Lazarus zaterdag, feestdag voorafgaand aan Palmzondag, welke als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding wordt beschouwd

    Er was iemand ziek, Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem’] van Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’], het dorp van Maria [Hebr.= ‘ hun opstand’, inspiratiebron van de Blijde Boodschap] en haar zuster Martha [Hebr.= ‘ zij was opstandig’].
Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek.
De zusters dan zonden Hem [de Heer en Meester van hun Leven] bericht:
  Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’.
Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘ Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden.
Jezus nu had Martha en haar zuster [Maria] en [Zijn vriend en volgeling] Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was;
daarna echter zei Hij tot zijn discipelen:
Laten wij weer naar Judea
[Hebr.= ‘ jehoed (Aramees) het gebied van de 
stam van Juda (Hebr.=‘ het gebied waar de Heer geprezen zal worden’)] gaan.
De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi [Hebr.=‘ eerwaarde, titel voor een leraar], onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? [oftewel, hoe haalt U het in Uw hoofd].
Jezus antwoordde: ‘ Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het Licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het Licht niet in hem is’.
Zo sprak Hij [tot hen en ons] en daarna zei Hij tot hen:
‘ Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar
Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen.
Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat
Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zeide Jezus ronduit tot hen:
Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben,  opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
            Thomas [Hebr.= ‘tweeling’] dan, genaamd Didymus [Gr.= Δίδυμος, d.i. ‘Tweeling(broer’)], zei tot zijn medediscipelen: ‘ Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’.
Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.
Bethanië [Hebr.= ‘huis van dadels of huis van ellende’] nu was dichtbij Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbel vrede’, vrede lerend’] gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën [lett. 2,8 km.;  3×5= 15, heeft in zich 5, het getal van de Genade en 3 het getal van Goddelijke volmaaktheid].
Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder.
Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten.
Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’.
Jezus zeide tot haar: ‘Uw broeder zal Opstaan’.
Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal Opstaan/Verrijzen bij de Opstanding ten jongsten dage.
Jezus zeide tot haar:
Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, 
en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven’; gelooft gij dat?
Zij zei tot Hem:
  Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de 
wereld komen zou’. [deze formulering wordt ook in de Orthodoxe doop gebruikt]
En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei:
‘ Daar is de Meester en Hij roept u’.
En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem;
Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had.
            De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
        Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:
Waar hebt gij hem gelegd?
Zij zeiden tot Hem:
‘Heer, kom en zie’.
Jezus weende.
De Joden dan zeiden: ‘Zie, hoe lief Hij hem had!’.
Maar sommigen van hen zeiden:
‘ Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?’.
Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan.
Jezus zei: ‘  Neemt de steen weg!
Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem:
  Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag.
Jezus zei tot haar:
‘ Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei:
   
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem:
‘ Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden.
Jezus zeide tot hen: 
Maakt hem los en laat hem heengaan’.
Vele der Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11: 1-45.

Garisson Church by Kevin Connor

    Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen,
dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met
eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur [zie uitleg bij Zondag Maria van Egypte].
Laat de broederlijke liefde blijven.
Vergeet de herbergzaamheid niet, want daardoor hebben sommigen,
zonder het te weten, engelen geherbergd.
Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen waart;
aan hen, die mishandeld worden, als
[mensen], die ook zelf een lichaam hebt.
Het huwelijk [sex] zij in ere bij allen en het bed onbezoedeld, want
hoereerders en echtbrekers zal God oordelen.
Laat uw wijze van doen onbaatzuchtig zijn,
weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd:
Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten.
Dááròm kunnen wij met vertrouwen zeggen:
De Heer is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord God’s tot u hebben gesproken;
let op het einde van hun wandel en volgt hun [aan de dag gelegd,
waarachtig in Christus gepraktiseerd] Geloof na. 
Jezus Christus is [immers] gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheidHebr.12: 28 – 13: 8.

  Op U, Heer, vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.
Red mij en bevrijd mij in Uw rechtvaardigheid; neig Uw oor tot mij, haast U mij te bevrijden.
Wees voor mij een beschermende God, een toevluchtsoord om mij te redden.
Want Gij zijt mijn sterkte en mijn toevlucht; om Uw naam zult Gij mij leiden en voeden.
Gij bevrijdt mij uit de strik, die zij heimelijk hadden gespannen.
Heer, Gij zijt mijn Beschermer: in Uw handen beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, Heer God der waarheid; Gij haat allen die aan ijdelheid hechten.
Op de Heer stel ik mijn vertrouwen; ik juich en verheug mij over Uw barmhartigheid.
Want Gij ziet neer op mijn vernedering, Gij verlost mijn ziel uit de verdrukking.
Gij hebt mij niet opgesloten in de hand van de vijand, mijn voeten hebt Gij in de vrije ruimte gesteld.
Heer, wees mij genadig, want ik word gekweld; mijn oog is ontsteld door verdriet, mijn ziel en mijn hart zwak en ziek.
Want in smart gaat mijn leven voorbij, mijn jaren vergaan in zuchten.
Mijn kracht is door ellende in zwakheid veranderd, mijn beenderen zijn ontsteld.
Niet slechts al mijn vijanden versmaden mij, maar mijn buren [naasten] nog meer:
ik ben een schrik voor mijn bekenden.
Die mij zien vluchten van mij weg, als een dode ben ik weggewist uit hun hart.
Ik ben als een gebroken vat, ik hoor hoe velen kwaad tegen mij beramen.
Toen zij tegen mij bijeenkwamen, besloten zij om mij het leven te ontnemen.
Maar ik vertrouw op U, o Heer, en zeg: Gij zijt mijn God, in Uw handen ligt mijn lot.
Bevrijd mij uit de hand van de vijand, van hen die mij achtervolgen.
Doe Uw aanschijn lichten over Uw dienaar, red mij in Uw barmhartigheid.
Heer, laat mij niet beschaamd staan omdat ik U heb aangeroepen,
maar laat de goddeloze te schande worden en afdalen in de hades.
Doe bedrieglijke lippen verstommen, die kwaad spreken tegen de gerechte met trots en hoon.
Heer, hoe groot is de overvloed van Uw Goedheid, die Gij verborgen hebt voor wie U vrezen.
Die Gij bewijst aan hen die op U vertrouwen, voor het oog van de zonen der mensen.
Gij verbergt hen in het verborgene van Uw aangezicht voor het oproer der mensen.
Gij beschut hen in een tent voor de tegenspraak van hun tong.
Gezegend zij de Heer, want wonderbaar was Zijn barmhartigheid in de versterkte stad.
In mijn verbijstering had ik gezegd: ik ben verworpen uit Uw ogen.
Maar daarom hebt Gij de stem van mijn smeking verhoord, toen ik tot U had geroepen.
Bemint de Heer, al Zijn ingewijden, want de Heer zoekt de waarheid.
Hij zal allen die hoogmoedig handelen overvloedig vergelden.
Wees een mens [man en vrouw], sterk uw hart, gij allen die vertrouwt op de Heer“.
Psalm 30[31] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

    De mensen nu namen dan de steen van het graf van Lazarus weg.
En onze Heer en Verlosser, de Zoon van God, sloeg de ogen opwaarts en zei
[in gebed]:
Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt.
Zelf wist Ik,
[was ik ervan overtuigd] dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de menigte mensen, die rondom Mij staat [Mijn Vrienden en Volgelingen], heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebtJohn.11: 41,42.

Wij zijn geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
De ziel van de mens betekent daarbij
het geestelijk beginsel in de mens,
welke bij het heengaan naar het hogere, het buitenaardse,
afscheid neemt van het lichaam.
De ziel wordt beschouwd als het diepste wezen van
de mens en het meest waardevolle in hem/haar.

Geen mens keerde ooit terug uit de dood en slechts in de grote en heilige week, welke dit weekend een aanvang neemt worden we geconfronteerd met de Opstanding uit de doden.
Onze Heer en Verlosser is voor ons het Lichtend voorbeeld en vandaag wordt ons voorgehouden dat Zijn beste vriend Lazarus [Hebr.= ‘God helpt hem’] eveneens uit de doden wordt opgewekt.
Toch lieten beiden niet veel los over ‘de overzijde’.
En wie er het Oude of Nieuwe Testament op naslaat, treft
allesbehalve een uitgewerkt of eenduidig beeld aan van het hiernamaals.
We treffen wel een groot aantal beeldspraken, metaforen en parabels aan.
Denk aan de ‘Profetische visioenen’ van Daniël en Ezechiël, opgetekend
in de gelijknamige boeken, of herkenbaar
aan de hartenkreten van de psalmist om
zijn lichaam en ziel niet aan de dood prijs te geven [o.a Psalm 31].
Onze Heer en Verlosser spreekt over het naderend Hemels Koninkrijk van
Zijn Hemelse Vader eveneens in beelden en gelijkenissen:
  een naderende oogsttijdMarc.4: 29;
  de dood die komt als een dief in de nachtMatth.24: 43;
  het omhakken van onvruchtbare bomenLuc.13: 9;
  een plaats van geween en tandengeknarsMatth.8: 12 en
  het scheiden van schapen en bokkenMatth.25: 31-46.
            Wat in de geschiedenis van vandaag duidelijk wordt is
dat onze Heer en Verlosser Zijn beste vrienden
  en wie anders zijn dat die ‘Zijn navolgelingen zijn
door God worden geholpen’ tot in de dood aan toe!
Dit is een van de essentiële hoogtepunten van ons Christelijk Geloof :

Wij geloven in één God de Vader,
de Al-Machtige Vader [‘de Albeheerser’],
Schepper van Hemel en aarde,
van al het zichtbare en onzichtbare, En in één Heer, Jezus Christus,
geboren uit de Vader vóór alle eeuwen.
Licht uit Licht, ware God uit de ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader en door Wie alles geworden is . . . . .
Die om ons, mensen, en om onze Verlossing,
uit de hemel is neergedaald; en vlees heeft aangenomen door de Heilige Geest en de Maagd Maria, en mens geworden is.
Die voor ons onder Pontius Pilatus gekruisigd is, geleden heeft en begraven is,
Die opgestaan is op de derde dag, volgens de Schriften [de Blijde Boodschap];
Die opgevaren is naar de hemelen en zetelt aan de rechterhand van de Vader.
Die zal wederkomen in Heerlijkheid, 
om levenden en doden te oordelen, en
aan Wiens Rijk geen einde zal zijn.
En in de Heilige Geest, Heer en Levend-maker, Die uitgaat van de Vader, en
aanbeden en verheerlijkt wordt tezamen met de Vader en de Zoon;
Die door de Profeten gesproken heeft.
En in één Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van zonden.
Wij verwachten de Opstanding van de doden en
het leven van de toekomstige Eeuwigheid. AMEN

Onze Heer en Verlosser zal ieder van Zijn Volgelingen,
Zijn vrienden, die bij Hem horen, ‘nèt zoals Lazarus  opwekken.
Terwijl de dood ons niet zal scheiden van God,
zal Hij op een voor de Vader zekere dag
terugkomen en ieder van ons uit onze graven roepen.
Zijn overwinning op de dood bij het lege graf en
Zijn overwinning op de dood voor Lazarus,
herinnert ons eraan dat de dood op zijn ergst
niet meer is dan een rustgevende slaap.
Hij zal ons uit die slaap roepen en
ons in Heerlijkheid en Triomf bij Zich brengen.
Wij zullen Zijn “wekroep”:
– ‘ Lazarus [Hebr.= ‘ God helpt hem‘], kom naar buiten!’ –
horen en Opstaan/Verrijzen,
want de dood kan ons niet opeisen.
Wij zijn in de doop met Christus gestorven, zodat
de zonde en de dood
ons niet langer zal kunnen claimen.
Wij wachten nog op de
volledige verwerkelijking van Zijn Opstanding
in onze levens, maar
wij zijn er van overtuigd dat
Die gaat komen.

Theophany, Transfiguration & Opstanding van Lazaros, Sinaï-icon

  Allen verwachten van u, dat Gij hun voedsel geeft te rechter tijd.
Gij geeft het hun, en zij zamelen in; Gij opent Uw hand, en
allen worden met het goede verzadigd.
Maar als Gij Uw aangezicht afwendt, dan worden zij verbijsterd,
Gij neemt hun adem weg, en zij bezwijken: zij keren terug tot hun stof.
Gij zendt Uw Geest uit, en zij worden herschapen:
  Gij maakt nieuw het aanschijn der aarde’.
‘ Hoe groot zijn Uw werken o Heer’:
‘ Gij hebt alles moet wijsheid gemaakt’

uit Psalm 103 [104]: vert. ROK. ’s-Gravenhage.

Apolytikion metten
tn1.
    Als een belofte van de gemeenschappelijke Opstanding
hebt Gij voor Uw Lijden Lazaros uit de doden opgewekt, Christus God.
Laat ons daarom, evenals de kinderen, de symbolen dragen van de zegepraal,
en tot u roepen, Overwinnaar van de dood:
Hasanna in den hoge;
gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren
’.  [herh.]

Kathismazang metten
tn.1.
    Gij had medelijden met de tranen van Martha en Maria
en Gij liet de steen van het graf afwentelen, Christus God;
Gij hebt de dode geroepen en doen Opstaan/Verrijzen,
opdat wij zouden geloven aan de Opstanding der wereld.
Ere zij Uw Heerschappij, Verlosser,
ere zij de Volheid van Uw Macht, Leven-schenker;
ere zij U, Die door Uw Woord alles tot het Zijn heft gebracht
”.

Kathismazang metten
tn.8.    Gij, Die als Schepper, alles tevoren weet,
hebt aan Uw Leerlingen [en ons] voorzegd:
Onze vriend Lazarus is heden ontslapen.
Gij hebt geweend en tot de Vader gebeden, en
hebt hem die gij liefhad geroepen.
Toen werd Lazarus uit de hades opgewekt; en daarom roepen wij tot U:
Aanvaard Christus God, de lof die wij wagen U aan te bieden en
verleen ons allen Uw Heerlijkheid
”.

Kondakion metten
tn.2.    Christus, de Waarheid, de Vreugde van allen en
het Licht en de Opstanding van de wereld,
is in Zijn Godheid verschenen op aarde.
Hij is het Voorbeeld van onze Opstanding/Verrijzenis en
schenkt aan allen God’s vergiffenis”.

Ikos metten
tn.2.    De Schepper van alles heeft tevoren Zijn Leerlingen gezegd:
Broeders en bekenden [navolgers], onze vriend is ontslapen.
Daaruit zien wij dat Gij alles weet, Gij Die immers alles geschapen heeft;
laat ons dan op weg gaan om
deze bijzondere begrafenis te zien, en het treuren van Maria.
En bij het graf van Lazarus zal Ik [Christus] een wonder verrichten als
voorspel van de Kruisiging, Die aan allen God’s Vergiffenis schenkt”.

God wist onze zonde – met wortel en al – God is niet zoals de mens bij wie de herinnering [onder invloed van de tegenstrever] maar blijft steken.
Daarom wordt de boeteling geheel opnieuw – als bij de doop – gezuiverd,
elke smet is uitgeroeid en is de herboren dopeling witter dan de meest smetteloze sneeuw.
We zijn allen zondaars, niemand uitgezonderd, we zijn het allemaal. 

Door de vergiffenis worden wij zondaars nieuwe schepselen, vervuld van de Geest en vol vreugde.
Een nieuw begin vangt voor ons aan: een nieuw hart, een nieuwe geest, een nieuw leven.
Wij, vergeven zondaars, die deze van God verkregen Genadegave hebben aanvaard, kunnen zelfs aan anderen leren niet meer te zondigen.
Maar zult u daarop zeggen, ‘ik ben zwak, ik val, sta op en val opnieuw’.
Ook al val je opnieuw, ‘ sta dan opnieuw op en zet je ‘in’ enige volgende val te voorkomen. Wanneer een peuter valt, wat doe jij dan als ouder?
Steekt hem/haar de hand toe en help hem/haar overeind.
Zo doet onze Vader, Die in de Hemelen zijt eveneens.

Als je uit zwakheid in zonde valt, steek je hand uit:
jouw Heer en Verlosser zal ze grijpen en je helpen opstaan.
Dat is de waardigheid van Gods vergiffenis!
De waardigheid die de vergeving door God ons schenkt, bestaat hierin
ons waarachtig te helpen, ons op de been te brengen, want
Hij heeft man en vrouw geschapen om rechtop te staan.
De vergiffenis van God is wat wij allen nodig hebben en
dit is nu de Groot’s-heid van Zijn Barmhartigheid.
Een Genadegave die elke vergeven zondaar geroepen is te
delen met iedere broeder en zuster die wij ontmoeten,
we zitten immers allen in hetzelfde schuitje.
Allen die de Heer aan onze zijde heeft geplaatst,
gezinsleden, vrienden, collega’s, parochianen…
allen hebben zoals wij, grote behoefte in de nood aan
God’s Barmhartigheid.
Vergiffenis krijgen is mooi, maar indien je keer op keer vergiffenis
wilt verkrijgen – schenk dan op jouw beurt vergeving en
dat toon je door voor elkaar te bidden
– het gebed stapelt immers ‘brandende kolen‘.
Want veelal zal het door verschillende oorzaken niet mogelijk zijn
tot een onderling ‘gedegen en grondig‘ gesprek te komen;
ego’s kunnen veelal nogal verschillen.