5e Dinsdag na Pascha – getroffen worden door de Pedagogie van Heer, onze God

Christus leidt ons in verzoeking, opdat wij er iets van leren; Christ leads us into temptation, so that we can learn something from it

    Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen.
De Joden zeiden tot Hem:
    Nu weten wij, dat Gij bezeten zijt. Abraham is gestorven en ook de profeten, en Gij zegt: indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, zal hij de dood in eeuwigheid niet smaken. Gij zijt toch niet meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven; voor wie houdt Gij Uzelf?
     Jezus antwoordde:
    Als Ik Mijzelf eer, betekent mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, van Wie 
gij zegt: Hij is onze God, en gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem.
En indien Ik zei:
    Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn, een leugenaar; doch Ik ken Hem en Zijn  Woord bewaar ik. Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd Mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.
De Joden dan zeiden tot Hem:
    Gij zijt nog geen vijftig jaar en hebt Gij Abraham gezien?
Jezus zei tot hen:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eer Abraham was, ben ik.
Zij namen dan stenen op om naar Hem te werpen; maar
Jezus verborg Zich en verliet de Tempel
John.8: 51-59.

    Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na hun liefdedienst te hebben volbracht, en namen ook Johannes, bijgenaamd Marcus, mee.
Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaen, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus.
En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zei de Heilige Geest:
‘ Zonderen jullie Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb’.
Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan.
       Dezen dan, door de Heilige Geest uitgezonden, trokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus; en te Salamis gekomen, verkondigden zij het Woord van God in de synagogen van de Joden; en zij hadden ook Johannes tot helper.
En na het gehele eiland doorgetrokken te zijn tot aan Pafos, troffen zij een zekere tovenaar aan, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Barjezus; hij hield zich op bij de landvoogd Sergius Paulus, een verstandig man. Deze begeerde het woord van God te horen en liet Barnabas en Saulus tot zich roepen.
      Maar Elymas, de tovenaar, want zo wordt zijn naam vertaald, verzette zich tegen hen en trachtte de landvoogd van het geloof afkerig te maken.
Doch Saulus, anders gezegd Paulus, vervuld met de Heilige Geest, zag hem scherp aan, en zei:
‘     Zoon van de duivel, vol van allerlei list en streken, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden de rechte wegen des Heren te verdraaien? En nu, zie, de hand des Heren keert zich tegen u, en gij zult een tijd lang blind zijn en de zon niet zien’. En terstond viel op hem donkerheid en duisternis, en rondtastende zocht hij iemand om hem bij de hand te leiden.
Toen de landvoogd zag, wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof, zeer getroffen door de leer des HerenHand.12: 25-13: 12.

De val van Jerusalem en de ongebreidelde gevangenschap van een Profeet
    Sedekia, de zoon van Josia, die Nebukadnessar, de koning van Babel, over het land Juda koning gemaakt had, kwam aan de regering, in plaats van Konjahu, de zoon van Jojakim. En hij gaf geen gehoor, hij noch zijn dienaren, noch het volk van het land, aan de Woorden des Heren, Die God door de dienst van de Profeet Jeremia sprak.
Toen zond koning Sedekia Jehukal, de zoon van Selemja, en de priester Sefanja, de zoon van Maaseja, tot de profeet Jeremia met de vraag:
       ‘Bid toch voor ons tot de Heer, onze God’.
Jeremia ging toen nog vrij in en uit te midden van het Volk en men had hem nog niet in de gevangenis gezet. Ook was het leger van Farao uit Egypte opgerukt, en toen de Chaldeeën die Jeruzalem belegerden, de tijding daarvan vernomen hadden, waren zij van Jeruzalem weggetrokken.
       Toen kwam het Woord des Heren tot de Profeet Jeremia:
⁌ Zo zegt de Heer, de God van Israel: Zo zult gij zeggen tot de koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft om Mij te vragen: zie, het leger van Farao, dat uitgetrokken is om u te helpen, keert naar zijn land, Egypte, terug; en de Chaldeeen zullen terugkomen en tegen deze stad strijden, haar innemen en met vuur verbranden.
⁌ Zo zegt de Heer: Bedriegt uzelf niet met de gedachte: De Chaldeeen trekken werkelijk van ons weg; want zij trekken niet weg. Ja, al zouden jullie het gehele leger der Chaldeeen die tegen u oorlog voeren, verslaan, zodat er onder hen slechts zwaargewonden overbleven, dan zouden die, een ieder in zijn tent, nog oprijzen en deze stad met vuur verbranden.
            Toen het leger der Chaldeeen van Jeruzalem was opgebroken vanwege het leger van Farao, wilde Jeremia Jeruzalem verlaten, om naar het land van Benjamin te gaan met het doel daar onder het volk een erfdeel te aanvaarden.
            Maar toen hij in de Benjaminpoort kwam, was daar een bevelhebber van de wacht, Jiria genaamd, de zoon van Selemja, de zoon van Chananja, en die hield de profeet aan met de woorden:
Gij wilt naar de Chaldeeen overlopen!
Òf Jeremia al zei: ‘ Het is niet waar, ik wil niet naar de Chaldeeen overlopen, Jiria luisterde niet naar hem, greep hem en bracht hem naar de vorsten.
En de vorsten werden toornig op Jeremia, gaven hem slagen en zetten hem in de gevangenis in het huis van de schrijver Jonatan, want dat hadden zij tot kerker ingericht.
• Zo kwam Jeremia in het gevangenhuis, in de gewelfde vertrekken; en Jeremia bleef daar lange tijd.
Toen liet de koning Sedekia hem halen, en de koning vroeg hem in zijn paleis in het geheim en zei:
       Is er een Woord van de Heer?
En Jeremia zei:
      Ja; gij zult, zo zei Hij, in de macht van de koning van Babel gegeven worden.
Verder zei Jeremia tot koning Sedekia:
      Wat heb ik tegen u of uw dienaren of dit volk misdaan, dat gij mij in de gevangenis hebt gezet? Waar zijn nu uw profeten, die u profeteerden: ‘ De koning van Babel zal niet optrekken tegen u en tegen dit land?
Nu dan, hoor toch, mijn heer de koning, laat mijn bede toch bij u gehoor vinden, en laat mij niet naar het huis van de schrijver Jonatan terugbrengen, opdat ik daar niet zal sterven.
Toen gaf koning Sedekia bevel en men zette Jeremia in verzekerde bewaring in de gevangenhof en men gaf hem een brood per dag uit de Bakkersstraat, totdat al het brood in de stad op was. En Jeremia bleef in de gevangenhof” Jeremia 37: 1-21.

De uiteindelijke val van Jeruzalem
Ja, Ik zal bezoeking doen over hen die in het land
Egypte wonen, zoals Ik bezoeking gedaan heb over
Jeruzalem, door het zwaard, de honger en de pest;
En van het overblijfsel van Juda, dat gegaan is om
daar te verblijven in het land Egypte, zal niemand
ontkomen en ontsnappen, namelijk om terug te
keren naar het land van Juda, waarop zij hun hart
hebben gezet om daar te wonen, want zij zullen er
niet terugkeren, behalve enkele vluchtelingen
Jeremia 44: 13-14.

Het Licht des Levens
Hij greep de Profeet Jeremia en zei:
U vlucht naar de Chaldeeën!
Maar deze zei: ” Dat is een leugen! Ik vlucht niet naar de Chaldeeën”.
Toch luisterde hij niet naar hem.
Daarop volgde dat de bevelhebber van de wacht, Jiria genaamd,
de zoon van Selemja, de zoon van Chananja
Jeremia greep en hem opbracht bij de overheersers.

Mozes gestorven, ‘ontslapen’.

Het uur van onze dood.
In de tijd van het Oude Testament ging het lichaam van een overledene,
net als in onze tijd, naar het graf. Het lichaam ging daarheen met een tweevoudig doel. Ook dat is gelijk aan onze tijd. Het doel was en is:
1.]. Het lichaam gaat naar het graf om tot ontbinding over te gaan en terug te keren naar zijn oorspronkelijke materiaal: stof, aarde.
2.]. De resten van het lichaam van de mens wacht[t]en in de aarde op de dag der Opstanding, Die eens zal komen. Ná de Opstanding zullen de resten van de overledene weer bij elkaar komen en weer een lichaam met beenderen, spieren, pezen, vlees, organen en huid vormen.
       Het wachten in de aarde van het lichaam, wordt in de Bijbel ook wel “slapen” en “ontslapen” genoemd. Het lichaam rust in de aarde en wacht daar, al slapende, op de grote dag der opstanding. De Bijbel kent dus wel een “slapen na de dood“, maar geen “zielenslaap, maar een “slaap van het lichaam“.
Dit moeten wij goed zien en deze twee moeten wij niet met elkaar verwarren.
Bij het sterven verlaat de ziel het lichaam. Terwijl in de tijd na de Opstanding van de Heer en Verlosser de zielen van de gelovigen en van de ongelovigen niet meer naar de zelfde plaats gaan, was dat in de tijd van het Oude Testament wel het geval.
Wij moeten er daarom goed op letten, dat er verschil is in de bestemming van de ziel  ná het sterven tussen de tijd van het Oude Testament en de tijd van het Nieuwe Testament.
        In de tijd van het Oude Testament was er één grote “verzamelplaats” voor de zielen van de gestorvenen [de sheool. Gr. =‘ de hades’], ongeacht of het om verloren mensen of om behouden mensen ging. Wel was die verzamelplaats verdeeld in twee gescheiden afdelingen, waarbij de behoudenen in de ene afdeling waren en de verlorenen in de andere afdeling [het zgn. ‘afvalputje’].
☦️     Onze Heer en Verlosser is nooit in de hel geweest. Ná Zijn sterven aan het Kruis was Zijn ziel gedurende drie dagen en drie nachten in het dodenrijk [de Hadès] en niet in de hel !
Dat maakt ook Hand.2: 30,31 ons duidelijk, wanneer David in Psalm 9: 10 zegt, dat de Heer wèl naar het dodenrijk zou gaan, maar daar niet zou blijven.
Toen onze Heer en Verlosser aan het kruis hing, sprak hij met één van de twee misdadigers over hun beider toekomstige bestemming. De Heer sprak niet met hem over de plaats waar hun lichaam naar toe gebracht zou worden, maar over de plaats waar hun zielen naar toe zouden gaan. De Heer liet merken, dat hun beider ziel naar dezelfde plaats zou gaan. De Heer noemde deze plaats “het ParadijsLuc.23: 43.

Wij dienen er op te letten, dat er in de verschillende periodes in de Blijde Boodschap telkens een andere plaats aangewezen wordt, wanneer het over het Paradijs gaat. De plaats waar wij na onze dood terecht komen, behoeft dus geen mens te beangstigen, want het zal – vermits wij ons leven in vrede en boetvaardigheid mogen beëindigen een plaats van Licht zijn waar wij alsdan een goede verdediging voor de ontzagwekkende rechterstoel van Christus mogen verwachten.
De “dag” van iemand, die God’s Woord heeft bewaard, zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen, is voorzeker dezelfde dag waarnaar de Profeet David op zoek is:  “ Voor velen ben ik een voorteken geworden, want Gij zijt mijn Sterke Helper. Moge mijn mond met lofzang gevuld zijn om Uw Heerlijkheid te bezingen, heel de dag Uw VerhevenheidPsalm 70[71]: 6,7.
Verwijzend naar zo’n dag herinnert de apostel Paulus eraan
dat we ‘niet in de duisternis zijn‘, maar eerder ‘zonen/dochters van het licht en zonen/dochters van de dag‘. Wij zijn niet van de nacht noch van de duisternis.
Hij voegt er nog aan toe:
Maar jullie, broeders/zusters, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief zou overvallen: want jullie zijn allen kinderen van het Licht en kinderen van de dag. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dàn óók niet slapen gelijk de anderen, 
doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken, maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van Geloof en Liefde en met de helm van de Hoop op de Zaligheid; want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van Zaligheid door onze Heer Jezus Christus, Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven1Thess 5: 4-10.

We dienen dus te accepteren ​​dat de “vrees voor God, en het Geloof en de tweevoudige Liefde” onze ziel bewaken tegen het vallen van de avond en duisternis, zodat er geen “dieven” zijn. . . die ons in de nacht opzoeken en ons beroven, ons dodelijk treffen en ons   eenvoudigweg ruïneren.

Indien we de gebeurtenissen die in deze passage zijn opgetekend nog eens nalezen, zullen we bemerken dat Jeremia wordt omringd door mannen wiens zielen verduisterd zijn, mensen die blind zijn voor het licht van zijn Profetie, het Woord van God, wat op Zijn mond is.
Een tijd lang wandelt hij vrijuit, maar deze mannen ‘van de nacht‘, de overheersers van Juda, zien zijn vertrek uit Jeruzalem als niets meer dan desertie voor de vijand.
Diepe, bittere duisternis verduistert hun harten en zielen.
Christus overwint de dood, overwint de ellende, die wij mensen in onze menselijke onmacht [= dodelijke verwonding] veroorzaken. Daarom is het zo helder als wat, Christus [en de Christen] heeft totaal geen behoefte aan ‘rood‘, ‘groen‘, of het ‘een blauwtje lopen‘ van het humanisme – de mens is totaal niet in staat zichzelf te redden, dat kan alleen ‘God’, door de mens de goede weg te wijzen; die z’n leven anders zal dienen te gaan inrichten.
Daarom staat er in de Doxologie dat:
”     Heer, een toevlucht zijt Gij voor ons van geslacht op geslacht. Ik sprak: Heer, ontferm U over mij en genees mijn ziel want tegen U heb ik gezondigd.
       Tot U, Heer, vlucht ik, leer mij Uw Wil te doen, want U bent mijn God.
      Bij U toch is de bron van het Leven, in Uw Licht zullen wij het licht aanschouwen, schenk ons Uw Barmhartigheid aan allen die U belijden“.
En in de Hexapsalm:
”    
Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft [onder de mensheid] mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond.
Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste.
Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden van Uw handen; Ik strek mijn handen naar U uit.
Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want [slechts] op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid.
Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar; ‘ Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land’.
Psalm 142[143] vert. ROK. ‘s-Gravenhage.

De Anastasis icoon = een geillustreerd gebed; The Anastasis icon = an illustrated prayer; Το εικονίδιο της Αναστάσης = εικονογραφημένη προσευχή

Het is de Heer, onze God, Die de deuren van de Hades verbrijzelen zal en de hengsels van die deuren vermorzeld, opdat de mens bevrijd mag worden van z’n aardse, z’n op de wereld gerichtte genoegens.

Sprekend over de duisternis van de geest merkt de heilige Petrus van Damascus op dat
    Degenen die  geen onderscheid weten te maken
zich “enorm” kunnen inspannen, maar . . . niets  zullen bereiken; terwijl
de persoon die buitengesloten wordt, gediscrimineerd wordt op
grond van Goddelijke aanbidding en vast blijft houden aan zijn Joods-Christelijke principes een gids blijkt te zijn voor blinden en een Licht voor hen vormt in de duisternis
Philokalia.
Dit contrast onderstreept het enorme verschil tussen degenen die
halsstarrig “weten” dat Jeremia de stad verlaat, tevens het ware karakter van de profeet laat zien, die het kwaad uit de weg gaat,
als een mens, die verlicht is door God en die als een kind van de dag wandelt!
De duisternis heerst in de ziel van bevelhebber van de wacht, Jiria Jeremia 37: 13-14,
in de heersers die de profeet verslaan Jeremia 37: 15, en
in koning Zedekia die in het geheim met hem spreekt Jeremia 37: 17.
Waanideeën domineren hun denken; ze zijn ervan overtuigd dat de Egyptenaren hen zullen redden Jeremia 37: 7, en deze valse overtuiging verblindt hun ziel.
Zij kunnen Jeremia’s punt niet begrijpen dat als de Chaldeeën
“bepaalde gewonde mannen verlieten, deze mannen zouden opstaan ​​en
deze stad met vuur verbranden” Jeremia 37: 10.

Wij vallen, nèt als de leiders van Jeruzalem, gemakkelijk in het vangnet van onze angsten en bezwijken voor de vele waanideeën die zoveel mensen om ons heen blind maken.
Laten we God smeken ons naar Zijn tijd te leiden!
Zoals de Heer Jezus leert, ziet alleen degene, die wandelt in de dag: “ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is. Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekkenJohn. 11:  9-11.

Gebaseerd op indirect bewijs concludeert Jiria  of Irijah, zoals hij ook wel genoemd wordt. dat Jeremia vlucht naar de Babyloniërs.
Immers, aangezien Jeremia zei dat de Babyloniërs de stad zouden nemen, moet hij naar hen toe rennen.
Jiria’s wanen houden hem in bedwang.
Dezelfde waanideeën verbitteren de heersers tegen Jeremia.
Ze zien de nadering van het leger van Farao en de terugtrekking van de Chaldeeërs als tekenen van God’s bevrijding.
Gecontroleerd door dàt valse geloof, proberen ze Jeremia
een gevoel van betekenis te geven.
De koning is weliswaar geïntrigeerd door de Profeet, maar
hij is onderhevig aan dezelfde misvatting en houdt Jeremia in hechtenis.

            Wij, die als christenen worden geconfronteerd met een overvloed aan neo-heidense idealen, dienen ons ook bewust te zijn dat ook wij dienen te leren
van valse overtuigingen en deze dienen te identificeren om eraan te kunnen ontsnappen. De heilige Petrus van Damascus zegt:
“Bid vurig om in alles wat we doen
er in elk geval naar te streven
om zonder wrok en slechte gedachten te zijn”
We doen er goed aan de apostel Paulus op te volgen:
De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.
          Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en
aandoen de wapenen van het Licht!
          Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen,
• niet in brasserijen en drinkgelagen,
• niet in wellust en losbandigheid,
• niet in twist en nijd!
  Maar doet de Heer Jezus Christus aan en
wijdt geen zorg aan het vlees, zodat
begeerten worden opgewektRom.13: 12-14.

Verlicht onze harten, O Meester,
Die de mensheid liefheeft,
met het zuivere Licht van
Uw goddelijke kennis.
Open onze noëtische ogen voor het begrip van
Uw Evangelische Pedagogie
”.
conf.
Gebed voor het Evangelie
[van de dag]