekocht en betaald. Weest geen slaven van mensen.
Broeders, iedereen dient voor God in die toestand te blijven, waarin hij werd geroepen“ 1Cor.6: 20b – 7: 24.

    Er was in het land Us [Hebr.=’ bebost‘] een man, wiens naam was Job [Hebr.= ‘gehaat‘, ‘vervolgde‘, – van het ‘wee’ roepen -], en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
Hem werden zeven zonen en drie dochters geboren.
Zijn bezit bestond uit zevenduizend stuks kleinvee, drieduizend kamelen, vijfhonderd span runderen, vijfhonderd ezelinnen en een zeer grote slavenstoet, zodat deze man de rijkste was van alle bewoners van het Oosten.
Zijn zonen nu plachten een feestmaal aan te richten, ieder op zijn beurt in eigen huis, en nodigden dan hun drie zusters uit met hen te eten en te drinken.
Telkens wanneer de dagen van het feestmaal om waren, ontbood Job hen en heiligde hen; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer, want Job dacht:
‘ Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd’.
Zó deed Job altoos weer.
Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Heer te stellen, en onder hen kwam ook de satan.
En de Heer zei tot de satan: Vanwaar komt gij?
En de satan antwoordde de Here: Van een zwerftocht over de aarde, die ik doorkruist heb.
Toen zei de Heer tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
En de satan antwoordde de Heer:
            Is het om niet, dat Job God vreest?
            Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut?
            Het werk van zijn handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land.
            Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit; of hij U dan niet openlijk zal
            vaarwel zeggen!
En de Heer zei tot de satan:
            Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de satan van het aangezicht van de Heer heen.
           Op zekere dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, kwam een bode tot Job en zeide: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen dicht erbij aan het grazen, toen de Sabeeërs [Hebr.= ‘dronkaards’] een inval deden en ze roofden; en de knechten sloegen zij met de scherpte van het zwaard; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: Het vuur Gods viel van de hemel en verbrandde de schapen en de knechten en verteerde ze; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: ‘de Chaldeeën [Hebr.= ‘kluitenbrekers’, ‘verwarring zaaiers’] hadden drie benden gevormd, overvielen de kamelen en roofden ze; en de knechten sloegen zij met de scherpte van het zwaard; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zei: Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijn drinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
           Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd; daarop wierp hij zich ter aarde, boog zich neer en zei: ‘ Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen, naakt zal ik daarheen weerkeren. De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd’ .
           In dit alles zondigde Job niet en schreef aan God niets toe wat ongerijmd wasJob 1: 1-22.

De Heilige Païsios van de berg Athos zei ooit:
                      Vanaf mijn elfde heb ik de levens van de heiligen bestudeerd, ik heb gevast en ik ben zo ver in mijn vermogen lag waakzaam geweest. Mijn oudere broer ontnam mij echter m’n boeken en verstopte ze, maar dat weerhield me niet ik ging gewoon naar het bos om daar te kunnen lezen
Toen Arsenios, zoals deze heilige van de berg in de wereld genoemd werd – vijftien werd,  zei een vriend van zijn broer ‘Costas’ tegen zijn broer: “Ik zal ervoor zorgen dat hij al dat spul [die onzin] geheel vrijwillig opgeeft”.
                      Deze heilige vader laat ons vervolgens weten dat deze Costas bij hem kwam en hem de evolutietheorie van Darwin voorschotelde.
Ik werd hierdoor geraakt en ontsteld zei ik:
Ik zal gaan bidden en wanneer Christus werkelijk God is, zal
Hij aan mij verschijnen zodat ik zal geloven.
Een beeld wat mij voorgehouden wordt of iets wat mij ingefluisterd wordt – Christus zal me in ieder geval iets laten zien, meer kan ik niet bedenken
”.
                    Dus ging ik heen en begon te bidden en buigingen te maken, hetgeen
ik urenlang deed, maar er gebeurde niets.
Uiteindelijk stopte ik daarmee puur van uitputting.
                    Toen kwam er iets bij mij op hetgeen Costas gezegd had:
Ik aanvaard dat Christus een belangrijk mens was”, had hij me verteld,
“Hij was rechtvaardig en deugdzaam, Die uit afgunst werd gehaat vanwege
Zijn deugdzaam leven en werd veroordeeld door Zijn landgenoten
”.
Ik zei daarop tegen mezelf:
    Vanaf het ogenblik dat Christus aangaf, dat
Hij zelf ook maar een mens was, is Hij al mijn liefde,
gehoorzaamheid en zelfopoffering waard.
Ik wil hier op aarde geen paradijs – ik wil niets.
Het is de moeite waard om elk offer te brengen omwille
van Zijn Heiligheid en Zijn liefde tot de mensen
”.
    God heeft gewoon afgewacht om te zien hoe ik met deze verleiding zou omgaan.  En daarna verscheen Christus Zelf als in een groot licht aan mij. Hij was vanaf in volle omvang zichtbaar. Hij keek me aan met enorme liefde en zei tegen mij, net als tot Martha, de zuster van Lazaros:
Ik ben de Opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?’John.11: 25,26.
Hij hield het Evangelie in Zijn linkerhand open, waar dezelfde woorden werden geschreven”.
                    Met deze gebeurtenis werden de onzekerheden die de jonge ziel van Arsenios in verwarring hadden gebracht, overwonnen en werd hem in Genade van God’s-wege gegeven om Christus te kennen als de ware God en Verlosser van de wereld. Hij was overtuigd van de waarheid van de Godmens, niet van mensen of boeken, maar van de Heer Zelf, Die Zich op zijn jonge leeftijd openbaarde.
Arsenios werd daarop stevig bevestigd in het Geloof en dacht bij zichzelf:
Costas, kom nu maar terug als je wilt, en we zullen eens een hartig woordje uitwisselen”.
Ook Arsenios schreef aan God niets toe wat ongerijmd was, hetgeen blijkt uit
datgene wat de Heilige Païsios van de berg Athos ons zelf verteld heeft.

Misschien is het u in het geheel niet opgevallen, maar nadat onze Heer en Verlosser vernam wat er met Zijn achterneef Johannes de Doper gebeurd was trok hij zich vandaar naar een eenzame plaats terug en het volk volgde Hem te voet uit de steden.
Hij trok Zich terug en bad tot de Vader en bleef met ontferming over het volk bewogen en genas hun zieken en gaf hun vervolgens op wonderbaarlijke wijze te eten van de vijf broden en de twee vissen.
Nadat het volk verzadigd was dwong Hij Zijn Leerlingen in een boot en liet Zich vooruit varen naar de overkant, totdat Hij de menigte zou hebben weggezonden. En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij opnieuw de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.

Vervolgens waren de apostelen op het meer en kwam de Heer hen over het water tegemoet. Op uitnodiging van Christus loopt Petrus over het water, tot hij zich bewust wordt van z’n situatie als mens en wordt hij door Christus gered.
Ook hier zien we dat de Heer ons overlaat aan de elementen, maar voorkomt dat wij ten ondergaan, zoals bij Job: “Toen zei de Heer tegen de duivel:
‘Zie, wat hij ook heeft, geef Ik in uw hand; maar raak hem niet aan’” Job.1: 12.
De heilige Augustinus van Hippo merkt op dat:
      een mens wordt geobserveerd en de dingen die hem toebehoren.
Niemand weet wat voor soort hij is. God ziet wat voor soort hij is.
Soms ontsnapt hij zelfs de duivel zelf . . . [Job] ontsnapte aan zijn ogen
omdat Satan in duisternis verkeerde “. Deze waarheid wordt voor ons geïllustreerd in het boek Job, want dit door God gegeven werk verlicht ons moderne debat over cultuur versus persoonlijkheid en welke daarvan uiteindelijk dominant is in iemands leven.

Het eerste vers van de tekst gaat over Job:

Job was rechtvaardig

“Die man was oprecht, onberispelijk, rechtvaardig en godvrezend, en
hij onthield zich van alle kwaad” en deze samenvatting van Job’s karakter
wordt grotendeels nog eens herhaald Job.1: 8.
De Heilige Hesychius van Jeruzalem herinnert ons eraan dat
      velen zichzelf mens noemen, maar niet waarachtig zijn: want sommigen leven met een mens-onwaardig gedrag, terwijl anderen zich bij wijze van spreken gedragen als sluwe reptielen“.
Job lijkt, naar alle schijn, als vegetariër welig te groeien in een op landbouw gebaseerde economie welke hem in staat stelt een welgesteld leventje te leiden,
het ontbrak hem aan niets Job.1: 2-5.
Maar spoedig zal al wat hij materieel bezit voor zijn welzijn en financieel succes abrupt verliezen Job.1: 13-22.
In vers 5 van dit vroege tafereel met betrekking tot het materiële rijk waarin Job leefde, wordt ons verteld waarom hij een rechtvaardige en godvrezende man wordt genoemd, die zich heel bewust “onthield van alle kwaad”Job.1: 1.
Ondanks zijn materiële succes, omdat hij God georiënteerd is, voert hij spirituele oefeningen uit, zoals het brengen van offers voor zijn zonen en dochters, volgens hun aantal, evenals een kalf voor de zonden van hun zielen. Want Job zei: “Opdat mijn zonen de kwade dingen niet bedenken tegen GodJob.1: 5.
Het verhaal verandert echter al snel onze aandacht van het materiële gericht zijn en opent voor ons het ascetisch spirituele rijk van engelen, gericht op onze  Almachtige Vader, “Schepper van hemel en aarde, en van alle zichtbare en onzichtbare dingenGeloofsbelijdenis.
Hoewel de duivel een gevallen engel is, komt deze op die specifieke dag voor God’s aangezicht in het bijzijn van de gelovige en heilige engelenwezens.
De Heer, die alles in elk rijk ziet, confronteert hem met:
“Waar kom je vandaan?”
Waarop de duivel antwoordt: “Ik kwam hier nadat ik over de aarde ging en rondliep onder de hemelen” Job.1: 7.

als een brullende leeuw

Hier is een herinnering aan ons om “waakzaam te zijn; want [onze tegenstrever]  de duivel waart [loopt overal en nergens rond, je weet niet waar] rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij kan verslinden1Petr.5: 8.
Ooit de uitdager van deugd en de doodsvijand van vrede van hart,
beledigt de duivel God Zelf en vraagt:
Biedt Job zonder reden de Here aanbidden?Job.1: 9.
Hij probeert immers God’s verrukking over Job te verstoren door te insinueren dat God de weg baant voor Job’s morele en fysieke prestaties door hem materieel succes te bieden. Hij beschimpt:
Maar stak uw hand uit en raak alles wat hij heeft aan, en
kijk of hij U in Uw gezicht zal zegenenJob.1: 11.
Zoals de Heilige Johannes Chrysostomos in zijn commentaar opmerkt:
‘   Wat een onbeschaamdheid!
Hij had de brutaliteit om een ​​geschil met God aan te gaan;
toch is/was deze houding niet alleen die van de demon, maar
ook die van kwaadwillende mensen . . .
De duivel raakt de kudde zelfs niet aan indien
hij geen toestemming gekregen heeft . . .
Want hij is ver van God verwijderd, als [diegene] die
de rechtvaardigen wil laten struikelen‘.
Inderdaad, onze vijand streeft ernaar de vrede van de ziel te verstoren en is op vernietiging uit. Dus laten we ons wapenen tegen Satan’s pogingen om onze overtuiging te verminderen dat “al het goede van God komt” en dat we “in niets kunnen slagen zonder de hulp van God’s Genadegave“.
  Mogen wij niet rondrennen op zoek naar menselijke wijsheid en vermogen, maar handelen met de nederige kracht die we dankzij God verkrijgen en datgene wat dient te gebeuren geheel aan God over te laten
Heilige Dorotheos van Gaza.
De Bron van het menselijke karakter is zelf alles in de hand te houden en als het enigszins kan dusdanig te manipuleren dat het onze kant oprolt.
In al deze gebeurtenissen die hem overkwamen, heeft Job [echter] helemaal niet gezondigd voor de Heer en heeft hij geen dwaasheid aan God toegeschrevenJob. 1: 22.

Aan het begin wordt de Profeet Job als gevolg van de gaven van de Heilige Geest reeds beschreven als: “waarachtig, onberispelijk, rechtvaardig en godvrezend,
zich onthoudend van alles wat kwaad is” Job.1: 1.
Indien we nauwkeurig lezen, kunnen we de bron van Job’s karakter, van zijn rechtvaardige ziel waarnemen: naast het natuurlijk gegeven van het menselijk verdriet
– door zijn kleren te scheuren en “de haren van zijn hoofd” te scheren
– viel Job ook “ter aarde en aanbadJob.1: 20.
Het gebed van de profeet onthult een niet-aflatende afhankelijkheid van God:
Gezegend zij de Naam des HerenJob.1: 21.
De onderliggende veronderstelling van Job’s leven is dat:
➥  alle dingen van God zijn,- de Heer die geeft en
➥  de Heer, Die Zich terugtrekt zoals Hij verkiest
en alle dingen [ook in de Kerk] zich slechts via onze God ontwikkelen tot  de zegening van de mens Job.1: 21.

De heilige Johannes Chrysostomus verheft Job’s reactie en beschouwt dit als een spiegel voor ons zelfonderzoek wanneer hij spreekt over:
de dingen die je veel mensen ziet doen. . . denk daarbij aan:
✥     ‘wanneer ze anderen zien genieten van gelukkige dagen, terwijl ze als vanzelf sprekend in de ergste beproevingen worden ondergedompeld.
Hij merkt daarbij op dat Job niets gezegd heeft, noch iets gemeens heeft toebedacht aan andere mensen.
Integendeel“, zoals Johannes Guldenmond aangeeft,
weerhield de Profeet Job zichzelf”:
hij heeft de gebeurtenissen van onrechtvaardigheid niet nog eens overtroffen.
– Hij heeft niet gezegd dat de gebeurtenissen hem zonder motief of bij toeval werden aangedaan;
✥     ‘Hij heeft niet gezegd: ik ben rechtvaardig en ik ben me niet bewust van enige zonde; die mensen zijn allemaal in de bloei van hun leven terwijl ik in ontelbare kwaden doorsta, waarom? – Wat voor onrecht, welke zonde heb ik persoonlijk begaan? Daaruit blijkt dat God nog wel om geeft en mijn zaken behartigt
”.

Job beschuldigt het leven of de mogelijkheid om oneerlijk, manipulerend òf onrechtvaardig te zijn niet.
In tegenstelling tot velen in de westerse wereld, roept de profeet, zijn verdediger niet op  juridische actie tegen ‘de rovers’ te ondernemen Job.1: 15 òf tegen de verwarringzaaiers, de ruiters Job.1: 17.
Hij aanbidt God, en hij “beveelt God niet met dwaasheidJob.1: 22.
Bekijk zorgvuldig zijn veronderstelling:
Job ziet het leven in de handen van God, zodat alles wat er maar gebeurt van God afkomstig is en eerst dàn kan de mens alles accepteren zoals het plaats vindt.
Dus, Job zegent God in de geest dat “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij  Wie geen verandering is of zweem van ommekeer” Jac.1: 17.

☦️      Er is geen spoor van een berusting in het lot of het toeval met Job.
“Aan de Heer behoort de aarde en haar volheid, 
de gehele wereld,
met allen die erop wonen” Psalm 23: 1.
Inderdaad, de woorden van de Profeet David zijn de woorden:
Alle dingen hebt Gij onderworpen onder Uw voetenPsalm 8: 6.
Job’s goddelijke kijk op het leven en de wereld is tegen elke theorie die willekeur als de alleenheerser van het leven beschouwt;
➽     Dáár wordt niet gesproken over de eerst onder gelijken, daar is geen sprake van manipuleren en onderdrukken van de mens, daar heerst geen hiërarchie in wereldse begrippen.
➥     Dáár is slechts één Heilig, één Heer en dat is God Zelf,  tot Heerlijkheid van God, de Pantocrator Zelf.
Alles wat de mens doet, behoort hij slechts te doen tot meerdere eer en glorie van God.

☦️     Verder, blijkt dat Job in alles de Blijde Boodschap volgt, probeert de Profeet niet elke negatieve gebeurtenis te associëren met een specifieke zonde van zijn eigen persoonlijke leven.
Hij accepteert dat dingen slechte ten kwade gebeuren met goede mensen, omdat
hij impliciet in zichzelf de overtuiging heeft hetgeen de Apostel Paulus expliciet zegt:
de gehele schepping zucht en beeft van pijnRom.8: 22.
We leven na de val, niet in het Paradijs, we leven in het Koninkrijk onder de Hemelen.
Dus Job plaagt zichzelf niet door eindeloos naar anderen te wijzen en zich voor in eigen kring heimelijk af te vragen: “Wat voor onrecht, welke zonde heb ik persoonlijk begaan?” Job.1: 22.
De schoonheid van het hart van Job manifesteert zich als ‘van nature’ wanneer
hij uit deemoed ter aarde neervalt Job.1: 20.
Zoals de heilige Metropoliet van Philadelphia zei over uitputting:
het toont ons een beeld van de val van de mens in zonde en
drukt de belijdenis van onze zondigheid uit
Philokalie.

Slapende apostelen, by michel Ciry

Er ligt ongetwijfeld een grote eenzaamheid in pijn en kwelling opgesloten.
Een muur wordt opgetrokken rond degenen die worden vastgehouden in de klauwen van dit lijden. De Heer heeft dit isolement Zelf in de hof van olijven ervaren, toen hij aan Petrus, die Hij lief had vroeg:
Simon, slaapt gij?
Was het jou niet een uurtje mogelijk
met mij te waken?
Marc.14: 37.
En Job wist, net als de Heer, dat wat hem ook zou overkomen, de hand van God op de gebeurtenissen was.
Hij wist dat God om zijn zaken gaf en hem niet terzijde had geschoven.
De Heer heeft gegeven, de Heer heeft weggenomenJob.1: 21.
Er is geen lijden dat iemand van ons doorstaat van waaruit God een straatje om gaat, want onze God en Verlosser, Jezus Christus Zelf,  heeft als mens van vlees en bloed in Zijn Passie grote pijn en smart ervaren voor onze Redding.

    Ik ben het werk van Uw handen.
Schenk mij Uw Genade volle helpende hand en
geef mij geduld en kracht om alle verdrukkingen
te verduren met onderwerping aan Uw Wil
”.

Dit gebed zuivert ons en de lezing van deze tekst geeft ons onderricht.
Beiden zijn waardevol; wanneer een van beide niet mogelijk is, is bidden te verkiezen boven lezen.
Wie altijd bij God wil zijn, dient veel te bidden en te lezen. Want wanneer wij bidden spreken wij met Go; maar als wij lezen spreekt God tot ons.
De grondslag voor elke vooruitgang is lezen en jezelf overgeven aan de stilte opdat het gesprek met God tot stand kan komen.
Wat wij niet weten, leren wij door te lezen; wat wij geleerd hebben, houden wij vast door het te overwegen.
De lezing van de Heilige Schrift brengt ons dubbel voordeel: want zij vormt het inzicht van ons verstand en haalt de mens weg [onttrekt de mens] aan zijn ijdelheden van de wereld om hem naar de liefde van God te brengen.
Lezing heeft een tweevoudig doel:
1.]. het door bestudering begrijpen van hetgeen er gezegd wordt.
2.]. het nut van hetgeen er verkondigd wordt en de manier waarop dit plaats vindt.
Ieder mens wil immers eerst begrijpen wat hij leest; pas daarna is hij in staat uit te dragen wat hij geleerd heeft.
Een toegewijd lezer en zo ascetisch bent u ‘zeker en vast’, wanneer u deze site regelmatig doorvorst, wil dit vooral door domweg te doen in praktijk te brengen door wàt hij leest en niet alleen om kennis na te streven. Daar heb je dan weer langdurige ascetische oefening voor nodig en dààr hebben de meeste geestelijken geen tijd meer voor.
Want het is minder erg te weten wat je dient te doen, dan het niet te doen als je het weet. Wij lezen immers omdat wij iets willen weten, maar als wij dan het goede dat wij geleerd hebben, kennen, dienen wij dit ook nog in de wreld om ons heen in praktijk te brengen.
Om de zin van de Heilige Schrift te begrijpen dienen wij ons er door veelvuldige lezing mee vertrouwd te geraken. Daarom staat er geschreven:
    Verwijder de goddeloze uit het bijzijn van de Koning, de Heer der Heerscharen, dan zal Zijn Troon steunen op Gerechtigheid . . . . .  Goede en toepasselijke woorden zijn als gouden appelen op zilveren schalen . . . . .  een gezagsdrager laat zich door vriendelijk geduld overtuigen, een vriendelijk woord weet zelfs het hardste hart te vermurwenSpr. 25: 5,11 en 15.
    anders gezegd:
‘  De berispingen van iemand die van u houdt, worden ingegeven door vriendschap; vriendelijkheid van iemand die u haat, komt slechts voort uit bedrog’.