Zondag van het Laatste Oordeel – Zondag van de vleesonthouding: Er komt een tijd dat wij zelf niets meer in de melk te brokkelen hebben. God zal ons de mond snoeren en slechts de Zijne zal in ons weerklinken.

Jezus Christus, de uiteindelijke Rechter, over de mens

    Wanneer dan de Zoon des mensen komt in Zijn Heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon van Zijn Heerlijkheid.
En al de volkeren zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand.
       Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden van Mijn Vader, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging van de wereld af. Want:
– Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven.
– Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven,
– Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest,
– Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht;
– Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen.
Dàn zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende:
‘ Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?’.
En de Koning zal hun antwoorden en zeggen:
‘ Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan’.
Dàn zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: ‘ Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht.
Dàn zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend?
Dàn zal Hij hun antwoorden en zeggen: ‘ Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan.
En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige levenMatth 25: 31-46.

    Nu zal wat wij eten, ons niet bij God brengen;
eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wel, wij zijn er niet meer om.
Maar ziet toe, dat deze bevoegdheid van u niet tot aanstoot voor de zwakken zal worden.
Want indien iemand u, die kennis hebt, [aan tafel] ziet aanliggen in een afgodentempel, zal hij met zijn zwak geweten dan niet aangezet worden tot het eten van offervlees? Dan gaat er immers iemand, die zwak is, ten gevolge van uw kennis verloren, een broeder, om wiens wil Christus gestorven is.
Door zo tegen de broeders te zondigen, en hun geweten, indien het zwak is, te kwetsen, zondigt 
gij tegen Christus.
       Daarom, indien wat ik eet, mijn broeder aanstoot geeft, wil ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, om mijn broeder geen aanstoot te geven.
Ben ik niet vrij? Ben ik geen apostel? Heb ik niet Jezus, onze Heer, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Heer?
Indien ik voor anderen geen apostel ben, voor u toch zeker wel; want het zegel op mijn apostelschap zijt gij in de Heer1Cor.8: 8 – 9: 2.

De herinnering waaruit de Kerk leeft, is tevens de ver­wachting waarvan zij leeft en haar [Blijde] Boodschap tot de wereld is tevens de enige hoop voor de wereld.
Immers onze Heer Jezus Chris­tus, aan wiens Woord en Werk beiden, de Kerk en de wereld, hun oorsprong en bestaan te danken hebben – de Kerk we­tend en bewust, de wereld onwetend en nog niet bewust ­- is dezelfde die kerk en wereld tegemoet komt.
Daarmee voert Hij deze ten einde gaande tijd naar zijn doel en be­stemming.
Dat doel, die bestemming zal hierin béstaan, dat Christus
[onze Heer en Verlosser]
de in Hem gevallen goddelijke beslissing in haar onherroepelijkheid  in het Licht zal stellen voor aller oog,
n.l. Gods Genade en Recht als de maatstaf, waaraan zowel de mensheid in haar geheel als ieder mens persoonlijk gemeten zal worden
”.
Karl Barth [1886 – 1968]

Laatste oordeel “allen, die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan”

Toen Onze Heer eerst op aarde neer-daalde was het om ons te Verlossen, wanneer Hij terugkomt zal het ons tot Oordeel zijn.
We zijn ten alle tijde verantwoording schuldig aan onze Heer en Meester van ons leven voor datgene wat wij met ons leven hebben gedaan. Dit geldt voor iedereen, degenen die zich momenteel niet druk maken om Christus en degenen die zeggen Hem te belijden en te kennen, Hem te volgen.
De aandacht van de eerste volgelingen van onze Heer en Verlosser was er op gericht waakzaam te blijven tijdens deze tussenperiode tussen Zijn Hemelvaart en Zijn wederkomst.
De oproep van de Kerk is niet alleen om waakzaam te blijven, maar gaat dieper om ‘door te gaan met goede werken‘ en betrekt dit in het ijverig omgaan met de Genadegaven die we hebben gekregen.
In de lezing van vandaag gaat Onze Heer en Verlosser Zijn volgelingen specifiek vertellen hoe dit eruit ziet en welke belangen het met zich meebrengt.
Christus staat op het punt Zijn Leven-schenkend Kruis op Zich te nemen en Hij geeft Zijn naaste Volgelingen een laatste belangrijke les mee,
Hij zal terugkomen en Hij zal eenieder beoordelen.

In de Zondagen, die achter ons liggen heeft Onze Heer meerdere nogal vage Gelijkenissen gebruikt over bruidsmeisjes en dienaren. Vandaag stapt Hij over vàn de vage concepten náár kristalheldere bindende voorwaarden en daaraan verbonden verwikkelingen.
Er zijn drie hoofdpunten in dit grotere gedeelte:
1.]. Onze Heer en Meester zal terugkeren,
2.]. Er zal een Opstanding zijn en
3.]. Er zal een Oordeel zijn.
Terwijl mensen graag hun hoofd breken wanneer onze Heer wel niet zal terugkomen, en hoe de Opstanding eruit zal zien, zullen deze begrippen gemakkelijk te accepteren zijn en ons inzicht geven, maar wij gaan niemand uitgezonderd het onderwerp van een laatste oordeel het liefst uit de weg.
Maar deze in drie beloften maken de eerste twee van God, als Schepper, nog geen wereldse ervaring los, dat onze Heer zal terugkeren? Waarom? . . . . . Toen God schiep, was de mens ongehoorzaam. 

Toen God in het vlees kwam om ons te redden, werd Hij Persoonlijk door de mens afgewezen, waarom zou Hij dàn nog terugkeren?
Een Opstanding uit de doden? Waarom?
God heeft ons dit Leven gegeven als een geschenk en wij mensen verspillen het gewoon, wij doden niet alleen onszelf, maar maken het leven op aarde zelfs nog  onmogelijk en onze kinderen hebben het nakijken.

tijd van verandering, van herziening

Maar dàn volgt er een Laatste Oordeel.
We houden vast aan dit idee en toch is het volkomen logisch.
We weten allemaal dat we verantwoordelijk zijn voor wat we doen.
– We doen een test op school, we krijgen beoordelingen op ons werk,
we spelen en winnen of verliezen, we behandelen anderen goed en
er is vreugde en zonneschijn, we behandelen anderen slecht en relaties vallen uit elkaar.
– We weten allemaal dat dit momenten zijn welke de ander het recht geeft ons in onze manier waarop wij leven te beoordelen.
– We weten allemaal dat we een leven hebben gekregen dat we kunnen gebruiken en  dat we zullen worden beoordeeld hoe we het er wèl niet van hebben afgebracht.
– We houden niet van het idee, omdat ieder van ons in het hart weet hoe ontoereikend we zijn en hoe vaak we wèl niet voldoen aan onze eigen normen, laat staan die van een volmaakte Heilige God; wanneer wij geconfronteerd worden met het moment van het Laatste Oordeel.

Het Laatste Oordeel, door Jheronimus Bosch, 1500-1510.

Onze Heer en Verlosser laat ons onomwonden weten dat Hij terug zal komen en dat dáár – ‘het Laatste Oordeel’ – op zal volgen en bij dat oordeel zal er een grote scheiding zijn.
Onze Heer is een goede herder. Hij kent Zijn pappenheimers, Zijn schapen.
Hij herhaalt hierbij de Profetie van Ezechiël:
    Ik Zelf zal Mijn schapen weiden, Ik Zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Heer der Heerscharen; de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort.
En jullie, mijn schapen, zo zegt de Heer der Heerscharen,
    Zie, Ik Zelf zal rechtspreken tussen het ene schaap en het  andere, tussen de rammen en de bokken.
Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt?
Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld?
Daarom, zo zegt de Heer der Heerscharen tegen hen:
    Zie, Ik ga Zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat jullie ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik [Zelf] mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal Recht spreken tussen het ene schaap en het andere
Ezech.34: 15-22.

Dan zitten er geen hoofdtoezichthouder met ondertoezichthouders in Conclaaf bij elkaar om hun eigen hooghartig functioneren tegen het licht te houden.
In het – hier en nu – zijn ook de christelijke volgelingen van Christus volledig verweven met degenen die niet [meer] de Zijne zijn.
Er zijn en er zullen twee verschillende klassen zijn. Er zijn twee kanten, twee klassen en twee lotgevallen.
Dit is belangrijk; er is geen verscheidenheid aan bestemmingen of onderscheidingen.
Er zijn er die verteld zal worden het Koninkrijk der Hemelen binnen te gaan en zij die onomwonden duidelijk gemaakt wordt om maar te vertrekken.
Maar wat wordt er met deze twee categorieën bedoeld?
We zien gezegende schapen die naar het Koninkrijk mogen komen, ze geven om anderen en hebben het eeuwige leven ontvangen.
De vervloekte bokken wordt verteld om te vertrekken, zij verwaarlozen immers anderen, zijn alleen met zichzelf bezig geweest, kunnen niet anders en ontvangen een eeuwige straf.
“Maar God is een God van Liefde, ‘Hij’, Die een liefdevolle God is, zou toch liefdevol ‘Recht’ doen en wij  gerechtvaardigd worden vanwege goede werken?.

Laatste Oordeel, door Alaert du Hamel, 1478-1509

Dit lijkt mij de meest elegante en Genade-volle passage uit de Pedagogie
[de Leer] van onze Heer en Verlosser.
We zien de Genadegaven omdat het er zo dik bovenop ligt, we zwelgen in zelfgenoegzaamheid en we vinden het maar heel gewoon.
Onze Heer begint zoals bij Hem gebruikelijk met de Genadige zegen:
Komt, jullie gezegenden van Mijn Vader en neemt in ontvangst hetgeen jullie van
de grondlegging van de wereld bereid is
”.
Wanneer je gezegend bent door God, zul je ook een zegen dienen te zijn voor anderen.
Onze Heer en Verlosser kwam om “Zijn volk van hun zonden te redden“.
Maar laten we ook niet de grote fout maken en handelen zoals onze Heer ons hier voorhoudt en het al hetgeen Hij zegt als niet belangrijk beschouwen òf onze aandacht niet vereist.

Onze regelrechte rechtvaardiging voor God is niet afhankelijk van ‘onze’ goede werken. Goede werken zullen echter voortkomen uit onze rechtvaardiging.
Maak een onderscheid:
⁌  de een leeft en zoekt en streeft ernaar om God te behagen;
⁌  de ander neemt er genoegen mee dat God tevreden is met ons
door de Genadewerken van onze Heer en leeft en streeft
vanwege datgene wat ‘Hij’ gedaan heeft en
daarmee bewerkstelligd heeft van ‘wie‘ we -hier en nu- zijn.
Wàt we geloven over God, wàt Hij heeft bereikt en ‘wíe’ we zijn,
heeft onherroepelijk invloed op ‘hoe’ we leven.
Indien je beseft dat je door God bent gekocht en betaald
voor goede werken, zul je de consequenties hieruit afleiden.
Genadegaven, zowel gegeven als het ontvangen ervan is een Genade die jou motiveert.
De schapen worden niet gered vanwege hun werk of een goed leven.
Ze worden allereerst door de Vader gezegend!
Vanaf dat moment zijn ze zegenend.
Onze Heer en Verlosser leidt ons niet vanwege de goede werken als
de reden voor onze binnenkomst, maar vanwege de zegening van God, de Vader – ‘uit Liefde tot God’.
Omdat schapen gezegend zijn, waren ze een zegen voor anderen.
Hun goede leven is een bewijs van het werk dat God heeft gedaan om hen te redden.
Dit is wat de Heer en Meester van het Leven Zijn volk vertelt terwijl
Hij hier de specifieke details vastlegt.
➻ Wàt we geloven over God,
➻ Wàt Hij als God heeft bereikt en
• Wíe we zijn, heeft invloed op
• Hoe wij als návolgers leven.
Wanneer je weet dat je door God bent gekocht voor goede werken, zul je deze hieruit afleiden.
Genade gegeven en ontvangen is een genade die motiveert.
De schapen worden niet gered vanwege hun werk òf een goed leven.
Ze worden allereerst door de Vader gezegend! Dàn zijn ze zegenend.
Onze Heer en Verlosser leidt ons niet als Herder vanwege de goede werken als
de reden voor een glorieuze binnenkomst, maar vanwege de zegening van God, de Liefdevolle Vader.
Omdat schapen gezegend zijn, waren ze een zegen voor anderen.
Hun voorbeeldige leven is een bewijs van ‘het grote Werk’ dat God heeft gedaan om de mensheid te redden.
Dit is wat onze Heer en Verlosser Zijn volk vóór houdt terwijl Hij de specifieke details vastlegt.
Wàt wij geloven over God, wàt Hij heeft bereikt en
wíe’ wij wel niet zijn, blijft een belangrijke invloed uitoefenen op ‘hoe’ wij leven.

Ik was zoals Ik was en jij deed iets:
Honger t.o.v Eten, Dorstig t.o.v Drinken, Vreemdeling t.o.v Verwelkomen,
Naakt t.o.v. Gekleed, Ziek òf opgesloten t.o.v. Bezocht.
Deze lijst wordt in dit gedeelte van de Blijde Boodschap ‘vier keer’ herhaald,
ik neem aan omdat het toch wel een héél groot beetje belangrijk is.
Het is een inleiding van wat het betekent om een actieve volgeling van onze Heer en Verlosser te zijn. De bediening van onze Heer onder de mensen is overweldigend gericht op de armen, de  gemarginaliseerden, zelfs de kinderen.
Zijn volgelingen zullen diegenen zijn die dezelfde bediening van dienst vervullen:
    Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert Geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dàt Geloof hem behouden?
       Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand van u zegt tot hen: ‘Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien’, wat baat dit?
       Zo is het ook met het Geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, doodJac.2: 14-17.

‘Dood’- Geloof zal niemand redden.
God heeft ons veel vergeven en ons veel gediend; als we door de doop opnieuw geboren zijn zullen we doen wat ‘ons’ bij toeval is toegevallen, het enige wat wij persoonlijk gedaan hebben is:
Zijn roepen, Zijn kloppen op de deur van ons hart beantwoorden.
Onze Heer is gekomen om te dienen en àls we de volgelingen van Hem willen zijn, zullen we eveneens moeten dienen.
Het levenswerk van onze Heer was tegengesteld aan de wereld gericht, dus
zijn we eveneens op ‘anderen’ – de minderbedeelden [onze naasten] gefocust.
We zullen verantwoordelijk zijn voor hoe we onze kansen om anderen te dienen hebben gebruikt of niet hebben gebruikt.
Dat zou ontnuchterend dienen te zijn:
    in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan,
hebt gij het Mij gedaan
“.
Wie zijn de minste broeders onder ons? Iedereen die anderen niet als waardevol beschouwen.
Hoe reageer jij wanneer je geconfronteerd wordt met de problemen en onrechtvaardigheden van de wereld? Wat is je eerste reactie? Trek je alleen je portemonnee of je bank-pasje?
We kunnen gemakkelijk naar de problemen van de wereld kijken en overweldigd raken.
Dus we gooien onze handen [met ach en wee] omhoog, stemmen in met heersende politici die ons zullen vertellen dat ze – voor “de ‘minste’ mensen met het geld van andere mensen zullen zorgen”, met andere woorden wij behoeven onze handen niet vuil te maken.
Zoals de beelden die ons -op allerlei manieren- worden voorgeschoteld die aandacht vragen voor problemen waarvan we denken dat we ze belangrijk vinden en vervolgens maar
vlug de andere kant op kijken – wegzappen en hopen dat we de problemen die
voor ons persoonlijk te groot zijn, achter ons kunnen laten.
De Waarheid is dat de problemen te groot voor ons zijn om op te lossen, maar
we hebben ieder van ons een individuele verantwoordelijkheid. 

En vervolgens verklaar je degenen, die wèl hun nek uitsteken
[de dwazen om Christus wil] voor onnozel.

Jezus zegt niet alleen dat degenen die zich via vrijwilligerswerk een uurtje opofferen òf non-profit-organisaties hebben gesteund aan de noodzakelijk vereisten voor hun redding zullen hebben voldaan.
Hij zegt dat als je: “dit hebt gedaan met ‘één’ van de minste van deze”.
Ben je er dàn van af? – je helpt een keer in de zoveel tijd en je bent gered?
Nee, het draait om een levenshouding, dat is een straffe levenslange instelling  ten opzichte van de behoeften van anderen ten koste van jezelf.
Waarom worstelen we hiermee? Waarom komt dit niet als vanzelf?
Omdat we er op z’n minst de waarde niet van inzien.

De bokken aan Zijn linkerhand
De tweede groep zal niet erven; deze zal worden veroordeeld.
Maar veroordeeld tot wat? Onze Heer is hier opmerkelijk duidelijk over.
Je bent vervloekt, niet gezegend, je zult naar een plaats gaan die niet op jou is voorbereid tot eer en vreugde, maar bereid je maar voor op de duivel en zijn trawanten [gevallen engelen, demonen] als een plaats van scheiding en straf, met eeuwig vuur en straf.
Wat voor klank geeft die plaats?, Hoe klinkt dat in je oren, -de hel-?
Hoe klinkt die plek?
Hel? De onvervalste gevallen mens zal dáár terecht komen, voelt zich daar zelfs toe aangetrokken en wil dáár kost wat het kost voor de eeuwigheid verblijven.
Dît is waarom de Blijde Boodschap van God’s Evangelie voor hen zó aanstootgevend is.
Want indien onze Heer en Verlosser God’s toorn op Zich neemt, die jouw zonde veroorzaakt; Hij door Zijn dood aan het Kruis jouw zonde te niet doet en jij gespaard blijft van de toorn en het eeuwige leven verkrijgt, blijf je door dik en dun op Hem vertrouwen, dàn houdt het simpelweg zonder meer in dat er eeuwige consequenties zijn vanwege de zonden die ondanks die Genade toch niet gespaard kunnen worden.
De meesten van ons geloven in wat een doctrine die ‘Rechtvaardiging door de dood‘ genoemd wordt. Jij sterft en jij stijgt in de geest op naar de Hemelse Gewesten, dat is het menselijk lot.
Onze hel, wanneer die werkelijk bestaat – is als de afwezigheid van God, die als een hel -als een vuur- wordt ervaren en heeft een bevolking van drie soorten mensen:
– Bloedstollende alleenheersers, zoals Hitler,
– doortrapte figuren, die de ander minachten en
– degenen, die niets ontziend moordend rondtrekken.
Toch zien we hier dat de hel geen menselijk bedenksel is en dat de beschrijving van hen die de hel bevolken veel ruimer is dan we denken.
          Bij andere gelegenheden geeft onze Heer en Verlosser in gelijkenissen aan dat goddelozen gestraft zullen worden vanwege hun werkelijk actieve tegen-strevende rol tegen God, het aanvallen van Zijn dienaren en het doden van Zijn Zoon.
Vandaag komt het oordeel en de veroordeling alleen maar aan de orde voor diegenen, die wanneer ze volop in de gelegenheid zijn er toch ‘niet’ in slagen om
zich in te zetten voor de “minste van deze”.
Bokken hebben geen flauw idee van Genadegaven, hetgeen je ontvangt terwijl je het niet verdient, dùs is het gevolg dat ze het niet met anderen kunnen delen.
Zij zien de schapen om zich heen als minderwaardig, slechts goed voor ‘eigen genot’ en ‘weerzinwekkende lust’ en voor de rest ‘doen ze er niet toe’ – zijn ze zonder waarde.
Onze Heer reageert daarop dat dezen Hem ‘niet’ hebben gediend en zij komen vervolgens met een of ander excuus.
Maar wanneer zij onze Heer als hun Meester, hun Herder hadden aanschouwd,
zouden zij zeker door Hem òf z’n dienaren zijn geholpen; eenieder is Zijn hulp waardig.
En hoe vaak wordt een mens niet opgeroepen God’s hulp te aanvaarden
– Hij klopt onafgebroken op de deur van ieders hart.

Ieder mens is Zijn hulp waardig, Hij stuurt Zijn dienaren uit om hen te overtuigen, maar zij vielen hen aan en hebben zelfs de Zoon van God gedood.

           Het blijkt dat je een aantal grote en geweldige eigenschappen van onze Heer kunt ervaren, zelfs zo sterk dat je het absoluut de moeite waard vindt Hem te gaan dienen en te volgen,
           maar indien dit niet leidt tot een actieve inzet en een reactie bij het zien van ‘minder bedeelden’, degenen, die behoefte hebben aan jouw ondersteuning,
zal geen enkel Geloof in Christus je redden.

M’neer Blijleven

Iedereen kàn zonder meer -‘het grote en inspirerende’- en -‘de pracht en praal van de wereld’-  dienen, maar van navolgers van Christus wordt verwacht dat
zij zich manifesteren door ‘de minsten onder ons’ te dienen en dat met een houding die uitdrukt dat iemand zichzelf als lager beschouwd dan een ander.

Het dienen van grootheid in de wereld is – ‘o zó’ – gemakkelijk, indien het mee zit eet je ruimschoots uit de ruif van de machtigen mee, maar het dienen van ‘de minste onder ons’ is onaantrekkelijk [ze zijn onmogelijk, stinken en zien er niet uit].
De machtigen konden daarom het aangezicht van onze Heer niet aanschouwen 
  slechts in het aangezicht van de overgrote meerderheid over de hoofden van de behoeftigen.
Geloof en geloof dat -‘alleen op jezelf gericht is’- [het vermijden van het lijden] en
zich niet tot anderen wenden [het rijkelijk rondstrooien van Genade] is niet Christus-gelijk omdat onze Heer en Meester -‘voor anderen’- opkwam.
• Hij kwam voor “ allen, die vermoeid en belast zijn, en
• Hij zou hen de rust en vrede geven;
• Hij roept op Zijn juk op je te nemen en van Hem te leren, want
• alleen Hij is zachtmoedig en nederig van hart en
eenieder, die Hem volgt zal rust vinden voor z’n ziel, want
Zijn juk is zacht en Zijn last is licht
conf. Matth.11 : 28-30.

Wanneer je alleen maar ingepakt wordt in de zorgen van de wereld en wat er in je leven plaats vindt, heb je geen ogen om te zien of oren om aandacht te geven en aan het lot van anderen te denken.
Daarvoor behoefde onze Heer en Verlosser echt niet uit de Hemelen af te dalen.
De zonde van de gracieuze vetgemeste schapen is een zonde van het achterwege laten van actieve inzet – het zwelgen in eigen genoegzaamheid.
Het gaat er niet om dat zij actief kwaad bedreven, maar ze waren inactief in het goddelijke te  doen, in het voldoen aan de leven’s-voorwaarde van de Joods-Christelijke mens – het trachten het goddelijke te evenaren. 

Iedereen in nood is waardevol genoeg om het voorwerp van de welwillendheid van een navolger van Christus te zijn. Niemand is zo ‘minderwaardig‘ dat deze onze zorg en bezorgdheid niet waard zou zijn.
Dit is het belangrijkste principe dat onze Heer en Verlosser Zijn volgelingen wil laten zien.
Hij was een mens van smarten, vertrouwd met verdriet.
Hij had geen uiterlijke vorm dat we Hem positief zouden moeten beoordelen.
We houden van Jezus vanwege “ Wie Hij is als Zoon van God; wat Hij voor ons heeft gedaan door Zijn lijden en sterven aan het Kruis”, niet vanwege het feit dat Hij er zo netjes uitziet, òf een vroom voorkomen heeft.
Op dezelfde manier dienen we naar anderen te kijken zoals zij “beelddragers van God” zijn; het Aangezicht van onze Heer en Verlosser in hun aangezicht zien, het hart dat onze Heer en Verlosser voor hen heeft ervaren en handelend optreden op de manier waarop wij door onze Heer en Verlosser zijn gevormd, gemodelleerd.

Dit is een oproep om onze ogen te openen . . . . . 
Er bestaat niet zoiets als een ambivalente Christen.
Er zijn gewoon dingen aan de hand die we niet willen weten.
We zijn geroepen om ons bewust te zijn van de pijn en moeilijkheden in de wereld.
Indien wij christenen iets zien dat verontrustend is, dienen wij  niet terug te deinzen en te doen alsof het niet gebeurt is òf dat het ons niet heeft beïnvloed.
Indien wij iets moeilijks tegenkomen en het ‘zien’; hebben wij ook de neiging om ons af te wenden; en te zeggen waar zou ik me druk over maken.
We diene door goed te kijken, en te ontdekken waar het aangezicht van onze Heer Zich wel niet bevindt en druk uit te oefenen dat het anders behoord te gaan!
Wie zijn ‘de minsten onder ons’ die God voor onze ogen heeft geopenbaard, een toevallige ontmoeting, je weet wel beter, of niet soms?

Dit is geen hint om ons slechts een enkele keer om anderen laten te bekommeren,
het is een radicale oproep om gewoon je ogen te openen en er op toe te zien dat
dit voortaan iedere ontmoeting anders zal gaan.
Geen wereldse zorg waardoor je je een beetje rot voelt tot het volgende herkenningspunt.
Zorg dat je een manier vindt die tot acties leidt. Onderken dat je hier telkenmale tekort schiet.
Ik denk dat je best onderkent en beseft wat de problemen van andere mensen zijn indien je hen voor het eerst ontmoet.
Het is mogelijk dat je hier ongevoelig voor bent geworden, maar dat is niet hoe onze Heer en Verlosser op ons mensen reageert.
Indien jij Genadegaven van God hebt ontvangen, kun je dit aan anderen laten zien, door Zijn manier van doen in praktijk te brengen.
Wanneer je dit systematisch uitvoert onderkent jouw omgeving dat
het de Leer van Christus werkelijk iets te bieden heeft.
    Nu weten wij, dat de Wet, bij al wat zij zegt, tot hen spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig zal worden voor God.
       Daarom is het, dat uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worden, want de wet doet zonde kennen.
       Thans is echter buiten de wet om Gerechtigheid van God openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel Gerechtigheid van God door het Geloof in Jezus Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid.
       Want allen hebben gezondigd en derven de Heerlijkheid van God en worden ‘om niet’ gerechtvaardigd uit Zijn Genade, door de Verlossing in Christus Jezus, onze Heer”  
conf. Rom.3: 19-23.

Apolytikion
tn.6.
  “  Ik denk aan de vreeswekkende dag en
ween over mijn slechte daden.
Hoe zal ik verantwoording afleggen voor de onsterfelijke Koning?
Hoe zal ik, ongelukkige, de Rechter durven aanschouwen?
Barmhartige Vader, een geboren Zoon en Heilige Geest,
ontferm U over mij
”.

Kondakion
tn.1.
    Wanneer U, o God, met Heerlijkheid op aarde wederkomt,
het heelal siddert, en een rivier van vuur voor Uw rechterstoel stroomt,
wanneer de boeken openbaar gemaakt worden:
red mij dan van het onuitblusbare vuur, en maak mij waardig om
te staan aan Uw rechterhand, U, Die de rechtvaardigste Rechter zijt
”.