Zaterdag voorafgaand aan de Zondag van de Ladder – eveneens een zaterdag van alle zielen

Wie Mijn Woord hoort en Hem gelooft, Die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel

    Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie Mijn Woord hoort en Hem gelooft, Die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.
       Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven.
       Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf. En Hij heeft Hem ‘macht’ gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is.
       Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de Opstanding ten Leven, wie het kwaad bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.
       Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is Rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn wil, doch de Wil van Hem, Die Mij gezonden heeftJohn.5: 24-30.

De Hooiwagen, Hieronymus Bosch

    De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de Hemel.
Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de Hemelse is, zijn ook de Hemelsen. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de Hemelse dragen.
Dit spreek ik evenwel uit, broeders:
‘ vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de on-vergankelijkheid niet.
Zie, ik deel u een geheimenis [Mysterie] mee.
‘ . . . . . Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.
Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is:
    De dood is verzwolgen in de overwinning.
      Dood, waar is uw overwinning?
      Dood, waar is uw prikkel?
De prikkel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de wet.
Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus
1Cor.15: 47-57.

Zaterdag van alle zielen:
“‘O God, sla Uw Vleugelen toch om mij heen’, ‘behoed mij in Uw Genadegaven’”.

wat nu volgt is conf. [een niet-professionele vertaling vanuit het arabisch]
een preek
bij de begrafenis van een van de spelleiders, z’n ondergeschikte priester, George Khoury, waar hij als toezichthouder over was aangesteld
– bij monde van Metropoliet George [Khodr] over Byblos & Batroun [Mount Lebanon] van het Antiocheens Patriarchaat.

    Geacht familieleden en alle overige broeders en zusters in Christus’,
1.]. Wat verstopt God toch tussen Zijn Vleugelen, wat houdt Hij voor ons verborgen?
Hij doet dit allereerst om onze zonden weg-te-wassen, teneinde ze in het vuur van Zijn Liefde te weg te laten smelten, te vergeten.
Wat verbrand dus onze zonden? Het is ‘Zijn‘ oneindige Liefde voor ons, Die ons in het verborgene is geopenbaard.

Christ Pantocrator [Sinaï]

Wanneer wij Hem via een icoon voor de geest halen kunnen wij daar in de geest van een ontmoeting geraken tot onze geest daar zoals wij dat psychologisch omschrijven toe wordt aangetrokken. Wanneer wij een mens zien zien wij een mengeling van goed en kwaad, maar wij als Zijn volgelingen, Zijn heiligen onderkennen daar het Licht dat God in het menselijk gelaat daar sinds de schepping op het gezicht heeft aangebracht. En dat geschapen Licht laat z’n sporen achter. Indien iemand van ons tot de Genade van God overgaat hebben wij het recht om dit licht op z’n gezicht van zijn afkomst, waar iemand vandaan komt, waartoe iemand behoort, af te lezen.
Ik ben zelf al meer dan zestig jaar in een van de steden in het noorden van dit land [libanon] woonachtig geweest. En zie hier vlak voor je in een kist een jonge man [ten opzichte van de eeuwigheid is iedereen jong] die mij een keertje aansprak.
Ik vroeg hem: ‘Wie ben jij?’ Hij zei : ‘Ik ben George Khoury’ [de overleden priester].
Ik zei: ‘Wie is George Khoury?’
Hij antwoordde: ‘Ik ben een jongeling uit een dorp, welk in de streek ‘al-Koura’  als een gehucht wordt bestempeld.
Hij zei:’Kom met mij mee‘ en ik ging met hem mee.
En hij plaatste mij temidden van alle jonge mensen van dit dorp en
hij zei tegen mij: ‘spreek’, ‘open je mond en verkondig de Blijde Boodschap’.

Nu had ik naar gewoonte een Bijbeltje bij me, die wij als Christenen altijd en overal raadplegen. De mensen zeggen hierover: dit zijn lezers van een boek dat ‘de Bijbel’ wordt genoemd, ondanks het feit dat ze tot een religieuze groepering behoren die niets leest.
Wij hebben die groepering, die gemeenschap aangeboden het Evangelie te verkondigen en het Woord [de Pedagogie] van onze Heer en Verlosser tot een overbrugging van ons leven naar het toekomstige leven te maken.
En wij trekken hier rond en tot in de uiterste uithoeken, in de buitenwijken.

En deze eenzame man, deze mens, die hier opgebaard ligt, bleef hier volgens een vaste regel [steevast] tot de laatste dagen van zijn leven. Hij zegt tegen de dwaas, die hij op z’n weg ontmoet: ‘Je hebt jouw leven te danken, het bestaan hier op aarde, op grond van wat in dit Boek beschreven staat en niet op basis van datgene wat in al de overige Boeken van de gehele wereld, in welke bibliotheek dan ook, staat beschreven.
Je bent van God afkomstig en zo niet, dan sterf je‘.
En ieder weldenkend mens zei vervolgens: ‘Wij willen niet dood’.
En deze eenvoudige mens, waarvan zijn stoffelijke resten hier voor u liggen zei tegen hen:
Daarom dien je dit Boek wèl degelijk te lezen en op de inhoud daarvan te blijven kauwen [mediteren], totdat de inhoud je ‘eigen’ wordt, en jij wordt nu al een klein beetje, onsterflijk, als God”.

2.]. Vervolgens ben ik George Khoury een beetje uit het zicht geraakt, tot ik hem als priester tegenkwam druk doende met zijn werk tussen de arbeiders van een fabriek in Beiroet.
Ik zei tegen hem: “ Heb je mij hier uitgenodigd om het Woord te verkondigen of om het aan den lijve te ondervinden – waarom ga je niet naar de plaats, die hiervoor is aangewezen, het kerkgebouw om mensen aan te trekken?
En ik zag hem twijfelen daar in z’n zwarte werkpak/‘overall’ over onze aanwezigheid op die plek en hij gaf te kennen dat dit juist ‘een ladder naar God’ blijkt te zijn. Christus was immers ook God-mens onder de gewone mensen en trok met hen op. Hij was tot deze slotsom gekomen op basis van argumenten omdat wij mensen God in de kleinste dingen behoren te ontmoeten.
Daarna scheidden onze wegen zich weer een beetje vanwege de omstandigheden van het leven.
Maar op een dag stuurde ik een van mijn ondergeschikten naar het gebied waar hij nog steeds woonde en deze kwam daar een dorpsbewoner tegen.
En deze ontmoette een van die mensen uit die streek en zei tegen hem:
Wat doe jij hier?“, hij zag er namelijk -‘in zijn dagelijkse kloffie’- niet uit.
En deze mens onder de mensen zei:
‘ . . . . . Ik werd priester van de Allerhoogste God en was hier ten dienste van de mensen met de Kracht van het Woord dat tot mij kwam en verzwolg het.
. . . . .Ik liet het Woord van God bij de mensen achter en het volk slikte God’s Woord in en genoot er met volle teugen van.
. . . . . Mij werd de afgelopen jaren duidelijk gemaakt dat een priester een parochie gemeenschap werkelijk dient -‘lief’- te hebben, omdat deze mensen kinderen van God, van -‘onze Heer en Meester’- zijn.
. . . . . Deze mensen kennen alleen onze Heer en Verlosser en deze gemeenschap wil zich aan Hem houden totdat Hij een van hen wordt, zoals menselijke wezens Christus enkel en alleen door het aangezicht van de priester zullen herkennen.
. . . . . Een priester, die hen reeds tientallen jaren ten dienste staat, weet wàt er in hen omgaat en ‘blijft voortdurend proeven‘ wat er van hen overblijft, hoe zij gegroeid zijn en met wat voor moeilijkheden zij geconfronteerd zijn.
. . . . . En op deze manier, door deze benaderingswijze, heb je helemaal geen behoefte aan een kerkgebouw, want de tempel bevindt zich in het hart van de mensen.
Zó wordt de Kerk, een begrip onder de navolgers van Christus,
Zó word je -‘mèt Hem ìn Hem’- en ‘wordt Zijn Naam geprezen‘ en probeert de mens, die klein is groot te worden en
Òp ‘deze wijze’ probeer de mens in Christus volwassen te worden.
        Deze mensen lijden, zo zei hij steeds maar weer: ‘Geloof is zwak en blijft zwak onder de mensen‘.
Wat ik met de mensen doe?
Hoe kan ik ze naar de gezegende ‘Heer van het Leven’ brengen?
Hoe kan ik met hen ‘het Leven’ vieren?
Hoe kunnen zij leven zonder Christus in hun hart te ervaren, harten van vlees en bloed?
Hoe leven ze? Waar wonen ze?
Ik probeer hen te troosten en hen te vertellen: “ Onze Heer en Heiland is geduldig met ons mensen, óók als Hij hen kwelt, beproeft“. Maar Hij heeft ons priesters geschreven: “ U bent voor altijd een priester naar de orde van Melchizedek”.
Je bent voor hier en nu en voor altijd een priester in de Hemelen en zal niet net als mensen worden gedoopt. Maar jou worden bovendien de handen opgelegd, dat wil zeggen, de twaalf zegeningen van de Apostelen kwamen over jou als mens teneinde voor jouw kudde, met jouw gemeenschap te sterven op dezelfde manier als Hij als Heer en Meester, als formeerder van de mens, in Liefde voor hen gestorven is.
Wij zullen niet sterven, niemand van ons, want Hij is iedere dag van ons eeuwig bestaan onder ons aanwezig en Hij doet onze zonden onder Zijn Vleugelen wegsmelten.
En onze onderlinge menselijke liefde tot God en onze naasten straalt, daalt van deze Goddelijke vleugels af, teneinde onze zonden te verbranden.
Het is overweldigend als priester -‘mèt Hem en ìn Hem’- met Hem op te trekken en op deze wijze probeer je ‘zelf’ als eenvoudig mens groter te worden, volwassen te worden in Zijn Naam. 
        Deze mensen lijden, zo zei hij steeds maar weer: Geloof is zwak en blijft zwak onder de mensen.
Wat ik met deze mij toegewezen mensen doe?
Hóe kan ik ze naar de gezegende ‘Heer van het Leven’ brengen?
Hoe kan ik met hen ‘het Leven’ vieren?
Hoe kunnen zij leven zonder Christus in hun hart te ervaren, harten van vlees en bloed?
Hoe leven ze? Waar wonen ze?
Ik probeer hen te troosten en hen te vertellen: “ Onze Heer en Heiland is geduldig met ons mensen, óók als Hij hen toetst door hen te kwellen beproeft.
Ik probeer Hem aan hen duidelijk te maken en over Zijn leven als God-Mens te vertellen en ik doe dit uit liefde voor de Heiland en uit liefde tot deze mensen.
En de situatie waarin de mens zich bevindt is altijd en overal hetzelfde, geen plaats ter wereld is daarvan uitgezonderd.
En ben je voornemens hen te bekeren? Zó is mij dit in Christus duidelijk geworden ik weet dat dit uiteindelijk zal gebeuren; ikbehoehoef mij alleen maar te vernederen en God doet de rest.

3.]. Ik heb m’n leven geleefd, zoals ik gedaan heb, uit liefde tot mijn Heiland en mijn naasten. En ik stel vast dat ik moe wordt, -‘pijntje hier, pijntje daar’- en neem van mij aan, ik heb grote fouten gemaakt, dat overkomt ieder mens, maar ik wilde het beste uit mijzelf halen en wat nu?
Zó werd dit mij pas een poosje geleden door Hem als Heer en Meester duidelijk gemaakt:
Ik heb je geroepen en Ik ben ‘Zelf’ door dik en dun aan jou geopenbaard, maar je bent vergeten Mij volledig in jou op te nemen”.
Ik gaf daarop ten antwoord: ‘    Maar ik ben het niet vergeten, ik weet dat de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest Zich vanuit de hoogste Hemelen geopenbaard heeft’.
Hij liet mij daarop weten dat ik: ‘ net als Hem m’n Kruis diende op te nemen – dus onderhorig te zijn aan m’n levensweg, zodat je door het lijden heen het aangezicht van de heiligen aan de mensen kunt laten zien, alvorens je hen voor de laatste keer ontmoet en afscheid van hen neemt‘.
Maar toch zullen de mensen blijven zeggen:
Wie ben jij? Ben jij voortgkomen uit/van die farizeeërs,  een priester, die zoals al die anderen is, die slechts prat op zichzelf zijn, die het zo goed met zichzelf getroffen hebben? Ben jij dat?“.
En ik kan dan alleen maar zeggen: ” Ik ben niets, ik hield slechts van en probeerde mijzelf ten doop te geven aan degenen van wie ik hield. Ik ga naakt rond en op blote voeten terug naar de plaats van waar ik gekomen ben, zoals ik uit de schoot van mijn moeder kwam.
De dagen van mijn geboorte liggen ver achter mij en ik sta op het punt van sterven, maar ik hoop dat God mij in Zijn herinnering opneemt, mij opwacht en mij omhelst. Ik hoop het trauma van het leven achter mij te laten en mijn wonden door Zijn geboorte, sterven en Opstanding, genezen te weten.
Hij neemt mij op als een doek en doopt deze in het water, als een infuus stroomt Hij Zelf door mij heen en aldus worden al mijn zonden door de Goddelijke Genade van de Heilige Geest opgelost, zijn zij verdwenen”.

Ons nabestaanden wacht slechts het geduld van de lange tocht tot zuiverheid en we mogen ons verheugen, want het Kerstfeest is op komst en het feest Pascha zal ieder jaar opnieuw terugkeren, als vanouds tot het einde der wereld.
Wij zijn hier gekomen voor de vele zielen, die zijn overgegaan, die bij de poort van het Koninkrijk de stem van de Vader vernemen die tot hen zegt:
    Komt, gij gezegenden, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt 
tot Mij gekomenMatth.25: 34-36.
            In al uw en onze gebeden weerklinkt de Hoop dat de poorten van het Paradijs open zijn voor deze overledenen en dat de heiligen zich verheugen wanneer Hij hem en hen ontvangt en deze Zijn troon nadert/naderen.
Maar nu voor U, o Vader, Zoon en Heilige Geest, verheerlijkt zij Uw Naam voor altijd en eeuwig in de rechtvaardigen, Amen.

O God, sla Uw Vleugelen toch om ons heen
en behoed ons in Uw Genadegaven”.

NB. Gebed in moeilijke perioden van ons leven
Wanneer het tegenzit, schiet bidden er namelijk nogal gemakkelijk bij in.

Nogal wat mensen stoppen met bidden als ze in moeilijk vaarwater terechtkomen. Of ze vinden het ten minste moeilijk om te bidden als de wind tegenzit. Waarom laat God toe dat ik ongelukkig ben?
Waarom brengt Hij geen verandering in deze situatie?

1.]. aandacht voor je lichaam
Wij mensen hebben niet alleen een lichaam, wij zijn ook lichaam.
Bidden doe je per definitie met je hele wezen.
Met je hart, je verstand, je ziel. Èn met je lichaam.
Een gespannen lichaam is daarom niet bevorderlijk om tot gebed te komen.

Bidden vraagt immers dat je tot op zekere hoogte stil valt, tot jezelf komt.
Je trekt jezelf terug in je ‘stille hoek’, opdat je de externe prikkels
verminderd worden om toegang te krijgen tot je innerlijkheid.
De daarmee gepaard gaande stilte kan je
des te scherper confronteren met de spanningen in je lijf.
Onaangenaam, en dus een reden om te stoppen met bidden.

Door méér thuis te komen in je lichaam,
kun je het makkelijker openen voor Gods aanwezigheid.

Om dit vroegtijdige afhaken te voorkomen, kan het zinvol zijn
tijd te nemen om te bidden met je lichaam.
Door meer thuis te komen in je lichaam, kun je het makkelijker openen voor
Gods aanwezigheid en het toevertrouwen aan zijn liefdevolle blik.
Dat begint met rustig in- en uitademen.
Een voor een de verschillende lichaamsdelen aanspannen en ontspannen.
Wat ook kan is traag wandelen in de natuur en
bijzondere aandacht geven aan wat je hoort, ziet, voelt, ruikt…

Deze lichaamsoefeningen zijn absoluut geen verloren tijd.
In de mate waarin je probeert ze te doen in verbondenheid met God,
kunnen ze een volwaardig gebed zijn.

2.]. Zet je probleem in de wacht, laat ze afkoelen, ‘time-out’.
Wie geconfronteerd wordt met moeilijkheden,
heeft vaak spontaan de reflex om
die moeilijkheden een grote plaats te geven in het gebed.
Dat is helemaal niet vreemd.
Bidden is in belangrijke mate je gewone leven voor God brengen.
Maar het is geen denkbeeldig gevaar dat
het gebed snel gaat overheersen, geheel in beslag genomen wordt door het probleem.
Je gaat je als het ware verplicht voelen alle tijd, energie en aandacht die je aan het gebed besteedt, te richten op die ene vraag, situatie, relatie, persoon, enzovoorts.

In plaats van je vooruit te helpen, kàn zo’n gebedstijd je eerder van God verwijderen. Het probleem komt tussen jou en God te staan.
Bovendien, hoe dringend dit probleem voor jou ook is,
God heeft jou op dit ogenblik misschien iets anders te zeggen.

Daarom kan het zinvol zijn de moeilijkheden bewust niet in het gebed in te brengen. Je kunt ze simpelweg even benoemen aan het begin van het gebed, om
er vervolgens bewust voor te kiezen ze los te laten en aan God toe te vertrouwen.

De ervaring leert dat het nogal eens gebeurt dat je na verloop van tijd vaststelt dat de vraag, die als time-out hebt ontweken, intussen vanzelf een antwoord heeft gekregen.
Je bent er anders naar gaan kijken, de vraag werd geleidelijk aan minder dringend of allesoverheersend, de negativiteit is verminderd, enzovoorts.

3.]. Houd je innerlijke gerichtheid open
Wie het moeilijk heeft, zoekt doorgaans naar verlichting, ook in het gebed.
Je hoopt op een antwoord op je vraag,
de oplossing voor een probleem, licht in de duisternis.
Dit is niet meer dan normaal.
En daar dreigt het gebed spaak te lopen. Immers,
God laat zich niet opsluiten in onze kaders.
Hij antwoordt wel, maar vaak totaal tegengesteld en
anders of op een nadere plaats dan wij gehoopt hadden.

Het probleem hierbij kan zijn dat we in ons gebed
vaak niet alleen een vraag stellen, maar
tevens de neiging hebben God ook het antwoord in te fluisteren.

Hier ligt een grote spirituele uitdaging voor wie bidt in moeilijke omstandigheden:
de innerlijke gerichtheid bewust open te houden.
Om te onderscheiden waar en hoe de Geest in het gebed elementen van antwoord aanreikt.
Meer in het bijzonder betekent dat vaak:
bereid zijn om oog te hebben voor de subtiele en discrete
ervaringen van vreugde, rust, vertrouwen en hoop, zoals
die zich aanbieden in het gebed.

Ook al wijzen die gevoelens een andere richting uit dan verwacht.
Het zijn immers de richtingwijzers naar het leven waartoe God je vandaag uitnodigt.
Dit vraagt een reële innerlijke vrijheid en openheid.
Maar ook de Genadegave van het Geloof dat God
jou blijvend nabij is en voor je zorgt, wat er je ook overkomt.