5e Woensdag na Pascha – mag mijn klaaglied opstijgen als wierook voor Uw Aangezicht

Iconen onlosmakelijk onderdeel van Christus’ Pedagogie; Icons are an integral part of Christ’s Pedagogy

    Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zei Hij tot Philippus [Hebr.= ‘liefhebber van paarden’ (een harde, sterke werker, die doorzet)]: ‘ Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten ?’.
Maar dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou.
Philippus antwoordde Hem:
  Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen’.
Een van zijn discipelen, Andreas [Hebr.= ‘mannelijk’], de broeder van Simon Hebr.=‘luisterend’] Petrus [Hebr. = ‘(standvastig) rotsblok’], zei tot Hem:
  Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?’.
Jezus zei: ‘ Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend.
Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten.
En toen zij verzadigd waren, zei Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren zal gaan.
Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had.
Toen dan de mensen zagen, welk teken Hij verricht had, zeiden zij: ‘ Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zou’John.6: 5-14.

Χριστός- Κύριος και Δάσκαλος της ζωής μας; Christus, Heer en Meester van ons leven; Christ: Lord and Master of our lives

    Jullie noemen Mij Meester en Heer, en jullie zeggen dat terecht, want Ik ben hetIndien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen [= dienstbaar te zijn jegens elkander]; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook jullie doet, zoals Ik u gedaan heb.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant boven zijn zender. 
Indien jullie dit weten, zalig zijn jullie, indien jullie het [ook] doen [in praktijk brengen]. 
Ik spreek niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen; maar het schriftwoord moet vervuld worden: Hij, die mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven.
       Thans reeds zeg Ik het u, eer het geschiedt, opdat jullie, wanneer het geschiedt, gelooft, dat Ik het ben.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie ontvangt, die Ik zend, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft.
Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest en Hij getuigde en zei:
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een van u zal Mij verraden.
De discipelen zagen elkander aan, in het onzekere, van wie Hij sprak.
Een van de discipelen, dien Jezus liefhad, lag aan de boezem van Jezus; hem dan gaf Simon Petrus een wenk en zei tot hem: ‘Zeg, wie het is, van wie Hij spreekt’Hand.13: 13-24.

      Toen hoorden Sefatja [Hebr.=‘de Heer heeft recht gesproken’], de zoon van Mattan [Hebr.= ‘een gift’], Gedalja [Hebr.=‘de Heer is groot’], de zoon van Paschur
[Hebr.=‘vrijheid’]; Ju(ch)kal [Hebr.=’De Heer vermag’] , de zoon van Selemja [Hebr.=’door de Heer vergolden’], en Paschur, de zoon van Malkia [Hebr.=’mijn Koning is de Heer’],
de woorden, die Jeremia
[Hebr.= ‘door de Heer aangesteld’]tot het gehele Volk bleef spreken:
Zo zegt de Heer: Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, de honger of de pest, maar wie eruit gaat naar de Chaldeeen, zal leven en zijn ziel als buit hebben en in leven blijven.
   Zo zegt de Heer: Voorzeker zal deze stad in de macht van het leger van de koning van Babel gegeven worden en dat zal haar innemen.
       Toen zeiden de vorsten tot de koning:
Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de krijgslieden die in deze stad zijn overgebleven, en de gehele bevolking, door op zulk een wijze tot hen te spreken, want deze man zoekt niet het heil voor dit volk, maar het kwade.
Koning Sedekia [Hebr.=‘De Heer is rechtvaardig’] zei:
Zie hij is in uw hand, want de koning vermag niets tegen u.
Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia
[Hebr.=’mijn Koning is de Heer’], die in de gevangenhof was, en zij lieten hem aan touwen zakken; in de put nu was geen water, maar wel slijk; en Jeremia zonk in het slijk.
Ebed-melek [Hebr.=‘dienaar van de koning’] echter, de Ethiopier [Aithiops; zwart, van aitho (verbranden) en ops (het gezicht)], een hoveling, die in het paleis des konings was, hoorde, dat zij Jeremia in de put hadden neergelaten [de koning nu vertoefde in de Benjaminpoort (Benjamin = zoon van geluk)].
En Ebed-melek ging uit het paleis van de koning en sprak tot de koning:
       Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, dat zij hem in de put hebben geworpen; hij zou toch op de plaats zelf wel sterven van de honger, doordat er geen brood meer in de stad is.
       Toen gebood de koning Ebed-melek, de Ethiopier:
Neem van hier drie mannen mee en trek de profeet Jeremia uit de put, voordat hij sterft.
       Toen nam Ebed-melek de mannen mee en ging in het paleis des konings in de ruimte onder de voorraadkamer en nam vandaar lappen van afgedragen en gescheurde klederen, die hij aan touwen naar Jeremia in de put neerliet.
       En Ebed-melek, de Ethiopier, zeide tot Jeremia:
Leg nu de lappen van de afgedragen klederen en de lompen onder de oksels van uw armen, onder de touwen. En Jeremia deed dit.
       Toen trokken zij Jeremia aan de touwen op en haalden hem uit de put. En Jeremia bleef in de gevangenhofJeremia 38: 1-13.

Het verval van de Kerk in ‘onze’ tijd

Onze Heer, Jezus Christus = onze God; Our Lord, Jesus Christ = our God; Ο Κύριός μας, ο Ιησούς Χριστός = ο Θεός μας

              Hoe is het goud donker geworden, het goede, fijne goud veranderd! De stenen van het Heiligdom liggen in het rond op de hoek[en] van alle straten!
De kostbare kinderen van Sion, [eens] gewaardeerd als zuiver goud, hoe worden zij [nu] beschouwd als aarden kruiken, het werk van pottenbakker’s-handen!
Zelfs jakhalzen reiken
[nog] hun jongen de borst,  om ze te laten zuigen; [maar] de dochter van mijn Volk is zo wreed geworden als struisvogels in de woestijn. De tong van de zuigeling kleeft aan haar gehemelte van dorst. Kleine kinderen vragen om [Hemels] Brood, niemand verstrekt [het] hun. Zij die [eens] lekkernijen aten, en kwijnen [nu verslaafd aan weet ik wat al niet] weg op de straten; zij die [eens] met karmozijnrode stof vertrouwd waren, omarmen [nu] het vuil.
Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk dan de zonde van Sodom, dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,
zonder toedoen van [mensen-]handen.
Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, blanker dan melk, roder van lichaam dan robijnen; hun gestalte was gladder dan een saffier. 
[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als hout.
Zij die vielen door het zwaard zijn beter af dan zij die vielen door de honger,
[want als] doorstoken kwijnen die weg omdat de velden niets opbrengen.
De handen van barmhartige vrouwen  hebben hun [eigen] kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden bij de ondergang van de dochter van Mijn Volk

Klaagliederen 4: 1-10.

    Heer, ik roep tot U; verhoor mij; verhoor mij, o Heer.
Heer, ik roep tot U: verhoor mij; verhoor de stem van mijn smeking.
Wanneer ik tot U roep, verhoor mij, o Heer.
Laat mijn gebed opstijgen, evenals wierook voor Uw Aangezicht.
De opheffing mijner handen zij een avondoffer; verhoor mij, o Heer.
Stel, Heer, een wacht aan mijn mond: maak een gesloten deur van mijn lippen.
Neig mijn hart niet tot slechte woorden, om met uitvluchten mijn zonden te verontschuldigen.
Tezamen met mensen die goddeloosheid bedrijven; ik wil geen deel hebben aan hun lusten.
Laat de rechtvaardige mij tuchtigen met erbarmen, dan zal hij mij van schuld overtuigen.
Maar sta niet toe, dat mijn hoofd gezalfd wordt door olie van zondaars; mijn gebed verzet zich tegen hun lusten. Wanneer hun rechters vanaf de rots geworpen worden, zullen zij weten dat mijn woorden God aangenaam zijn. Want als aardkluiten over het land, zo zijn hun beenderen verstrooid bij het graf.
Heer, op u zijn mijn ogen gericht; Heer, op U vertrouw ik: ontneem mij het leven niet.
Bewaar mij voor de strik die zij tegen mij spannen, voor de struikelblokken der boosdoeners.
Laat de zondaars in hun eigen net vallen; al ben ik alleen, toch ga ik Uw weg.
Met mijn stem heb ik tot de Heer geroepen; met mijn stem heb ik tot de Heer gebeden.
Ik stort mijn gebed uit voor Zijn aangezicht; voor Zijn aanschijn klaag ik mijn nood.
Mijn geest ging uit mij heen, maar Gij, Heer, kent mijn wegen.
Op de weg die ik gaan moest, hadden zij een valstrik voor mij verborgen.
Tevergeefs wendde ik mij naar rechts om een verdediger, maar er was niemand die mij wilde kennen. Vluchten was mij onmogelijk; er was niemand die zich om mijn leven bekommerde.
Toen heb ik tot U geroepen, heer; ik zei: Gij zijt mijn hoop, Gij zijt mijn deel in het land der levenden. Luister naar mijn gebed, want ik ben ten uiterste vernederd.
Bevrijd mij van mijn vervolgers, want zij hebben mij overmeesterd.
Voer mijn ziel uit de kerker, opdat ik Uw naam moge belijden.
De gerechten zien uit, tot Gij mij vergeldt
                                                                     ✥✥✥
    Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond.
Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste.
Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden van Uw handen; Ik strek mijn handen naar U uit.
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn
geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf.
Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid;
Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid.
Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar;
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land
Psalm140,141[141,142] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Jeremia, by Ernst Alt.

Jeremia, zonder brood in de Put:
    En zij wierpen Jeremia in de put van van prins Malkia [Hebr.= ‘mijn Heer is Koning’], de zoon van de koning, die in het voorhof van de gevangenis was.
Ze lieten Jeremia [Hebr.=‘door de Heer aangesteld’] in de put vallen waar geen water was, behalve modder; aldus was hij in de modder [in het slijk der aarde]“.
De belegering van Jeruzalem duurde van januari 588 tot aan juli van 587 vóór Christus, n de zomer van 588 voor een korte tijd onderbroken. Op dat moment werden de Babyloniërs gedwongen te onthechten om te handelen met een Egyptisch leger oprukkende tegen hen.
Tijdens die korte onderbreking in de gevechten werd Jeremia gearresteerd en vastgehouden.
De functionarissen van Juda die de voorkeur gaven aan
een pro-Egyptische politiek, hebben de overhand: ‘de stad moet standhouden’.
Ze beschouwen Jeremia niet als een Profeet; in plaats daarvan
demoraliseert hij de troepen van het leger terwijl
ze zich verzetten tegen de Babylonische aanval op de stad.
Ze roepen:
“Laat die man [Jeremia] ter dood worden gebracht, want door te spreken . . .
door zulke woorden te uiten worden de handen van de strijdende mannen verzwakt die in de stad zijn achtergelaten en ondermijnt dit tevens de inzet van alle mensen” Jeremia 38: 4.

De zwakzinnige koning Zedekia heeft weinig feitelijke macht, dus
geeft hij de functionarissen toestemming om met Jeremia te doen wat ze willen Jeremia 38: 5.
Tijdens de hete zomer is het water in de stortbak in het huis van de koningszoon uitgeput, dus laten ze Jeremia in deze waterloze put vallen om
te sterven temidden van de insecten die in de modder gedijen Jeremia 38: 6.

Let erop dat de Profeet gedurende deze opeenvolging van gebeurtenissen niets zegt, hij laat alles stilzwijgend over zich heenkomen.
Nèt als Christus die in handen van Pontius Pilatus was overgeleverd Luc. 23,
blijft Jeremia diep in de put zwijgen, het enige wat te horen is, is de zwerm insecten, die luid te keer gaan en zich tegoed doen aan zijn bloed.
Is de stem van de Heer Die Zich tegen de wereldse wijsheid verzet eveneens niet meer te horen? Kan het woord van God alleen verstikt worden door zijn Profeet
in een modderige stortbak te laten wegkwijnen?

gebed, “Heer, ontferm U”.

O God,  gedenk ons westerlingen in Uw Genade over zulke zelfverzekerde overheersende gedachten en daden!
We weten tot op het bot dat het Woord des Heren nooit uit wordt gevaagd,
gemuilkorfd of verborgen kan worden als
gevolg van een simpel fiat, een potloodstreep van een ambtenaar,
door het fiat van gewone stervelingen.
Laten we nooit de andere kant opkijken, zoals koning Zedekia doet Jeremia 38: 7
en zwijgzaam toekijken, terwijl anderen van plan zijn het Woord van God om zeep te helpen. Boze mensen mogen concluderen dat hun ideeën beter zijn dan
die van God, maar wee degenen die zich voorstellen dat ze de stem des Heren kunnen doen verstommen!

Heilige Andreas van Salos, ‘dwaas om Christus Wil’; Saint Andreas of Salos, ‘fool for Christ’

Een buitenlander – een vluchteling, zoals in onze tijd,
een slaaf in het huishouden van de koning,
een ontkracht iemand die geen macht heeft
– is [nog] de enige mens die tot in z’n hart geroerd is
door Jeremia’s benarde situatie.
Deze gemarginaliseerde bevolkingsgroep doet ook in onze tijd [veelal tegen het wettelijk minimum loon of een bijstandsuitkering] drie simpele dingen die iemand kan doen die onaangename Waarheid aan het Licht zou willen brengen;
ook in onze tijd in ons Missieland.
Ten eerste doet hij een beroep op iemand die in staat is
de onrechtvaardigheid om te keren en roept “Heer, ontferm U” Jeremia 38: 8,9.
Vervolgens gaat hij verder met het nemen van de nodige stappen om degene die de Waarheid spreekt uit de put te verheffen Jeremia 38: 11-13.
Ten slotte probeert hij bij het uitvoeren van het reddingsplan de persoon die hij wil helpen niet te schaden Jeremia 38: 12.

We hebben altijd de mogelijkheid om nog te spreken wanneer de Waarheid uit het zicht verdwenen is. Mogen we altijd en eeuwig de moed vinden om diegenen aan te spreken die in staat zijn om een ​​fout te corrigeren wanneer de Waarheid in de kiem wordt gesmoord.
Elke genoegdoening van grieven begint wanneer iemand blootlegt wat er gebeurt met degenen die aan de macht zijn, òf het nu gaat om plaatselijk aangestelde of zichzelf verheven [tot goden verheven] hebbende functionarissen,
spelleiders, toezichthouders, koningen, prinsen, directeuren,
managers of eigenaren,
allen, die hun macht en aanzien
misbruiken.
Deze leiders zijn in een positie om
onze persoonlijk beredeneerde oproepen
namens God’s Waarheid te vernemen,
òf zij er iets mee doen is een tweede.
Het blijkt in de praktijk steeds maar weer ‘mis’ te gaan, want
ook zij doen de dingen ‘in zonde’, d.w.z. ‘zonder God’ en
komt er geen mentaliteitsverandering op gang.
De mens kàn de mens niet veranderen, dat is slechts in de handen van ‘GOD”, Die is De Éne, Énige Waarachtige, Die ons in staat kan stellen ons te doen opstaan.

Terwijl anderen helpen, stelt de Ethiopische eunuch
een paar “oude lompen en oude touwen” [uit de kringloop]
samen tot een hef-gelegenheid Jeremia 38: 11 en
wendt ze aan om de profeet die in het slijk der aarde is gestrand,
tot een menswaardig bestaan te verheffen.
Dàn trekken hij en de dertig [gelijkgezindte] mannen Jeremia er op uit.
Ebed-Melech doet wat hij kan.
Ook wij zijn in staat ons in te spannen met
alle middelen die ‘God’ ons ter beschikking stelt, je dient er alleen maar inzicht in zien te verkrijgen en dáár ontbreekt het veelal aan.

Merk op dat de eunuch in de loop van de redding
oh zó voorzichtig is om Jeremia niet te verwonden, noch
ook maar iets toe te voegen aan zijn ongemak.
De oude vodden [uit de kringloop] vangen de oksels
van de profeet op
terwijl de mannen hem optillen,
hem bevrijdend vanuit de modder verheffen en
hem doen herstellen
voor ‘het Licht en het Leven‘,
voor God’s aangezicht Jeremia 38: 12.
En God zag dat het goed [=’tov’] was

‘Talendon’, oproep tot gebed op de botten van Adam; ‘Talendon’, call for prayer on the bones of Adam

Hoe zal ik beginnen de werken van mijn armzalig leven te bewenen.
Hoe zal ik een begin maken, Christus, met deze klaagzang?
Schenk mij toch, Barmhartige, vergeving van mijn zonden
Eph.1: 7.

Kom, ongelukkige ziel, in uw lichaam:
belijd uw zonden aan de Schepper van het heelal.
Onthoudt u voortaan van uw vroegere redeloosheid, en
breng aan God tranen van berouw
”.

  Adam, de eerst-geschapene, heb ik voorbijgestreefd in zijn overtreding, en
toen bemerkte ik dat ik van God ontbloot ben, en
van het eeuwig Koninkrijk en haar genietingen, door mijn zonden
Gen.3: 7.

Wee mij, ongelukkige ziel!
Waarom hebt gij uzelf gelijk gemaakt aan de eerste Eva?
Want gij keek met begeerte en ge werd bitter gewond.
Gij raakte de boom aan en proefde onbezonnen van de bedrieglijke vrucht
Gen.3: 5.

  In plaats van de zichtbare Eva is
een zinnebeeldige Eva in mij opgestaan:
de hartstochtelijke gedachte in mijn vlees.
Deze toont mij het zoete genot, maar
laat mij steeds proeven van het bittere voedsel
Gen.3: 7.

  Terecht werd Adam uit Eden weggejaagd, Verlosser, omdat
hij Uw éne gebod niet onderhouden had; hoe
zal het mij dan vergaan, die steeds weer
Uw leven-brengende woorden verwerp?Gen.3: 24.

  Vrijwillig heb ik de bloedige moord van Kaïn nagevolgd, en
werd ik een moordenaar voor het geweten van mijn ziel.
De vleselijke begeerten heb ik doen opleven, en
met mijn slechte daden ben ik tegen haar ten strijde getrokkenGen.4: 8.

  Ik leek niet op Abel in zijn rechtvaardigheid, o Heer:
nooit heb ik U welgevallige gaven gebracht, noch
aan God welgevallige werken, noch
reine offeranden, noch een onberispelijk leven
Gen.4: 4.

  Net als Kaïn, ongelukkige ziel, hebben ook wij
onreine werken aan de Schepper van het heelal opgedragen,
een verwerpelijk offer en een nutteloos leven:
daarom werden wij dan ook veroordeeld
Gen.4: 5.

  Als Pottenbakker hebt Gij van leem
een levende gestalte geboetseerd en
Gij voorzag mij van vlees en gebeente, adem en leven.
Gij, mijn Schepper, mijn Verlosser en Rechter,
neem mij aan nu ik berouw heb
Rom.9: 21; Gen.2: 7; Jer.18: 6; Hand.17:5. 

  Voor U, mijn Redder, belijd ik de zonden die ik heb begaan en
de wonden van mijn ziel en van mijn lichaam, die
mij zijn toegebracht door mijn moordende gedachten als door rovers”
Luc.10: 30.

  Ook al heb ik gezondigd, o Heiland, toch weet ik dat Gij menslievend zijt:
Gij tuchtigt met medelijden en zijt barmhartig met warme liefde:
gij slaat acht op tranen, en snelt toe als Vader, Die de verloren Zoon terugroeptLuc.15: 20. 

  In mijn ouderdom heb ik mij neergeworpen voor Uw poorten, o Heiland.
Verwerp mij niet zonder meer in de hades, maar
geef mij vóór het einde vergiffenis van mijn zonden,
als Menslievende
Luc.16: 20; Psalm 70 [71]: 9.

uit: de Canon van Andreas van Kreta,
triodion donderdag 5e week,
belijdenis van berouw voor
onze Heer en Verlosser.