Orthodoxie & Liefde leidt naar het Hemels Koninkrijk

Wanneer heiligen in de orthodoxie geëerd worden, worden ze met liefde omringd; zij hebben immers alles wat het leven hen heeft aangeboden opgeofferd om lief te hebben.
De meest wezenlijke waarde in het leven is immers ‘de ware Liefde’ te bezitten.
Een niet-gelovige – een mens, die slechts op het natuurlijke is gericht, zoals een humanist – kan heel veel bezitten, maar juist dát wezenlijke missen. We kunnen kennis bezitten of tot grote opofferingsgezindheid bereid zijn en tòch de Liefde missen.
Laat iemand bezitten wat z’n hartje begeert en laat hem doen wat hij wil
– het betekent in het geheel niets wanneer ‘de Liefde’ ontbreekt.

Wie heel de wereld lief zou hebben en toch God niet liefheeft, heeft niet werkelijk lief. De liefde tot God en de mens zijn geen twee verschillende liefdes.
Nee, deze liefde is een eenheid, ze is allesomvattend.
       En dàt komt omdat ‘Christelijke naastenliefde’ gericht is op God.
En al het andere wat we naast God liefhebben, is op een of andere manier aan God gerelateerd.
– We hebben mede-christenen lief omdat het kinderen van God zijn.
– We hebben medemensen lief omdat het schepselen van God zijn.
Wie dus God liefheeft, heeft ook alles lief wat aan God gerelateerd is.
Liefde is allesomvattend, vormt een eenheid.
Een niet-christen kan weliswaar liefhebben, alleen zal diens liefde nooit een eenheid vormen. Het vormt gefragmenteerde liefde, verdeelde liefde, maar bij een Christen komt alle liefde uit dezelfde bron, uit God, voort.
Christelijke liefde is gefundeerde liefde en komt voort uit de Heilige Geest en de Heilige Geest, Die in christenen is komen wonen is een Geest van liefde.
Daar waar de Heilige Geest Zijn intrek neemt, daar komt de liefde binnen.
Dat betekent dat men -‘zonder de Heilige Geest’-  niet’ in staat is om waarachtig lief te hebben.
Ook een niet-christen, een humanist kan liefhebben, maar deze liefde is altijd onvolkomen omdat ze zich altijd maar tot één aspect van de werkelijkheid beperkt.
Zolang God ‘niet’ de Bron van onze liefde is, zal onze liefde altijd gefragmenteerd zijn.
Alleen de wedergeboorte via het Mysterie van de doop maakt de liefde zoals God deze bedoelt heeft, mogelijk. 

De Apostel zegt dan ook: “    de hoop beschaamt niet, omdat de Liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heiligen Geest, Die ons is gegevenRom.5: 5.
Indien wij slechts wel gegrond en standvastig blijven in het Geloof en ons niet [door de tegenstrever en zijn wereld] laten afbrengen van de Hoop van de Blijde Boodschap, Die wij gehoord hebben en die verkondigd is in de ganse schepping onder de Hemelen, waarvan wij door de doop dienaren geworden zijn conf.Col.1: 23.

Toen vele van Zijn Volgelingen zich van Christus afkeerden en niet langer met Hem optrokken zei onze Heer en Verlosser tot de twaalf:
Gij wilt toch ook niet weggaan?
Simon Petrus antwoordde Hem: Heer, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven; en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige van God
John.6: 66-69.
Voorafgaand aan het lijden, toen de vervolging om hen heen zich begon af te tekenen, hielden vele van Zijn Volgelingen het allemaal maar voor gezien.
            In de huidige tijd is spreken over lijdzaamheid binnen noch buiten het christendom gangbaar, laat staan populair. In dat opzicht is er geen verschil met de eerste eeuwen na Christus: zowel ‘in‘ als ‘buiten‘ de Kerk geldt lijdzaamheid als een nastrevenswaardige deugd.
Misschien moet men ook wel onderkennen, dat:
de burger in de oudheid is bekend met schaarste, belangen-tegenstellingen, ziekte en tragiek en beschouwt de filosofie als een waardevolle hulp om te midden van die omstandigheden toch een waardig leven te kunnen leiden.
Bekend is het spreken in termen van de vier zogeheten kardinale deugden: ‘voorzichtigheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing en dapperheid’.
Aansluitend bij die laatste sprak men over een vijfde deugd: de patientia, het geduld, de lijdzaamheid.
Een mens moet immers ook dapper blijven als dat langdurig van hem wordt gevraagd. Maar waar je je bij dapperheid iets actiefs voorstelt, is het bijzondere bij de patientia [geduld] dat het onderliggende werkwoord patior [Ik ‘ben’] een zogeheten passivum is, dat je zou kunnen vertalen met: ‘geleden worden’.
Lijdzaamheid slaat dus ook op het vermogen om níét actief te zijn en de dingen, zo lang als nodig is, vooral maar te láten gebeuren.
Een lijdzaam mens is iemand, die zich door het lijden dat hem treft, niet uit het veld laat slaan.

Wij dienen toezichthouders, opzichters, die slechts politiek bedrijven te laten inzien dat geesteswetenschappen van belang zijn.
Dat er nog steeds mensen zijn, die zich bezig houden met de geestesproducten van de mens: ‘talen, zowel als de linguïstiek van elke taal, geschiedenis, filosofie, muziekwetenschap, cultuurwetenschap, kunstgeschiedenis en theologie, die cultuur levend en draaiend houden’.
En dat je ook voor exacte metingen en bedrijfsvoering, ook voor de instandhouding van welvaart mensen nodig hebt, die kritisch kunnen denken.
Dàt je niet alleen mensen nodig hebt, die data kunnen manipuleren en verzamelen, maar ook mensen, die cultuur kunnen interpreteren en duiden.
                      Mensen die de gelaagdheid van betekenissen kunnen ontwarren en doorgronden, in taal en in denken, in metaforen, in nieuwe en oude denkfiguren, in verhalen, in leven . . .
Gelovigen zijn geen domme blondjes, die lijdzaam toezien dat het mooiste wat zij als christenen bezitten, onze geestelijke verrijking, de uitdaging om ànders te denken dan de doorsnee wereldburger gewend is, het leren van denkpatronen is en waar die vandaan komen . . .
                      Dàt willen ze niet verliezen! Ze kunnen niet lijdzaam toezien hoe toezichthouders ons leven een wending geven waar zij niet voor kiezen – een beweging, die enkel gemotiveerd wordt door financiële en machtsbelangen.
                      Dàt kunnen we niet langer accepteren en zo ze niet gehoord worden – haken ze af – of gaat de Kerk aan onvoorzichtigheid, onrechtvaardigheid, en het ontbreken aan zelfbeheersing van de hoogmoed en dapperheid om dit te weerstaan ten gronde.

Maar zult u zeggen de Kerk, het Lichaam van Christus blijft eeuwig bestaan.
Dat klopt, maar daarbij gaat het niet om de instituties, die de mens van het Lichaam gemaakt heeft, maar het gaat hierbij om de liefdesband, de band van broederschap, het fundament van Vrede, de standvastigheid en Kracht van de eenheid:
Zij is vele malen groter dan zowel de Hoop als het Geloof; zij munt uit in zowel goede werken als lijden om het geloof en als een eeuwige deugd zal zij altijd bij ons zijn in het Koninkrijk der Hemelen.
                   Neem het geduld van het christenvolk weg en het zal niet bestendigen.
Neem weg het beginsel van verdraagzaamheid en toelating en het heeft geen wortel of Goddelijke Kracht meer.
Zó verbond óók de apostel, toen hij sprak van de Liefde, de lijdzaamheid of het geduld daarmee, toen hij zei:
    De Liefde is lankmoedig, de Liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.
Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de Waarheid. Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij.
De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben.
Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch, als het volmaakte komt, zal hetgeen onvolkomen is afgedaan hebben1Cor.13: 4-10.
De apostel bewijst dus dat noch Eenheid noch Vrede betracht kan worden
zònder dat broeders elkaar liefhebben door met ‘wederkerig geduld’ en
de band van eenheid’ te bewaren, met behulp van de lijdzaamheid en het geduld

Voor Christus, de Zoon van God komt de liefde voor de naaste voort uit de liefde tot God, Die de mens heeft geschapen naar Zijn Beeld en Gelijkenis.
Daarom kun je God niet liefhebben wanneer je zijn schepselen niet liefhebt.
Hij houdt ons voor:
– Wee jullie, die hypocriet politiek bedrijven;
– Wee jullie, die beloofd hebt mijn overgebleven navolgers te dienen, maar je laat leiden door machthebbers en je beslissingen laat afhangen van geldschieters;
– Wee jullie, die hypocriet politiek bedrijven, zonder je ooit hard te hebben gemaakt voor de minderbedeelden, geen sociaal voorbeeld zijn geweest, maar tot op het bot verrot zijn door valse idolen voorrang geven om er zelf voordeel uit te halen;
– Wee jullie hypocriete politici, die Mijn vaderland te gelde maken, zonder anderen daar in te kennen, zogenaamd om Mij te redden, terwijl jullie weten dat jullie einde nadert . . . . .;
– Wee jullie, leugenachtige journalisten, die informatie omtrent de Waarheid dienen te verzamelen, teneinde daarmee de samenleving te informeren, die slechts valse idolen creëren teneinde plaats te maken voor corruptie in plaats van ze te bekritiseren.
            Ik denk dat we onszelf niet voor de gek moeten houden.
De huidige vorm van de Kerk, en ik bedoel niet het gebouw, is méér dan vervallen, je ervaart de crisissymptomen overduidelijk.
            De spelleider [de voorganger, de priester] omschrijft Christus op zondag:
De kerk is niet alleen van stenen gemaakt. Kerk zijn, dat is de gemeenschap van gelovigen. En de hoeksteen van dit gebouw is Jezus Christus Zelf”.
  Daarom zal God niet eerst ervaren worden in stenen kerken, maar door mensen die het idee van het Lichaam van Christus, dat wil zeggen onder elkaar, werkelijkheid laten worden.
  Daarom zal God niet eerst ervaren worden in stenen kerken, maar door mensen die het idee van Kerk, dat wil zeggen onder elkaar, werkelijkheid laten worden.
De volgende woorden komen van Mahatma Ghandi: als een hongerige persoon je vraagt: “Waar is God?”, geef hem dan brood en zeg: “Hier is God”.
God woont slechts dáár, waar jij Hem binnenliet, wordt verteld in de verhalen van Hasidim.  Dus vroeg Rabbi Menachem Mendel ooit aan wetenschappelijk georiënteerde Omstanders:
“Waar woont God?”              
Toen lachten ze hem uit: “Waar heb je het over ? De wereld is vòl van Gods Glorie”.
Maar hij beantwoordde zijn eigen vraag: “God leeft slechts dáár waar jij Hem binnenlaat”. God leeft op die plaats, waar jij Hem hebt binnengelaten.
Het dagelijks lezen van de lezingen uit de kerkelijke jaarkalender kàn een manier zijn om ‘dàt‘ opnieuw te begrijpen, lees maar:
            En bij Zijn komst heeft Christus Vrede verkondigd aan u, die veraf waart,
en Vrede aan hen, die dichtbij waren; want
door Hem hebben wij beiden in een Geest de toegang tot de Vader.
Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Heer, in Wie ook gij mee opgebouwd wordt tot een woonstede van God in de GeestEph.2: 18-22.
              Wij dan, gerechtvaardigd uit het Geloof, hebben Vrede met God door onze Heer Jezus Christus, door Wie wij ook de toegang hebben verkregen [in dit Geloof] tot deze Genade, waarin wij staan, en roemen in de Hoop op de Heerlijkheid van God.
En niet alleen [hierin], maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat  de verdrukking volharding uitwerkt, en de volharding beproefdheid, en de beproefdheid Hoop; en de Hoop maakt niet beschaamd, omdat de Liefde van God in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, Die ons gegeven is, zo zeker als Christus, toen wij nog zwak waren, te zijner tijd voor goddelozen is gestorven.
Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede te sterven
  God echter bewijst Zijn Liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.
Veel meer zullen wij derhalve, thans door Zijn Bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dát niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus [Christus], door Wie wij nu de Verzoening ontvangen hebben
Rom.5: 1-11.

Blijft allen ook in onze dagen standvastig onder alle beproevingen.