Melchisedek, priester van God, de Allerhoogste

Melchizedek, koning & priester van de allerhoogste God

  Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.
En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch dáár Iemand, van Wie wordt getuigd, dat Hij leeft.
Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchisedek deze tegemoet kwam.
   Indien nu het Levitische priesterschap ‘het volmaakte’ gebracht had, immers, daaronder heeft het Volk de Wet ontvangen – waarom was het dàn nog nodig, dat een àndere Priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van Wie niet gezegd werd, dat Hij naar de ordening van Aäron is?
   Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van Wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had:
   het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft. En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchisedek een andere Priester opstaat, Die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst], maar krachtens een onvernietigbaar Leven.
   Want van Hem wordt getuigd:
Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek
Hebr.7: 1-17.

God staat niet zo maar buiten de tijd, afwezig ergens aan de overkant. Maak voor jezelf alsjeblieft geen beeld van God, want dan schiet je altijd schromelijk tekort, God is een Mysterie en gaat ons verstand vèr te bóven.
Wordt Hij juist niet de Eeuwige genoemd om Hem van al het menselijke te onderscheiden?
Tegelijkertijd tasten we niet dankzij Christus niet volstrekt in het duister over de onderlinge relatie tussen tijd en eeuwigheid, God’s samenwerken met de mens.
    De Heer zegt tot mijn Heer: zit neer aan Zijn rechterhand.
Opdat Ik uw vijanden zal maken tot een steun onder uw voeten.
Een scepter van Kracht zal de Heer u zenden vanuit Sion:
Heer, temidden van uw vijanden.
Bij U is heerschappij op de dag van uw kracht, in de stralende luister van uw heiligen.
Uit de schoot heb ik U voortgebracht vóór de morgenster.
De Heer heeft gezworen, onveranderlijk:  Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek.
De Heer is aan uw rechterhand; Hij verbrijzelt koningen op de dag van Zijn toorn.
Hij oordeelt de volkeren, maakt talrijk de gevallenen; de hoofden van velen verplettert Hij op de grond.
Uit een beek onderweg zal Hij drinken, en dan het hoofd verheffenPsalm 109[110], vert. ROK ’s-Gravenhage.

 

Christus Pantokrator

Toen onze Heer en Verlosser, vanwege het onvermogen van de mens om de kloof tussen God en mens te overbruggen, als mens tijdelijk op aarde kwam, liet Hij ons zien Wie de Eeuwige is. En ook over een tijdje in onze begrippen, want bij God bestaat geen tijd.
Ook dàn zal er steeds de herinnering, ‘de eeuwige gedachtenis‘, aan onze tijd zijn.
Het Lam – ‘de Koning van Rechtvaardigheid’ – zal eerst dàn het centrum zijn van de nieuwe wereld en de nieuwe aarde.
Eerst dàn zal de historische noodzaak van Christus’ Offer ons tot God’s Glorie eeuwig voor ogen staan.
Hij is Almachtig en sluit alles aaneen.


Melchisedek [Hebr.:
מַלְכִּי־צֶדֶק, “koning van rechtvaardigheid” of “mijn koning is rechtvaardig”] was volgens de traditie in de Hebreeuwse Bijbel ten tijde van aartsvader Abraham de “koning van Salem” en “priester van God, de Allerhoogste”.
In Genesis ontmoet Abraham na een succesvolle slag Melchisedek, die
als koning van Salem en priester van de Allerhoogste God (El-Eljon) wordt geïntroduceerd. Hij brengt Abraham brood en wijn en spreekt daarna een zegenspreuk over Abram uit en daarna over de Allerhoogste God:
Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste,
Schepper van hemel en aarde.
Gezegend zij God, de Allerhoogste:
uw vijanden leverde Hij aan u uit
Daarna gaf Abram Melchisedek een tiende van alles wat hij tijdens succesvolle slag buit had gemaakt.
De succesvolle slag van Abram gaat over de slag met de koning van Sodom, waarbij Melchisedek niet optreedt Gen.14:17,21.
En in de verzen 18-20 is van de koning van Sodom geheel geen sprake. Deze verzen 18-20 dienen dan ook moeten dan ook specifiek in de betekenis van de oorzaak te worden geïnterpreteerd. De plicht om tienden af te dragen aan de Tempel in Jeruzalem af te dragen, werd gelegitimeerd door het verhaal over Abraham.
De aanduiding “Salem” wordt verder alleen parallel gebruikt met Zion:
Daar heeft God de kracht gebroken van boog, schild en zwaard: Hij maakt een eind aan de oorlogPsalm 75 [76]:3

Hierdoor wordt Salem al sinds de antieke en vroegmiddeleeuwse exegese geïdentificeerd als Jeruzalem. Dit werd versterkt door de verwantschap van “Salem” met “Sjalom” [= Vrede].

Buiten Genesis wordt Melchisedek in de Joodse vertaling van de 1e Verbondstekst alleen nog genoemd in bovenstaande zogenoemde “koningspsalm”, Psalm 109[110]:
  De Heer heeft gezworen, onveranderlijk: 
Gij zijt de priester in eeuwigheid, volgens de orde van Melchisedek“.
Hier grijpt de auteur van de Psalm terug op een figuur uit de voorgeschiedenis van Israël,  om deze de koning, naar wie hier wordt verwezen, als een goed, navolgen’s- waardig voorbeeld voor te houden. Het gebruik van een dergelijk legendarisch figuur is – niet gebruikelijk- in de Hebreeuwse Bijbel, maar niet in de poëzie van het begin van de hellenistische periode.
Om de toegezongen koning een groot aanzien te geven, waarin het “prototype van het priesterschap” als streven wordt voorgesteld, waar deze zich naar dient toe te ijveren.
De  exegese van de Orthodoxe Kerkvaders ziet Melchisedek hierin vooral in het licht van bovenstaande tekst Hebr.7:  3:
Hij heeft geen vader of moeder,
geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en
lijkt op de Zoon van God — hij is priester voor altijd
”.
Verder zijn geen van Hebreeën onafhankelijke tradities of interpretaties bewaard gebleven.
Alleen het gebruik van brood en wijn bij het Laatste Avondmaal en de doorwerking in de Eucharistie kunnen eventueel worden herleid tot Melchisedek, aangezien in het verhaal over de uittocht uit Egypte en het hiernaar verwijzende Pesach alleen van ongezuurde broden sprake is, niet van wijn.
  In de latere literatuur Melchisedek [NHC IX.I] is een gnostisch geschrift, dat in een Coptische vertaling onderdeel was van de vondst van de Nag Hammadi geschriften in 1945. De oorspronkelijk Griekse tekst dateert van omstreeks 200.
Hierin ontvangt Melchisedek twee openbaringen.
In de eerste wordt een rol voor Melchisedek geprofeteerd in een strijd “aan het eind van de tijden“. Hij wordt daarbij aangesproken als degene van wie alle stammen en volkeren van U, de Heilige Hogepriester de Hoop en de gaven van het leven hebben ontvangen.
In de tweede openbaring is net als in de eerste de Kruisiging en Opstanding van onze Heer en Verlosser het centrale thema. Door de vele lacunes in de tekst is het niet duidelijk of Christus en Melchisedek in dit deel van de tekst wèl of niet met elkaar geïdentificeerd worden.
Op het theologisch vakgebied verschillen de opvattingen ook hierover.
Wel wordt gezegd, dat de overwinning van Jezus Christus de overwinning van Melchisedek is.

de Allerhoogste God
Melchisedek wordt priester van de Allerhoogste God genoemd.
Bijbelwetenschappers zijn het er niet over eens of dit refereert aan de God van Abraham, namelijk deHeer [JHWH], òf dat dit een referentie is naar een Canaänitische god.
Voor de interpretatie van het verhaal maakt dit veel verschil.
– Vanuit de (Joodse) Bijbel geredeneerd zou de Allerhoogste JHWH, de God van Mozes, moeten zijn [de God van Abraham was El/Elyon/El-Sjaddai, aan Wie JHWH later gelijk is gesteld].  Melchisedek was echter priester van Salem.
Daarom is het waarschijnlijk, dat Melchisedek de opperpriester was van Salem, de Kanaänitische god.  Melchisedek als Hogepriester van Elyon/JHWH?
Als Elyon/JHWH de God is die het Verbond met Abram sluit, ligt het niet voor de hand dat Abram ondergeschikt is aan Melchisedek.
Het zou eerder andersom zijn geweest. Van welk volk Melchisedek de priester-koning is, wordt niet vermeld. Hij is koning van Salem.
Kennelijk geen Hebreeër. Zo wordt Abram benoemd, niet Melchisedek. (Israëlieten of Judeërs waren er toen uiteraard nog niet).
Naar de tekst van het O.T. waren de Jebusieten ten tijde van David de bewoners van Jeruzalem. Gezien het grote tijdsverschil dat ligt tussen Abraham en David is het echter niet zeker dat Melchisedek een Jebusiet was.

N.B. de Kerkvaders roepen op tot bewustzijn, de tijd is aan jou.
Streef de deugd na, besteedt daar al je tijd aan
– in plaats van al het andere            : “ Zie erop toe dat je eerbied leert opbrengen voor de schoonheid om je heen, leer de werkelijk te bevatten door deze te onderscheiden van de misleidingen” Ephraïm de Syriër
            Zo wordt in een hedendaagse levensfilosofie [Urantia] geprobeerd een opvatting te construeren op basis van de uitgebreide, geïntegreerde opvattingen van kosmische waarheid, de universum-schoonheid en de goddelijke Goedheid.
Hierin wordt de persoon van Melchisedek gezien als een godsverschijning.
Het Urantia Boek stelt dat Melchisedek deel uitmaakt van een bepaalde geestelijke orde, halverwege de ladder tussen mens en God, de Melchisedeks, en
dat de missie van Melchisedek destijds was om het proces van vergeestelijking op aarde, ingezet met de komst van de ouders van het violette ras, ook wel Adam en Eva genoemd [34.000 jaar voor Melchisedek], weer nieuw leven in te blazen.

De Genadegave
Het belangrijkste Woord in de Blijde Boodschap draait om de relatie tussen God en Zijn Volk, ook wel het Verbond genoemd, het ‘Oude’ [Israël] en het ‘Nieuwe’ [de Kerk].
Dàt kernwoord onderstreept dat God gezien wordt als een persoon, die een relatie kan aangaan met anderen.
Een Verbond wordt gesloten tussen twee personen of partijen, met rechten en plichten aan beide kanten. Het Hebreeuwse woord voor ‘verbond’ heeft meestal betrekking op een verbond dat een machtig persoon, bijvoorbeeld een koning, als een priester in eeuwigheid, aanbiedt of oplegt aan een zwakker persoon of partij. Bij het verbond met Israël [O.T.] en de Kerk [N.T] neemt God, als Machtige, hogere en ‘Sterkere’, als ‘Onsterflijke’ het initiatief. Hij biedt Zijn Bescherming aan en bepaalt Zelf de plichten van het Verbond.
Maar God heeft respect voor de ‘vrijheid’ van de mens en daarom wordt het Verbond door God niet dwingend aan de mens opgelegd, de mens heeft de vrijheid zelf een keuze te maken op Zijn aandringen, Zijn roep:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven;
neemt mijn juk op u [in Passie samenwerken] en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk [in Passie samenwerken] is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30 en
  Begrijpt gij niet, dat àl wàt de mond binnengaat, in de buik komt en te zijner plaatse verdwijnt? 
Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dàt maakt de mens onrein.
Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige 
getuigenissen, godslasteringen. Dàt zijn de dingen, die een mens onrein maken, maar het eten met ongewassen handen maakt een mens niet onreinMatth.15: 17-20.
En Petrus zei: verklaar U nader?
En onze Heer antwoordde: “ Zijn ook jullie [Mijn directe volgelingen] nog steeds onwetend?; Zijn jullie dan ook nog onverstandig?conf. Matth.15: 16.
En vervolgens volgt het Evangelie wat wij op de 37e Zondag gaan lezen:
➽➽➽ – “
Het brood voor de honden en de Canaänitische Vrouw” –
Wij krijgen als een Genadegave het Verbond aangeboden, een unieke kans waarvoor je in alle Vrijheid mag kiezen.
Afwijzing van het Verbond betekent wèl afwijzing van ‘hèt Mysterie van het Leven’, God’s Zegen, en dàn kies je gewoonweg in feite voor de vloek.
Op God’s weg worden wij niet gedwongen, maar onze keuzes zijn er nooit neutraal of vrijblijvend.
Op de berg Sinaï belooft onze Heer en Verlosser eeuwige trouw aan Israël, wat er ook gebeuren mag – trouw wordt vaak beproefd, maar nooit opgezegd.
En vele scharen kwamen tot Hem en onder hen kreupelen, blindgeborenen en doofstommen en Hij genas hen allen. Die Belofte van trouw gaat samen met de opdracht voor Israël/de Kerk om te leven volgens God’s Geboden, met name die op de tafelen welke diep in ons hart zijn gegrift.
God belooft Zijn Trouw en van ons wordt die trouw eveneens verwacht, zodat het Verbond een tweezijdig karakter van vriendschap en wederzijds vertrouwen krijgt.
Daarmee is het Verbond niet alleen een Goddelijke Genadegave, maar ook een opgave, vaak een zware verplichting, die de mens lang niet altijd kan waarmaken en waaronder hij/zij soms bezwijkt.

Heer, Jezus Christus,
Zoon van de levende God,
heb medelijden met ons,
arme zondaars
”.