4e week na Pinksteren – Onbaatzuchtige – ‘menslievende’ gedragingen in de Pedagogie van onze Heer en Verlosser, Jezus Christus.

John the baptist, in prison‘, by ensley, miniature

    Johannes nu hoorde in de gevangenis de werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen:
       Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?

En Jezus antwoordde en zei tot hen:
‘ Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen
[de Blije Boodschap] het Evangelie.
En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.
       Terwijl dezen heengingen, begon Jezus tot de scharen te zeggen van Johannes:
  Wat zijt gij in de woestijn gaan aanschouwen? Een riet, door de wind bewogen?
Maar wat zijt gij gaan zien? Een mens in weelderige kleding? Zie, die weelderige kleding dragen, zijn aan de hoven der koningen.
Maar waarom zijt gij dan gegaan? Om een profeet te zien?
      
Ja, Ik zeg u, zelfs meer dan een profeet.
Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend Mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal.
       Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij.
       Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.
Want al de profeten en de wet hebben geprofeteerd tot Johannes toe; en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.
      Wie oren heeft, die hore!Matth.11: 2-15.

John the Baptist, entering the wilderness

    Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.
Gij zult nu tot mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie wederstaat zijn wil?
       Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken?
Zal het geboetseerde soms tot zijn Boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?
Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?
       En als God nu, Zijn Toorn willende tonen en Zijn Kracht bekend maken, de voorwerpen van de toorn, die ten verderf toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft – juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot Heerlijkheid heeft voorbereid?
       En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen,  gelijk Hij ook bij Hosea zegt: ‘   Ik zal niet-mijn-volk noemen: Mijn-volk, en de niet-geliefde: Geliefde’. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden:
kinderen van de levende God’.
       En Isaiah roept over Israël uit: Al was het getal van de kinderen van Israël als het zand der zee, het overschot zal behouden worden; want
wat Hij gesproken heeft, zal de Heer doen op 
de aarde, volledig en snel.
      En gelijk Isaiah tevoren gezegd had: Indien de Heer Sabaoth ons geen zaad overgelaten had, als Sodom zouden wij geworden zijn en aan Gomorra zouden wij gelijk gemaakt zijn.
      Wat zullen wij dan zeggen?
Dit: ‘ heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit Geloof is; doch Israël [de Kerk], hoewel het een Wet ter gerechtigheid 
najaagde, is aan de wet niet toegekomen.
Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van Geloof, maar van vermeende werken.
Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat:
‘              Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op Hem zijn Geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen

Rom.9: 18-33.

    En God, Die de harten kent, heeft getuigd door
hun de Heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder
enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het Geloof hun hart reinigende.
Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen?
Maar door de Genade van de Heer Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij.
       En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.
En nadat dezen uitgesproken waren, nam Jaäcobus het Woord en zei:
       Mannen broeders, hoort naar mij! Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is
één Volk voor Zijn naam uit de heidenen te vergaderen.
       En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat:            ‘ Daarna zal Ik weerkeren en de vervallen hut van David weer opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weer opbouwen, en Ik zal haar weer oprichten, opdat het overige deel der mensen de Heer zal zoeken, en alle heidenen, over welke Mijn Naam is uitgeroepen, spreekt de Heer, Die deze dingen doet, welke van eeuwigheid bekend zijn.
       Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. Immers Mozes heeft van oudsher in iedere stad, die hem prediken, daar hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen.
       Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente mannen uit hun midden te kiezen en met Paulus en Barnabas [Hebr.=‘zoon van rust’] naar Antiochië te zenden:
Judas
[Hebr.= uit de stam Juda = ‘geprezen’], genaamd Barsabbas [Hebr. zoon van Sabba = ‘licht’,’zuiver’], en Silas [Hebr.= ‘de weg], mannen van aanzien onder de broeders.
       En men schreef door hun bemiddeling: De apostelen en oudsten groeten als broeders de broeders uit de heidenen in Antiochië [Hebr.=‘gedreven tegen’], Syrië [Hebr.=‘verheven’ en Cilicië [het land van Celix = Hebr.’cimbaal’].
Aangezien wij gehoord hebben, dat enigen uit ons midden u met hun woorden hebben verontrust, uw zielen in verwarring brengende, hoewel wij hun niets geboden hadden, hebben wij eenstemmig besloten mannen te kiezen om die tot u te zenden met onze geliefden, Barnabas en Paulus
[Hebr.=‘klein’], mensen, die hun leven hebben overgehad voor de Naam van onze Heer, Jezus de ChristusHand.15: 8-26.

Het Evangelie, de Blijde Boodschap, de Heilige Schrift.

    Wanneer jullie naar de Stem van de Heer, uw God, luisteren door
Zijn Geboden en Inzettingen te onderhouden, D
ie in dit Wetboek geschreven staan; wanneer jullie je tot de Heer, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel.
       Want dit gebod, dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor jullie en het is niet ver wegHet is niet in de hemel, zodat gij zoudt moeten zeggen:
‘ Wie zal opstijgen ten hemel, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen? En het is niet aan de overkant der zee, zodat jullie zouden moeten zeggen:
Wie zal oversteken naar de overkant der zee, het voor ons halen, en het ons doen horen opdat wij het volbrengen?
       Maar dit Woord is zeer dicht bij jullie, in jullie mond en in jullie hart, om het te volbrengen.
Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwaad:
Doordat ik u heden gebied de Here, uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de Heer, uw God, u zegene in het land, dat jullie in bezit gaan nemen.
Maar indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere goden neerbuigt en hen dient, dan verkondig ik u heden, dat gij zeker te gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit gaat nemen.
Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek;
kies dan het leven, opdat jullie zullen leven, jullie en jullie nageslacht,
⁌  d
oor de Heer, uw God, lief te hebben, naar Zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want
⁌  dat 
is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de Heer uw vaderen, Abraham, Isaäc en Jaäcob, gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou“ Deut.30: 10-20.

Waaruit ontstaat de behoefte om iemand anders
– ‘hulp aan te bieden’-?
Wanneer we als mens zijnde leed waarnemen, wekt dit
een emotionele reactie bij ons op, oftewel empathie.
Het kan bij deze empathie blijven of de reactie kan
uitgroeien tot de behoefte om deze medemens te helpen,
hem/haar bij te gaan staan.
In zulke gevallen is er sprake van altruïsme, ofwel
onbaatzuchtig gedrag.
Tussen het opkomen van de gedachte en het uitspreken van
de gedachte verstrijkt nogal eens wat tijd waardoor je
je er op een gegeven moment niet langer bewust van bent
wie’ je, ‘wat’ je en ‘waarmee’ je iemand hebt willen bijstaan.

Er zijn twee verschillende vormen van altruïstisch gedrag die in de praktijk met elkaar worden verward.
Dit gebeurt bij het ten onrechte benoemen van ‘positief’ altruïsme tegenover het ‘negatieve’ egoïsme.
Wetenschappers hebben ondervonden dat het een
niet bestaat zonder het ander.
De beste uitkomst is wanneer ‘het totale welbevinden
wederzijds het hoogst is’, dit wordt ook wel het welzijn’s-model genoemd.
Het egoïsme speelt hierbij een duidelijke rol, namelijk dat de gene, die zijn belang zoekt [de egoïst] en de altruïst tevreden zijn bij een beslissing waarbij
de altruïst  betaalt en de egoïst ontvangt. Kortom: beide partijen zijn gelukkig met de beslissing.

    Ja, Vader [, Die in de hemelen zijt], want zo is het een welbehagen geweest voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
      Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht” Matth.11: 26-30

Wat is de definitie van het -‘in God’s Naam’- verlenen van hulp?
Enige kenmerken:
✥ iemand in Christus aanmoedigen, stimuleren/aansporen op de geestelijke weg;
✥ u in Christus Naam, als God’s bescherming of ondersteuning aanbieden;
✥ u iemand in Christus Naam, als God’s hulp aanbieden;
✥ u bereid bent om daadwerkelijk in Christus Naam, in God’s Naam
naar iemand te luisteren, zodat hij/zij zich gehoord voelt.
           Met name in moeilijke tijden van de ontvanger bij ziekte of tegenslag
is een behoefte aan ondersteuning wellicht groter dan in ‘normale’ tijden.
De Gelovige mag dàn graag uw ervaringen delen met anderen;
– feed back of respons is dàn minder van betekenis, speelt dàn haast geen rol.
           Daar tegenover staat dat gebrek aan het geven van ondersteuning
gevoelens ontstaan van:
⁌  eenzaamheid, ik sta er helemaal alleen voor,
⁌  het rust allemaal op mijn eigen schouders,
⁌  ik kan het niet met anderen delen.
           Steun geeft immers verbondenheid aan en
je kunt er jezelf krachtiger of zelfverzekerder door voelen.

           Er is een verschil in het proces tot behoud van zelfstandigheid in steunen of leunen. Zoekt je hulp? Wat voor ondersteuning zoek je dan?
Wil je gewoon je verhaal even kwijt? Zoek je emotionele steun?
Òf wil je gewoon eventjes gedachten uitwisselen;
Òf is de vraag een klankbord, feedback?
⤽          Wil je soms een periode leunen op de ander?
Dan gebruik je de ander als aanleun-woning maar neem je zelf geen enkele verantwoordelijkheid meer voor het vraagstuk waar je mee bezig bent.
⤽         De valkuil hierbij is dat je ontzettend afhankelijk wordt van de steun van de ander. Zodra jouw behoefte aan steun doorslaat en jij afhankelijk wordt van steun van andere mensen gaat het ten koste van jezelf.
Min of meer dreigt hier een afhankelijkheidsrelatie te ontstaan.
Zodra de ander je maar steunt, voel je jezelf goed en blijf je jezelf goed voelen.
Jouw gevoel of gemoedstoestand wordt dan afhankelijk van wat anderen doen of nalaten.
Leerdoelen die hieruit voortkomen zijn o.a.;
⤽           dat er een feitelijke balans dient te zijn tussen zelfstandigheid enerzijds en de behoefte aan hulpverlening anderzijds.
⤽          Sommige mensen hebben ogenschijnlijk nooit behoefte aan hulp maar
wat er vaak speelt is dat ze geen hulp willen of durven vragen.
Men tracht zich op deze wijze sterk en groot houden en laten zien dat ze het zelf wel kunnen.
⤽          Het gevaar hiervan is vastlopen door -‘de lat’- te hoog te leggen,
teveel hooi op de eigen vork te nemen en hulpvragen die er wel zijn te ontlopen, te verdoezelen.
⤽          Nog een andere invalshoek:
je vraagt niet om hulp maar je wordt gevraagd om de ander te ondersteunen?
Belangrijk is goed te luisteren naar wàt de ander je wel niet vraagt.
           Wàt is zijn/haar werkelijke behoefte?
           Zoekt de ander steun of steunzolen?
Zoekt de andere emotionele ondersteuning of
wil hij/zij jou als aanleunwoning gebruiken?
⤽           In dit laatste geval wordt je geclaimd en ergens mee opgezadeld;
wellicht zit je daar helemaal niet op te wachten [zeg dat dan ook, schep duidelijkheid en laat een claim tot afhankelijkheid niet maar voortduren door evaluaties in te bouwen].

zebrapad, tweerichtingsverkeer

Wanneer je ervan uitgaat dat ‘eigenbelang’ de belangrijkste drijfveer
is van de mens is helpen dan nog wel opportuun?
Je daad wordt er namelijk niet minder goed om
indien er een motief tot wederzijds totaal welbevinden achter zit.
           Bovendien wordt de hulpverlener er mogelijk gelukkig van om te helpen,
ook wel de “verhevenheid van de helper” genoemd.
Het kan worden omschreven als een euforisch gevoel dat wordt opgevolgd door een periode met minder stress en meer energie.
           Er wordt vaak aan grote projecten gedacht wanneer men denkt aan ‘goed’ doen. 
Toch blijkt het regelmatig  te zijn dat hier vaak maar heel weinig van terecht komt.
Onderzoeken wijzen uit dat dit voor een ‘altruïstische dromer’, een luchtkastelen-bouwer weinig of geen verschil uitmaakt, die raast maar door.
Het morele gevoel wordt namelijk reeds bevredigd door alleen maar ‘te praten’ over het aanbieden van hulp en te blijven aanbieden, tot verstikkens toe.
Op het aanbieden volgt immers tevens de realisatie van het beloofde en dàt wordt veelal aan het lot of aan anderen overgelaten; [door middel van renteloze leningen (van buitenstaanders) òf het afschuiven van verantwoordelijkheden].
Hierdoor wordt het daadwerkelijk uitvoeren van de hulp als het ware minder “noodzakelijk”, die ander knapt het wel op, of je schuift de pijn van de gevolgen van de hulp naar de toekomst door [‘wie dan leeft, die dàn zorgt’].
Bovendien blijkt een altruïstisch initiatief vaak aanvankelijk gebaseerd te zijn op een impuls; het vergt namelijk ontzettend veel voorbereiding om een project daadwerkelijk ook uit te voeren, zeker wanneer je dit ‘zelf’ dient te realiseren.

– In de jaren tachtig is er veelvuldig onderzoek gedaan naar de reden dat mensen vrijwilligerswerk deden. Hieruit is gebleken dat dit werd gedaan om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Dit kan worden gedaan om meer werkervaring op te doen en deze op het eigen uiterlijk kunnen, de CV te kunnen vermelden.

Vrijwilligerswerk – Slavernij

Recente gegevens tonen nog onvoldoende aan of het tegenwoordige vrijwilliger’s -werk om dezelfde reden wordt gedaan of dat er sprake is van egoïstische motieven, bijvoorbeeld dat de ontvanger en de gebruikmaker van het vrijwilligerswerk, stelselmatig slechts profiteert en de vrijwilliger een armzalig bestaan blijft leiden [lijden].
Zelfs in de tijd van de VOC bleken de Amsterdamse welgestelden hier wel raad mee te kunnen en werd grof aan de mensenhandel verdiend [incl. het huis van Oranje]. In onze tijdsperiode wordt namelijk wat anders als de dienstverlener van die hulp, zich ontpop

wolf & kudde by Steaffan Windstrand

t als een zelfverrijkende bank, vezekering’s-maatschappij, pharmaceutische-industrie of de een of andere soortgelijke zorg-instelling, die zich blijken massaal als cowboys blijken te ontwikkelen als wolven onder de schapen.
               Hoe breng je de spirituele essentie van het wezen van de mens boven water, die enerzijds ‘het hele lichaam doordringt‘, maar tegelijkertijd op een onbegrijpelijke wijzer verborgen is en ‘fysiek ongezien‘ blijft. Zicht hebben op en hechten aan God’s Beeld en gelijkenis is een geestelijk zien.
Deze vraag staat centraal in de theorie en praktijk van de godsdienstige beweging, en de Kerkvaders hebben een reeks technieken ontwikkeld om
mensen bij te staan dit in hun zielen te ervaren. Een dergelijke manier van bestaan spreekt iedere mens aan en treft hen tot in het hart, zo niet dan gaan mensenmassa’s daaraan ten gronde.
Naast het ‘gewone, algemeen aanvaardde‘ regime van Wet en de uitwerking van de geboden omvatten deze methoden een complementaire mengeling van contemplatie, visualisatie, ervaringen van vreugde, droefheid, innerlijk geraakt worden bij de studie van Mystieke teksten.
Zoals we in Deuteronomium lezen is deze vraag niet alleen relevant voor
de innerlijke structuur van de religieuze ervaringen van het individu, maar
tevens van belang voor de algehele verlossing van de mensheid en de geschapen wereld.
De Kerkvaders verwezen – in hun tijd – reeds naar de laatste generatie van ‘het leven in ballingschap [de woestijn en de daarop volgende verlossing] en
de eerste generatie die ‘ de Verlossing en Opstanding’ reeds hebben ontvangen en
verklaarden dat het geheel van inzettingen en verordeningen voor de dienaar God’s in de historische missie van iedere generatie niets minder is dan het inluiden van de Goddelijke realiteit, tot een nieuwe Hemel en een nieuwe aarde, waarin het iedereen gegeven mag zijn te delen in de vreugde van de weelde, hetgeen een Goddelijk Inzetting/Gebod is.

Adonai is het meervoud van Adon, wat betekent: “Heer, Meester, of eigenaar” [het woord Adon is afgeleid van een Ugaritische woord “Heer” of “Vader“].

Een belangrijk onderdeel van het utopische tijdperk is de openbaring van de waarachtige goddelijke aard van de materiële wereld en alles wat daarin bestaat.
Zoals de ziel in de kunst wordt beschreven als ‘een waarachtige Genadegave, een bijdrage van God’s-wege’ vereist het proces van het creëren ‘Verlossing‘ opdat elke persoon ernaar streeft om zijn eigen ziel en de zielen van anderen te onthullen.
Wanneer kunst van deze informatie gebruik maakt,  resoneert het in/met ons
een gevoel van essentiële zelfheid, en we ervaren de esthetische waarde als geluk; als een ‘open brief’ of een getuigenis aan ‘Adonai‘ [‘mijn Heer en mijn God‘, omdat de Naam als aanduiding van God uit respect niet werd uitgesproken].

Onderscheidingsvermogen

Mid-Pentecost [russian, 18th cnt], op twaalfjarige leeftijd spreekt onze Heer al moedig met de leraren in de Tempel
Hoe méér de menselijke ziel wordt ontsloten, hoe méér God en Zijn Goddelijke Genade in de wereld geopenbaard wordt en dan bedoel ik over de gehele wereld waarin de Jood’s-Christelijke cultuur alom aanvaard wordt.
Het is ons bekend, neem als voorbeeld die Heiligen, die zonder enige vooropleiding, “wier begrip in kennis van God beperkt is” en daarom geen liefde en vrees voor God zouden hebben dienen te ontwikkelen als gevolg van een intellectuele gerichtheid, toch blijken “buitengewoon dichtbij” God en Zijn Genadegaven te kunnen naderen.
Dit is vanwege de aard van de gelovige ziel [de nous *] die “in zichzelf” een verlangen meegekregen heeft zich te verenigen met Zijn oorsprong en
de Bron welke uit God [bij de schepping] is voortgekomen.
*    [Met Nous wordt de hoogste vorm van denken, een bijna goddelijk denken bedoeld. Het is de soort intellectuele intuïtie die aan het werk is als je definities, concepten ineens begrijpt, plots ‘geestelijk ziet‘, als bij een goddelijke ingeving].
Dienovereenkomstig is de modus operandi het opgraven van het externe ego dat
uiteindelijk een wortel/grondslag in de menselijke ziel zal onthullen, die
van nature volkomen verenigd is met God.

God kan echter alleen ‘Waarachtig‘ bekend worden door de Genade van de Heilige Geest. Dit komt omdat echte kennis van God niet intellectueel maar ‘ervaring’s-gericht werkt: op Hem gaan lijken en zoveel mogelijk met Hem verenigen. Dat is waarom de mate van ware kennis voortkomt uit de mate van Liefde: hoe volmaakter de Liefde tot God en de naaste, hoe perfecter uw kennis zal zijn.

De ervaring van het Geloof toont het ‘niet als ongewoon ervaren’ voorkomen als
een bewijs aan dat deze aangeboren, ingelegde liefde inderdaad aangeboren is:
Zelfs de … god-belijders van een ver afgelegen en onderontwikkelde bevolkingsgroep offeren in de meeste gevallen hun leven voor de heiligheid van God’s Naam en ondergaan een lijden in hardvochtige martelingen in plaats van de enige God te verloochenen, hoewel ze moedig en ongeletterd zijn en nog onwetend zijn wat betreft God’s Heiligheid, Sterkte en On-sterfelijkheid.
Want welke kleine kennis de mens ook mag bezitten, zij put absoluut ‘niet’ uit kennis en wetenschap, en dus geven ze hun leven niet op vanwege enige kennis of contemplatie ten opzichte van God.
Eerder belijden zij God in [het martelaarschap] zonder enige kennis en reflectie, maar alsof het absoluut onmogelijk zou zijn om de ‘enige‘ God af te zweren; en
zonder enige reden of aarzeling van wat dan ook.
Fanatieke ontkenners van het Geloof en zondaars offeren hun leven niet op vanwege hun intellectuele begrip van God’s Grootheid en de emotionele vorming, welke is afgeleid van dergelijke basale vaardigheden, processen of waarnemingen.
Integendeel, er is iets ‘in-gebed’, het principe -‘gepaard gaand met de dood’- in de ‘toch gelovige psyche’, aangeduid als de gelovige kern, die altijd definitief met God verbonden is.
De irrationele keuze van een zichzelf verklarende atheïst is een openbaring van de diepste schuilhoeken van de gelovige ziel, om zijn leven in het belang van God belangeloos op te geven.

De openbaring van de ziel beschrijft als het ware het resultaat van een extreme mate van externe druk. Het is wanneer een niet-gelovige vijand met een zwaard naar de keel van de gelovige wijst, zodat de verborgen kern van de gelovige daarmee wordt onthuld; de oer-kreet is ‘help’ of hoe de schreeuw om hulp ook geformuleerd wordt.
Wat en van Wie komt de verwachtte hulp in de dood’s-strijd? –
♨︎ van ‘De Ene‘, Die de Heilige, de Sterkere en On-sterfelijke is’, dus van ‘God’.
Los van een dergelijke externe druk, is het voor een mens mogelijk zijn gehele leven toch als gelovige te leven met zijn innerlijke goddelijke kern, die verborgen blijft onder de lagen van zijn/haar kleine en zelfzuchtige ego.
Ons goddelijk kindschap bestaat er niet alleen in dat wij met God omgaan zoals
een zoon met zijn vader. Dat zou immers mysterieus, ontzagwekkend en onwaarschijnlijk groot dienen te zijn.
Het betekent dat de heilige Geest ons werkelijk verenigt met God, Die ons gelovigen via de Zoon is geopenbaard en dat wij door Hem, als ledematen van Zijn Lichaam, werkelijk kinderen van God de enige Vader zijn.
Nooit en te nimmer zullen we immers vèr genoeg in dìt immense Mysterie  kunnen doordringen.
En wij gelovigen zullen we God er nimmer genoeg voor kunnen bedanken dat Hij Zich, via Zijn Zoon -‘ons nietige mensen’ waardig bevonden heeft te doen delen in het goddelijk leven van de Al-Heilige  Drieëenheid, door ons te verheffen tot de conditie als kinderen van God.

H. Cyprianus, toezichthouder van Carthago [3e eeuw]

Reeds nu zijn wij kinderen van God’s kudde:
verenigd met het lichaam van Christus, de Kerk, in de eenheid van de Vader en de Zoon en de heilige Geest
” Heilige Cyprianus, ‘in aanbidding tot de Heer’ [oratione dominica].
Op die wijze dienen wij altijd naar de Kerk te kijken en intensief samen te werken aan het bevorderen en het verbeteren van de onderlinge verbondenheid met onze broeders en zusters [Raad van Kerken], die ons verenigt met alle leden van het Mystieke Lichaam van Christus.
De Oecumene is wat dat aangaat een voor iedereen aantrekkelijke attractie, die
wanneer je het opgeven van bestuurlijke functies in ogenschouw neemt, eerst bij het einde der tijden door het enige eigenlijke Hoofd van de Kerk, onze weerkerende Heer en Verlosser, gerealiseerd zal kunnen worden. We dienen alles wat op de heilige Kerk betrekking heeft te zien als iets dat ons allen, geen bloedgroep uitgezonderd, ontzettend aangaat.
Laten wij de christelijke oproep tot een vertrouwelijke omgang met God
– dat wil zeggen tot de heiligheid, tot heelheid – meer en meer serieus nemen; niet als iets ‘algemeens‘ maar concreet’,
met alles erop en eraan bij de gemeenschap waar we ons ‘thuis’-zijn ervaren:
als de Wil van God voor ieder van ons, die bij onze naam geroepen zijn.
    Want jullie weten, welke voorschriften wij jullie gegeven hebben door de Heer Jezus Christus. 
Want dit Wil God: jullie heiliging, dat jullie je zult onthouden van de ontucht [je bindt aan een ander (de wereld) dan aan God], dat ieder van jullie in heiliging en eerbaarheid zijn vat [toegevoegde waarde als mens] zal weten te verwerven, niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals ook de heidenen, die van God niet weten, en dat men zijn broeder niet slecht zal behandelen of bedriegen in deze zaak, want de Heer is een wreker van dit alles, zoals wij u ook vroeger gezegd en nadrukkelijk betuigd hebben.
Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging. Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, Die u immers ook Zijn Heilige Geest geeft“ 1Thess.4: 2-8.
De Heer stelt ons de heiligheid niet alleen voor als een doel waarnaar wij moeten streven, maar veeleer als een doel dat God Zichzelf heeft gesteld om als Vader tot bij ons te komen.
Wij dienen daarom niet ontmoedigd te geraken door onze zwakheid, want wij kunnen altijd rekenen op ‘de Sterkte van God’ wanneer wij vaak naar de bronnen van de Genade gaan: ‘de vereniging in het Mysterie van de Goddelijke Liturgie, het belijden van onze ongerechtigheden in het Mysterie van het door onze tranen herdoopt worden ‘de biecht’, en ons niet aflatend [Jezus-]gebed.
Met gebruik te maken van deze aan God ontleende “Sterkte” zijn wij in staat het werk en de rust, het gezinsleven en de onderlinge sociale betrekkingen,
onze gezondheid en ziekte, te heiligen.
Dat wil zeggen, wij kunnen onze beperkingen en ellende overwinnen en
vooruitgang vinden op de Christelijke weg, Die door de werking van de heilige Geest, leidt naar de uiteindelijke vereniging met Jezus Christus:
    Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.
Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in Zijn Lijden en sterven, is dat om ook te delen in zijn ver-Heer-lijking. Want ik [apostel Paulus] ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de Heerlijkheid, Die over ons geopenbaard zal worden.
Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen van God.  Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om [de Wil van] Hem, Die haar daaraan onderworpen heeft, in de Hoop echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid bevrijd zal worden tot de Vrijheid van de Heer-lijkheid van de kinderen van GodRom 8: 16-21.

Het verkrijgen van onderscheidingsvermogen
Om onderscheidingsvermogen te verkrijgen dienen wij dag in, dag uit te bidden:
        Heer, schenk gehoor aan mijn woorden; geef acht op mijn geroep.
– Luister naar de stem van mijn smeken, mijn Koning en mijn God.
– Tot U, Heer, richt ik mijn bede; in de ochtend hoort Gij mijn stem.
– In de vroege morgen sta ik [reeds] voor U, en Gij ziet op mijn neer.
– Gij zijt geen God die onrecht wilt; geen boosdoener kan bij U wonen.
Wetsovertreders houden geen stand voor Uw ogen, Gij haat allen die onrecht bedrijven.
– Gij vernietigt allen die leugen spreken; de Heer verafschuwt mannen van bloed en bedrog.
Maar door de overvloed van Uw barmhartigheid, mag ik binnentreden in Uw huis.
– Ik zal neervallen voor Uw heilige Tempel, in vreze voor U.
Heer, leid mij in Uw rechtvaardigheid wegens mijn vijanden; maak mijn weg recht voor Uw aanschijn.
Want in hun mond is geen waarheid: hun hart is lichtzinnig.
Een open graf is hun keel. zij plegen bedrog met hun tong.
Oordeel hen, God, doe hen vallen in hun plannen.
Verstoot hen om hun talrijke misdaden, want zij hebben U getergd, o Heer.
Maar schenk vreugde aan allen die op U hopen: zij zullen juichen in eeuwigheid, want Gij woont onder hen.
Op U roemen allen die Uw naam liefhebben, want Gij zegent de gerechten.
Heer, met een schild van welbehagen hebt Gij ons omringd
Psalm 5. vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Ouderling Joseph the Hesychast [1898-1959, I.M. Philotheou, van de berg Athos [Gr.], raadt dit eenieder van ons mensen aan:
1.]. ’De Ene te blijven zoeken. . .
Die is in staat om de wateren van de wateren te scheiden . . . en 
Die ons mensen bijbrengt, hoe je waanideeën kunt vermijden “ uit: ‘Monastic Wisdom’, blz. 188.
2.]. Vervolgens is het noodzakelijk dat we ons verwijderen [bekeren] van alle ongerechtigheid, slechte werken en het spreken van leugens, zodat de corrupte dingen in ons, die afstammen “van een bittere wortel” in zoete voeding voor de ziel worden getransformeerd”
conf. Heilige Nikitas Stithatos, Philokalia, deel 4, blz. 81.
3.]. Door de Genade van God, laten we onophoudelijk bidden en aanbidden
totdat “de vrees voor God” volledig in ons ontwaakt is.
Ouderling Joseph vervolgt:
Een mens, die . . . vervuld is van goedgunstigheid, zal ten alle tijde voorzichtig zijn en nooit overmoedig worden of op zichzelf vetrouwen, maar brengt voortaan de rest van zijn leven onophoudelijk de vreze God’s voor ogen . . . .”.
4.]. Smeken we onze Heer en Zaligmaker om ons “op de weg van Zijn Gerechtigheid” te leiden en onze wegen “recht houden voor uw Aanschijn”.
In de H. Diadochos van de toezichthouder Photike [4e eeuw], leidt rechtvaardigheid “naar boven op naar de zon van de Gerechtigheid en ontsteekt het in ons binnenste . . . grenzeloze verlichting uit: Philokalia, deel 1, blz. 254.
5.]. Wij mensen dienen alle ijdele en bedrieglijke woorden, duivels en goddeloosheid te onthullen om ze “te verwerpen” [zoals bij de voorbereiding op het Mysterie van de doop ‘uit te spuwen‘].
Wanneer onze geest gevangen wordt gehouden door . . . de duisternis van de vijand,  . . . laat dan alles achterwege . . . stop onmiddellijk met gedachtenspinsels te ontwikkelen of een betoog te houden, want we kennen immers de Waarheid niet zolang onze geest niet gezuiverd is” uit: kleine Russische Philokalia, deel 4, p.125.
6.]. Smeek de Heer onophoudelijk: ‘Kom en verblijf in ons en reinig ons van alle smet en red onz zielen o, Al-Goede’, teneinde in ons te wonen, opdat
we ons in de Hoop op Hem mogen zijn en “ons ooit in Zijn Koninkrijk zullen verblijden”. 
De Heer trekt ons weg van kwaad, jaloezie, bedrog en “een werveling van verlangen” Wijsheid 4: 11-12, opdat we in ons door de Heilige Geest onderscheidingsvermogen, d.w.z. ‘goddelijk inzicht’ mogen verkrijgen.
Zoals de psalmist zegt:
veel vrede hebben zij die God’s geboden liefhebben, en
voor hen is er geen struikelblok
Psalm 118 [119]: 165.
7.]. Tenslotte, stel je hart open en stem toe aan heerlijkheid in de Heer.
Wees blij dat je de Liefde van Zijn Naam in je hebt, want
Hij belooft dat Hij “de rechtvaardigen zal zegenenPsalm 5: 12 en
“met Zijn welbehagen schild en kroon ‘Zijn’ mensen zal omringen” Psalm 5: 13.

Bij het toepassen van deze stappen dienen we altijd het advies van Abba Serapion de Sindonite op te volgen teneinde “te leren dat we zullen worden toegestaan de gave van echte discriminatie wanneer we vertrouwen, niet langer in de oordelen van onze eigen geest, maar in de lering en heerschappij van onze vaders. De duivel brengt immers de mens [en zeker de ascetische worstelaar] op een effectievere manier naar de rand van vernietiging door hem stelselmatig te trachten te overtuigen om de vermaningen van de vaderen te negeren en zijn eigen oordeel en verlangens na te volgen, dan door bij zichzelf een andere fout zal erkennenPhilokalia, deel 1, blz. 104.

Hier volgen dan nog vijf signalen ter waarschuwing van de Heilige Paisius Velichkovsky van Moldavië & Mount Athos [1794], die ons eveneens steun kunnen bieden bij het onderscheidingsvermogen:
dat wanneer we worden aangevallen door de boze, maar het beste haast kunnen maken ons voor bijstand naar onze biechtvader te rennen.
Onze gedachten zijn immers:
1.]. Voorzeker belemmerd of op z’n minst afgeweken van de goede weg;
2.]. zijn niet langer kalm en rustig, maar zijn door de aanval van de boze zowel in hart als geest met verstoord;
3.]. Dit veroorzaakt diep in ons hart sterven’s smart en pijn;
4.]. Dit verblindt ons, we verliezen al de ingevingen van vrees voor de Heer;
5.]. we zijn niet meer in staat vrijuit onze goddelijke werken te verrichten,
maar ondervinden alleen nog maar last van duisternis en verwarring.

Verlicht onze harten,
O Meester met het zuivere Licht van Uw Goddelijke Kennis en
open onze noetische ogen voor het begrip van uw Pedagogie van het Evangelie.
Want Gij zijt onze verlichting, o Christus onze God, en
aan U brengen wij eer aan Uw Vader en Uw Heilige Geest
”.
Gebed door de priester vóórafgaand aan het lezen van het Evangelie.