Februari 2e – Ontmoeting in de Tempel van onze Heer en Verlosser Jezus Christus

    En toen de dagen van hun reiniging naar de Wet van Mozes vervuld waren, brachten zij Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Heer voor te stellen, gelijk geschreven staat in de Wet des Heren: ‘     Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Heer, en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de Wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.       En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de Heilige Geest was op hem. En hem was door de Heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had.
     En hij kwam door de Geest in de tempel.
     En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte van de Wet, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zei:
            Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in Vrede, naar uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren: Licht tot Openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor Uw Volk Israël’Luc.2: 25-32.

    Nu is het onweersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend.
En hier ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van wie wordt getuigd, dat hij  leeft.
Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Abraham aan het tiendrecht [van een ander] onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Melchizedek deze tegemoet kwam.
Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het Volk de Wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchizedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aaron is?
Want uit een verandering van priesterschap volgt noodzakelijk ook een verandering van Wet.
Want Hij, van wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar te doen had: ‘ het is immers duidelijk, dat onze Heer uit Juda is gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters gerept heeft.
En nog veel duidelijker wordt het, als naar het evenbeeld van Melchizedek een andere priester opstaat, die dit niet geworden is krachtens een Wet met een voorschrift betreffende vleselijke [afkomst], maar krachtens een onvernietigbaar leven.
Want van Hem wordt getuigd:
‘ Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek’
Hebr.7: 7-17.

Melchizedek zou indien hij niet in de brief van Paulus
was aangehaald niet veel meer zijn  dan een interessante voetnoot in commentaren op het boek Genesis, een verbijsterend moment in het leven van Abraham wanneer deze schimmige figuur heel even in het leven verschijnt om Abraham te zegenen, slechts om vervolgens terug te keren naar het Rijk waar nog geen mens weet van heeft.
Paulus hemelt deze flagrante persoonlijkheid van het boek Genesis op door hem het evenbeeld te verlenen naast de komst van Christus, onze Heer en Verlosser.
     Onze Heer uit Juda gesproten, ten aanzien van welke stam Mozes met geen woord van priesters is gesproken brengt een verandering teweeg.
Want Hij, van Wie aldus wordt gesproken, heeft behoord tot een andere stam, waaruit niemand met het altaar van doen had; en daarom wordt er hier een omslag gemaakt in het Verbond met de Vader.
Onze Heer en Verlosser is in staat om ‘onszelf als offer’ aan te bieden als bemiddelaar van een ‘nieuw Verbond‘, omdat Hij al priester is.
Christus is een Hogepriester, omdat Hij tot de orde van Melchizedek behoort.
Als christenen delen we door de doop en de zalving van God’s Heilige Geest als navolgers in Christus en zijn door ons met Hem te bekleden ook gezalfd als profeten, priesters en koninklijken.
De identiteit en status van Melchizedek is niet relevant, behalve dat hij weet dat hij groter is dan Abraham: ‘hij ontvangt tienden‘.
Als de hogepriester in de orde van Melchizedek biedt onze Heer en Verlosser Zichzelf voor eens en voor altijd aan als een offer:
Hij is in staat om hen, die God naderen, geheel en al te verlossen, omdat Hij altijd leeft om voor ons te pleitenHebr.7: 25;
Zo’n Hogepriester mogen wij hebben, Die Heilig is, zonder schuld, en verheven boven de HemelenHebr.7: 26
en Die
geen offers hoeft te brengen, dag in dag uit … Hij offerde zich voor eens en altijd op voor hun zonden toen Hij Zichzelf aanboodHebr.7: 27.

Paulus herkent in dit kind het Goddelijke, zoals  dit eveneens aan de grijsaard Simeon is voorzegd.

Het punt waarnaar in dit gehele hoofdstuk naar wordt verwezen, is de priesterlijke rol van onze Heer en Verlosser en de rol die Hij speelt als de Hogepriester, Die offers kan brengen, maar om dáár te komen, van òns vereist dat we dóór de Opstanding heengaan. Het is zoals Christus na diverse Genezingen te berde brengt: “ Uw Geloof heeft u gered!”
Hiertoe is dit kind, dat in de Joodse Tempel aan God voorgehouden wordt, toe in staat en vormt als zodanig de Blijde Boodschap van de gehele 40-daagse Kerst-periode.

  In de Orthodoxe Traditie wordt voorafgaand aan
de ‘persoonlijke ontmoeting’ met de Heer gebeden:
    Heer, ik geloof en belijd dat Gij de Christus zijt; de Zoon van de levende God; in de wereld gekomen om zondaars, onder wie ik de eerste ben te verlossen. Ook geloof ik dat dit Uw vlekkeloos Lichaam is en dàt Uw kostbaar Bloed. Daarom bid ik U: ontferm U over mij, en vergeef mij mijn zonden, die vrijwillig en onvrijwillig, in woord en daad, bewust en onbewust heb begaan. En maak mij waardig om aan Uw vlekkeloze Mysterie2n deel te hebben, niet ten bederve, maar ter vergeving van mijn zonden en ten eeuwige leven.
Zoon van God, neem mij heden op als deelgenoot van uw Mystiek Avondmaal. Want Uw vijanden zal ik voorzeker niet over dit Mysterie spreken, Ik zal U geen kus geven zoals Judas; maar evenals de rover belijd ik mijn Geloof in U:
Gedenk mij o Heer in Uw Koninkrijk.
Heer moge het deelnemen aan Uw Heilige Mysteriën mij niet worden tot een oordeel of tot bederf, maar tot genezing van mijn ziel en van mijn lichaam
”.
– In de Roomse Tradtie :
    Heer, doe geen moeite, want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt;  daarom heb ik ook mijzelf niet waardig geacht tot U te komen, maar spreek [slechts] een Woord en Uw dienaar zal herstellenLuc.7: 6b,7.
De ontmoeting met de Heer, het smaken en zien dat de Heer goed is, maakt de mens zalig, die bij Hem schuilt – daarop zegt de spelleider, de priester:
”      Het kostbaar en Heilig Lichaam en Bloed van onze Heer en God en Verlosser Jezus Christus wordt gegeven aan de dienaar/dienares . . . . . tot vergeving van zonden en tot het eeuwig leven“.
En vervolgens mogen wij mèt Simeon, de oude grijsaard van de ontmoeting in de Tempel zeggen:
  Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in Vrede, naar uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren: Licht tot Openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor Uw Volk Israël”.
Allen die God zoeken buiten onze Heer Jezus Christus en zich houden bij de natuur, zullen:   òf geen Licht zien/ datgene vinden dat hen werkelijk kan bevredigen,

  • òf zij zullen er toe komen een middel te vinden om God te kennen en Hem te dienen zonder Verlosser, en daardoor  zullen zij vervallen in het atheïsme of het deïsme, beiden evenzeer door de Christelijke Godsdienst verafschuwd.
  • Zonder Jezus Christus als één met de Heilige Drieëenheid zou de wereld niet bestaan; want dan zou zij òf verwoest moeten worden, òf zij zou ons tot een hel zijn.
  • Indien de wereld zou bestaan om de mens over God te onderrichten, zou Zijn Goddelijkheid stralen op een onmiskenbare wijze; doch daar de wereld alleen bestaat door Christus als God ,
    èn voor Jezus Christus als onze Hogepriester
    èn om de mensen te leren hoe verdorven zij zijn
    èn hoe zij verlost worden, straalt alles van de bewijzen voor die twee waarheden.
  • Wat er te zien is, is geen algehele uitsluiting, nòch een klaarblijkelijke aanwezigheid van Zijn goddelijkheid, maar de aanwezigheid van een God, Die Zich verbergt. Als wat bestaat draagt dit karakter.
  • Het is dus waar, dat alles wat de mens over zijn toestand onderricht,
    doch men dient het wèl goed te verstaan: want het is niet waar dat God alles aantoont, en het is niet waar dat alles God verbergt.
    Doch het is tegelijk waar, dat Hij Zich verbergt voor hen die Hem verzoeken, en dat Hij Zich laat ontdekken aan hen die Hem zoeken, omdat de mensen tegelijkertijd onwaardig en geschikt zijn om God te ontvangen; onwaardig door hun bederf, en geschikt door hun oorspronkelijke natuur.

Feest-Apolytikion Vespers:
tn.1.
Verheug u, Hoogbegenadigde, Moeder God’s en Maagd,
want uit u is opgegaan de Zon der Gerechtigheid, Christus onze God,
om hen te verlichten, die in duisternis gezeten zijn.
Verheug u ook, rechtvaardige Grijsaard,
want in uw armen hebt gij gedragen
de Bevrijder van onze zielen,
Die ons ook de Opstanding schenkt
”.

Lied na Psalm 50[51] in de Metten:
tn.6.
  Heden wordt de Poort van de Hemelen geopend, want het Woord van de Vader, is Zijn bestaan begonnen in de tijd, zonder gescheiden te worden van Zij Godheid.
Uit vrije Wil doet Hij Zich dragen naar de Tempel van de Wet, als een kind van 40 dagen uit Zijn Moeder. De oude Simeon neemt Hem in zijn armen.
‘Laat mij in vrede heengaan’, zo roept de dienaar tot Zijn Meester,
‘want mijn ogen hebben Uw Heil aanschouwd’
Gij, Die in de wereld gekomen zijt om het menselijk geslacht te verlossen,
Heer, eer aan U
”. 


troparia van Canon – de megalynaria 9e ode:
Trop.
tn.3.
    De Ouden hadden een paar tortels of jonge duiven,
maar in plaats daarvan dienden
de goddelijke Grijsaard en de wijze Profetes Anna.
Zij bezongen Hem, Die uit de Maagd geboren was,
als de Zoon, de Gelijke van de Vader,
Die kwam in de Tempel
van Zijn Heerlijkheid”.

Trop.
tn.3.
  Gij hebt mij de vreugde van Uw Heil weer gegeven, o Christus,
zo riep Simeon uit:
‘ik ben vermoeid van de voorafschaduwing,
maak mij tot een heraut van Uw Genade,
om U in hymnen te verheerlijken’
”.


Trop.
tn.3.
  Tolk van goddelijke Wil was Anna,
de wijze en vererenswaardige Heilige.
Met luide stem beleed zij de Heer in de Tempel,
terwijl zij alle aanwezigen opripe,
om de Moeder God’s te verheffen”.

Exapostilarion
tn.3a.
  Door de Geest naar de Tempel geleid
mocht de grijsaard de Meester der Wet in zijn armen ontvangen,
terwijl hij uitriep:
‘Bevrijd mij nu in vrede van de boei van mijn vlees,
zoals Gij gezegd hebt,
want met mijn eigen ogen heb ik mogen aanschouwen
de Openbaring van de Volkeren
en de verlossing van Israël
” [de Kerk].