34e Zondag na Pinksteren – Zondag van de tien melaatsen

God heeft Hem door de Heilige Geest met Kracht gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door het kwaad waren overweldigd, want God was met Hem [Hand.10: 38]

    En toen Hij een zeker dorp binnenging,
kwamen Hem tien melaatse mensen tegemoet, die op een afstand bleven staan.
En zij verhieven hun stem en zeiden: ‘Jezus, Meester, heb medelijden met ons’
En Hij zag hen aan en zei tot hen:
‘Gaat heen, toont u aan de priesters’.
     En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.
     En een van hen keerde terug, toen hij zag, dat hij genezen was, met luider stem God verheerlijkende, en hij wierp zich op zijn aangezicht voor zijn voeten om Hem te danken. En dit was een Samaritaan.
En Jezus antwoordde en zei:
‘Zijn niet alle tien rein geworden? Waar zijn de negen anderen?
Waren er dan geen anderen om terug te keren en God eer te geven,
dan deze vreemdeling?
En Hij zei tot hem:
Sta op, ga heen, uw Geloof heeft u behouden
Luc.17: 12-19.

    Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in Heerlijkheid.
Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, om welke dingen de toorn Gods komt.
Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefde.
     Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen: toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond. Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd, en de nieuwe aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper, waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is ChristusCol.3: 4-11.

De Ware schat

“Een Gelovige zien is het herkennen van Jezus Christus”; ” Seeing a believer is recognizing Jesus Christ”; ” Βλέποντας έναν πιστό αναγνωρίζει τον Ιησού Χριστό”

    Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akkerMatth.13: 44.
De waarachtige schat, die de mens bij de schepping heeft meegekregen , die de mens zich voor eeuwig heeft verworven is het Leven. 

Zoals we het enige dagen geleden hebben uiteengezet is waarachtig leven, het Leven in God. God heeft ons geschapen teneinde dat wij mensen Zijn Beeld en gelijkenis trachten te evenaren, aldus schept God, als de menslievende onophoudelijk. God is inderdaad niet opgehouden Zich met Zijn Schepping te verenigen. God zoekt de mens, onophoudelijk klopt Zijn Zoon, onze Heer en Zaligmaker, op de deur van ons hart en roept:
    Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal jullie rust geven; neemt mijn juk op je en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en jullie mensen zullen rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMath.11: 28-30.
Door dit te besprenkelen door een toenemend proces van economische, culturele en politieke integratie op mondiaal niveau worden alle schatten van de aarde, die ons van God’s weg zijn toevertrouwd, totaal waardeloos.
Maar hoeveel inzicht heeft een mens eigenlijk in zijn eigen en de mondiale geschiedenis en wat nog in het verschiet ligt?
Indien ik Prediker goed begrijp, gaf God ons bij de Schepping de aandrang over het verleden na te denken, maar slagen wij daar maar heel beperkt in God na te volgen, na te rekenen.
    Ik heb in ogenschouw genomen de bezigheid, die God aan de mensenkinderen gegeven heeft om Zich daarmee te kwellen. 
Hij heeft al voortdurende Schepper Alles alles op tijd voortreffelijk gemaakt; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat de mens van het werk dat God doet, van het begin tot het einde, iets kan ontdekkenPrediker 3: 11.
Neen, wanneer je er maar op los leeft, alles maar neemt zoals het door de wereld aangeboden wordt en je slechts in al je blindheid en doofheid laat leiden door de tegenstrever, ben je slechts bezig met het tijdelijke. En leef je in het tijdelijke dan kijk je niet verder dan je neus lang is.
Wanneer je God ná-rekent, Hem in de loop van de geschiedenis tracht te achterhalen – op een andere manier is het onmogelijk Hem te ontdekken – dan wordt het wel erg moeilijk om te achterhalen: “Hoe je ontstaan bent” en Waar je naar toe gaat”, wat je bestemming is. Wij mensen kunnen alleen maar denken in termen van tijd. Wij herinneren ons dingen en verwachten iets voor de toekomst, anders zijn we gevoelloos, melaats, gedoemd om ten onder te gaan, te sterven.

Wie kan zich voorstellen niet aan tijd gebonden te zijn, een oneindig verleden en een oneindige toekomst te hebben? Maar God? Voor Hem ligt zowel mijn geschiedenis als wat komen gaat in het heden, in het hier en nu – het maakt voor Hem geen enkel verschil.
Door de schat van het Leven, wat wij gekregen hebben te bevruchten met onzin, met er niets-toe-doende praktijken, worden alle ons toegekende mogelijkheden, schatten, Genadegaven hier op de aarde waardeloos, besmet.
    Welaan dan, jullie, die er op los leven [-zij die zich rijk wanen-], weent en maakt misbaar 
over de rampen, die u zullen overkomen. Uw rijkdom is verrot, uw kleren zijn door de mot aangevreten, uw goud en zilver is vervlogen [in lucht opgegaan], en het roest ervan zal tegen u getuigen en uw vlees verteren als vuur. Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijnconf. Jac.5: 1-3.

De waarachtige schat

de schat van het Leven in God; the treasure of Life in God; ο θησαυρός της ζωής στον Θεό.

De ware schat, die we dienen te zoeken en verkrijgen, is de schat van het Leven in God, de schat die we hebben voor het eeuwige leven. Maar het voordeel ligt in de manier waarop wij leven verborgen, is niet duidelijk.
Waarom?
De mens, die zich als gevolg van de val van de mens verheven heeft, zich als god [in Frankrijk] waant, is de gevallen mens, de melaatse mens. Na z’n vervallen zijn – aan de wereldse geneugten –  is deze mens niet langer geschikt een fenomeen, een natuurlijk verschijnsel te zijn – om de schatten van God te ervaren. Deze mens doet niet anders dan zich van God te verwijderen.
    Geeft het Heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u zullen verscheurenMatth.7: 6.
In een valse staat kan de mens, de ware schatten, de hem van God gegeven Genadegaven niet waarderen.

Daarom is de Heer, onze God, onze Verlosser voor hen verborgen, niet in de zin dat God Zich van hen distantieert, maar in de zin dat de mens Hem de kans ontneemt, de mens tegemoet te treden.
Nadat de mens geroepen is, dient deze op een of andere manier te reageren,
dient actie te ondernemen, zijn werkveld bewerken en zich inspannen.
De mens gaat 1 millimeter richting God en God komt hem een meter tegemoet.
En dit gebeurt dagelijks  voor onze ogen en het vreemde is
dat er van de tien die regio werden, er slechts een terugkeert om
z’n dankbaarheid te toten
En een van hen keerde terug, toen hij zag, dat hij genezen was,
en met luide stem God verheerlijkt deze God en werpt zich op de grond
op z’n aangezicht voor Zijn voeten om Hem te danken:
Heer, Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar”.
En deze mens was iemand, die van de gemeenschap uitgesloten was,
een Samaritaan.

Zó ziet God het complete leven van de mens, God, als de Eeuwige, maakt de mens terughoudend in het duiden de betekenis van historische feiten.
Job wist nooit waartoe z’n kinderen omkwamen.
Ten opzicht van God schiet de mens schromelijk tekort –
God gaat ons verstand vèr te boven.
Maar door de Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser, Jezus Christus, tasten we niet langer  volstrekt in het duister over onze relatie de Eeuwige en
mogen we Hem blijven zoeken en danken
en dit is op zich een zegen.
Dus: ‘Sta op, ga heen, uw Geloof heeft u behouden!’.

Apolytikion     tn.1.
“   Terwijl de steen door de Joden verzegeld was
en de soldaten Uw alleruiterst Lichaam bewaakten,
zijt Gij na drie dagen opgestaan, o Verlosser,
om aan de wereld Leven te schenken.
Daarom riepen de Hemelse Machten U Toe, o Levenschenker:
Ere zij Uw Opstanding, o Christus.
Ere zij Uw Koninkrijk:
Ere zij Uw Voorzienigheid o enige Menslievende
”.

Kondakion     tn.1.
“   Als God zijt Gij opgestaan uit het graf in Heerlijkheid
en de wereld hebt Gij mede opgewekt.
De mensennatuur bezingt U als God
en de dood is teniet gedaan.
adam jubelt o Meester
en Eva, uit haar noemen bevrijd, verheugt  zich en roept uit:
Gij zijt het, o Christus,
Die aan allen de Opstanding schenkt
”.

Theotokion     tn.1.
“   Toen Gabriël tot U o Maagd het ‘verheug u’ sprak,
nam de Schepper van het heelal in U het vlees aan.
Toen werd gij ‘de Heilige Ark’, waarover David sprak,
meer omvattend dan de Hemelen.
Eer zij Hem, Die in U woning nam,
Eer aan Hem, die uit u tevoorschijn trad.
Eer aan Hem, Die ons door uw baren heeft bevrijd
”.