Dinsdag in de 3e week na Pascha – Brood uit de Hemelen als spijs tot eeuwig Leven is beslist geen ‘abracadabra’

    Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt.
       De schare, de menigte mensen om Hem heen zeiden dan tot Hem:
‘ Wat moeten wij doen, opdat wij de werken van God mogen [uit]werken?
Jezus antwoordde en zei tot hen:
– ‘ Dit is het werk van God, dat jullie geloven in Hem, Die Hij gezonden heeft’.
Zij zeiden dan tot Hem:
– ‘ Wat voor teken doet U dan, opdat wij mogen zien en U geloven?
Wat voor werk doet U?
Onze [voor-]Vaderen hebben het manna in de woestijn gegeten, zoals geschreven is: ‘Brood uit de Hemelen gaf Hij [de Heer] hun te eten’.
Jezus zei dan tot hen:
– ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
niet Mozes heeft u het brood uit de Hemelen gegeven, maar
Mijn Vader geeft u het ware brood uit de Hemelen; want
dàt is het Brood God’s, dat uit de Hemelen nederdaalt en
aan de wereld het Leven geeft’
John.6: 27-33.

    En Philippus [Hebr.= ‘liefhebber van paarden’] daalde af naar de stad van Samaria [Hebr.= ‘wacht’-berg, voogdijschap] en predikte hun de Christus.
En toen de scharen Philippus hoorden en tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd.
Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen; en er kwam grote blijdschap in die stad.

Simon de Tovenaar

      En een man, met name Simon, was reeds voor deze tijd in de stad bezig met toverij, waardoor hij het volk van Samaria verbijsterde, en hij beweerde van zichzelf, dat hij iets groots was; en allen, van klein tot groot, hielden zich aan hem en zeiden: ‘ Deze is wat genoemd wordt de grote kracht van God. En zij hielden zich aan hem, omdat hij reeds lange tijd hen door toverijen verbijsterd had.
      Toen zij echter Geloof schonken aan Philippus, die het Evangelie/de Blijde Boodschap van het Koninkrijk van God en van de Naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen. En ook Simon zelf kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij bij voortduring bij Philippus, verbijsterd door die tekenen en grote krachten, die hij zag geschieden.
      Toen nu de Apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria het Woord van God had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, die, daar aangekomen, voor hen baden, dat zij de Heilige Geest mochten ontvangen. Want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de Naam van de Heer Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de Heilige GeestHand. 8: 5-17.

‘Hocus pocus, Pilatus pas’
We kennen deze abracadabra als taal van goochelaars, maar het komt voort uit de oude Latijnse liturgie: in de Rooms Katholieke Kerk sprak de voorganger, de priester en spelleider, de woorden in het Latijn: ‘hoc est corpus meum’ [Lat.= ‘dit is Mijn Lichaam’] en daarna sprak hij vaak de woorden: ‘Ponto Pilato passus sepultus est’ [Lat. = ‘onder Pontius Pilatus leed Hij en werd Hij begraven].
De meeste gelovigen waren toentertijd ongeletterd en hebben dit wellicht ervaren als een geheimzinnige reeks onbegrijpelijke rituelen en toverspreuken. De meeste gelovigen in de Middeleeuwen spraken immers geen Latijn.
Datzelfde kom je heden ten dage nog tegen bij de voorganger, de priester en spelleider, in de Rooms Katholieke Kerk, die de moderne dooprite volgt; er wordt een doopdienst voltrokken door een scheutje water over het hoofd van de dopeling, de Myronzalving is daarbij geheel losgemaakt van deze bediening, alsmede de ontmoeting met de Heer in het ontvangen van de Heilige Communie.
Dáár wáár de doop van de oorspronkelijke Kerk één geheel was van onderdompeling, Myronzalving, kruinschering en de ontmoeting van de dopeling met de Heer en Zaligmaker is dit onder westerse [waarschijnlijk verstandelijke invloed] van elkaar gescheiden. De eerste communie vindt plaats vanaf schoolgroep 3 of 4 en de Myronzalving op 12 jarige leeftijd en wordt slechts door een toezichthouder, veelal een [hulp-]bisschop uitgevoerd.

Pontius Pilatus

Pilatus als een hoogste functionaris/politicus, die voor zijn eigen hachje kiest, vandaar kwam het middeleeuwse volk op ‘Pilatus pas [Fr. ‘pas’=‘niet’]. Hij speelt het politieke spel mee; op een gegeven moment [waarschijnlijk onder invloed van zijn echtgenote] draait hij zich om en komt tot de conclusie dat onze Christus onschuldig is. Maar ‘dàn’, ja dàn is het al te laat en besluit hij om z’n gericht af te schuiven op het volk:
Hij legt de beslissing via een keuze ten opzichte van een groot misdadiger/delinquent aan het volk voor.  Hij zal wel het idee hebben dat een goed bestuurder een vriend van het volk is, maar erg rechtvaardig is het niet en wanneer het helemaal verkeerd afloopt wast hij vervolgens z’n handen in onschuld. Deze volksdevotie en het gebruik van ‘Hoci-Poci’ flitst telkenmale door mij heen wanneer ik bovenstaande lezing van het boek Handelingen onder ogen krijg. De menselijke samenleving laat onrecht geschieden kijkt de andere kant op, maar er is ook een bovenmenselijke kant: “Jezus antwoordde Pilatus: “‘Jullie  zouden geen macht tegen Mij hebben, 
indien het u niet van boven gegeven zou zijn: daarom heeft degene, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde’” John.19: 11.

Verandering van inzicht
Waar het er echter in bovenstaande lezingen om draait de verandering in de manier waarop je naar de dingen in het leven kijkt om te buigen en ‘dàt’ vinden wij opnieuw in de geschriften van de Voorvaderen.
      Op zekere dag begaf de Profeet Elisha [Hebr.=‘ mijn God is redding/rijkdom] zich naar Sunem [Hebr.= ‘dubbele rustplaats’].

Holy Prophet Elisha

Daar woonde een welgestelde vrouw, die bij hem aandrong, dat hij zou blijven eten. En zo vaak hij op zijn doorreis daar kwam, ging hij erheen om [daar] te eten. En zij zei tot haar man:‘ Zie toch, ik weet, dat het een heilige man van God is, die altijd bij ons aankomt. Laat ons dan nu een kleine gemetselde bovenkamer maken, en daar voor hem een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen, opdat hij, wanneer hij bij ons komt, daar zijn intrek kan nemen.
Op zekere dag kwam hij daar; hij nam zijn intrek in de bovenkamer en legde zich daar te ruste.
Vervolgens zei hij tot zijn knecht Gechazi: ‘Roep deze Sunamitische [Hebr.= vrouw uit de gelukkige, vredige rustplaats] .
Toen hij haar geroepen had, bleef zij voor hem staan. En hij zei tot Gechazi: ‘Zeg tot haar: zie, gij hebt u voor ons al deze moeite getroost; wat kan er nu voor u gedaan worden? Is er iets waarover ik voor u tot de koning of tot de legeroverste kan spreken?’.
Maar zij antwoordde: Ik woon te midden van mijn familie.
En Elisha zei: ‘ Maar wat kan er dan voor haar gedaan worden?. Gechazi zei: ‘ Zij heeft helaas geen zoon, en haar man is oud’. Daarop zei hij: ‘Roep haar’. En hij riep haar en zij kwam in de ingang staan.
        Toen zei hij: ‘ Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een zoon omhelzen’. Maar zij zei: ‘Och neen, mijn heer, gij man van God spiegel uw dienstmaagd niets voor’.
        En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op dezelfde tijd een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken had.
        Toen de knaap groot geworden was, ging hij op zekere dag naar zijn vader, bij de maaiers. En hij zei tot zijn vader: ‘Mijn hoofd, mijn hoofd!’.
Toen zei deze tot een knecht: Draag hem naar zijn moeder. Hij droeg hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat op haar knieën tot aan de middag; toen stierf hij. Zij ging naar boven, legde hem op het bed van de man God’s en sloot de toegang tot hem af.
        Daarop ging zij naar buiten, riep haar man en zei: Zend mij een van de knechten met een ezelin; ik wil mij naar de man God’s spoeden en dan terugkomen.
        En hij vroeg: Waarom wilt gij vandaag naar hem toegaan? Het is immers geen nieuwe maan of Sabbath. Maar zij antwoordde: ‘Wees maar gerust’.
       Toen zij de ezelin gezadeld had, zei zij tot haar knecht: ‘Drijf ze steeds aan en laat mij zonder ophouden doorrijden, behalve wanneer ik het u zeg’.
       Zo ging zij op weg en kwam bij de man God’s op de berg Karmel. Zodra de man Gods haar op enige afstand zag, zei hij tot zijn knecht Gechazi: ‘Zie, daar is de Sunamitische. Snel haar dadelijk tegemoet en zeg tot haar: Is het wel met u, met uw man en met het kind?’. En zij zei: ‘Alles wel’.
        Toen zij echter bij de man Gods op de berg gekomen was, greep zij zijn voeten; Gechazi trad nader om haar terug te stoten, maar de man God’s zei:
            Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de Heer heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld’. Toen zeide zij:
            Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden?’.
Hij zei tot Gechazi: ‘Omgord uw lendenen, neem mijn staf in uw hand en ga op weg. Wanneer gij iemand ontmoet, groet hem niet, en wanneer iemand u groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het gelaat van de knaap’.
Maar de moeder van de knaap zei:
Zo waar de Heer leeft en gijzelf leeft, ik ga niet bij u vandaan. Toen stond hij op en volgde haar.
Gechazi nu was voor hen uitgegaan en had de staf op het gelaat van de knaap gelegd; maar er kwam geen geluid en geen levensteken; toen keerde hij terug hem tegemoet en berichtte hem:       ‘ De jongen is niet ontwaakt’.
Daarna kwam Elisha het huis binnen en zie, daar lag de jongen dood op zijn bed.
       Toen Elisha binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Heer.
Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm.
       Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer; dan ging hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen zevenmaal en opende zijn ogen.
En hij riep Gechazi en zei: ‘ Roep deze Sunamitische’. En toen deze haar geroepen had, kwam zij tot hem, en hij zeide: ‘Neem uw zoon op’.
Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter aarde neer. Daarop nam zij haar zoon en ging heen2Kon.4: 8- 37.

Het gaat vooral om de zinsnede: “ Toen zei de Sunamitische [Hebr.= vrouw uit de gelukkige, vredige rustplaats]: Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden?
‘Wanneer het dierbare kind van de Sunammitische vrouw plotseling sterft, haast zijn moeder zich naar de profeet Elisha en ‘neemt [hem] bij de voeten vast2Kon.4: 27.
Dit oude gebruik van het omklemmen/omsluiten van de voeten duidt zowel onderwerping aan hogere autoriteit, als ook een dringende petitie/verzoek. Het is de moeite waard om dit nader te bestuderen.
Abigail, de vrouw van de arrogante Nabal, wierp zich voor de voeten van
David en smeekte om het leven van haar man 1Kon.25: 23-31.
Koningin Esther viel aan de voeten van haar echtgenoot, koning Ahasveros, om
de genocide van haar volk te voorkomen Ester 8: 3-8.
Op dezelfde manier smeekte een slaaf verhaal voor een kleine schuld van de zeer vertrouwde dienaar van hun gemeenschappelijke meester Matth.18: 26.
De profeet Isaiah, vooruitblikkend naar de Messias, vertelt het Volk van God dat “koningen uw pleegvaders zullen zijn, en hun koninginnen uw moeders die borstvoeding geven. Zij zullen zich voor u buigen met hun gezichten naar de aarde en het stof van uw voeten likken“. “ Dàn zul je weten dat Ik de Heer benIsaiah 49: 23.

Echter, de overgrote meerderheid van gevallen van dit gedrag, welke
is vastgelegd in de Blijde Boodschap, concentreert zich op de persoon van onze Heer Jezus Christus.
– De lammen, blinden en verminkten worden aan Zijn voeten gelegd Matth.15: 30;

Myrondraagsters

– De Myron-dragende vrouwen grepen [omklemmen] Zijn voeten buiten het lege graf Matth.28: 9.
– We zien hetzelfde gedrag van Jaïrus, een Overste van de synagoge Marc.5: 22,
– Bij de de Syro-Phoenicische vrouw Marc.7: 25,
– Bij de bevrijde demonen Luc.8: 35 en
– Bij Maria van Bethanië John.11: 32.
Nog verbazing-wekkender, hetgeen uit de reactie van Zijn volgeling Petrus ons wordt duidelijk gemaakt, is de omkering van de rol door onze Heer en Verlosser wanneer Hij persoonlijk de voeten van zijn discipel wast John.13: 5-11.

In het verslag van vandaag over de Sunammitische vrouw zien we haar
twee keer vallen aan de voeten van de profeet Elisha:
1.].    Toen zij echter bij de man God’s op de berg gekomen was, greep zij zijn voeten; Gechazi trad naderbij om haar terug te stoten, maar de man God’s zei:
    Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de Heer heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld2Kon.4: 27;
2.].    Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter aarde neder. Daarop nam zij haar zoon en ging heen2Kon.4: 37.
De eerste keer dat ze zijn voeten omklemt, komt na de dood van de zoon die ze had ontvangen, door de genade van God, door tussenkomst van de profeet.
Ze berispt Elisa, “Heb ik mijn heer om een ​​zoon gevraagd? Heb ik je niet gezegd me niet te bedriegen?2Kon.4: 28.
In deze eerste omgang is het element van de petitie dominant, hoewel het niet het enige kenmerk is van de actie van de vrouw.
Met de tweede omklemming toont ze echter een prachtige uitstorting van
dankbaarheid aan God en Zijn heilige Profeet.

Monnik Daniël, Serbian kluizenaar Athos

Dankbaarheid is natuurlijk het dominante kenmerk van enkele van de nieuwtestamentische verslagen van hen die aan de voeten van de Heer Jezus vallen
– in het bijzonder de zondige vrouw Luc.7: 37-38,
– de melaatse die gereinigd is Luc.17: 15-16, en
– de Myron-dragende vrouwen Matth.28: 9.
In al deze gevallen nemen we de rijke mate van dankbaarheid waar die tot uiting komt nadat een visioen van God, eerder verloren gegaan, hersteld is.
De melaatse keert bijvoorbeeld terug om de Heer en Verlosser te danken voor Zijn Mystieke [Wonderbaarlijke] genezing.
Nadat hij ontdekt had dat God hem niet overgaf aan het verspillen van melaatsheid, valt hij voor Jezus ‘voeten in de erkenning dat zorgzaamheid een centraal kenmerk van Gods natuur is.
Vreugde is ontbrand in zijn hart; laat de andere negen hun gang gaan, maar
hij is verplicht om God te danken op de manier die voor hem openstaat.

Laten we ten slotte eens kijken wat er gebeurde voor de Myron-dragende vrouwen. Wanneer ze een stralende engel tegenkomen, die een steen heeft weggerold van het graf en de militaire wachters als dode mannen worden geslagen, dienen de vrouwen de Hoop, Die ze in Christus hadden gesteld, te heroverwegen.
Ze hadden in de Al-Macht van hun Heer en Verlosser Geloofd, maar toen zagen zij Hem sterven aan het Kruis.
Nu staat Hij voor hen in het vlees en hun visie is volledig hersteld Matth.28: 9 !!!

    Heer, Gij hebt Uw land gezegend, Gij hebt de gevangenen van Jaäcob teruggevoerd. Gij hebt de ongerechtigheden van Uw volk vergeven, en al hun zonden bedekt.
Gij hebt heel Uw gramschap volkomen gestild; U afgewend van Uw wrekende toorn.
Bekeer ons, God van ons Heil: keer Uw toorn van ons af.
Blijf niet eeuwig op ons vertoornd; wilt Gij Uw gramschap doen duren van geslacht tot geslacht? God, keer U tot ons, om ons te doen leven; dan zal Uw volk zich verblijden in U. Toon ons, Heer, Uw Barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil.
Ik wil horen wat de Heer God in mij spreekt, want Hij spreekt vrede tot Zijn volk.
Evenals tot Zijn gewijden, die hun hart tot Hem hebben bekeerd.
Ja, nabij is Zijn heil voor wie Hem vrezen: Zijn heerlijkheid woont op onze aarde.
Barmhartigheid en Waarheid hebben elkander ontmoet: Gerechtigheid en Vrede kussen elkaar.
Waarheid ontspringt aan de aarde, en Gerechtigheid ziet neer uit de Hemelen.
Want de Heer schenkt welwillendheid, opdat de aarde haar vruchten zal geven.
Gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht uitgaan, om op de weg Zijn schreden te richten“ Psalm 84[85] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    Kom, laat ons aanbidden en neervallen voor Christus.  Red ons, o Zoon van God, die uit de dood is opgestaan, die tot U zingen, Alleluia!”
Hymne bij de kleine intocht –

”    Nu wij Christus Opstanding aanschouwd hebben, laat ons aanbidden de Heilige Heer Jezus, Die geheel zonder zonde is. Uw Kruis vereren wij, o Christus, en Uw heilige Opstanding bezingen en verheerlijken wij.
Komt alle Gelovigen: laat ons aanbidden de heilige Opstanding van Christus; want zie, door het Kruis kwam er Vreugde over heel de wereld.
altijd de Heer zegenend, bezingen wij Zijn Opstanding. Want Hij heeft aan het Kruis geleden, en door Zijn dood de Dood vernietigd.
Word verlicht, word verlicht, nieuw Jerusalem, want de Heerlijkheid des Heren is over u opgegaan.
Dans nu en juich, Sion; en gij, heilige Moeder Gods, verheug u in de Opstanding van Uw Kind” uit: de Paas-Stichier.

Apostichen uit Metten 3e Dinsdag
tn.2.    Het licht van de drievoudige Zon straalt heden schitterend over de aarde om de nacht der hartstochten te verdrijven.
Het is Christus’ Heerlijke Opstanding, Die over de gelovigen waakt.
De apostelen dansen van vreugde en liefde; Joseph en Nicodemus jubelen.
De blijde viering van de heilige Myron-draagsters bekranst hen die haar roemen in Geloof, en
die de Goddelijke Opstanding verheerlijken”.

     “ God, keer U tot ons, om ons te doen leven; dan zal Uw volk zich verblijden in U’.

tn.2. 
  De Zoon, Die zetelt aan de rechterhand van de Vader, hebt u,
Joseph en Nicodemus, op uw schouders gedragen.
De onuitputtelijke geestelijke Myron hebt u met aardse Myron gezalfd.
De Opstanding van de wereld hebt u in een graf gelegd.
Hem Die in Licht gekleed gaat hebt u achter een grafsteen verborgen.
Daarom bezingen wij het lichtbrekend Lijden en de Opstanding”.

     “ Toon ons, Heer, Uw Barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil”.

tn.2.    De scharen der Engelen sidderen en zij zien hoe u,
Joseph en Nicodemus, de gestorven Christus begraaft.
Daarom noemt heel de wereld u gezegend; wij gelovigen staan verwonderd;
wij eren met  goddelijke hymnen de geheiligde Opstanding;
wij prijzen tezamen met de Myron-draagsters; en
roepen zonder ophouden:
smeekt met hen dat wij gered mogen worden uit alle toorn en nood”.

     “ Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.1.  “ Bevreesd haastten de vrouwen zich naar het graf
om het Lichaam met specerijen te balsemen.
toen zij U niet vonden, verwonderden zij zich
omdat zij niet wisten van Uw Verrijzenis.
Maar een Engel kwam bij hen en zei:
Christus is opgestaan,
om ons de grote Genade te schenken”.

uit: Vespers 3e Dinsdag
bij: Heer, ik roep . . . . .    
tn.2.    Hoe juichen de vrouwelijke leerlingen van Christus,
bij de woorden van de Engel:
Daardoor geloven zij dat Hij is opgestaan, Die Zich uit Liefde tot ons had doen tellen onder de doden.
Eerst hadden zij als Myron-draagsters bij het graf gestaan,
om voor Hem hun klaaglied te zingen,
maar nu is de drukkende steen afgewenteld van hun hart,
omdat zij zagen hoe de grafsteen ontwijfelbaar afgewenteld was”.

tn.2.    Dansend door niet te stelpen goddelijke vreugde
kwamen de Vrouwen bij de heilige Leerlingen:
zij waren de Myron-draagsters van Christus,
die het gebod van de door God gezonden Engel uitvoerden.
Zij waren niet meer bevreesd om zijn lichtstralend gewaad, en
roepen tot de Apostelen:
‘de onderwereld is van zijn macht beroofd door
de het heelal verlossende Opstanding van de Heerser, Die
omwille van ons gestorven is”.

tn.2.    Uit de bron der tranen brachten de heilige Vrouwen
een stroom van klaagliederen.
Maar nu zijn het woorden vol vreugde, die
zij boodschapten aan de getuigen van de Genade,
want zij verkondigen hun dat het Woord van God is opgestaan, en
hoe de Blijdschap opstaat uit het Graf.
Zij hadden immers de stem gehoord, die een einde maakte aan hun droefheid,
toen die het ‘Verheug u’ sprak”.

     “nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN”.

tn.6.  De  Myron-draagsters kwamen bij Uw graf.
zij zagen de zegels maar niet Uw Lichaam, en
wenend spraken zij: ‘Wie heeft gestolen onze Hoop”
wie heeft weggenomen een naakt, gebalsemd Lichaam?
De enige troost van Zijn Moeder?
Hoe kon Hij sterven, Die zelfs doden deed leven?
Hoe kon Hij begraven worden Die de hades heeft leeggeroofd?
   Maar sta op, Verlosser, in Uw eigen Kracht, zoals
U dat voor de derde dag voorzegd hebt, en
verlos onze zielen”.

    Ik hef mijn ogen tot U, Die in de hemelen woont.
Zie, zoals de ogen van dienaars, op de handen van hun meesters.
Zoals de ogen van de dienaressen, op de handen van haar meesteres.
Zo zien onze ogen naar de Heer onze God, totdat Hij zich over ons ontfermt.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons: wij zijn overladen met
verachting, onze ziel is er geheel en al van vervuld.
Wij zijn de hoon van de rijkaards, de verachting van de hoogmoedigen
Psalm 112[123] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apostichen 3e Dinsdag
tn.2.    Verlos mij, Christus Verlosser,
door de Kracht van Uw Kruis, zoals
U Petros uit de zee hebt gered: en
ontferm U over mij
”.

       Ik hef mijn ogen tot U, Die in de Hemelen woont’.

tn.2.    Met de Aartsengelen willen wij Christus’ Opstanding bezingen.
Hij is de Bevrijder en Verlosser van onze zielen:
Hij zal weerkomen met vreeswekkende Heerlijkheid, en
met geweldige Kracht zal Hij de door Hem geschapen wereld oordelen
”.
       ontferm U over ons, o Heer, ontferm U over ons”.

tn.2.    De koren der Martelaren hebben de tiran weerstaan,
terwijl zij zeiden: wij dienen de soldaten van de Koning der Krachten;
en zelfs als jullie ons vernietigen door foltering en vuur,
dan verloochenen wij nog niet de Kracht van de Heilige Drieëenheid
”.

Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de heilige Geest,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. AMEN
”.

tn.6.  Joseph vroeg om het Lichaam van Jezus, en
hij begroef Het in zijn eigen graf.
Want U moest uit het graf tevoorschijn treden als uit een bruidsvertrek:
U hebt de macht van de dood vernietigd en
de poort weer geopend voor de mensen:
Heer, eer aan U
”.