4e Maandag van Pascha, wie is waardig de Heer in Waarheid te naderen?

    Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.
Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij.
       Dit is het Brood, dat uit de Hemelen neergedaald is;
niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn;
       wie dit brood eet, zal in eeuwigheid leven.
Dit zei Hij, lerende in de synagoge te Kapernaüm [Hebr.
’dorp van rust’, daar waar Hij eveneens Z’n 1e uitleg uit Isaiah gaf].
Vele dan van Zijn discipelen hoorden dit en zeiden:
       Deze rede is hard; wie kan haar aanhoren?
Jezus nu wist bij Zichzelf, dat Zijn discipelen hierover morden, en Hij zei tot hen:
       Geeft u dit aanstoot?

Wat als je God maar een vraag mocht stellen?

Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was? De Geest is het, Die Levend maakt, het vlees doet geen nut; de Woorden, Die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn Leven. Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven.
Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou.
En Hij zei:
       Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij.
Van toen af keerden vele van zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mee.

De Kerk is beslist geen sprookje

Jezus zei dan tot de twaalven:
       Gij wilt toch ook niet weggaan?
Simon Petrus antwoordde Hem:
Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt Woorden van eeuwig Leven;  en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige God’s
John.6: 56-69.

    En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig mens, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad.
     Hij zag in een gezicht, omstreeks het negende uur van de dag, duidelijk een engel Gods bij zich binnenkomen en tot hem zeggen: Cornelius!
     Hij staarde hem aan en werd zeer bevreesd en zei: Wat is er, heer!
En de engel zei tot hem:
Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus: deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt.
     Zodra de engel, die tot hem sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisslaven en een godvruchtige soldaat uit degenen, die voortdurend bij hem waren; en nadat hij hun alles uitgelegd had, zond hij hen naar Joppe.
     De volgende dag, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, ging Petrus omstreeks het zesde uur op het dak, om zijn gebed te verrichten.
     En hij werd hongerig en verlangde te eten, en terwijl men iets gereed maakte, geraakte hij in zinsverrukking, en hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken neergelaten werd op de aarde; hierin bevonden zich allerlei vier-voetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des Hemels. En er kwam een stem tot hem:
    Sta op, Petrus, slacht en eet!’.
Maar Petrus zei:
    Geenszins, Heer, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was’.
En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem:
    Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden’.
En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de HemelenHand.10: 1-16.

Wat is Wijsheid?
Er zijn oneindig veel van die momenten in ons leven waarop we niet helemaal zeker weten wat we nu moeten doen,
het is het een of het andere.
En toch weten we donders goed wat wij hebben te doen; we ervaren als het ware de morele verplichting om in te grijpen en weten wat ons vervolgens te wachten staat.
Datgene wat we in de ogen van de wereld zouden dienen te omzeilen,
het opnemen van ons Kruis, brengt ons aan het twijfelen.

Indien het niet in strijd is met God’s Geboden, zou
het totaal geen probleem behoeven te zijn, maar
om in bepaalde situaties je nek uit te steken,
dàt is nog wel eens eventjes iets anders.
Veelal staat juist datgene wat een kruis oplevert
vèr verheven boven alles wat de wereld ons biedt.
Indien je alleen maar rekening behoort te houden met de reacties van je directe omgeving, de jouw omgeven wereld, die jou veelal ‘voor dwaas’ verslijten, zou je jezelf heerlijk kunnen wentelen in de schoot van persoonlijk belang en behoef je alleen maar een kosten- baten analyse te maken.
Maar veelal is het zo wanneer God een beroep op je doet
dat je dit soort afwegingen dient te vermijden,
ja zelfs dient af te wijzen.
Onze Heer en Verlosser, de God van Israël [de Kerk] zal Zijn Woord aan Zijn dienaren -‘wáár’-  maken, dat is al sinds mensenheugenis bekend en daarom richt een nederig mens zich in gebed alleen maar tot Hem, want van Wie dient ons Heil anders te komen dan van Degene, Die ons gemaakt/gevestigd heeft.
Dit is hetgeen in bovenstaande lezingen aan ons duidelijk wordt gemaakt
Ook koning Salomon, die nèt als zijn vader koning David echt niet zo’n lieverdje was besefte dit in al zijn Wijsheid, waarom het wijs-zijn immers bekend staat:      Zou God dan waarlijk op aarde wonen?
Zie, de Hemel, zelfs de Hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit [gebeds-]huis, [deze tempel] dat ik gebouwd heb. Wend U dan tot het gebed van uw knecht en tot zijn smeking, Heer, mijn God en hoor naar het geroep en het gebed dat uw knecht heden voor uw aangezicht bidt [uitstort], zodat Uw ogen nacht en dag geopend zijn over dit [gebeds-] huis, de plaats waarvan U [Persoonlijk] gezegd hebt: Mijn naam zal aldaar zijn, zodat U hoort naar het gebed dat 
uw knecht op dezer plaats tot U zal opzenden1Koningen 8: 26-29.

Je vraagt je dan in deze tijd onmiddellijk af, hoe het mogelijk is dat zo veel gebed’s-huizen aan projectontwikkelaars van de wereld verkwanseld worden en
dat er verkondigd wordt, dat de Kerk verdwijnt.
Heeft de mens het in deze tijdsperiode dan zo met zichzelf getroffen dat ze slechts op eigen mogelijkheden blind vaart?
    De Heer nu heeft het Woord, dat Hij gesproken had, gestand gedaan, en ik ben opgetreden in de plaats van mijn vader David, en heb mij gezet op de troon van Israël [de Kerk], zoals de Heer gesproken heeft, en ik heb dit huis voor de Naam van de Heer, de God van Israël [de Kerk], gebouwd, en er een plaats bereid voor de Ark, waarin het Verbond des Heren berust, dat Hij met onze vaderen gesloten heeft, toen Hij hen uit het land Egypte had geleid.
Daarop ging Salomo voor het altaar des Heren staan ten aanschouwen van de gehele gemeente van Israël [de Kerk], breidde zijn handen uit naar de Hemel.
>    Nu dan, Heer, God van Israël [de Kerk], houd jegens uw knecht, mijn vader David, wat U tot hem gesproken hebt:
‘ nimmer zal u voor Mijn aangezicht een manmens ontbreken, die
op de troon van Israël [de Kerk], zitten zal, indien
slechts uw zonen [en dochteren] hun weg in acht nemen en voor
Mijn aangezicht wandelen zoals U voor mijn aangezicht gewandeld hebt’.
      Nu dan, God van Israël [de Kerk], laat toch het Woord bewaarheid worden, dat
U tot uw knecht, mijn vader David, gesproken hebt.
Zou God dan waarlijk op aarde wonen?
Zie, de Hemel, zelfs de Hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel
te min dit [gebeds-]huis dat ik gebouwd heb.
Wend U dan tot het gebed van Uw knecht en tot zijn smeking,
Heer, mijn God, en hoor naar het geroep en het gebed dat
uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt”
1Kon.8: 20-22,25-28.
In 959 v.Chr., tijdens het bewind van Koning Salomo, bereikte de dynastie van
het huis van David haar hoogtepunt met de bouw van de eerste permanente Tempel.  Aan het einde van Solomon’s twintig jaar durende bouwprogramma werden er grote ceremonies gehouden om het nieuwe [gebeds-]huis aan de Heer op te dragen.
       De belangrijkste ritus bestond in het teken van de Ark van het Verbond.
Een uitgebreide optocht bracht de ark naar Jeruzalem en naar de berg Sion, waar het werd geplaatst in de meest heilige en heilige wijk van de tempel, vergezeld van het offeren van talloze offers van alle aanwezigen 1Kon.5: 1-8: 9.
Als reactie daarop vulde God de Tempel met een Majestueuze wolk van Zijn Glorie, zodat de priesters “daar niet konden staan om dienst te doen, want de Heerlijkheid des Heren had het huis des Heren vervuld1Kon.8: 11.
Koning Salomo leidde toen de natie in een inwijdingsgebed, waarvan bovenstaande lezing de inleiding vormt.  Herinnerend aan veel van onze orthodoxe gebeden bevat  deze aanroep zeven elementen die elke basale smeking waardig acht om God’s zegen en hulp te verwachten.

1.]. De eerste van Salomo’s smekingen verheerlijkt de
Heer God van Israël [de Kerk, want] er is geen God als U in de hemel boven of op de aarde beneden1Kon.8: 21.
Het is vergelijkbaar met het adres dat wij tijdens de Goddelijke Liturgie tot de Heer, onze God uitspreken/opzenden, waarbij wij Hem benoemen als dè ‘onuitsprekelijke, onvoorstelbare, onzichtbare, onbegrijpelijke, altijd bestaande en eeuwige deZelfde‘.
2.]. Vervolgens spreekt de koning van Israël [de Kerk] over God’s trouw aan hen “die Uw Verbond en Uw Genade zal bewaren” met het koninklijke huis, door God beloofd en vervuld met Zijn handen 1Kon.8: 21. Deze passage lijkt veel op onze liturgische erkenning dat God ons heeft voorzien van Zijn “Koninkrijk, Dat zal komen“.
3.]. Ten derde herinnert Salomo details aan Gods beloften aan Zijn ‘dienaar David, mijn vader’ die nu ‘vervuld’ zijn . . . zoals 1Kon.8: 22. De vorm lijkt veel op de woorden van herinnering in de Goddelijke Liturgie, wanneer we God’s reddende daden herinneren in “het Kruis, het Graf, [en] de Opstanding op de derde dag”.
4.]. Omdat hij de wreedheid van zijn verzoek erkent, stelt koning Solomon de vraag:
“Maar zal God inderdaad wonen bij mensen op aarde?” 1Kon.8: 25.
Hij komt nu oog in oog met het Goddelijke Mysterie, Waarmee de Heilige Geest namens ons handelt om “dit brood tot het kostbare Lichaam te maken“. . .
Christus.
5.]. Salomo verwijst vervolgens opnieuw naar God’s Trouw, en erkent dat God:
– ”de smeking van Uw dienaar zal horen” – 1Kon.8: 28, zelfs als we erkennen dat Hij ons en -“de gehele mensheid”- zal helpen.
6.]. Het belang van het danken van God voor alles wat Hij getrouw biedt, is
het zesde punt dat Koning Salomo maakt.
We zijn vooral dankbaar voor Gods Belofte om de tempels, de [gebeds-]huizen te zegenen, die  we aan Hem hebben opgedragen:  “Mijn Naam zal dáár zijn”, om het gebed  van [Zijn] dienaar dag en nacht in deze plaats te horen bidden ‘1Kon.8: 27.
Op dezelfde manier bidden wij Orthodoxe Christenen om onze huizen van aanbidding “en voor degenen die met geloof, eerbied en vrees voor God samenkomen”.
7.]. En ten slotte erkent Salomo nederig dat God
de smeekbede van Uw dienaar en van Uw Israël [Uw Kerk] zal horen wanneer zij naar deze plaats komen om te bidden. U zult het horen in Uw woonplaats in de Hemel, en U zult Genadig zijn1Kon.8: 28.
En hoe sluiten we vervolgens de Goddelijke Liturgie af?
Is het niet door vrijelijk te erkennen dat God zegent
“degenen die Hem zegenen en  de heilig-maker zijn van degenen die
hun vertrouwen stellen in Hem” en die “de Volheid van [Zijn] Kerk” bewaren?


Hoe zal ik, de meest onwaardige, uw heilige plaats durven binnengaan, want
mijn kleding zal mij aanklagen en ik zal worden uitgeworpen.
Reinig, Heer mijn ziel en red mij, U liefhebber van de mensheid!
– Kairon-gebed van de priester en diaken

    Daar zag ik, en zie, een grote menigte mensen, die niemand tellen kon,
uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam,
bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen.
>     Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen? 
En ik sprak tot hem [een van de oudsten]: ‘Mijn heer, U weet het’.
En hij
[een van de oudsten] zei tot mij: Dezen zijn het, Die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het Bloed van het Lam.
Dááròm zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in Zijn Tempel; en Hij, Die op de troon gezeten is, zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar de waterbronnen van het Leven; en God zal alle tranen van hun ogen afwissenOpenb.7:9, 13b-17.

Verantwoordelijkheid dragen
        Nu brengt Godsvrucht inderdaad grote winst, [indien zij gepaard gaat] met tevredenheid.
     Want wij hebben niets op de wereld meegebracht; wij kunnen er ook niets uit meenemen.
Indien wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn.
     Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang.
     Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het Geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord.
Gij daarentegen, o mens Gods, ontvlucht deze dingen, doch jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, 
Geloof, Liefde, volharding en zachtzinnigheid. Strijd de goede strijd van het Geloof, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede Belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen.
Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft, dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Heer Jezus Christus, welke te zijner tijd de zalige en enige Heerser zal doen aanschouwen, de Koning der koningen en de Heer der Heerscharen, die alleen onsterfelijk-heid heeft en een ontoegankelijk Licht bewoont, die geen van de mensen gezien heeft of zien kan. Hem zij eer en eeuwige kracht! Amen.
Hun, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun 
hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wèl te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam [transparantie], waardoor zij zich een vaste grondslag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen1Tim.6: 6-19.

In feite wordt hier hetzelfde opgedragen als aan al de inwoners van Ephese, waar Timotheüs als spelleider, bestuurder werd aangesteld:
      Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons met allerlei geestelijke zegen in de Hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.
     Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.
     In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de Heerlijkheid van Zijn Genadegaven, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de GeliefdeEph.1: 3-6.
Paulus heeft zijn leerling [geestelijk kind] Timotheüs naar de Heer geleid.
1Cor.4: 17; 1Tim.1:  2; 2Tim.1: 2.
Hij deed dat in Timotheüs’ geboortestad van Lystra Handelingen 16: 1, waar
Timotheüs een Goddelijke erfenis had opgebouwd 2Tim.1: 5 en
de Schrift van zijn jeugd had doorzocht/gekend 2Tim.3: 15.
     Geheel getalenteerd was Timotheüs reeds met de Blijde Boodschap bekend
Rom.16: 21; 2Tim.4: 5, alsmede van de Profetieën 1Tim.1: 18; 5: 22 en 2Tim.1: 6.
Zijn gelijkgestemde houding met Paulus maakte Timotheüs een onmisbare ambassadeur voor het gehele Middelandse Zee gebied 2Tim. 2: 3;3: 14;Phil.2: 20;1Cor.4: 17; 16: 10; 1Tim.1:  2; 2Tim.1: 2; 1Thess.3: 1-2 en verleende dit hem tevens het Kruis en de lauweren van de vervolging om Christus’ Wil 2Tim.1: 8; Hebr.13: 23.
Toch had Timotheüs de vaste leiding van z’n mentor nodig, vooral in zijn nieuwe rol als voorganger van de kerkgemeenschap te Epheze [Hebr.=‘toegestaan’].
Daarop komen de brieven aan Timotheüs ons zeer indringend tegemoet en
nodigen ons uit tot een Joods-Christelijke levenshouding.
Bovenstaande lezing bevat in de eerste plaats twee verhandelingen over rijkdom, die zich aan niets stoort en zich ten tweede heel direct [transparant] uit door een persoonlijk boodschap aan het adres van Timotheüs.
Vervolgens wordt er een heel nadrukkelijk beroep gedaan om je als navolger van Christus te houden aan het gebod, maar in de tekst is niet aangegeven welk gebod in zicht is:
          Ik beveel voor God, die alle leven wekt, en
voor Christus Jezus, die de goede belijdenis voor Pontius Pilatus betuigd heeft,
[τηρῆσαί σε τὴν ἐντολήν] dat  jullie dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot  de verschijning [wederkomst] van onze Heer Jezus Christus.

Dat gij bewaart & beheer voert.
Paulus zet bovenstaande nu uiteen, hetgeen hij met zon ernstig geestelijke opdracht als [τηρῆσαί σε τὴν ἐντολήν ] aan Timotheüs heeft opgelegd.

Het is niet waarschijnlijk dat hij zijn vermaning tot degene, die verantwoordelijkheid op zich had genomen, slechts vermaande om een eventuele egocentrisch optreden de kop in te drukken 1Tim.6: 11, belofte maakt schuld.
We kijken eerder naar zijn aanmoediging tot de goede strijd van het christelijke leven, en de gedurfde belijdenis van de Heer.
We kunnen zeggen dat hierin alles wat timotheüs als verantwoordelijkheid op zich heeft genomen, als het belangrijkste gebod dient te worden omarmd en dat daar voor Timotheüs consequenties aan verbonden zijn.

Over de gehele linie wordt dit door arbeiders in God’s tuin, zoals ede Kerk wel wordt genoemd als een algemeen aanvaard christelijk morele Wet wordt beschouwd.

Paulus spoort Timotheüs aan om deze Wet als leidraad aan te houden, opdat hij niet bevlekt, z’n handen niet zal branden, en daardoor open staat voor verwijten, zoals dit eveneens de valse leraren overkomt.
En als aanvulling komt daar nog bovenop dat – dit dient te worden volgehouden tot het einde der tijden en dat is voor ons menselijk bestaan tot de dood er op volgt; eerst dan zal er een lauwerkrans op volgen, tot die tijd is het niet anders dan kruisdrager oftewel lijden.
De dagtaak van de navolger van Christus en zeker die van een leidinggevende onder hen is in de eerste plaats een kwestie van trouw te blijven aan de eigen principes.
Dat neem niet weg dat er essentieel autoriteit wordt verleend aan datgene wat de Handelingen van de Apostel als voorbeelden aangeeft.
Christus zei niet voor niets tot hen: “     Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn Getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aardeHand.1: 7,8.

PASCHA, het nieuwe begin
De oorsprong van de maaltijd des Heren ligt in de Pascha-maaltijd van het Oude,
het eerste Verbond; men at toen overal in Israël een lam met ongezuurd brood.
Pascha was de feestdag waarop ieder de Verlossing uit Egypte herdacht Ex.13: 3, Deut.16: 3.
Het was zoals wij dat in de wereld kennen- hun bevrijdingsdag, maar dan geestelijk.
En toen onze Heer en Verlosser voor het laatst met Zijn leerlingen  de bevrijding ‘van toen’ herdacht, begon Hij over een nieuwe bevrijding, de waarachtige vrijmaking door Hem, door Zijn bovenmenselijke bevrijding’s-daad.
• Allereerst maar iets over de bevrijding van toen; In Egypte was Israël tot slavernij gebracht en toen God het hulpgeroep van Zijn volk hoorde, beloofde Hij het te brengen naar een beter land.
Na tien vreselijke plagen liet farao de Israëlieten eindelijk gaan Ex. 7-12.
Vlak vóór de uittocht, de Exodus moest in ieder huis een lam geslacht worden,
het bloed ervan aan de deurposten gestreken worden en
dit lam gegeten worden met ongezuurd brood Ex.12.
Daarna kon de reis beginnen naar het Beloofde Land.
Natuurlijk moest die dag niet vergeten worden.
Blijf dit gedenken“, zei Mozes Ex.13:3, 5, 8-10.
En als één van uw kinderen later vraagt:
Waarom doen wij dit?”, zeg dan:
Omdat de Heer ons met krachtige hand bevrijd heeft
uit de slavernij van Egypte
Ex.13: 14 en
dit doen de Joden tot op de dag van vandaag nog steeds.

♨︎ ♨︎ ♨︎  Maar nu het nieuwe begin:.
We weten, dat het lam dat in die Joodse tijd geslacht moest worden,
wijst op ons pascha-lam:
    Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus1Cor.5: 7.
Het moest toen gaaf, mannelijk en volgroeid zijn, een
zuiver beeld van ons Paas-Lam Ex.12: 5, John.1: 29, vgl.1Petr.1: 18-19.
Maar waar wijst “Egypte” op?
Egypte symboliseert het ziel’s-vleselijke in ons, dat God vijandig gezind is.
Zoals farao zich opstelde tegenover de God van Mozes, zo
gaat het [menselijk] begeren van het vlees in tegen de Geest.
Ze staan lijnrecht tegenover elkaar:
    Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en
dat van de Geest tegen het vlees – want deze staan
tegenover elkander – zodat gij niet doet wat gij maar wenst
Gal.5: 17.
Waar het bij de uittocht uit Egypte om gaat, zegt God heel nadrukkelijk:
Laat Mijn Zoon gaan, om Mij te dienen“.
Het gaat dus niet om redding en verlossing van “slavernij” alleen, maar
om als zoon, als geestelijk volwassene, de Heer te gaan dienen.
God roept Zijn Zoon uit “Egypte” vgl. Matth.2: 15, Openb.11: 8.

📜 ➙   Willen wij van “farao’s slavenjuk” in “Egypte” verlost worden om de Wil van de Vader te doen en alleen Hem te dienen?
Dan dienen wij als God’s dienaren in navolging van Christus nu het “bloed” van  ons Pascha-lam aan te wenden en Zijn “vlees” te eten met “ongezuurd brood“.

Het Paaslam
Er werd dus een lam geslacht Ex.12: 6.
Wat voor offer was dat? Want er waren tal van offers:
☦️ brandoffers wijzen op Jezus’ vrijwillige opoffering Lev. 1,
☦️ spijsoffers op Zijn wijze van leven Lev. 2.
☦️ Er zijn dankoffers en vredeoffers, allemaal offers die
voor God een liefelijke reuk waren Lev.1: 9, 2: 2, 3: 5.
☦️ Daarnaast zijn er ook zond-offers en schuld-offers Lev.4 & 5.

Men denkt vaak, dat het Paas-lam een zondoffer was, omdat
er staat, dat Christus het Lam God’s is, dat de zonden van de wereld wegneemt John.1: 29, Hebr.9: 26, Rom.3: 25. Maar bij het Pascha gaat het helemaal niet om vergeving van zonden, maar om verlossing uit “Egypte”.
☦️ Zondoffers werden gebracht in de tabernakel, en later in de tempel.

☦️ Maar het bloed van het paas-lam streek ieder aan z’n eigen deur.
☦️ Men at het lam in zijn eigen huis, opdat men zou worden bevrijd en de eerstgeborene zou leven Ex.12: 7.
Het gaat hier om de weg van ‘zoon’s, dochter’s-schap, het kind worden van de Vader.
De eerste, die door de Vader volledig uit “Egypte” werd geroepen was  Jezus van Nazareth:
    Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte, en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heee door de profeet 
gesproken heeft, toen hij zeide: ‘Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen’Matth.2: 14,15.
Deze Jezus van Nazareth kreeg Macht over al het vleselijk-zielse van het mens-zijn:
    opdat uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk
U Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om
aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken
John.17: 1c,2.
Hij baande de weg en is nu de Weg:
Jezus zei tot hem:
‘ Ik ben de weg en de Waarheid en het Leven;
niemand komt tot de Vader dan door Mij’
John.14: 6.
Nu verlost Hij iedereen, die “Zijn vlees eet” en “Zijn bloed drinkt” van
elke vorm van “Egyptische“[‘wereldse’] slavernij, om  de Vader te  kunnen dienen in geest en in waarheid Ex.4: 22-23, vgl.Op.14: 1-5, Rom.7: 24.
Ongezuurde broden of matzes zijn verbonden met Pesach; Ongezuurd brood is brood van meel en water,  het werd in allerijl tot deeg tezamen geworpen, gekneed en gebakken..
Met het Pascha begon tevens het feest van het ongezuurde brood Ex.12: 17.
Onze Heer en Verlosser zegt nadrukkelijk, dat Zijn volgelingen voor
dát brood zó moesten bidden:
Vader, geef ons heden ons dagelijks broodMatth.6: 11.
In het Grieks staat επιούσιος [epiousios] brood,
epi (=op), ousios (=komend).
Hij zegt niet, dat wij moeten bidden om brood van de bakker, maar
om het brood dat ons van boven gegeven wordt, in ons hart.
Onze Verlosser zegt: “Dat brood ben IkJohn.6: 50-51.
Over de betekenis van gezuurd of ongezuurd is Paulus duidelijk:
“Ook ons Pascha-lam is geslacht: Christus.
Laten wij feest vieren, niet met oud zuurdeeg,
of met zuurdeeg van slechtheid en boosheid, πονηρια [Gr. poneria = sluwe, laagheid], maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid” 1Cor.5: 6-8.
Oud zuurdeeg is aard’s- op de wereld gerichte aan God gerichte dienstvaardigheid,  dat slechts waarde toekent aan oudtestamentische rites;
gericht op eigen macht, eer en glorie.
En dat hoort absoluut ‘niet’ in het Nieuwe Verbond, in
de verbintenis, die wij door de Heilige Geest met Christus aangaan.
Zo iets is laag, ‘niet uit God’, zegt Paulus:
    Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door/uit [belangenloze] Liefde werkende. Jullie liepen goed.
Wie is u in de weg gekomen, dat jullie aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt?
Die overreding kwam niet van Hem, Die u roept.
Een weinig zuurdeeg maakt het gehele deeg zuur !!!Gal.5: 6-9.
Daarmee wordt heel duidelijk gezegd, dat als er ook maar een korreltje eigenbelang [de eerste willen zijn] in het spel is, dat al je inzet en goede bedoelingen in het zuur opgelost zijn.
Zo is ook het zuurdeeg van Sadduceeën en van de Farizeeën Luc.12: 1.
Hun zuurdesem was hun huichelarij Matth.23: 3.

In alle haast bakten de Israëlieten dus [en dus ook de Kerk] ongezuurd brood en
namen dat mee op reis [op onze Pelgrimstocht] Ex.12:8, 15, 34.
Ze mochten het dus niet eerst laten gisten met oud zuurdeeg.
Kijk, dàt is nu precies, wat iedere návolger van Christus in z’n oren dient te knopen, zich ter harte zou dienen te nemen en dan heb ik het niet alleen over het voetvolk, maar over de heren spelleiders en toezichthouders, bestuurders:
meteen op reis gaan en nieuw eten.
Doe het oude zuurdeeg [het trotse eigenbelang] weg:
    En jullie zijn opgeblazen in plaats van je veeleer te bedroeven, en
dus de bedrijver van die daad uit uw midden te verwijderen?
Want mijnerzijds heb ik, hoewel lichamelijk niet, maar
naar de geest wel aanwezig, reeds, als aanwezig, vonnis geveld over
hem, die op zulk een wijze zo iets heeft begaan.

Wanneer wij vergaderd zijn, jullie en mijn geest met

de Kracht van Jezus Christus, onze Heer, leveren wij
in de naam van de Heer die mens aan de satan over tot
verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden zal worden
in de dag des Heren. 
Uw roem deugt niet. Weten jullie dan niet, dat
een weinig zuurdeeg het gehele deeg zuur maakt?
          Doet het oude zuurdeeg weg, opdat jullie een vers deeg mogen zijn;
jullie zijn immers ongezuurd .
‘Want ook ons Paaslam is geslacht: Christus’
1Cor.5: 2-7.
Verlossing van Egypte komt alleen indien we elke
minder hoog dan normale interpretatie en gewoonte
achter weg laten en voortaan alleen het ongezuurde brood van
reinheid en waarheid eten.
Iedere dag opnieuw geeft God ons nieuw [dagelijks] brood,
als brood uit de hemel:
    Ik ben het Levende Brood, Dat uit de hemel neer is gedaald.
Indien iemand van Dìt Brood eet, hij zal in eeuwigheid leven;
en het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn Vlees, voor het Leven der wereld“
John.6: 51.
God bepaalde dus toen, dat men het lam moest eten met ongezuurd brood.
En nu zegt onze Heer en Zaligmaker:
Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, heeft
eeuwig Leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.
Want Mijn Vlees is ware spijs en Mijn Bloed is ware drankJohn.6: 54-55.
Wat zal het leven dàn een feest worden, zelfs in de Kerk!
Eerst dàn ervaren we Opwekking, Opstanding,
waarachtig leven in Geest en Waarheid.

  Uw Barmhartigheden, Heer, wil ik zingen in eeuwigheid, en van geslacht tot geslacht Uw Waarheid verkondigen. U hebt immers gezegd: ‘Mijn barmhartigheid is opgebouwd voor eeuwig; en in de Hemel is Uw waarheid gevestigd’.
Ik heb een Verbond gesloten met mijn uitverkorenen; Ik heb een eed gezworen aan David, Mijn dienaar.
Tot in eeuwigheid zal Ik uw zaad bevestigen; van geslacht tot geslacht zal Ik uw troon opbouwen.
De hemelen belijden Uw Mysteriën [Wonderen], o Heer, en Uw waarachtigheid in de Kerk der heiligen.
Want wie in de wolken kan vergeleken worden met de Heer?
Wie is aan de Heer gelijk onder de zonen van God?
God is verheerlijkt in de raad der heiligen: groot en ontzagwekkend boven allen die rond Hem staan.
Heer, God der krachten, wie is aan U gelijk? Gij zijt Machtig, Heer, en Uw Waarheid omgeeft U.
U heerst over het geweld der zee; U brengt de branding van haar golven tot rust.
U vernedert de hoogmoedige als een dodelijk gewonde; Uw machtige arm heeft Uw vijanden verstrooid.
Aan U zijn de hemelen, en van U is de aarde: de wereld en haar volheid hebt Gij gegrondvest.
Het noorden en de zee hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen om Uw naam.
Uw arm is vol macht, Uw hand is krachtig: hoogverheven is Uw rechterhand.
Rechtvaardigheid en oordeel zijn de fundamenten van Uw troon; Barmhartigheid en Waarheid gaan uit voor Uw aangezicht.
Zalig is het volk dat [dit] weet te [be-]juichen; Heer, zij zullen wandelen in het Licht van Uw aanschijn.
Gij zijt immers de roem van Hun sterkte, en in Uw welgevallen verheffen wij onze hoorn.
Want bij de Heer is bescherming, bij de Heilige van Israël, onze Koning.
In die tijd hebt Gij in een visioen tot Uw kinderen gesproken en gezegd: Ik schenk hulp aan de machtige, en verhef de uitverkorene van Mijn Volk.
Ik heb David gevonden als Mijn dienaar; Ik heb hem gezalfd met Mijn heilige olie.
Mijn hand zal hem werkelijk steunen, Mijn arm zal hem kracht schenken.
Geen vijand zal iets tegen hem vermogen; de zoon der ongerechtigheid zal hem niet kunnen schaden.
Zijn vijanden zal ik voor zijn aangezicht neerslaan; die hem haten, zal Ik op de vlucht drijven.
Mijn waarheid en Mijn barmhartigheid zullen met hen zijn; in Mijn naam verheft hij zijn hoorn.
Zijn hand zal ik leggen op de zee; zijn rechterhand overmeestert grote rivieren.
Hij zal tot Mij roepen: Gij zijt mijn Vader; Gij zijt mijn God, de Beschermer van mijn heil.
Ik maak hem tot Mijn eerstgeborene, verheven boven de koningen der aarde.
Tot in eeuwigheid zal Ik hem Mijn barmhartigheid schenken: Mijn Verbond met hem is getrouw.
Tot in de eeuwen der eeuwen zal Ik zijn Zaad doen duren; zijn troon als de dagen des hemels.
Maar als Zijn zonen/dochters Mijn Wet verlaten, als zij niet wandelen naar Mijn oordelen.
Dan zal Ik hun wetteloosheid met roede bezoeken, hun zonden met geselslagen.
Maar Mijn barmhartigheid zal ik hen niet onttrekken, Ik zal geen onrecht doen aan Mijn   Waarachtigheid.
Ik zal Mijn Verbond niet schenden, Wat over Mijn lippen gekomen is, zal niet krachteloos worden.
Eens en voor immer heb Ik dit bij Mijn heiligheid gezworen. Zou ik dan liegen tegen David?
En gelijk de maan die gevestigd is voor eeuwig, als een trouwe getuige aan de hemel.
Jullie echter hebben hem verstoten en versmaad; Jullie hebben Uw Gezalfde [Christus] verworpen. Jullie hebben het Verbond met Uw dienaar verbroken; Jullie hebben Zijn heiligdom laten schenden tot op de grond. Jullie hebben al Zijn omheiningen verwoest, Zijn versterkingen hebben Jullie neergehaald. Alle voorbijgangers hebben Hem [het Lichaam van Christus] geplunderd; Hij is een smaad geworden voor zijn buren. Jullie hebben de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd; al Zijn vijanden hebben Jullie verblijd. De hulp van Zijn zwaard hebben Jullie terug doen wijken; Jullie hebben Hem niet bijgestaan in de oorlog.
Zijn reinigingsoffer hebben Jullie versmaad, zijn troon ter aarde geworpen.
Jullie hebben de dagen van Zijn tijd verkort; met schaamte hebben Jullie Hem overdekt.
Hoelang nog, Heer, zult Gij U geheel en al afwenden; hoelang zal Uw toorn nog branden als vuur?
Gedenk wat Mijn wezen is: Jullie hebben alle mensenkinderen toch vergankelijk geschapen?
Welke mens kan leven zonder de dood te aanschouwen? Wie kan zijn ziel ontrukken aan de macht van de hades?
Waar zijn toch Uw aloude ontfermingen, Heer, die U aan David hebt gezworen in Uw Waarheid?
Gedenk, Heer, de smaad die zovele volkeren Uw dienaren hebben aangedaan, die ik in mijn boezem verkrop. Waarmee Uw vijanden ons hebben bespot, o Heer; waarmee zij bespot hebben het losgeld van Uw gezalfde. Gezegend zij de Heer in eeuwigheid. Zo zij het. Amen”. Psalm 88[89] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Apostichen Metten, 4e Maandag na Pascha
tn.3a.    Met hun eigen ogen hadden zij de Kracht gezien van
Uw Tekenen en Mysteriën [wonderen], maar
door nijd waren zij te zeer verzwakt, ofschoon zij zo sterk waren in het slechte, en
daardoor wilden zij niet geloven, dat
U de Zoon van God en Meester van alle dingen zijt, terwijl
U toch de Verlamde had genezen met een enkel woord
”.

    Uw Barmhartigheden, Heer, wil ik zingen in eeuwigheid, en
van geslacht tot geslacht Uw Waarheid verkondigen
”.

tn.3a.    De Schriftgeleerden, die slechts uiterlijk de Sabbath hielden,
werden heftig verontwaardigd, toe de Verlamde op een Sabbath genezen werd; en in hun juridische verwaandheid riepen zij uit:
het is niet geoorloofd om op de Sabbath te genezen, want
dat ontheiligt de dag des Heren”.

    U hebt immers gezegd: ‘Mijn barmhartigheid is opgebouwd voor eeuwig; en
in de Hemel is Uw Waarheid gevestigd’
”.

tn.3a.    Zij, die zich de behoeders noemden van de Sabbath, wilden niet inzien, dat U de Heer en Meester van de Sabbath zijt.
Zij morden over de genezing van de Verlamde, omdat
deze op de Sabbath geschiedde.
Het is niet goed, zo zeiden zij, om uw bed op de Sabbath te dragen.

    Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN.”

tn.5.      Jezus ging op naar Jerusalem, naar de vijver die bij de Joden van Bethesda heet en  vijf hallen bezit, waarin de zieken gelegen zijn.
Want op verschillende tijden, daalde daarin af een Engel van God, om het water in beweging te brengen en het Kracht te verlenen voor hen, die in Geloof daartoe naderden
De Heer ziet hem, die reeds zolang moest wachten en vraagt:
“ Wilt u gezond worden?” De zieke antwoordt Hem”
“ Heer, ik heb geen mens, die mij, als het water beweegt, in de vijver helpt.
Heel mijn leven heb ik weggeworpen aan artsen, maar
ik was niet waardig om Barmhartigheid te vinden”
Toen sprak tot hem de Arts van ziel en lichaam”
“Neem uw bed op en loop, en verkondig tot aan de grenzen der aarde
Mijn Macht en Mijn grote Barmhartigheid”.