5e Zondag na Pinksteren – ‘Heer, leer mij Uw Gerechtigheden’ – de genezing van de twee bezetenen.

slechts de Kelk en de diskos’ zijn ongedeerd uit de brand in Hengelo overgebleven, alles is vernietigd, doch de Heer is bij ons gebleven

    Te dien tijde, toen onze Heer en Verlosser aan de overkant in het land der Gadarenen [Hebr.= ‘beloning aan het einde’] was gekomen, kwamen Hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, zeer gevaarlijke, zodat
niemand langs die weg voorbij kon gaan.
En zie, zij schreeuwden, zeggende:
Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?’.
Nu werd er ver van hen een grote kudde zwijnen gehoed.
De boze geesten smeekten Hem en zeiden: 
‘Indien Gij ons uit-drijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen’.
En Hij zei tot hen: ‘Gaat heen!’.
Zij voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde langs de helling de zee in en zij kwamen òm in het water.
En de hoeders namen de vlucht en kwamen in de stad en berichtten alles, ook van de bezetenen.
En zie, de gehele stad liep uit, Jezus tegemoet, en toen zij Hem zagen, drongen zij er bij Hem op aan hun gebied te verlaten.
En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stad
“.

Matth. 8: 28 – 9:1.

opkomende zon – gebed is een zaak van hoofd, hart en handen

    Broeders, de begeerte van mijn hart en mijn gebed over
hun [en uw] behoud gaan tot God uit.
Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zònder verstand.
Want onbekend
met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid van God niet onderworpen.
Want Christus is het einde van de Wet, tot Gerechtigheid voor een ieder, die gelooft. Want Mozes schrijft: De mens, die de Gerechtigheid naar de Wet doet, zal daardoor leven.
Maar de
Gerechtigheid uit het Geloof spreekt aldus:
    Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; of: Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen.
Maar wat zegt zij?
Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord van het Geloof, dat wij prediken.
Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden;
want met het hart gelooft men tot Gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis
Rom.10: 1-10.

    Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. Het is niet in de Hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen: Wie zal opstijgen ten Hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?
En het is niet aan de overkant der zee, zodat gij zoudt moeten zeggen:
‘Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?’
Deut. 30: 11-13

Op de vijfde zondag na Pinksteren
kan het niet anders òf
er dient zich iets bijzonders te voltrekken,
immers het getal vijf duidt iets bijzonders aan:
”  Het getal 5 ziet toe op de behoeften en de verantwoordelijkheden van de mens”:
5 vingers en 5 tenen.
Het brandoffer-altaar was 5 maal 5 ellen groot, Ex. 27: 1.
Het gordijn voor de ingang van de tabernakel hing aan 5 pilaren op 5 koperen voetstukken, Ex. 26: 37.
Er waren 5 wijze en 5 dwaze maagden, Matth.25: 2.
Vijf broden, Marc.6: 38.
Vijf woorden, 1Cor.14: 19 etc, in het verlengde ligt het getal 50.

Nabij u is het Woord

De woorden van Paulus: Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord van het Geloof, dat wij prediken; is niet anders dan een aanhaling van de woorden van Mozes uit Deut.30: 14, hetgeen volgt op boven vermeldde tekst.
Het is niet vèr weg’ van de mens ‘in’ de Hemel of ‘achter’ de zee.
Door ‘heel diepzinnig‘ deze kwestie te beschrijven, laat Mozes zien hoe we Gerechtigheid voor God bereiken door Geloof.
We bereiken het slechts door de vragen te stellen:
Wie zal voor ons de Hemel inklimmen en
Wie zal voor ons over de zee gaan“?.
Deze vragen zijn ons eveneens bekend toen die overste der Joden, Nicodemus in de nacht [van het aardse leven] tot onze Heer en Verlosser zei:
hoe kunnen deze dingen zijn“? John.3: 9.
Deze vragen roepen vermeende onmogelijkheden op,
gebaseerd op menselijk redeneren, maar
de dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God Luc.18: 27, en
Is er iets onmogelijk’s met God? Gen.18: 14.
Hier en
nu – dus ook in onze dagen- zijn deze vragen slechts gebaseerd op menselijke overwegingen en worden opnieuw verworpen?
Mozes gaf immers al het antwoord:
Het Woord is het Woord betreffende het bereiken van een Rechtschapenheid voor God. Het is het Woord dat elke menselijke redenering buiten sluit en de veronderstelde onmogelijkheden die daardoor worden opgeworpen.
Dit Woord is zo dicht bij iemand dat het in iemand’s mond, hart en handen is.
Je behoeft niet naar de Hemel op te stijgen om het te vinden, noch de zee over te steken. Het is God’s Woord dat gezaaid is in een gelovig hart, dat beleden wordt met de mond, en uitgewerkt wordt met de handen.
Het is de Gerechtigheid door het Geloof.
Het is het Geloof van Abraham, die alle menselijke redeneringen en onmogelijk-heden wegvaagde en ‘alles’ overlaat aan de Macht en de Glorie van God.
    En zonder te verflauwen in het Geloof heeft hij [Abraham] opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven; maar aan de Belofte van God heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn Geloof en gaf aan God de eer, in de volle zekerheid, dat ‘Hij’ bij machte was hetgeen ‘Hij’ beloofd had ook te volbrengen. Daarom ook werd het hem gerekend tot Gerechtigheid Rom.4: 19-22.
Op de apostel-lezing van vandaag volgt:
    Immers het Woord uit de Blijde Boodschap zegt:
‘Al wie op Hem Zijn Geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.
Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek.
Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de Naam des Heren aanroept, zal behouden worden.
Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in wie zij niet geloofd hebben?
Hoe geloven in Hem, van wie zij niet gehoord hebben?
Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn?
Gelijk geschreven staat: ‘Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen’
Rom.10: 11-15.

Het Geloof komt slechts voort uit:
⁌     hetgeen uit jullie hart ontspruit, waar het gezaaid is,
⁌     hetgeen je via de lippen verkondigt en
⁌     hetgeen je bewerkt door het handen en voeten te geven

De Evangelielezing van Mattheus eindigt met:
    En in een schip gegaan zijnde,
stak Hij over en
Hij kwam in Zijn eigen stad”
Rom.10: 10.
Welke stad of gemeente kan hier aan het eind worden bedoeld?
Zijn eigen gemeente, het Lichaam van Christus want slechts een paar verzen eerder zei Hij zelf dat:
De vossen hebben holen, en de vogels hebben nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen Matth.8: 20.
Dus Hij heeft het over ons, over onszelf !!!

Christus, onze Verlosser komt dus tot ‘ons’ om Zijn eigen stad te bezoeken en
wij worden daarbij herinnerd aan de proloog van het Johannesevangelie waar
zo bondig wordt bevestigd dat
Hij kwam tot het zijne, en
de zijnen hebben Hem niet aangenomen
John.1: 11.
Dus wanneer Hij niet wordt ontvangen
blijken de Gadarenen [[Hebr.= ‘beloning komt aan het einde’]
dit uiteindelijk precies wèl te doen
Hij komt toch aan in wat in zekere zin, Zijn eigen stad is,
immers Hij komt aan bij alles wat ‘door Hem’ gemaakt is en Zijn zaak is.
Maar toch heeft het hier een andere betekenis, het is 
niet Zijn eigen stad,
namelijk, deze plek, onze wereld, die God in Zijn schepping gevormd heeft,
heeft de mens in z’n val misvormd en
Christus is gekomen om deze plek [-in het ‘hier en nu’-] te hervormen.
Wanneer we dus aan het eind van de passage van vandaag lezen dat
Jezus stapte in een boot over, stak over en in Zijn eigen stad kwam wordt ons
te verstaan gegeven dat de plaats waar de ontmoeting van onze Heer met
de twee bezetenen bij gevolg niet
Zijn eigen stad was, maar
die aan deze andere kant, het land van de bezetenen, het glorieueze Europa.

in het land der Gadarenen, Jan luyken, 1712

Mattheus heeft hier het land der  Gadarenen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . >               Gadara was een stad die ongeveer 5 kilometer ten zuidoosten van het meer van Galilea lag. Gerasa, daarentegen was een grotere stad die ongeveer 30 kilometer landinwaarts lag. Dus veel verder weg.
Misschien werd Gadara gerekend tot het land der Gerasenen, omdat Gerasa een beroemde stad was. Het is onwaarschijnlijk dat de ontmoeting tussen Jezus en
de bezetene plaats vond in Gerasa.  Dat was immers nog altijd 6 uur lopen vanaf het aanleggen van de boot uit Kapernaüm op de oostelijke oever van het meer.
    De Gerasenen hadden hun wooncentrum in Gerasa.
En Gerasa was één van de tien Grieks-Romeinse steden van het oostelijk kustgebied van de zee van Galilea.
Die tien steden hadden een stedenverbond met elkaar gesloten en
daarom werden zij in de volksmond genoemd de Deka [
10] Polis [steden].
De stedenverbond was opgericht tegen Israël; het was dus hoewel vroeger behorend tot Israël [de Kerk] ‘verloren gebied’.
Ook in geestelijk opzicht wilden de bewoners van deze Over-jordaanse streek niets meer te maken hebben met de God van Israël [de Kerk].
    Ik heb het idee dat dit land van de Gerasenen een metafoor is voor onze wereld en voor de toestand in onze huidige maatschappij. Het Europa met haar niets ontziende aandacht voor Macht, handel en geld [en bijbehorend gesjoemel] is hier heel goed mee te vergelijken. We mogen onze Europese stem uitbrengen, maar de leiders doen toch precies wat zij zelf willen.

Voor kennisgeving geef ik mee dat de Evangelist over dit land slechts twee indicaties laat zien, slechts twee beelden waarmee men het kan vergelijken: “graven en varkens”.
De twee mannen die onze Heer in dit land ontmoet
komen van de grafsteden Matth.8: 28; [net zoals je in Caïro nog hele wijken tegenkomt waar graven zijn en de armen zich huisvesten].

chaos in the global marketplace- storm is coming, so read between the lines

We vragen ons af of er nog iets anders te vinden valt dan graven in dit allegorische [zinnebeeldig] land dat slechts wordt geregeerd door de dood.
Brussel was toen nog een bruisende stad” is een liedje van Liesbeth List uit 1970. Het is een nieuwe versie van het befaamde “Bruxelles
van Jacques Brel uit 1962, het geeft je dus te denken bij al datgene wat in Brussel ontwikkeld is.
   Twee andere indicaties getuigen van de bijzondere ligging van het land: dat is gelegen aan de andere kant “εἰς τὸ πέραν” Matth.8: 28, dat is, op het eind van hun kunnen en in die omstandigheden waren die twee bezeten mannen terecht gekomen, men kon er niet meer aan voorbij Matth.8: 29, dat betekent niet alleen dat het land zelf op z’n eindje is, maar zelf op ‘een dood punt’ is gekomen, een impasse waar geen ontsnapping meer mogelijk is, waar er “geen ontkomen meer aan is” [totaal in de ban van de Mammon].
Dit dienen voldoende verwijzingen te zijn naar de ware aard van het land van Gerasenen, een land wat wordt gedefinieerd door de onontkoombaarheid van iemands sterfte.

Het tweede beeld van de kudde van de varkens waar de boze geesten binnenkort naar zullen vluchten, herinnert ons aan dat verre land uit de gelijkenis van de verloren zoon.
    Daar was de verloren zoon ook het enige levende wezen dat was vergeten was tussen de varkens
– de varkens die enkel hun afval hadden, terwijl de zoon die zijn vaderlijk huis verlaten had omkwam van de honger.
De varkens, aan de andere kant, in het land van de Gerasenen hadden niet te eten of konden niet overleven, want zodra ze worden aangehaald worden ze geassocieerd [verbonden] met de dood, want
de gehele kudde stortte van de steile helling af in het meer en stierf in de water Matth.8: 32.
In dat vreemde land afgebakend door graven en varkens, ontmoet Christus de mensheid in haar laagste vorm, zoals het wordt voorgesteld door die twee bezeten mensen
⁌     want de gehele mensheid in de omstandigheid gescheiden levend van God
kan op de een of andere manier als bezeten aangemerkt worden; als
bezeten van de Mammon.
De Evangelist geeft ons de dialoog die tijdens die korte ontmoeting plaatsvond:
   Wat wil je met ons, Zoon van God?
schreeuwden de bezetenen.
Ben je hier gekomen om ons te martelen
vóór onze
 [afgesproken] tijd gekomen is? Matth.8: 29.

Het eerste verrassende element in deze uitspraak
 is de bekentenis van de aanroep van 
de goddelijkheid van Christus door de twee bezetenen:
 “Zoon van God“.  De duivel kent God maar al te goed.
Nog maar kort geleden lazen we op het feest van 
de Heiligen Petrus en Paulus in het Evangelie van Mattheus hoe 
het Petrus was die precies dezelfde aanduiding aan Christus gaf.
Hoe velen zijn er niet, die hier momenteel grote vraagtekens bij zetten !!!

Daarom een uitstapje:
Hoe we onze Heer en Verlosser leren kennen
.
  de opvolging van Elisha & Elia’s Hemelvaart

De profeet Elia legde zich neer om te gaan slapen onder een bremstruik.
Doch zie, daar raakte een engel hem aan en zei tot hem: 
“ Sta op, eet”.
Dit overkwam hem een tweede keer, waarbij de engel hem zei: 
“ Sta op en eet, want de reis zou te vèr voor je zijn”.
Door de kracht van die spijs [communie] was hij in staat 
veertig dagen en veertig nachten lang 
tot aan het woestijngebergte van God te gerakende Horeb.
Toen hij daar aankwam overnachtte hij in een spelonk en het Woord des Heren kwam tot hem en zei: Wat doe je hier, Elia, wat kom je hier doen?1Kon.19: 9.
Elia had in z’n leven de gewoonte opgebouwd zich in gebed [in de ochtend en avond] tot God te richten en wanneer hij dit deed en tot Hem sprak, hoorde hij Hem ‘luid en duidelijk‘ [je weet in ieder geval wat God bedoeld, al zul je niets horen].   Hoe was deze profeet dan nu in staat te weten dat God sprak?
Hoe komt het dat God Zichzelf openbaar maakt zodat we met zekerheid kunnen weten dat het Woord dat we in ons horen, van de Heer is?
Er zijn immers zoveel andere stemmen en geluiden die we horen!
In het huidige verslag onthult God gedeeltelijk hoe Hij Zichzelf bekendmaakt aan Zijn geliefde.
Elia is namelijk een sleutelfiguur in 
een woedende cultuuroorlog in 
het koninkrijk van Israël [de Kerk]. 
Koningin Jezebel probeert hem namelijk [Hebr.= ‘kuis, fysiek contact vermijdend’], vanuit haar door God gegeven macht, 
schaamteloos om het leven te brengen, 
hem van het leven te beroven.
En wie maakt dit niet mee, in deze wereld, 
ja zelfs door personen waar je het helemaal niet van zou verwachten.
Dus “stond hij op en rende voor zijn leven1Kon.19: 3, 
vèr weg van Israël [de Kerk] en haar toezichthouders. 
Hij trekt door het aangrenzende koninkrijk van Juda [Hebr. =‘waar de Heer geprezen zou dienen te worden’] en 
bereikt de meest zuidelijke grenzen van nederzetting, dichtbij Beersheba.
Beersheba is de bron van Abraham, “ van de eed, de Belofte, waar gezworen is, ook wel zeven ‘putten’ genoemd, daar 
waar onafgebroken het levend water [van de Samaritaanse bij de Bron] vloeit.
Uitgeput door z’n reis door de woestijn [van het leven], 
bidt hij als voorafgaand aan de dood, 
hij gaat liggen, en slaapt.  
Wanneer Elia gereed is [er aan toe is] om te luisteren, 
maakt God Zichzelf duidelijk aan hem bekend.
Eerst voorziet God de Profeet van een [bescherm-]engel die 
hem ondersteunt tijdens zijn tijd in de wildernis 1Kon.19: 4-8.
Zijn hele leven lang heeft Elia, die begeleidende engel als 
van God gegeven als zijn begeleider gekend.
De raven [uit de kraaiachtigen] voedden hem 
toen God hem verstopte in de beek Cherith [Hebr.חרסית = (vruchtbare) klei] 
 in de Over-Jordaanse wildernis 1Kon.19: 4-6. 
 In de confrontatie met de priesters van Baäl voorzag 
God Elia van het door God aangeboden vuur hetgeen verteerde 1Kon.18: 38.
Hier dient met nadruk gewezen te worden op het feit dat:
 God altijd aanwezig is, ons niet uit het oog verliest en ons voorziet, zoals 
koning David zegt:
De uitgangen van de ochtend en de avond maakt God verkwikkend. Hij verzorgt de aarde en drenkt haar, Hij vermenigvuldigt haar rijkdom. De Rivier van God brengt overvloedig water, Hij heeft ons het voedsel bereidt; want zo is Zijn Voorzienigheid
Psalm 64[65]: 9-10 vert ROK, ‘s-Gravnehage.
God voorziet in al onze behoeften en 
bevrijdt ons zelfs van de ontbering die onze zonde schept. Bemerk tevens hoe God met z’n hand zoekt en 
Zichzelf in Elia’s geest en hart manifesteert.
Tweemaal vraagt ​​de Heer: 
”Elia, wat kom je hier doen, wat doe je hier?1Kon.19: 9,13.
Onze Heer en Verlosser ondervraagt ​​eveneens zijn volgelingen. 
Hij vraagt ​​het zelfs aan Zijn discipelen, 
”Wie zeggen mensen dat ik, de Zoon des mensen, ben?Matth. 16: 13.
Vervolgens drukt Jezus hen opnieuw op het hart: 
”Maar wie zeg ‘jij’ [, persoonlijk] dat Ik ben?Matth.16: 15.
Onze Heer en Verlosser openbaart Zichzelf altijd in ons hart en geest:
Ik sta aan de deur en Ik klopOpenb.3: 20.
Bij al onze dagelijkse beslissingen vraagt ​​Christus: 
”Wat doe je hier?”, onafgebroken houdt Hij 
onze redding voor ogen aan de hand van 
de Waarheid en Zijn Geboden; 
leert Hij ons Zijn Gerechtigheden.
God’s onderzoek naar ons diepste wezen 
waarschuwt ons voor Zijn aanwezigheid en 
verlicht onze geest en ons hart. 
Indien wij waakzaam zijn, 
zullen wij Hem ons onafgebroken horen toespreken 
- en wanneer Hij onze aandacht te pakken heeft/houdt, 
zal Hij het bevel over ons leven voeren.
Hij moedigt ons aan 
daar hebben wij geen spelleider of toezichthouder bij nodig, 
Hij is God, Hij bestuurt de wereld met ‘al’ haar ongerechtigheden.
Toen zei de Tisbiet [ Hebr.= (in) ‘gevangenschap’ (verkerende. hij kon niet anders)] Elia, uit Tisbe in Gilead [Hebr.= ‘rotsachtig gebied’], tot Achab [Hebr.= ‘broeder van vader’]: 
 ‘ Zo waar de Heer de God van Israël [de Kerk], leeft, in wiens dienst ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen zijn, tenzij dan op mijn woord1Kon.17: 1.
Dàn beveelt God Elia om 
naar de beek Cherith [Hebr.חרסית = (vruchtbare) klei] te gaan 1Kon.17: 3.
Wanneer het water dáár opdroogt, beveelt God aan Elia: 
”Sta op, ga naar Sarfath [Hebr. סהרפתח =‘iemand die loutert’ ]” 1Kon.17: 9.
Na drie jaar van droogte, bericht de Heer hem 
uiteindelijk opnieuw te profeteren: 
”Ga heen, vertoon u aan Achab, want 
Ik wil regen op de aardbodem geven1Kon. 18: 1.
Onze Heer en Verlosser maakt Zich regelmatig bekend. 
”Ga en keer terug op de weg naar 
de woestijn van Damascus [Hebr.= ‘de zakkenweger zwijgt’]”
Hij spreekt, en “zalft Hazaël [Hebr.= ‘een, die God ziet’] als koning over Syrië [Hebr.-‘verheven’]”.
“Je zult Jehu [Hebr.=‘de Heer is Hij’], 
de zoon van Nimsi [Hebr.=‘gered’], eveneens 
tot koning over Israël [Hebr.=’God heeft de overhand (het lichaam van Christus, de Kerk)’] zalven; en zal Elisha [Hebr. אלישע = “Mijn God is redding”], 
de zoon van Safat [Hebr.=‘berecht of Hij heeft geoordeeld’], 
zalven. . . als Profeet in jouw plaats “1Kon.19: 15-16.
⁌     Dus God bepaalt altijd het einde van 
de spirituele “cultuuroorlog in Israël [de Kerk], ook in de Lage Landen
⁌     en 
bereidt Zich voor om Zijn Koninkrijk van afgoderij 
te bevrijden
⁌     en van de daarmee gepaard gaande kwaden bevorderd 
door Achab [Hebr.=‘broeder van de vader’] en Izebel [Hebr.= ‘kuis, fysiek contact vermijdend’].

‘Christus, de ware wijnrank’; ‘Christ, the true vine’; ‘Ο Χριστός, το αληθινό αμπέλι’; ‘المسيح ، الكرمة الحقيقية’

Heer en Verlosser, Gij hebt ons voorzien van 
Uw leven-schenkende Mysteriën
ter verlichting van onze ziel en ons lichaam en 
 ter verlichting van de ogen van ons hart: 
‘ Mogen wij door Uw Genadegaven ooit Uw Gerechtigheden leren te vervullen’
”.
– na de ontmoeting tijdens de Goddelijke Liturgie te bidden.

Maak ons waardig, Heer deze dag voor de zonde te worden bewaard.
Gezegend zijt Gij, Heer, God van onze Vaderen en geloofd en geprezen zij Uw Naam in der eeuwen, Amen.
 Moge Uw Barmhartigheden over ons komen, Heer, want in U stellen wij ons vertrouwen.
 Gezegend zijt Gij, Heer, leer mij Uw Gerechtigheid.
 Gezegend zijt Gij, o Koning, geef mij inzicht door Uw Gerechtigheid.
 Gezegend zijt Gij, o Heilige verlicht mij door Uw Gerechtigheid.
Heer, Uw Barmhartigheid is eeuwig, zie niet voorbij aan het werk van Uw handen.
 U komt de lof toe, U past de Hymne, aan U de eer:
aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
slot van de Grote DOXOLOGIE.

⁌    ” Ik ben ook maar een sterflijk mens, als al de anderen, geboren van het geslacht van de eerstgeschapen mens;
⁌     ” en ik ben ook vlees, gevormd uit de schoot van mijn moeder, tien maanden lang, in het bleod samen geronnen, uit mnnelijk zaad, door lust, in het bijslapen;
⁌     ” en ik heb ook toen ik geboren was, adem gehaald uit de algemene lucht en ben ook gevallen op dit aardrijk, dat ons allen gelijkelijk draagt;
⁌     ” en huilen, [voor de Brusselaren, ‘wenen‘] is ook, gelijk aan de anderen, mijn eerste stem geweest;
⁌     ” en ik ben in de windselen met zorg opgevoed. Want zelfs geen koning heeft een ander begin bij zijn geboorte; maar zij hebben allen hetzelfde [brussel éénerlei] ingang in dit leven en een gelijke uitgang.
☦️       ” Daarom heb ik gebeden en werd mij begrip [op z’n Brussel’s ‘doorzicht‘] gegeven: ik riep en de Geest der Wijsheid kwam over mij, en ik hield ze dierbaarder dan koninkrijken en vorstendommen, en rijkdom hield ik voor niets tegen haar
Het boek der wijsheid van Salomo 7: 1-8.

Apolytikion     tn.4
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding
en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4
  Mijn Heiland en Verlosser
heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.