Dinsdag na Zondag van Johannes Climacos – voorafgaand aan Zondag van H. Maria van Egypte

    Met wie dan wilt gij God vergelijken en welke vergelijking op Hem toepassen?
Een vakman giet het beeld en een goudsmid overdekt het met goud en smeedt er zilveren ketenen voor.
Wie te arm is voor een wij-geschenk, kiest een stuk hout dat niet verrot; hij zoekt zich een kundige vakman om een beeld op te richten, dat niet wankelt.
Weet gij het niet? Hebt gij het niet gehoord? Is het u van de aanvang niet verkondigd? Hebt gij geen begrip van de grondvesten der aarde?
Hij troont boven het rond der aarde, en haar bewoners zijn als sprinkhanen; Hij breidt de hemel uit als een doek en spant hem uit als een tent waarin men woont.
Hij geeft de machthebbers over ter vernietiging,
Hij maakt de regeerders der aarde tot ijdelheid;
– nauwelijks zijn zij geplant, nauwelijks gezaaid,
– nauwelijks wortelt hun stek in de aarde, òf
Hij 
blaast reeds op hen, zodat zij verdorren, en een storm neemt ze op als stoppels.
Met wie dan wilt gij Mij vergelijken, dat Ik hem zou gelijk zijn? zegt de Heilige.
Heft uw ogen naar omhoog en ziet: wie heeft dit alles geschapen? Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en elk daarvan bij name roept door de Grootheid van Zijn Sterkte en omdat Hij geweldig van Kracht is; er blijft niet een achter.
Waarom zegt gij, o Jaäcob, en spreekt, o Israël [ Kerk]:
mijn weg is voor de Heer verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?
Weet gij het niet, hebt gij het niet gehoord?
Een eeuwig God is de Heer, Schepper van de einden der aarde.
Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden.
Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert Hij sterkte.
Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, maar wie de Heer verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet matIsaiah 40: 18-31.

Abram een met God rondtrekkende nomade door Francesco Bassano

    Hierna kwam het Woord des Heren tot Abram in een gezicht:
‘ Vrees niet, Abram Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn’.
En Abram zei:
‘Heer der Heerscharen, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn 
huis, dat zal deze Damascener Eliezer zijn.
En Abram zei:
‘ Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn.
       En zie, het Woord des Heren kwam tot hem:
‘Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.
     Toen leidde Hij hem naar buiten, en zei:
‘Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn.
En Abram geloofde in de Heer, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid.
En Hij zei tot hem:
‘ Ik ben de Heer, Die u uit Ur der Chaldeeën heb geleid om u dit land in bezit te geven.
En Abram zei:
‘ Heer der Heerscharen, waaraan zal ik weten, dat ik het bezitten zal?
En Hij zei tot hem:
‘ Haal mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.
Abram haalde die alle voor Hem, deelde ze middendoor en legde de stukken tegenover elkander, maar het gevogelte deelde hij niet.
Toen de roofvogels op de dode dieren neerstreken, joeg Abram ze weg.
Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een diepe slaap op Abram. En zie, hem overviel een angstwekkende, dikke duisternis.
En Hij [de Heer] zei tot Abram:
‘ Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. 
Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven wordenGenesis 15: 1-15.

doorzien worden, door de mand vallen‘ – uit ‘De Spreekwoorden’ van Pieter Bruegel 1559, ‘met de billen bloot’.

    De lippen der wijzen strooien kennis uit, maar het hart der dwazen is niet recht.
Het offer der goddelozen is de Here een gruwel, maar aan het gebed der oprechten heeft Hij welgevallen.
De weg van de goddeloze is de Heer een gruwel, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief.
Gestrenge tuchtiging treft hem die het rechte pad verlaat; wie terechtwijzing haat, zal sterven.
Dodenrijk en verderf liggen open voor de Heer, hoeveel te meer de harten der mensenkinderen!
De spotter houdt er niet van, dat men hem terechtwijst; tot de wijzen zal hij niet gaan.
Een blij hart maakt het aangezicht vrolijk, maar door harte-leed wordt de geest verslagen.
Het hart van de verstandige zoekt kennis, maar de mond der zotten houdt zich met dwaasheid bezig.
Al de dagen van de ellendige zijn boos, maar voor de blijmoedige is het altijd feest.
Beter is een weinig in de vreze des Heren, dan een grote schat en [een hoop] onrust daarbij.
Beter een schotel groente, waar liefde heerst, dan een gemeste os en haat daarbij.
Een opvliegend mens verwekt twist, maar een lankmoedige doet de strijd bedaren.
De weg van de luiaard is als een doornhaag, maar het pad der oprechten is welgebaand“  Spreuken 15: 7-19.

Niet toeschietelijk zijn, terughoudend gedrag
Want waarom zegt u, o Jaäcob, en spreekt, o Israël, zeggende:
‘Mijn weg is verborgen voor God, en mijn God nam mijn oordeel weg en vertrok? ‘
Isaiah 40: 27.
Met deze vraag daagt de profeet Isaiah zowel het oude en nieuwe Volk van het Verbond uit, die klagen dat God zich niet met hun problemen bezig houdt.
Ze concluderen dat God onverschillig staat tegenover Zijn kinderen, Hij verwaarloost ze bij wijze van spreken!
Maar kunnen de gebeurtenissen van Zijn volk voor God verborgen blijven?
De bewering van het Volk onthult hun ‘niet-verbonden-zijn‘, de afstand, die gegroeid is, tussen de Schepper en Zijn schepsel.
Voor degenen die op deze manier over God spreken, komt boven water dat God in feite niet bestaat, dat God dood is. Ze verwachten niets van Hem, horen zijn roep niet en verwachte in het geheel niets van Hem – gaan Hem het liefst uit de weg.

Het is daarom hoogst noodzakelijk ‘de leer van de universele Kerk’ in zichtbare aanwezigheid door daden om te zetten, m.a.w. het concrete leven van de parochies en Christengemeenschappen onder de aandacht te brengen van het grote publiek.
De vraag wordt gesteld òf men wel bereid is ervaring op te doen de Kerkelijke realiteit dusdanig voor het voetlicht te krijgen dat er sprake is van het feit dat Christenen tot Één Lichaam behoren, het Lichaam van Christus en
dat wij allen -‘hoewel verdeeld‘- een eenheid vormen als navolgers van Christus?
Eén Lichaam dat alles wat God verlangd heeft ons te geven, zowel in de Genade-gaven, Die wij zowel ontvangen als delen?
Eén Lichaam dat zijn zwakste, armste en kleinste leden met name kent en er tevens zorg voor draagt? Òf verschuilen wij ons achter een ‘Universele Liefde’, Die Zich slechts inzet voor een wereld vèr weg, maar vergeten is dat Lazarus aan onze eigen gesloten deur zit te verkommeren?
Zijn wij als Christelijke gemeenschap als ‘heer des huizes’ in het purper en linnen gekleed
⁌   en wordt iedere dag, die God ons geeft, als een feest in ons midden ervaren?
Om te ontvangen wat God ons geeft en het ten volle vrucht te laten dragen, dient men de grenzen van de zichtbare Kerk in twee richtingen te overschrijden.
1.]. Enerzijds, door ons in gebed te verenigen met de Kerk in de Hemel.,
2.]. Anderzijds door ons werkelijk tot op het bot te verenigen met de Kerk om ons heen, onze naasten.
1.]. Wanneer de Kerk op aarde bidt, komt een gemeenschap van wederzijdse dienstbaarheid en welzijn tot stand tot in God’s aanwezigheid. Met de heiligen die hun volheid in God gevonden hebben, maken wij deel uit van deze gemeenschap waarin -iedere onverschilligheid ten opzichte van de naasten-
door de van God verkregen Lliefde overwonnen is.
De Kerk van de Hemel is niet triomferend omdat zij het leed van de wereld de rug heeft toegekeerd en Zich op haar eentje verblijdt.
In tegendeel, de heiligen kunnen reeds -hier en nu- aanschouwen en genieten vanwege het feit dat zij door de dood en Opstanding/Verrijzenis van haar Heer en Verlosser, onverschilligheid, verharding van het hart en de daaruit voortvloeiende afstand en haat definitief hebben overwonnen.
Zolang deze overwinning van de liefde de gehele [Christelijke] wereld niet doordringt, gaan de heiligen echt nog niet met ons, pelgrims, op weg.
Vertrouw er derhalve niet op werkloos in het Koninkrijk des Heren rond te lopen en verlang er slechts naar jezelf onophoudelijk voor de Kerk en de haar toegewezen zielen in te zetten.
Ook ‘wij’ hebben deel aan de verdiensten en vreugde van de heiligen en
degenen die in onze strijd met ons optrekken en verlangen naar Vrede en verzoening. Het geluk en de Vreugde, die zij genieten, ervaren ze door de overwinning welke de opgestane/verrezen Heer via Zijn Kracht ons doet toekomen om de vele vormen van onverschilligheid en verstening van de harten te overstijgen.
2.]. Anderzijds is elke Christengemeenschap geroepen de drempel te over-schrijden, die haar in relatie brengt met de samenleving die haar omringt,
met de armen dichtbij en zij die veraf zijn.
De Kerk is van nature in doen en laten werkzaam in  de verkondiging van het Woord en niet op zichzelf gericht, maar is tot alle Volkeren uitgezonden.
Zie toch hoe deze ‘niet’ tot één enkele religieuze orde behorende weergave
past in de situatie van de Kerk van deze tijd.
Ja we hebben onze mond vol van Oecumene, maar beseffen tot op het bot, dat geen van de prelaten ooit z’n functie zal neerleggen ten behoeve van het hogere doel, geen enkele bloedgroep wil buigen/onderdoen voor de ander, het is immers je broodwinning.
Ik hoor zelfs verkondigen dat we lang kunnen wachten en dat eerst bij de wederkomst door ingrijpen van onze Heer en Verlosser sprake zal zijn van verbroedering tot één heilige Katholieke en Apostolische Kerk.
Ook vele christelijke mensen -van hoog tot laag- nemen beslissingen en handelen daarbij zonder inmenging of verwijzing naar God. Vind je het dan verwonderlijk dat beweerd wordt dat God niet meetbaar noch tastbaar aanwezig is, dat God dood is?
Isaiah berispt zijn toehoorders, waaronder ons, vandaag met deze feiten, met dit soort pessimisme. Indien de mensheid in navolging van Christus, met recht Zijn Naam zou willen dragen, zoals de voorvader Jaäcob zijn naam Israël ontving, na het gevecht met de engel ? – Ja, dan zou de wereld nog eens staan te kijken, waar die Christenen wel niet toe un staat zijn.
Dan zou blijken dat de Christenen hun Blijde Boodschap werkelijk door een verkondigend voorbeeld zouden verkondigen.

Waarom zijn wij Christenen zo negatief, waarom zo pessimistisch wanneer het gaat om de opdracht die wij allen hebben meegekregen: Gaat en verkondig de Pedagogie des Heren, de Blijde Boodschap onder alle volkeren – doopt hen vervolgens en doe hen leven in God’s Naam?

⁌   De naam Christen zou een eretitel dienen te zijn in de hedendaagse samenleving – maar wij hebben ons werk laten versloffen – wij weten niet meer wat wij doen;
”   de Waarheid wordt zeldzaam onder de mensen“.
⁌   Wij houden ons bezig met belangrijk zaken als onderlinge invloed’s-uitbreiding, politiek gewin, richten stichtingen op, zodat de overheid geïmponeerd wordt door ‘ons’ [lees Orthodoxen]
⁌   dat wij daarop -door diezelfde overheid- ingepakt en [fiscaal] bestolen worden laten we maar even buiten beschouwing. Wij worden gedwongen ons privé- leven door belastingaftrek te grabbel te gooien, alles en iedereen dient geregistreerd te worden.
⁌   
Wie heeft de Macht in de Kerk, aan Wie hebben wij verantwoording af te leggen; ja, geef aan de keizer, wat aan de keizer toebehoort zult u zeggen, maar ondertussen worden wij ‘Christelijke’  kerkgemeenschappen mondiaal aan banden gelegd.
✥≈✥ Isaiah nodigt ons vandaag uit, die door deze woorden ontmoedigd worden, om de Heer te vergelijken met die goden die gevormd zijn door menselijke handwerkslieden.  Sommige van deze idolen werden opgemaakt van goud, zilver of “hout dat niet zal rottenIsaiah 40: 18-20, zodat ze eeuwenlang zouden kunnen blijven bestaan. Dit blijkt wel uit de kerkgebouwen, die wij momenteel aan de hoogste bieder aan ontwikkelingsmaatschappijen verkwanselen.
In de eerste drie verzen van de huidige lezing, richt Isaiah zich op afgoderij – in het opgaan in de dingen om ons heen, terwijl wij onze hoofdopdracht terzijde schuiven.
Is God voor ons verworden “tot een idoolIsaiah 40: 18,19, waar we een leuk baantje aan overhouden?
Is Hij niet “dè Heer van de mens en Heerser over alle natiënIsaiah 40: 21-24?
Is Hij het niet die de wereld onophoudelijk “vormt en bestuurt” 
bij de schepping die Hij heeft gevormd en bestuurd Isaiah 40: 25-26?.
God heeft Zich niet teruggetrokken; wij hebben ons laten beetnemen door het pluche; in plaats dat wij onze toezichthouders duidelijk maken dat ‘wij‘, het gewone God’s-volk waarachtig wachten op het moment dat “Hij zal worden vernieuwdIsaiah 40: 31. Wij dienen als Kerk onze Christelijke Naam te hernieuwen, door ieder van ons persoonlijk het gevecht met de engel aan te gaan. Wij dienen ons te distantiëren van al dat gedoe en geneuzel op ‘hoog?’- niveau, wij het gewone gelovige godsvolk wenden ons tot de Heer en roepen:
        Heer ontferm U, redt ons alstublieft – het is hoog tijd om ons te redden”.

Nog langer investeren van onze primaire levensenergie in ge-engageerde gecreëerde dingen is waanzin! Het is datgene wat onze Heer en Verlosser keer op keer herhaalt:
        Want wat zal het een mens baten
indien hij/zij de hele wereld wint, en
zijn eigen ziel verliest?Marc.8: 36.
Vervolgens berispt Isaiah zijn pessimistische landgenoten met de woorden:
Kent u de grondslagen van de aarde? “ – de Kosmos? Isaiah 40: 21.
God Zelf “bezit hetgeen zich rond de cirkel van de aarde bevindtIsaiah 40: 22.
Hij maakt de heersers tot wie Hij zich richt tot regel om ‘als niets’ te zijnIsaiah 40: 23; ” wanneer Hij op hen blaast, zullen zij verdorren en de wervelwind zal hen wegnemen zoals stoppelsIsaiah 40: 24.
Isaiah geeft ons een inkijkje van ‘God’s kijk’ op toezichthouders, met name de hoog-dravend optredende, hoog-tronende leidinggevenden: “ze duren slechts een seizoen” [Hoogmoed komt immers vóór de val].
Daarentegen vestigt hij als grote Profeet onze aandacht op ‘God’s werk als Schepper’:
”     Heft uw ogen naar omhoog en ziet: Wie heeft dit alles geschapen?
Hij, die het heer daarvan in groten getale uitleidt en
elk daarvan bij name roept door ‘de Grootheid van Zijn Sterkte’ en
omdat Hij [als God] geweldig van Kracht is’;
er blijft niet een achter [niets ontsnapt aan Zijn kennisgeving]” Isaiah 40: 26.
Hij heeft daartoe geen slaafse volgelingen, vazallen nodig, geen klokkenluiders, die Hem verwittigen wanneer er iets mis dreigt te gaan:
Hij weet alles bij voorbaat – Hij ziet de ontwikkelingen van de wereldgerichte Kerk en wacht Zijn tijd wel af.

Zie hoe Isaiah 40: 27, geciteerd in de openingszin, de sleutel is tot deze gehele profetie. Zodra de uitdaging is vastgesteld vat Isaiah vervolgens in zijn laatste verzen datgene samen wat hij zijn lezers heeft voorgehouden teneinde dit punt nogmaals in overweging te nemen.

tijd tot een besluit

Weet gij het nu [nog niet], hebt gij het niet gehoord? Een eeuwig God is de Heer, de Schepper van de einden der aarde: “ Een eeuwig God is de Heer, Schepper van de einden der aardeIsaiah 40: 28.
De Eeuwige vervlakt niet, valt niet ‘in zwijm’ [flauw] als een mens; eerder geeft Hij kracht aan degenen, die zwak zijn, niet in staat zich [met de tongriem of via WWW-geschrift] de zwakkeren te verdedigen Isaiah 40: 28..
Zijn begrip maakt geen gebruik van menselijke middelen Isaiah 40: 28;
het beste wat overblijft is dat we “op God wachten“, want eerst dàn zullen de machtelozen  vermeerderd worden en zij: “zullen rennen, en niet moe zijn. . . lopen en geen honger hebben Isaiah 40: 31.

Het menselijk ras vervalt in pessimisme – hetzij in de tijd van Isaiah, hetzij als in onze tijd – wanneer de mens niet langer in staat is te wachten op God.
Mogen we opgeven ons aan de wereldse constateringen van onze aardgebonden, waarnemingen en vaststellingen bevrijd weten en ons alleen nog maar richten op de Heer onze God, Die Hemel en aarde gemaakt heeft.
Heer, Gij hebt Uw land gezegend,
Gij hebt de gevangenen van Jaäcob teruggevoerd.
Gij hebt de ongerechtigheden van Uw volk vergeven, en al hun zonden bedekt.
Gij hebt heel Uw gramschap volkomen gestild;
U afgewend van Uw wrekende toorn.
Bekeer ons, God van ons heil: keer Uw toorn van ons af.
Blijf niet eeuwig op ons vertoornd;
wilt Gij Uw gramschap doen duren van geslacht tot geslacht?
God, keer U tot ons, om ons te doen leven;
dan zal Uw volk zich verblijden in U.
Toon ons, Heer, Uw barmhartigheid, en schenk ons Uw Heil.
Ik wil horen wat de Heer God in mij spreekt,
want Hij spreekt vrede tot Zijn volk.
Evenals tot Zijn gewijden, die hun hart tot Hem hebben bekeerd.
Ja, nabij is Zijn Heil voor wie Hem vrezen: Zijn heerlijkheid woont op onze aarde.
Barmhartigheid en Waarheid hebben elkander ontmoet:
Gerechtigheid en Vrede kussen elkaar.
Waarheid ontspringt aan de aarde, en gerechtigheid ziet neer uit de hemel.
Want de Heer schenkt welwillendheid, opdat de aarde haar vruchten zal geven.
Gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht uitgaan,
om op de weg Zijn schreden te richten
Psalm 84 [85] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Christus geeft ons absoluut ‘geen‘ tijdelijke gewaarwording – een gerichtheid, die boven het dagelijks leven uitgaat – Christus probeert ons ‘een nieuwe werkelijkheid‘ – bij te brengen en dat vindt alleen plaats wanneer je met beide benen op de grond staat.
Christus geeft ons geen spirituele confrontatie, noch doet Hij ons een manier toe-komen, die ons leven plotsklaps beter/en zonder gebreken zal maken.
Een eenvoudig gelovige vrouw vertelde me eens dat  spiritualiteit “lijkt op een Hemelvaart, alleen om die reden ging zij naar haar kerk”.

ΙΣ ΧΣ ζωοδοτισChristus, de levende

Christus is weliswaar gelieerd aan spiritualiteit
– maar Hij huldigt een ‘nieuwe’ werkelijkheid en  die is voor ieder mens verschillend – het zou anders erg eentonig worden.
Indien iedereen deze realiteit oppakt en dit als voorhoede gebruikt van zijn ‘eigen’ zaken, is datgene wat hij/zij gelooft een zich verheffen boven de ander, het is als het opdoen van viezigheid welke ‘in eigen ogen’ de werkelijkheid omzeilt, die aan allen eenzelfde leven belooft
– dat wil zeggen ‘globalisering’ [de activiteit wordt eenduidig over de wereld verspreid, ieder mens gelooft hetzelfde].
Het is als de vraag, die de mens aan God  wordt gesteld:  “Heb ik u gevraagd, Maker, van mijn leem om mij te vormen tot mens?
Heb ik u gevraagd mij vanuit de duisternis te promoten?
” [Paradise Lost . 1667. Boek X, 743-45].
Het zijn vragen, die Adam [en Eva] aan God stelt na het verlies van het Paradijs in Milton’s Paradise Lost.
Opmerkelijk genoeg roepen deze regels tevens verschillen op tussen de twee verhalen van Adam over de schepping van Adam:
– in Genesis 2 wordt Adam gevormd uit het stof van de aarde [klei/leem] en door wordt de Pottenbakker verteld om de tuin te dienen;
– in Genesis 1 wordt hem verteld de aarde te domineren. 

In de ‘nieuwe’ werkelijkheid kunnen niet zeggen dat we van Christus zijn en aan de andere kant in ons eigen ‘kennen en kunnen’ geloven. 
Christus wordt geopenbaard wanneer Hij ons voorlegt “hé, kinderen van God, Wie zeg jij dat Ik ben?”.

Prokimen in de 5e toon.
Lezer: ”   Gij Heer, bewaar ons tegen dit geslacht tot in alle eeuwigheid
Volk herhaalt.
Lezer: “Red mij, Heer, er is geen Heilige meer” . . . . .  “de Waarheid wordt zeldzaam  onder de Volkeren
Volk: ”   Gij Heer, bewaar ons tegen dit geslacht tot in alle eeuwigheid
Lezer: ” Gij Heer, bewaar ons tegen dit geslacht“;
Volk: ”   tot in alle eeuwigheid !!!“.

Apolytikion
tn.5.
  “   Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
Dat om ons te verlossen uit de Maagd geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
Om door Zijn Roemrijke Opstanding
de doden op te wekken
”.

Kondakion
tn. 5. 
“   Ter helle zijt Gij neergedaald, mijn Heiland,
en in Uw Almacht hebt Gij de ijzeren poorten gebroken.
Als Schepper hebt Gij de gestorvenen opgewekt;
de prikkel des doods vernietigd en
Adam van de vloek bevrijd, o Menslievende.
Daarom roepen wij U allen toe: Heer, red ons
”.

Theotokos en de profeten;
Θεοτόκος και οι προφήτες;
ثيوتوكوس والأنبياء.

Theotokion
tn.5. 
  Gij zijt in Waarheid de Cherubijnentroon,
want in u heeft het Woord woning genomen Alreine
en is in het vlees uit u voortgekomen.
Om ons heeft Hij het kruis ondergaan en
heeft Hij als God de Opstanding geschonken
Om onze natuur te verheerlijken.
Vraag
[Hem] voor ons om vergeving van zonden”.