4e Zondag van Pascha – Zondag van de Verlamde mens

    Onze Heer en Verlosser ging op naar Jeruzalem. Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda [Hebr.=’huis van barmhartigheid’] draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, die wachtten op de beweging van het water.
       Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neer in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.
       En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was.
Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zei Hij tot hem:
       Wilt gij gezond worden?
De zieke antwoordde Hem:
       Heer, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander voor mij af.
Jezus zei tot hem:
       Sta op, neem uw matras op en wandel.
En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs.
       Nu was het Sabbath op die dag.
De Joden dan zeiden tot de genezene:
       Het is Sabbath en dan moogt gij uw matras niet dragen.
Doch hij antwoordde hun:
       Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft tot mij gezegd: Neem uw matras op en ga uws weegs.
Zij vroegen hem:
       Wie is de mens, die tot u gezegd heeft: Neem op en ga uws weegs?
En de genezene wist niet, wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een [grote] menigte op die plaats was.
Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tot hem:
       Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers zal overkomen.
De man ging heen en zei tot de Joden, dat het Jezus was, die hem gezond gemaakt hadJohn.5: 1b-15.

    En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden.
Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest.
      En Petrus zei tot hem: ‘  Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak zelf uw bed op. En hij stond onmiddellijk op.
En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Heer.
>>  En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabitha, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf.
       En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal.
       En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: Kom zonder dralen tot ons.
       En Petrus stond op en ging met hen mee.
Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had.
       Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neer en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zei:
       Tabitha, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten, en hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen. En het werd bekend door geheel Joppe en velen kwamen tot Geloof in de Heer
Hand.9: 32-42.

Onze Heer is God,
🌈 Die boven alle schepselen, boven de geschapen natuur, boven alle dingen verheven is en
🌈 Die aanbeden dient te worden in goede en minder goede momenten.
🌈 Hij is als al-Heilige, als al-Sterke en Onsterflijke, Onveranderlijk in staat onze gebeden te verhoren, dat is wat bovenstaande lezingen ons duidelijk proberen te maken.
🌈 God is in staat ‘een Verlamdete doen lopen, zelfs al is dit op een Sabbath, of zoals Tabitha, ons doen opstaan uit de doden; en ons weer levend voor onze omgeving te laten voortgaan, wanneer alle hoop op herstel is opgegeven.
🌈 Hij vraagt eenvoudig:
Wil jij gezond worden?”, “Geloof je dat?” . . . . .   werkelijk, en
het volgende moment staat heel jou omgeving verbazingwekkend toe te kijken.
🌈 Hij is in staat om ons te redden met Zijn Macht; maar is ook een God, Die
heel dicht bij Zijn Volk verblijft, in Wiens midden Hij wilde wonen in
Zijn “Heerlijke heilige Tempel [het hart]“, en aldus Zijn Vaderlijke Liefde manifesteert.
🌈 Hij zal ons eveneens behorend tot een weerbarstig Volk de overgrote Volheid van Zijn Liefde onthullen door Zijn Zoon onder ons te zenden om op elke wijze, die zich maar voordoet, ons leven op aarde te delen, behalve in de zonde.
Onze toestand wordt immers gekenmerkt door beproevingen, onderdrukking, eenzaamheid en de dood die we aan den lijve hebben te ondervinden.
🌈 Een liefde die Hij, als onze Vader, volledig aan ons heeft geopenbaard door Zijn Zoon Jezus Christus: “Het Woord dat is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd, een Heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van Genade en WaarheidJohn.1: 14.
🌈 God, onze Vader richt de Verlamde mens weer op, opdat wij Hem de Lof en eer kunnen doen toekomen, wat ons ook persoonlijk nog te wachten staat, Hij weet wàt goed voor ons en in alle ontwikkelingen is.

Monnik Daniël, Servische kluizenaar Athos

    Red mij, God, want de wateren zijn binnen gedrongen in mijn ziel.
Ik zink weg in diep slijk, er is geen grond onder mijn voeten. Ik ben geraakt in de diepte der zee, de stormvloed heeft mij overstroomd.
Ik ben uitgeput door het roepen, mijn keel is hees, mijn ogen begeven het, terwijl ik toch vertrouw op mijn God.
Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden; mijn vijanden hebben de overhand, die mij ten onrechte vervolgen.
Hoewel ik niets geroofd had, moest ik toch vergoeding geven.
God, Gij kent mijn dwaasheid; mijn overtredingen zijn voor U niet verborgen.
Heer, laat hen die U verbeiden niet over mij beschaamd staan, Heer der heerscharen.
Laat hen die U zoeken, God van Israël; niet omwille van mij te schande worden.
Want om U word ik versmaad, schaamrood overdekt mijn gezicht.
Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
Want de ijver voor uw Huis heeft mij verteerd; de versmading van hen die U smaden is op mij  gevallen.
Toen ik mijn ziel door vasten vernederde, werd het mij tot smaad; toen ik mij hulde in een boetekleed, gebruikten zij mij als spreekwoord.
Die in
de [Schaap’s]poort [bij de Bron] zitten belasteren mij; de wijndrinkers zingen een spotlied over mij.
Maar ik richt mijn gebed tot  U, Heer; nu is het tijd om genadig te zijn.
God, verhoor mij in de volheid van Uw Barmhartigheid, in de Waarheid van Uw Verlossing.
Red mij uit het slijk, opdat ik er niet in zal wegzinken; bevrijd mij van hen die mij haten, uit de diepte der wateren. Laat de stormvloed mij niet overstromen. noch de afgrond mij verzwelgen; laat de kuil zich niet boven mij sluiten.
Verhoor mij Heer, want Uw Barmhartigheid is goed [tov]; zie op mij neer volgens de menigte van Uw Ontfermingen. Wend Uw aangezicht niet af van Uw dienaar, verhoor mij haastig wanneer ik gekweld word. Kom tot mijn ziel om haar te verlossen, bevrijd mij van mijn vijanden.
Gij kent immers mijn smaad en mijn schande, hoe het schaamrood mij overdekt. Voor Uw ogen zijn allen die mij kwellen: mijn ziel verwacht smaad en ellende.
Ik wacht op een Medelijdende, maar er is er geen; op een Trooster, maar ik heb niemand gevonden. Voor spijs gaven zij mij gal; in mijn dorst drenkten zij mij met azijn.
Hun [offer-]tafel wordt hun tot strik, tot vergelding en struikelblok.
Hun ogen worden verduisterd, zodat zij niet meer zien; hun rug is voor altijd gekromd.
Want Gij giet Uw toorn over hen uit, Uw grimmige woede zal hen grijpen.
Hun woonstee veranderd in verlatenheid, er is niemand meer om te wonen in hun tenten.
Want hen die Gij geslagen had, hebben zij vervolgd; en aan de pijn van hun wonden hebben zij nog toegevoegd.
Daarom voegt Gij zonde bij hun zonden; zij zullen niet ingaan in Uw gerechtigheid.
Zij worden gewist uit het Boek der levenden, en niet ingeschreven met de rechtvaardigen.
Ik ben ellendig en vol pijn; God, laat Uw heil mij opnemen.
Dan zal ik de naam van God loven met een lied; ik zal Hem verheffen met lofzang.
Dat zal God meer behagen dan een jong kalf met horens en hoeven.
Mogen de armen het zien en zich verheugen: zoekt God, dan zal uw ziel gezocht worden.
Want de Heer heeft de arme verhoord; Hij heeft Zijn gevangenen niet gering geacht.
Dat hemel en aarde Hem loven, de zee en alles wat zich daarin beweegt.
Want God zal Sion verlossen, de steden van Judea zullen weer opgebouwd worden.
Men zal daar wonen en ze ontvangen als erfdeel.
Het zaad van Uw dienaren zal ze bezitten; wie Uw Naam liefhebben, zullen daarin wonen
”.
Psalm 68[69] vert. ROK. ’s-Gravenhage

Hymne van de drie jongelingen in de vuuroven:
      Gezegend zijt Gij Heer, God onzer vaderen, Uw Naam zij geprezen en verheerlijkt in de eeuwen der eeuwigheid.
Want Gij zijt Rechtvaardig in alles, wat Gij aan ons gedaan hebt; en al uw werken zijn Waarachtig, en Uw wegen zijn Recht, en al Uw oordelen zijn Waarheid.
Gij hebt waarachtige oordelen geoefend in al wat Gij over ons gebracht hebt, en over Jeruzalem, de heilige stad van onze vaderen, want Gij hebt in Waarheid en Gericht deze dingen over ons gebracht, omwille van onze zonden.
Overmits wij gezondigd en goddeloosheid begaan hebben, toen wij van U afgeweken zijn, en ons in alles hebben bezondigd.
En wij hebben Uw Geboden niet werkelijk gehoord, noch gehouden; en hebben niet gedaan gelijk Gij ons geboden hadt, opdat het ons wèl zou gaan.
En al wat Gij over ons gebracht hebt, en al wat Gij ons hebt [aan-]gedaan, dat hebt Gij in een Waarachtig Gericht gedaan; en hebt ons overgegeven in de handen van goddeloze vijanden, en van de allergrootste vijandige afvalligen, en aan een onrechtvaardige koning, die wel de
meest boze en verachtelijke is van de gehele wereld.
En nu durven wij onze mond niet open te doen, wij zijn een schande en spot geworden voor Uw knechten en voor allen die U dienen.
Doch geef ons niet over ten einde toe omwille van Uw Naam, en verstoot Uw Verbond [met ons] niet. En neem Uw Barmhartigheid niet van ons weg, omwille van Abraham, die door u geliefd is, en om Isaäc omwille van U knecht, en omwille van Israël Uw geheiligd Volk;
Tot welke U gesproken hebt, dat U hun zaad zult vermenigvuldigen gelijk de sterren aan de  Hemelen, en gelijk het zand dat aan de oever van de zee ligt.
Want, Heer, wij zijn minder geworden dan al de heidenen, en wij zijn heden vernederd op de gehele aarde, omwille van onze zonden. En wij hebben tot op dit ogenblik, noch vorst noch profeet, noch spelleider, noch voorganger, noch brandoffer, noch slachtoffer, noch spijsoffer, noch reukoffer; noch plaats om van onze vruchten voor u te offeren, en Genade te vinden.
Maar neem ons aan, in een verbroken hart en in een vernederde geest; gelijk als in het brandoffer van rammen en stieren, en in vele duizend vette schapen, zo mag heden onze offerande voor U zijn, en dat dit volmaakt bij u al overkomen, want zij zullen niet beschaamd worden, die op U het Vertrouwen hebben gesteld betrouwen.
En nu, wij volgen u van ganse harte na, en vrezen U, en zoeken Uw aangezicht.
Daarom laat ons niet beschaamd worden, maar doe met ons naar Uw Goedertierenheid [met veel medeleven], en naar de menigte van Uw Barmhartigheid.
En verlos ons hieruit naar Uw Mysteriën, wonderdaden en geef Heer, Uw Naam eer.
En laat beschaamd worden allen die uw knechten kwaad aandoen, en laat hen te schande worden voor alle macht, en laat hun sterkte gebroken worden.
En doe hen alstublieft gewaarworden, dat Gij de Heer zijt, de enige God, Die Heerlijk is op de gehele aarde.
                                                      De dienaren nu van de koning, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel, en pek, en werk, en rijs.
En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog.
En ging voort, en verbrandde de Chaldeeën, Die zij zich rondom de oven bevonden.
➽          En de engel des Heren daalde neer bij Azaria en zijn gezellen in de oven;
En stootte de vlam van het vuur uit de oven, en maakte het middelste van de ovens alsof een windje van de dauw suisde, en het vuur raakte hen geheel niet, en deed hun geen verdriet, noch enige bekommering aan.
🌈         Toen zongen de drie als uit één mond, en
loofden en prezen God in de oven, zeggende:
⁌ Geloofd zijt Gij, Heer, gij God van onze vaderen, Die geprezen dient te worden en hoog geroemd dient te zijn in de eeuwigheid.
⁌ Geloofd zij Uw Heerlijke Naam Die Heilig is en hoog te prijzen en te roemen in de eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij in de Tempel van Uw Heilige Heerlijkheid, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt zijt Gij in de eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij Die daar zit op de Cherubijnen en ziet de diepten aan, en hoog geprezen en hoog geroemd zijt Gij in alle eeuwen der eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij, op de Troon der Heerlijkheid van uw Koninkrijk, en hoog geprezen en hoog verheerlijkt zijt gij in alle eeuwen der eeuwigheid.
⁌ Geloofd zijt Gij in de vastigheid des Hemels en hoog geprezen en verheerlijkt in der eeuwigheid.
➙   Alle gij werken des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
➙   Gij engelen des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
➙   Gij hemelen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
➙   Alle wateren, die boven de hemel zijt, looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Looft de Heer al de legerkrachten des Heren, prijst Hem en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid..
 Looft de Heer gij zon en gij maan, prijst hem en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid..
 Looft de Here gij gesternten des hemels, prijst Hem en roemt hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Al gij regen en dauw looft de Here, prijst hem en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij winden alle looft de Here, prijst hem en looft Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij vuur en hitte looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Koude en hitte looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Dauw en rijm looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij nachten en dagen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Licht en duisternis looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Vorst en koude looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 IJs en sneeuw looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Bliksem en wolken looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 De aarde love de Heer, zij zal Hem prijzen en zal Hem roemen in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij bergen en heuvelen looft de Here, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Alles wat in de aarde opgroeit love de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij fonteinen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij zeeën en rivieren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij walvissen, en al wat zich roert in de wateren, looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Alle gij vogelen des hemels looft de Heer, prijst en roemt hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Alle gij wilde gedierten en vee looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij kinderen der mensen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Israël [en geheel Uw Kerk], looft de Heer; prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij spelleiders, priesters, voorgangers des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij knechten en slaven des Heren looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij geesten en zielen der rechtvaardigen looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Gij heilige en deemoedige van harte looft allen de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid.
 Ananias, Azaria, Misaël looft de Heer, prijst en roemt Hem in alle eeuwen der eeuwigheid, want Hij heeft ons getrokken uit de hel en heeft ons verlost uit de hand van de dood, en Hij heeft ons behouden uit het midden van de brandende vlam van die ontzettend hete ovens, en heeft ons behouden uit het midden van het helse vuur.
♨︎♨︎♨︎ Dankt de Heer want Hij heeft de mensen lief en is vriendelijk, want Zijn Barmhartigheid duurt in de eeuwen der eeuwigheid.
✥ ✥ Gij allen die de Heer vrezen looft de God der goden, prijst Hem en dankt Hem, want Zijn Barmhartigheid duurt in alle eeuwen der eeuwigheidDaniël 3: 26-88.

Deze prachtige Hymne in de vorm van een litanie laat ons nadenken over
het Pascha/de Verrijzenis van onze Heer en verlosser,
het hoogtepunt van het Goddelijk plan met de kosmos en haar geschiedenis.
Het wordt gevonden in het boek Daniël, in het gedeelte dat alleen in het Grieks
tot ons is gekomen, verwoord door moedige geloofsgetuigen, die niet wilden buigen ter aanbidding van het standbeeld van de koning en de voorkeur gaven aan een tragisch vooruitzicht van dood, het Martelaarschap in de vurige oven.
Alle dingen, die de mens kent zijn echter door God geschapen en in Hem is
zowel het begin als het einde, de Alpha en de Omega van de menselijke geschiedenis, dus gaan zij volop in verzet en tegenstand in tegen de wereldse machthebber, die hen God wil doen afzweren en hen dreigt te vermurwen.

    Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om eenieder te vergelden, naar dat zijn werk is.
Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het eindeOpenb.22: 12,13.

De Schepping van Zijn hand krijgt z’n volledige betekenis vanaf het moment, zoals  Johannes de Theoloog het zich herinnert in de Proloog van de weergave van zijn Evangelie:
Alle dingen zijn door het Woord geworden en
zonder dit is geen enkel ding geworden, dat geworden is
John.1: 3.
De Geschiedenis van de Zaligheid staat als het hoogst verheven moment in ons midden met de Opstanding van Christus, het open staan van het menselijk leven tot de Genadegave van de Heilige Geest en de aanneming als zonen en dochters van de Vader, in afwachting van de terugkeer van het Goddelijke Bruidegom, Die de wereld teruggeeft aan God de Vader:
    Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.
Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle Heerschappij, alle Macht en Kracht [in de wereld] onttroond zal hebben“ 1Cor.15: 22-24.
Vandaag zetten wij de volgende tekst van deze hymne op de voor-grond [in de spotlights]:
      Gezegend zijt Gij, allen en alle werken des Heren, wat u nu gaat doen
ten behoeve van de Heer,  zing een Hymne voor de Heer en
verhef Hem bovenmate tot in de eeuwen der eeuwigheid”
Daniël 3: 57.

♨︎          Nicholas Cabasilas leert dat de heiligen, zoals zij de Heer verheerlijken,
God nooit genoeg zullen kunnen prijzen; zij vinden hun eigen dankzegging niet voldoende . . . [want] zij verlangen dat mensen en engelen zich met hen verenigen in het prijzen van God, zodat hun schuld van dankbaarheid aan Hem een ​​beetje meer waardig verrekend kan worden, vanwege de toename van het aantal van degenen die Hem prijzen”.
Nicholas Cabasilas voegt er nog aan toe dat
de heilige zonen van Azaria, die door de Genade van God de vlammen van de vurige oven overwonnen, getuigen van dezelfde Waarheid:
“Het was passend dat zij God moesten danken, vanwege
hun wonderbaarlijke en onverwachte opvang in de nood; maar
zij beschouwden hun eigen lof en toejuiching niet als voldoende
– zij riepen de engelen en elk ras van de mens op,
de hemelen, de zon, de sterren, de aarde, de bergen en levenloze wezens –
kortom de gehele schepping op om te hulp te komen

Commentaar op de Goddelijke Liturgie, blz. 107.

Laten we daarom de Waarheid omarmen dat wij als navolgers van Christus gezegend zijn om ons bij de drie jongemannen aan te sluiten om God te eren de
altijd bestaande en eeuwig dezelfde, Gij en Uw eniggeboren Zoon en Uw Heilige Geest. . . Die heeft ons van niet-bestaan ​​naar het zijn gebracht Metten, Canon van Pinksteren.
Inderdaad, zoals de apostel Paulus ons eveneens aanspoort:
Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles, want
dàt is de Wil van God in Christus Jezus ten opzichte van u.
Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar
toetst alles en behoudt het goede
1Thess.5: 16-21.

          Op dezelfde wijze waarschuwt Johannes Chrysostomos ons om geen achteloze toeschouwers te blijven en niet aandachtig te zijn in de Goddelijke Liturgie, noch in enig ander aspect van dit huidige leven.
Alle stemmen die opgang vinden in de Kerk
– engelen, aartsengelen, priesters en hun assistenten de diakens, mannen, vrouwen en kinderen  – zijn bedoeld en worden opgeroepen om zich te verenigen in Lof aan God.

De tekst van de ‘Hymne van de drie jongelingen‘ is op
natuurlijk wijze onder verdeeld in drie delen.
Eerst is er een lofoffer, een verheffing van God, Die
alleen al de eer, de eer en aanbidding waardig is Daniël 3: 52-56.
Deze passage herinnert ons eraan dat God onophoudelijk voortgaat 
om alle dingen te doen totdat Hij ons terug naar de Hemelen gebracht zal hebben en  ons Zijn Koninkrijk zal overgeven dat nog zal komenuit de Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomos.
Dit gedeelte van de Hymne voegt onze lof toe aan die van het hemelse tabernakel waar de Heer zit “op de cherubijnenDaniël 3: 55, de “Troon van [Zijn] Hemels KoninkrijkDaniël 3: 54.
Het volgende en langere gedeelte van het gebed Daniël 3: 57–82 roept
de gehele schepping op om zich aan te sluiten bij de lof aan God.
Is dit mogelijk voor elk schepsel, zelfs de sterren van de hemel,
de regen en dauw, wind, vuur en hitte?
We leren van deze verzen dat de hele gecreëerde orde van de Schepping actief betrokken is bij God’s lof en de wijze waarop Hij alles bestuurt [- ‘bestiert’ – oud Nederlands].
Gecreëerde dingen zijn niet, zoals hedendaagse materialisten suggereren, louter en alleen een kwestie om gemanipuleerd te worden ten behoeve van onze nukken [behoeften]; deze medeschepselen verheerlijken altijd God’s Mysteriën [wonderen].
♨︎            Volgens de Heilige Hippolytus van Rome, “toonde de drie jongelingen in de oven. . . [geschapen wezens] ons aan om
allen, zoals wij als dienaren van God behoren te zijn
” Ante-Nicene Fathers 5, blz. 191.
Mogen wij dàn eveneens ook alle schepselen, de natuur en materie benaderen met het eerbetoon als aan de mede-aanbidders van God.
♨︎            òf zoals de archimandriet Pachoom [van Neerven, 1935-2007] van
het Elias klooster te Sint Hubert, Brabant het uitdrukte: “ Ja, zelfs in de geur van de mestvaalt, ontmoet je de aanbidding tot God”.

In de afsluitende verzen richten de drie jongemannen zich tot de Kerk:
Zegen de Heer, o Israël, en zing een hymne voor HemDaniël 3: 83.
Lof is niet alleen voorbehouden aan onze naar voren geschoven geestelijkheid Daniël 3: 84, maar vóór alles en allen die verkondigen ‘dienstknechten van de Heer te zijn Daniël 3: 85, de ‘geesten en zielen van de rechtvaardigenDaniël 3: 86.
Inderdaad, we zijn allemaal geroepen om “de Heer te danken, want Hij is goed, [en heeft de mensen lief]” Daniël 3: 89.
Inderdaad, zoals we in de Goddelijke Liturgie zingen,
het is Waarlijk en Recht om Vader, Zoon en Heilige Geest te aanbidden:
de Drieëenheid, één in Wezen
[Essentie], en onverdeeld”.
Laten we voor altijd onze harten en stemmen verheffen tot de Heer
want Zijn Genadegave duurt voor altijd” Daniël 3: 90.

    Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd, een Heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van Genade en Waarheid. Immers uit Zijn Volheid hebben wij allen ontvangen zelfs Genade op Genade; want de wet is door Mozes gegeven, de Genade en de Waarheid zijn door Jezus Christus gekomenJohn 1: 14, 16-17.

”   Wij verheffen U, wij zegenen U, wij aanbidden U,
wij verheerlijken U en, wij danken U voor Uw grote Heerlijkheid,
O Heer Koning, Hemelse God
  Grote doxologie.

Apolytikion
tn.3. 
  Dat Hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen,
want de Heer heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood is de dood vertreden, en
werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten van de hel, en
aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion
tn.3. 
  Door vele zonen en tegennatuurlijke daden
is mijn ziel geheel en al verlamd, o Heer.
Maar – ‘doe’- haar weer
‘Opstaan’ door Uw Goddelijke Tegenwoordigheid,
zoals Gij eens de Verlamde hebt opgericht,
opdat ik, gered tot U mag roepen:
Barmhartige Christus, ere zij Uw Kracht
”.

Kondakion [2]
tn.3.    Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf, en
hebt ons verlost uit de poorten van de dood.
heden jubelt Adam en Eva verheugt zich; en
de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij
”.

Theotokion
tn.3.
    Gij zijt de Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij u, o Moeder God’s en Maagd,
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God, het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost als de Menslievende
”.