Begin van het Triodion – Zondag van de Tollenaar & Farizeeër – waarom onszelf zuiveren wanneer alleen God kan vergeven?

    Onze Heer en Verlosser sprak ook met het oog op sommigen, die van zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en al de anderen verachtten, deze gelijkenis:
       Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een Farizeeër de ander een tollenaar.
       De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf:
‘   O God, ik dank U, dat ik niet zo ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al 
mijn inkomsten’.
       De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide:
‘  O God, wees mij, zondaar, genadig! ‘
Ik [de Zoon van de levende God] zeg u:
Deze keerde, in tegenstelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug.
Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden
Luc.18: 9-14.

    Jullie [navolgers van Christus] daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, Lankmoedigheid,[toegevendheid, zonder boos te worden] Liefde, Volharding, Vervolgingen en Lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochië [= ‘tegenstrever, niet van de wereld’] , te Iconium [Hebr.= ‘verkleind beeld’] en te Lystra [Hebr.= ‘vrijkopen’].
       Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Maar [echt] slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid.
       Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15.

Byzantijnse kelk, een instrument van Liefde. Echter wat wij zaaien oogsten wij het liefst ook-zèlf nietwaar?

Al in een eerder stadium hebben we moeten onderkennen dat onze Heer en Verlosser ons niet zal reinigen met Zijn bloed; maar dat de nadruk van Zijn Pedagogie ligt in het onderkennen dat wij , Zijn navolgers, het zijn die gereinigd dienen te worden met Zijn bloed door Zijn geboden te gehoorzamen.
Hoe kunnen we gereinigd worden door het bloed van onze Heer en Verlosser door slechts Hem te gehoorzamen wanneer alleen God kan vergeven?
Om op dit begrip vat te krijgen, dienen wij inzicht te krijgen hoe ‘God, als mens‘ deze termen heeft verwoord.

In de gelijkenis van vandaag wordt gesproken over twee mannen die naar de tempel kwamen om vergeving van misstappen te vragen.
               Sla acht op hoe de dikdoener, degene, die het zo goed met zichzelf getroffen heeft, de Farizeeër zijn gebed formuleert:
Ook al doet hij voorkomen dat ‘hij’ niet is als de afpersers, de onrechtvaardigen, de echtbrekers, of als die tollenaar, zijn hart is onrein, want die stroomt over van trots. Hij heeft het helemaal gemaakt, hij voldoet – in de ogen van de mensen – aan alle voorwaarden en juist daarom wordt  geen van zijn zonden vergeven omdat zijn hart op religieuze gronden ‘onrein’ is.
               Wanneer u vervolgens naar de belastinginner kijkt, erkent deze niet alleen zijn zonden, maar schaamt hij zich ook voor zichzelf over zijn zonden – wat betekent dat het een beslissing is van oprecht berouw teneinde het niet nog een keer te doen. Zijn hart was niet vervuld van trots of begeerte naar hebzucht of iets anders dan eerder nederigheid om zichzelf van binnen schoon te maken. Vandaar dat àl zijn zonden hem zijn vergeven.

               Daarom, zèlfs indien we ons bekeren, kunnen we niet worden vergeven tenzij wij ons innerlijk ‘vanuit het hart’ hebben gereinigd.
We zijn deze nuance, dit kleine verschil, al eerder tegengekomen bij de andere schrijvers van de Blijde Boodschap, Christus houdt immers niet òp ons -elk moment van de dag- te onderwijzen.
Reiniging van het hart: “     Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, jullie huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Jij blinde Farizeeër, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein wordenMatth. 23: 25-26.

  • Openbaring van het Geloof:    Geliefden, nu zijn wij [door de doop] kinderen van God en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; [maar] wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder, die deze Hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is1John.3: 2-3.
    Het verschil zit hem dus in de wijze waarop je naar het Koninkrijk van God kijkt; God zoekt mensen, die naar zijn hart zijn, die verlangen en bereid zijn ‘Zijn weg’ te gaan.  Reiniging is niet als het komen voor God met een nederig hart voor berouw en dan alle ongerechtigheid heimelijk toch doen, wanneer niemand er weet van of zicht op heeft.
    Gehoorzaamheid aan God’s Geboden is onvoorwaardelijk, ook als niemand het ziet:
        Doch gij hebt enkele personen te Sardes [Hebr.= sardis (Robijnkleur) de door ijzeroxyde ontstane  bruin-achtige rode (Christus)kleur, zie icoon], die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn. Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek van het Leven, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelenOpenb.3: 4-5.
  • Bekleed zijn met Christus: In de Paasweek en bij doopfeesten zingen wij:
        Gij allen die in Christus zijn gedoopt, gij hebt u bekleed met Christus”.
    Dat wil zeggen dat wij in woord en daad nastreven ‘als Christus’ [‘Christusdragend’] te willen zijn.
    Dat is geen schijngestalte, maar dat is het gevolg van het luisteren naar het Woord:
        Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is lichtMatth.11: 28-29.

Voor veel Navolgers van Christus, die zijn gedoopt, maar slecht zijn onderwezen, verwijst het Bloed van het Lam / het bloed van onze Heer en Zaligmaker naar een ‘magische bloedbank’ die uit het Lichaam van Christus [de Kerk] in Het Koninkrijk der Hemelen wordt afgetapt en op commando regelmatig wordt geledigd om hen te reinigen.

verblijf houden aan de Open Zijde van Christus; abiding by the Open Side of Christ.

              Zij negeren hierbij de waarachtige Goddelijke betekenis hiervan volledig,
hetgeen volledig onze ‘eigen’ kleinmenselijke ‘verantwoordelijkheid’ is.
              Christus noemt mensen blind, die blinden leiden en wanneer een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een diepe put vallen, met andere woorden er zijn vele Theologen, die niet vatten waar het hier wèrkelijk om gaat:
    dingen/zaken, die uit de mond komen, komen uit het hart en verontreinigen een mens . Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord en overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenis, lastering”            In een gereinigde of onbesmette ‘staat’ zijn is zó belangrijk dat het falen om onze zuiverheid te behouden ons zèlfs ‘het eeuwige léven‘ kan kosten.
Wie niet met hart en ziel God bemint, dat wil zeggen niet doordrongen is van het begrip, dat je navolger van Christus bent of je ‘Leven’ ervan af hangt, zàl niet gereinigd worden.
Dit wil niet zeggen dat wij Christenen allemaal ‘heilige boontjes’ zijn.
Neen, wij steven naar het voldoen aan het beeld wat God ons heeft voorgehouden en wij vallen net als anderen, de niet gelovigen – net als die Tollenaar – keer op keer – en onderkennen dat wij in dit streven slechts mensen zijn, want niemand is goed genoeg: “ Niemand is goed dan God alleenLuc.18: 19, Marc.10: 18. En Onze Heer en Verlosser zegt dit wanneer Hij ons eraan herinnert dat wij en de dag nog het uur van ons einde kennen. In Zijn compassie met de mens blijft Christus zondaars aandacht geven zonder enige vooringenomenheid; Hij blijkt als Verlosser een onverbeterlijke middelaar te zijn tussen God en de mensen in geval van menselijk onvermogen. 

Het Koninkrijk der Hemelen is een fijn land, maar we dienen wèl te beseffen wàt we er eigenlijk doen. Menselijk gezien blijkt het een land dat in allerlei clubjes verdeeld is, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie lijkt te prediken. Binnen die clubjes is iedereen verenigt, waant iedereen zich veilig en tegelijkertijd worden anderen -‘nèt zó’- gemakkelijk buiten gesloten.
We mogen echter van onze Heer ‘houden’ van ons -‘niet perfect zijn’ – als we maar blijven streven naar het allerhoogste. En wanneer je dàt stelt – dat je dìt alles hebt onderhouden – kijkt Hij je liefdevol aan en zegt:
Eén ding ontbreekt je: ga verkopen wat je bezit en geef het aan de armen, daarmee zult je een schat bezitten in de Hemelen en kom dan terug en volg Mij”.
Wij Orthodoxen herkennen maar al te goed wie voor deze ascetische manier van leven hebben gekozen – die niet ontsteld geraken en ontdaan heengaan omdat zij vele goederen bezitten.  Maar al zijn wij ook ondergedompeld in de tijd van nu
als vissen in het water, toch kunnen we met God’s hulp worden als forellen
die tegen de stroming in op zoek blijven gaan naar de Bron des Levens.              

‘Open voor mij de deur van bekering, o Leven-Schenker’; ‘Open the door of repentance for me, o Life-Giver’

                       Onze Heer en Verlosser verkondigt een omkering van normen en waarden: God’s Koninkrijk wordt niet opgebouwd op de voorwaarde van menselijke bekering en gehoorzaamheid, maar omgekeerd: God’s Hemels Koninkrijk ‘begint’ met de handreiking van Zijn onvoorwaardelijke Liefde en Ontferming, ‘en op grond daarvan’ mogen mensen de vrijheid en de kracht vinden zich te bekeren en een nieuw leven te beginnen.
                       Ook in dàt leven zul je telkens weer fouten maken en tekort schieten in het Licht van God’s geboden. Maar je kunt altijd weer terugvallen op het fundament van Zijn eerste onvoorwaardelijke ja-woord, dat Hij niet pas geeft wanneer jij een volmaakt en een volledig aan God toegewijd mens bent geworden. Deze logischerwijze in overeenstemming met dit principe volgende benadering vanuit God’s Liefde en Genadegaven brengt de Pedagogie van onze ‘Heer en Meester’ tot  grote vrijheid tegenover de Wet èn tot een radicale vereenvoudiging daarvan.
                       Alles begint bij God’s Liefde, hetgeen betekent dat heel de Oud-Testamentische Wet en alles wat daar láter nog van is afgeleid, dient te worden terugvertaald naar de Liefde.
Daarom noemt onze Heer en Zaligmaker het dubbelgebod van Liefde tot God en de naaste als het enige waar ‘alles‘ om draait. conf. Matth.22: 34-40.
Je kunt niet zeggen dat Christus zich principieel opstelt tègen het Oude Testament, maar Hij trekt de uitleg wèl naar één vanaf den beginne bepaalde kant.
Voor Hem kàn volledige vervulling van de Thora niet de voorwaarde zijn voor de komst van God’s Koninkrijk.
Wij mensen kunnen aan die voorwaarde niet voldoen en zullen er alleen maar op stuklopen.
Hetzelfde is het geval met de Oecumenische eenheid, welke nagestreefd wordt, deze is eerst bereikbaar en zal net als het Koninkrijk God’s pas komen als
God eerst Zèlf [weder-]komt met Zijn onvoorwaardelijke Liefde, als eerst Zijn ja-woord ons hart raakt, zodat wij bevrijd van angst en onmacht durven beginnen aan een nieuwe levensweg.
In alle oprechtheid zie ik de diversiteit van allerlei divers verdeelde clubjes, waarbij iedereen zowel letterlijk als figuurlijk voor eigen parochie blijkt te prediken, niet tot een eenheid komen. Denk alleen maar aan al die toezichthouders, die -‘voor elkaar’- niet durven en onder willen doen.
Wanneer onze Heer en Verlosser zegt dat het Koninkrijk van God ‘nabij’ is gekomen, betekent dit aan de ene kant, dat het er nog niet is in Zijn volle Gestalte.
God’s volledige Heerschappij over ons leven wordt op korte termijn verwacht, maar iedereen kan zien, dat de zonde en onrecht nu nog de boventoon voeren.
Aan de ander kant betekent het nabij zijn van het Koninkrijk ook, dat
het nu al – in ons bewustzijn – doorbreekt.
Onze Heer en Verlosser is daarvan, de voorloper, het eerste en grote teken.
Alles wat Hij zegt en doet, Zijn parabels, de verhalen, die Hij ons voorhoudt,
de veranderingen die Hij daarmee veroorzaakt in de levens van mensen,
ze zijn allemaal voortekenen van het Koninkrijk der Hemelen dat doorbreekt bij Zijn Volk.
In de verkondiging van de Blijde Boodschap blijkt duidelijk, dat onze Heer – “ de enige is, die Heilig is, de enige, die Heer is tot Heerlijkheid van God de Vader ” – en dat Hij met Zijn oprechte ná-volgelingen ‘leeft’ in de verachting dat
de definitieve doorbraak van God’s Koninkrijk op korte termijn zal plaatsvinden. conf. Marc.9: 1.

Na het ‘Grote en Heilige Pascha’ is vanaf de eerste Christenen tot – hier en nu – aan toe de Verwachting levend gebleven dat wij mensen de volledige doorbraak van God’s Koninkrijk nog zullen meemaken.
Of dit in de Geest of in het vlees zal zijn, dat maakt God wel uit, en daarom blijven wij iedere zondag opnieuw de Opstanding’s Apolytikion/Troparion zingen.
Het tijd’s-stip van Zijn Wederkomst, is zelfs niet bekend aan de Engelen of aan de Zoon, dat kent alleen de Vader. conf. Marc.13: 32 en Hand.1: 7.
Het Hemels Koninkrijk breekt echter al dóór met Kracht [dynamis], Het is al onder ons en in ons, zo houdt Christus ons voor, Die Zelf het eerste grote teken is van dàt Koninkrijk.
Gaandeweg dienen wij tot het besef te komen dat wij met onze Heer zullen ervaren, dat in dit tranendal onder de mensen, de eerste de beste tekenen van God’s Koninkrijk veel argwaan en verzet oproepen. Vijandigheid die zich steeds meer gaat richten tegen de persoon en ons tenslotte aan het Kruis zullen brengen.
Onze Heer en Verlosser bleef tot de laatste snik toe in alle nederigheid het volle Koninkrijk verwachten. Hierdoor kwam en komt nog meer nadruk te liggen op Zijn inzicht, dat God’s Koninkrijk niet zal komen langs de weg van geweld of uiterlijke verandering.
Van meet af aan heeft onze Heer geweigerd om te fungeren als een belangrijk persoon, die opvalt door puur ‘matsjo’-gedrag en goudhaantjes-gedoe, die leiding zou geven aan een totale omslag van de mensheid. Telkenmale heeft Hij Zich onttrokken aan pogingen van het enthousiaste Volk om Hem tot Koning uit te roepen.
Onze Heer en Verlosser trad op vanuit het diepe besef, dat het Hemels Koninkrijk alleen van binnenuit kan worden opgebouwd, vanuit een innerlijke relatie, vanuit het hart met God, de Vader.
Indien God de Vader het Koninkrijk met een gewelddadig optreden/oordeel zou dienen op te zetten, dan bleven er niet veel burgers over voor dàt Koninkrijk, want  wie overleeft dàn het Laatste Oordeel?
God vestigt eerst àl Zijn Hoop en Verwachting op Zijn Zoon; Hij kiest in alle Liefde voor een persoonlijke en kwetsbare relatie, zodat
mensen de best mogelijke kans krijgen tot inzicht te komen en in alle vrijheid te kiezen voor Zijn Koninkrijk.
Anders gezegd: Christus is als Zoon van God mens geworden opdat wij persoonlijker, menselijker – goddelijker zouden worden.
Het laatste Oordeel en geweld kunnen nodig zijn als laatste [red-]middel, maar
of ze nu van God komen of van mensen, ze brengen absoluut geen Verzoening teweeg. Ze kunnen nodig zijn om mensen en hun onderlinge relaties te beschermen tegen ander geweld, maar ze brengen zelf absoluut geen relaties tot stand.
Laat derhalve varen de hoogmoedige grootspraak van de Farizeeër, maar
volg de grootheid van de deemoed na van de Tollenaar.
Het zijn de kleine dingen die het doen, het is de eenvoud van het leven, die overwint.

Apolytikion
tn.5.
    Komt laat ons bezingen en aanbidden
het met de Vader en de Geest mede-eeuwige Woord,
dat om ons te verlossen uit de Mand geboren is.
Want Hij heeft het op Zich genomen
Zijn Lichaam aan het Kruis te laten slaan en de dood te verduren,
om door Zijn Opstanding de doden op te wekken
”.

Kondakion
tn.4.
  “  Laat ons vluchten de hoogmoedige grootspraak van de Farizeeër,
maar navolgen de grootheid van de deemoed van de Tollenaar.
En laat ons rouwmoedig roepen tot de Verlosser:
Wees Gij ons genadig, Die alleen de Verzoening wilt
”.

Kondakion2
tn.3.
    Laat os zondaars, de Heer opdragen
het zuchten van de Tollenaar en
voor Christus neervallen,
want Hij is onze Meester.
Hij wil de Verlossing van alle mensen, en
schenkt vergiffenis aan allen die boete doen.
Want terwille van ons is Hij vlees geworden, terwijl Hij God is:
zonder begin, evenals de Vader
”.