Zaterdag van de asceten – terugkeer naar de oorsprong

    Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader en niemand kent de Zoon dan de Vader, en niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
neemt mijn juk op u en leert van Mij, want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult rust vinden voor uw zielen; want
Mijn juk is zacht en Mijn last is licht
“ 
Matth.11: 27-30.

    Maar de vrucht van de Geest is Liefde, Blijdschap, Vrede, Lankmoedigheid [in staat om veel te verdragen], Vriendelijkheid, Goedheid, Trouw, Zachtmoedigheid, Zelfbeheersing.
Tegen zodanige mensen is de wet niet.
Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.
Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden.
Wij moeten niet praalziek zijn, elkander tartend, elkander benijdend.
       Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die
geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende
op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen.
Verdraagt elkanders moeilijkheden; zo zult gij de wet van Christus vervullen

Gal.5: 22- 6:2.

Herinnert u het nog, klinkt het nog na, datgene wat
afgelopen zondag als Apolytikion klonk?:
“ . . . . . Ik denk aan die vreeswekkende dag en ween over al mijn slechte daden”?
Wie wordt niet geconfronteerd met de dagelijks af te leggen verantwoording voor de onsterfelijke Koning der Eeuwigheid. En wanneer Hij dan met jou constateert dat God ons gezegend heeft en je tenslotte vaststelt dat je als jongeman al rijk bent, ja gaandeweg rijker, totdat
je zeer rijk geworden bent en alles hebt wat je hartje begeert, wat dan?. . . . .

Toen zei Abimelek [Hebr.= ‘broeder van de Koning’] tot Isaäc [Hebr.= Hij, die lacht’]: ‘Ga van ons heen, want jij bent veel machtiger geworden dan wij’Gen. 26: 16 en “ Hij groef [als vanzelfsprekend] de waterputten, die men gegraven had in de dagen van zijn vader Abraham, en die de Filistijnen na Abrahams dood hadden dichtgestopt, weer op, en noemde ze met dezelfde namen, waarmee zijn vader ze genoemd hadGen.26: 18.
Die waterput, die kennen we als de bron des Levens, waar Christus de Samaritaanse haar lesje geeft, maar ook herkennen we de rijke jongeling, die te horen kreeg: “ Indien je volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop wat je bezit en geef het aan de armen, en  je zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg MijMatth.19: 21.

En dàn wordt je met de essentie van deze zaterdag geconfronteerd en laat je het afweten, want ook ik heb moeten vaststellen dat ik vele goederen bezat en ik ging bedroefd heen.
Ik moest iedere keer bij m’n vertrek vanaf de Heilige berg [Athos] vaststellen, dat dìt echt niet voor mij was weggelegd. De wereld van het helse Thessaloniki en de onrust, die daarmee gepaard gaat viel boven op mij en ik ging bedroefd naar huis. Wanneer ik dit nog eens ga overdenken, dan valt me eigenlijk op dat je als mens van de wereld een behoorlijk arrogante houding bezit.
     Je gaat daar een asceten-kolonie bezoeken en dat klinkt heel vroom, zoals
Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Maar ben je op zo’n moment als mens van de wereld ècht zo hongerig naar
het onderwijs van onze Heer en Verlosser?
Al snel realiseer je je al dat je als mens vooral bezig bent met jezelf te bewijzen en jezelf te rechtvaardigen. “Dàt heb -‘ik’- allemaal al gedaan!”, kijk mij eens.
Wat zo fascinerend blijkt, is dat onze Heer en Verlosser ons als mens gewoon uitdaagt.

Even verder in de perikoop van de rijke jongeling wordt er een prostituee bij hem gebracht die gestenigd moet worden en dàn is onze Heer en Verlosser pas ècht ongelofelijk liefdevol en genadig.
Waarom dat verschil?
Onze Heer en Verlosser legt de lat ook wel heel erg hoog voor deze jongeling.
Ik kan niet anders bedenken dan dat Hij dit doet omdat deze mens ‘zelf’ God’s goedkeuring en acceptatie tracht te verdienen. Hij wilde het niet ‘om niet’ ontvangen, neen, hij wilde het verdienen, op dezelfde manier als hij z’n rijkdom had vergaard.
Christus zal als de Heer der Heerscharen, als de Opperste en uiteindelijke Rechter, laten weten wàt het wel niet is om ‘volledig’ goedgekeurd en gekend te worden.
      En het wonderlijke is, wanneer dàt wanneer onze houding zo vreselijk is,
dàn drijft onze Verlosser ons tot het punt van waanzin. Hij legt de lat gewoon nòg hoger: “Er is nog een ding. Ga naar huis. Verkoop al je spullen en geef het geld aan de minderbedeelden”.

En tòch komt onze Heer der Heerscharen bij ons aan tafel, want Hij wil ons ‘Zijn Blijde Boodschap’ op de een of andere manier bijbrengen, zoals bij Zacheüs [Hebr.= ‘zuiver’], de tollenaar.
Ondanks het feit dat wij met Hem dienen vast te stellen dat hetgeen wij in de wereld doen voor Hem als Rechter ‘volkomen buitensporig‘ en ‘verachtelijk‘ is, komt Hij bij ons eten.
            Gebed heeft geen bepaalde houding, geen plaats of tijd, het is een kwestie van dapper en nuchter  overwegen. “   Stilte en gebed zijn zeer grote wapenen om het Hemels Koninkrijk te bereiken, omdat het gebed verse lucht en adem geeft, de adem van de Heilige Geest, welke ons reinigt en inzicht geeftH. Paisios, de Athoniet.
Heb nu alsjeblieft niet het idee dat je wanneer je de radicale stap tot de ascetische levensvorm zet dat je onmiddellijk in de zevende Hemel terecht komt.
Veelal zal eerst na een periode van vijftien jaar van hard werken vervlogen zijn
eer de discrete ‘alles overtreffende‘ gehoorzaamheid z’n intrede zal doen.
Dit is het resultaat van door alle moeite heen ‘gehoorzaamheid aan God’ onderscheiden en
dàt leer je absoluut niet gedurende een drie, of vierjarige Theologische opleiding,
dàt wordt slechts gevormd door het juk van een langdurig ascetisch leven.

Ascese [Gr.: ἄσκησις, askèsis] is het streven naar òf het beoefenen van een reine levenswandel.
Je beoefent dit door de eigen hartstochten en en begeerten te beteugelen en zelftucht toe te passen. Ascese gaat veelal gepaard met een onafgebroken leven in stilte en gebed om de geest stil te maken, maar ook door je zowel geestelijk als lichamelijk allerlei geneugten van het leven te ontzeggen.
Je legt voor jezelf net als onze Heer en Verlosser de lat heel erg hoog.
Overeenkomstig de Blijde Boodschap is ascese geen doel op zich, aangezien de schepping als goed wordt voorgesteld en de mens daarin geen minderwaardig wezen is.
Wèl wordt zowel in het Oude [profeten] als het nieuwe Verbond [Johannes de Doper] matigheid gepredikt en daar ontbreekt het in onze tijd nogal eens aan.
Het vroege christendom kende echter wèl – soms extreme – vormen van ascese, zoals het kluizenaars- en kloosterbestaan van de woestijnvaders, gebaseerd
op geloften van bewuste armoede, kuisheid en gehoorzaamheid.
Het vroeg-christelijke geloof groeide uit tot de christelijke orthodoxie, deze gemeenschap van volgelingen van Christus is vanaf het eind van de 3e eeuw na Christus op de voorgrond getreden, haar tegenstanders in de wereld te benadrukken, dat haar opvattingen altijd al een het meerderheid’s -standpunt innamen en dat haar rivalen altijd al ‘ketters‘ waren geweest, die er moedwillig voor ‘kozen‘ om het ‘Ware Geloof’ [Gr. ὀρθός, orthos=recht; δόξα, doxa = mening, glorie] te verwerpen.
            Waarom kiest iemand het monastieke leven en niet een leven als spelleider/priester, met of zonder professionele activiteiten [iedere gelovige is immers priester]?
Monniken en monialen zijn veelal gelovige mensen uit één stuk en die proberen tot het uiterste te gaan.
Wanneer men het Geloof en het leven in navolging van Christus begint vanuit
geheel het menselijk  hart, wordt men werkelijk door God ‘Zelf’ op de monastieke weg getrokken.
Dit wil niet zeggen dat de anderen niet ernstig of minder ernstig in de leer zijn, maar algemeen wordt aangenomen dat het totaal aan God gegeven leven het monastieke leven is.
Men is Hem méér naderbij, het hart is mìnder verdeeld – wordt mìnder afgeleid.
Zowel professionele als lekenpriesters hebben in de wereld diverse bezigheden en hebben inherent daaraan dus problemen en zullen soms keuzes moeten maken tussen verschillende dingen.
Een monnik kan [maar doet dat echt ‘niet’ altijd, hij/zij blijft ook maar een mens]
de directe weg naar God kiezen. Het is geen schande wanneer een jonger iemand een oudere te schande maakt; in de eerste plaats vindt dit plaats omdat een jongeling/ veelal een puber nog in de leer is.
Ook in het monastieke leven ga je [net als in de wereld] door het rad van het avontuurlijke leven en word je door schade en schande wijs.
Daarom is een norm, die als voorschrift wordt beschouwd ook voor jonge monniken/monialen in een gemeenschap moeilijk.
De ‘coach’ is geen toezichthouder, die al zappend z’n leerlingen begeleid; het is een door de wol geverfde kracht, die tracht de norm strikt te handhaven, maar
z’n toegewezen leerlingen doen niet altijd wat de monastieke Regel zegt.
De Higoumen, de abt dient dan toe te zien wat de broeders/zusters kunnen dragen, hen zo veel als mogelijk is vragen, zonder echter boven hun krachten te laten gaan. De norm wordt als het ware enigszins aangepast aan de eigen persoonlijkheid, en wordt in het algemeen geprobeerd de generale regels van de Kerk toe te passen
– zonder de persoonlijkheid van de monnik te breken -; hetgeen wel genoemd wordt de goddelijke weg [economie] te volgen, opdat de mens door beproevingen heen tot wasdom komt.
De door de wol geverfde kracht zal met aandacht, gezag en kennis van zaken
zijn werk doen en z’n leerlingen weten te motiveren.
Dit soort processen leer je niet uit een boekje, niet aan de een of andere universiteit – dit leer je met vallen en opstaan door ervaring uit het boek des Levens, de Blijde Boodschap.

Op de rooskleurige legendes rond Constantijn de Grote als 1e Christelijke keizer en stamvader van het Byzantijnse Rijk valt echter veel af te dingen; On the rosy legends around Constantine the Great as 1st Christian emperor and ancestor of the Byzantine Empire, however, there is much to be said about; Στους ρόζους θρύλους γύρω από τον Κωνσταντίνο τον Μεγάλο ως πρώτο χριστιανικό αυτοκράτορα και πρόγονο της Βυζαντινής Αυτοκρατορίας, υπάρχουν όμως πολλά που πρέπει να πούμε για.

Vanaf het eind van de 3e eeuw na Christus is ‘de wereld’ tot de Kerk toegetreden en daardoor is er met de kerkelijke beleving iets gebeurd wat het gezag van met name de leiding
– de toezichthouders – behoorlijk heeft aangetast.
En wàt voor de toezichthouders geldt, gaat ook òp voor het gros van de professionals:
met de opkomst van het neo-liberalisme of het neo-conservatisme is hun status nog verder gekelderd en daarmee ook het gezag van hun werk.
Er werd in het Kerkelijk leven ‘politiek‘  bedreven, niet op kleine schaal, maar over de gehele linie.
Een professional is echter iemand die voldoet aan een aantal kenmerken.
Een van de belangrijkste is dat er een vocatie is, een innerlijke drijfveer om iets te willen òf anders gezegd een overgave [als de bovengenoemde door de wol geverfde kracht] aan een hóger doel dàt je wilt dienen.
Weet dat in een bureaucratische opzet van de Kerk, degenen, die ‘de baas spelen‘ in de gemeenschap van heiligen, het minst belang hebben bij verandering van zaken. In plaats van Opgang naar den Hoge, wordt aan de eigen positie vast gehouden en daarbij wordt in het geheel niet door deemoed  het voorbeeld gegeven. Het voorbeeld geven is geen ‘veeleisend‘ bevelend optreden en ‘pracht en praal‘ uitstralen.

voedselbank

Opgang naar den Hoge is je verbinden met de minst draagkrachtigen en met hen die vermoeid en belast zijn, rust en vrede teweeg brengen; dat betekent:
Het juk op je nemen en van de toegewezen navolgers van Christus te leren, want alleen door zachtmoedigheid en nederigheid van hart zal eenieder, die Hem volgt rust vinden voor z’n ziel, want het juk van onze Heer en Verlosser
is zacht en Zijn last is licht
conf. Matth.11 : 28-30.
En vervolgens ga je pas het Heiligdom binnen en bid voor elkaar aan het altaar en brengt aldaar het offer wat je gedurende je werk in de wereld hebt volbracht.
Laten wij daarom een voorstander worden onze voorgangers te rekruteren uit degenen, die door de wol geverfd zijn en niet langer uitgaan van wereldse gewoonten en kennis, maar met gezag en kennis van zaken ‘hun beroep’ te laten uitoefenen – en dan kunnen wij als navolgers van Chritsu inderdaad volmondig uitroepen: “AXIOS”.
     De Heer zegt tot mijn Heer; zit neer aan Mijn rechterhand,
     opdat Ik uw vijanden zal maken
     tot een steun aan uw voeten.
Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion:
heers, temidden van uw vijanden.
Bij U is Heerschappij op de dag van uw kracht,
in de stralende luister van uw Heiligen.
Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster.
De Heer heeft gezworen, onveranderlijk:
Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen
verplettert Hij op de grond.
Uit een beek onderweg zal Hij drinken, en dan het hoofd verheffen
Psalm109[110] ver. ROK ’s-Gravenhage

Wil de tot de wereld vervormde ‘christelijke’ gemeenschap zich bekeren dan dient zij zich van haar hang naar de weg tot de wereld te laten genezen.
Het is als een ‘Back-to-the-Future’ – een terugkeer naar de oorsprong.

Apolytikion
tn.4.
    God van onze Vaderen,
Die altijd met ons handelt volgens Uw zachtmoedigheid,
neem Uw Barmhartigheid
niet van ons weg
maar bestuur ons leven in Vrede,
omwille van hun gebeden
”.

NB.
Jaarlijks wordt er in het Brits Koninkrijk een zogeheten ‘Veracity Index’ opgesteld, dat is een barometer met betrekking tot rechtschapenheid, eerlijkheid, oprechtheid, openhartigheid, openheid en waarachtigheid.
Daaruit komt naar voren dat professionals als spelleiders/priesters, onderwijzers,
artsen, de zogenaamde ‘ervaren’ zachte hulpverleners nog uitzonderlijk veel vertrouwen genieten.
Toezichthouders, managers, bestuurders en politici staan helemaal onderaan.
Dat leidt tot de vreemde situatie dat we in onze samenleving mensen, die we ‘niet’ vertrouwen – mensen laten controleren, die we wèl vertrouwen.
Volgens mij is dat de wereld op z’n kop en beslist niet zoals onze Heer en Verlosser ons dit heeft voorgeleefd om nog maar niet bespreken over de spelleiders/ priesters, die een degelijk systeem politiek bevestigen, om
er zelf goed garen bij te spinnen.
    Wij dienen echter niet praalziek te zijn, elkander tartend, elkander benijdend.
      Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die
geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid,
ziende op uzelf; gij mocht ook [zelf] eens in verzoeking komen.
Verdraagt elkanders moeilijkheden;
zo zult gij de wet van Christus vervullen”
Gal. 5: 26 – 6: 2.

  Heer, red Uw Volk en zegen Uw Erfdeel en
bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis”.