Orthodoxie & degenen die gedoopt zijn in de dood van Christus

gedoopt worden in de Jordaan

Het 15e hoofdstuk van de brief van de Apostel Paulus aan de Corinthiërs
is het gedeelte uit zijn oeuvre, dat het begrip van de opstanding uit de doden,
welke Paulus in zijn christelijke boodschap het meest benadrukt
volledig tot z’n recht laat komen.
1.]. De eerste helft van het hoofdstuk bespreekt het belang van Christus’ Opstanding en hoe het onlosmakelijk verbonden is met de algemeen opstanding van de wereld,
niet alleen van menselijke personen, maar van ‘alles, wat maar bestaat’.
2.]. In de tweede helft van het hoofdstuk beschrijft Paulus, voor zover hij kan,
wàt de Opstanding van de mensheid en uiteindelijk van de gehele schepping inhoudt, voor ons betekent.
3.]. Het hoofdstuk sluit af met een hymne van overwinning op de dood, die de Apostel zeer aan het hart gaat.

Te midden van deze gehele uitwisseling van informatie geeft Paulus een reeks retorische voorbeelden als bewijs van de centrale plaats van de opstanding van de doden voor het Christelijk Geloof.
Dit was hoogst noodzakelijk, omdat niet alle joodse gelovigen, die de kern vormden van de toenmalige kerken die Paulus gegrondvest had, reeds eerder vanuit hun achtergrond een visie over de opstanding van de doden hadden opgebouwd.
Sommige Joodse afscheidingen deden dat, terwijl anderen dat in de 1e eeuw, evenals vandaag-de-dag juist niet deden.
De aanvaarding van de Opstanding van Christus, echter, betoogt Paulus, houdt het Geloof in de opstanding van de doden in:
    Indien nu van Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden is opgewekt, hoe komen sommigen onder u ertoe te zeggen, dat er geen opstanding der doden is?       Indien er geen opstanding der doden is, dan is ook Christus niet opgewekt.
En   indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw Geloof.
Dàn blijken wij ook valse getuigen van God te zijn, want dàn hebben wij tegen God in getuigd, dat Hij de Christus opgewekt heeft, die Hij toch niet heeft opgewekt, indien er geen doden opgewekt worden.
       Immers, indien er geen doden opgewekt worden, dàn is Christus ook niet opgewekt; en indien Christus niet is opgewekt, dàn is uw geloof zonder vrucht, dàn zijt gij nog in uw zonden.
       Dàn zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verloren.
Indien wij alleen voor dit leven onze Hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen1Cor.15: 12-19.

Overwegen

Een van de voorbeelden van de Apostel Paulus in het bijzonder is in de Christelijke geschiedenis het onderwerp geweest van veel speculatie.
Paulus verwijst naar ‘die gedoopt zijn in de dood’: “     opdat God alles in allen is, wàt zullen zij anders doen, die zich voor de doden laten dopen? Indien er in het geheel geen ‘doden’ opgewekt worden, waarom laten zij zich nog voor hen dopen? 1Cor.15: 28b,29.
Als de doden [-‘ ook gedoopten, die door de doop ‘niet actief‘ worden’-]  niet tot leven zijn gewekt, heeft deze praktijk geen zin. 

Wat precies de praktijk is waarnaar Paulus verwijst, was echter niet het onderwerp van een consistente Christelijke leer.  Slechts een handjevol van de Kerkvaders laat dit commentaar van Paulus tot z’n recht komen en alle bestaande [Patristieke] commentaren op basis van de Kerkvaders daarop zijn het niet eens met alle andere opmerkingen.
Evenmin zijn er in deze kleine meningsverschillen over de nuancering, maar anderen verschillen  van elkaar en sluiten interpretaties buiten.
Dat gezegd hebbende, geen van de bestaande Patristieke commentaren op dit vers bevatten een uitgebreid commentaar en benoemen het vers slechts terloops.
Een zeer nauwe lezing van de tekst stelt ons echter in staat om enig idee te krijgen van wat deze praktijk nu werkelijk inhield.
Het is in feite een praktijk die op de dag-van-vandaag nog steeds voorkomt binnen de Orthodoxe kerk en ironisch genoeg werd deze zelfs toegepast door
de Patristieke commentatoren die deze specifieke connectie niet maakten.

Er staat letterlijk:
Wat zullen zij anders doen, zij die gedoopt zijn voor de doden?
Als de doden helemaal niet worden opgevoed, waarom
werden ze dan door hen gedoopt?
1Cor.15: 29.
Veel moderne lezingen en interpretaties van dit vers zijn meer gebaseerd op de dubbelzinnigheid, het hebben van meerder betekenissen van de westerse vertalingen, dan op een zorgvuldige analyse van de oorspronkelijke taal.
Veel van deze moderne interpretaties houden ook niet rekening met  de algemene context van de discussie van de Heilige Apostel Paulus in dit hoofdstuk, en gedurende de gehele brief aan de Corinthiërs.

Paulus verwijst naar ‘zij die in de dood, voor de doden zijn gedoopt‘, wat betekent dat hij verwijst naar een bepaalde groep. Er zijn sommigen die worden gedoopt voor de doden en anderen die worden gedoopt, maar niet ‘voor de dood’.
Het is belangrijk om in beide gebruiken in dit vers op te merken dat de ‘gedoopte‘ passief is.  Het zijn niet ‘zij die voor de doden dopen‘, maar ‘zij die voor de doden zijn gedoopt‘.
De actie die hier wordt beschreven, is iets dat wordt gedaan door degenen die worden gedoopt, niet door de doper.  Dus het feit dat Paulus naar ‘zij die‘ verwijst, betekent niet dat het een andere sekte betreft buiten het christendom.
Dit vers spreekt niet over mensen die een ander soort doop verrichten dan de christelijke doop, maar eerder naar een groep mensen die op een bepaalde manier de christelijke doop ontvangen.

De doop is, voor Paulus, niet alleen een handeling die bepaalde voordelen met zich meebrengt voor één persoon die het ontvangt.
Integendeel, de doop creëert een reeks relaties waarin de ontvanger door de actie tot activiteit wordt gebracht.
Zo kan de Apostel bijvoorbeeld spreken over degenen die:
    allen door de zee heengingen,
    allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee,
    allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, en
    allen dezelfde geestelijke drank dronken, want
zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen meeging en die rots was de Christus1Cor.10: 1b-4.
⁌   Door zich in Mozes te laten dopen in de wolk en de zee, de Heilige Geest en water, brachten ze een relatie tot de Heer, de God van Israël, en die relatie werd bemiddeld door Mozes en door het Verbond dat door hem werd doorgegeven.
⁌  Evenzo spreekt Paulus over hen die de christelijke doop hebben ontvangen als degenen die in Christus zijn gedoopt en zo Christus hebben aangedaan, zich met Christus hebben bekleed conf. Gal 3:27.
Paulus, de Apostel onder de heidenen heeft ons al aan het begin van hoofdstuk 15 aan de inwoners Corinthe verwezen naar deze groep overleden heiligen,  direct voordat hij dit voorbeeld in vers 29 gebruikt. De apostel somt daarbij een groot aantal getuigen op van de Opstanding van Christus, inclusief de apostelen en in één richt hij zich op 500 mensen tegelijk.
Hiervan leven velen nog, maar zoals de heilige Paulus zegt, zijn sommigen in slaap gevallen [vers 6]. Het gebruik van ‘deze doden’ verwijst het meest natuurlijk naar die eerder vermeld in vers 6.
De Heilige Paulus spreekt over mensen die, wanneer ze worden gedoopt, worden gedoopt in de naam van een van deze overleden heiligen, de zo genaamde doop-heilige.

Samenvattend met Paulus ‘algemeen begrip van de doop’, kunnen we zien hoe iemand die de naam van een overleden Heilige bij het doopsel aanneemt, een relatie zou creëren met degene die wordt gedoopt en die Heilige die het best kan worden beschreven door het Romeinse begrip van mecenaat.
Een Romeinse patron werd gevestigd in een sociale positie binnen de Romeinse cultuur en zou vervolgens handelen in hun positie om iemand te helpen die aan het begin van hun openbare leven of carrière verbleef. In ruil daarvoor verwachtte de klant van de cliënt dat hij zijn patroon eer aan zou doen en ijverig zou werken om het soort status te bereiken dat zijn beschermheer had.
             In een vorige positie, de status die de Heiligen innamen, die men zag binnen het apostolisch christendom, werd besproken in relatie tot het Joodse begrip van God’s goddelijke raad. Dit begrip van de rol van de overledene Heiligen in het leven van de Kerk resulteerde natuurlijk in de vorming van dergelijke relaties met een patroonheilige op het moment van toegang tot de Christelijke Gemeenschap bij de doop.

Van Paulus kan dan worden gezegd dat in 1Cor.15: 29 wordt verwezen naar deze beoefening, die al in het midden van de jaren vijftig van de vorige eeuw begon af te takelen, van degenen die werden gedoopt om dat niet langer te doen op de naam van een patroonheilige.
Deze praktijk was nog niet ‘algemeen‘ aanvaard, maar zou universeel zijn in de Christelijke kerken. De verwijzing van de Apostel in deze – naar deze context – is om de realiteit van de Opstanding te demonstreren.
Als de doden niet worden opgewekt, kan er geen relatie met een patroonheilige bestaan, omdat die persoon in kwestie immers dood en verloren zou zijn en zou derhalve de doopbeoefening helemaal geen zin hebben.
De redenering van Paulus hier is ongeveer parallel aan het argument van Christus tegen de Farizeeën in:
        Wat nu de doden betreft, dat zij opgewekt worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, bij de braamstruik, hoe God tot hem sprak, zeggende:
Ik ben de God van Abraham en de God van Isaäc en de God van Jaäcob?
Hij is niet een God van doden, maar van levenden. Gij dwaalt wel zeerMarc.12: 26-27 en
        Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de Opstanding zijn.
Maar dat de doden opgewekt worden, heeft ook Mozes bij de braamstruik aangeduid, waar hij de Heer noemt de God van Abraham en de God van Isaäc en de God van Jaäcob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden, want voor Hem leven zij allenLuc.20: 36-38.
God is de God van Abraham, Isaäc en Jaäcob en Hij is niet de God van de doden, maar van de levenden.
De Apostelen en de Getuigen van de Opstanding van Christus – die reeds in slaap was gevallen waren in de Heer – ten tijde van het schrijven van de brief aan de inwoners van Corinte, hadden zich bij de Opstanding aangesloten bij Abraham, Isaäc en Jaäcob.
Ze konden voorbede doen voor diegenen in de Kerk in deze wereld en vooral voor hen die een Geloofsleven in hun Naam leefden en eer aan hun nagedachtenis levend hielden.

➥➥➥ Waarom is het in deze moderne tijd belangrijk om dit te bespreken, omdat in navolging van wereldse gebruiken kinderen namen meekrijgen, die de totale verbintenis met de christelijke gebruiken door de ouders worden gekozen. Het is in onze tijd heel gewoon kinderen te vernoemen naar een of ander pop-idool, daarmee aangevend dat de wijze waarop deze personen hun leven hebben geleid als voorbeeld van het kind zou kunnen zijn –
helaas is in vele gevallen te betwijfelen of je je eigen kind een degelijk leven zou toewensen.
Laat òns dàn maar aan de al-oude praktijk vasthouden en hen een leven toewensen waarbij zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de Opstanding zijn.
Weinigen zijn echter nog bekend met “Wat zit er voor mij in een simpele naam?” In de vorm van een retorische vraag, is het het concept van de leiding nemen over je verlangens en doelen door agressief de beste prikkels te volgen om die doelen te bereiken.
U dient dit te doen terwijl u niet wordt misbruikt of door een derde partij wordt misbruikt, de weg naar de oorsprong verliest, wordt rond-be-stuurd.
Het sleutelwoord voor het begrijpen van “Wat zit er voor mij in een simpele naam?” zijn prikkels , zijn gewoon die dingen die iemand motiveren òf aanmoedigen een bepaalde lijn in het leven aan te houden.