Dec. 20e – Heilige Ignatios, de Goddrager, bisschop van Antiochië [† 107].

    En zij kwamen te Kapharnaüm [Hebr.= ‘dorp van rust’].
En toen Hij thuis gekomen was, vroeg Hij hun: Waarover waren jullie onderweg in gesprek?
       En zij zwegen, want zij hadden onderweg met elkander erover gesproken, wie de meeste was.
       En Hij ging zitten, riep de twaalven en zei tot hen:
            Indien iemand de eerste wil zijn, die zal de allerlaatste zijn en aller dienaar.
En Hij nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zei tot hen:
Wie een van zodanige kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeft.
            Johannes zei tot Hem: ‘ Meester, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in Uw naam boze geesten zien uitdrijven, en wij wilden het hem beletten, omdat hij ons niet volgde.
            Doch Jezus zei:
                Belet het hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam en 
kort daarna smadelijk van Mij zal kunnen spreken. Want wie niet tegen ons is, is voor ons.
Want wie u een beker water te drinken geeft, in de Naam van Christus, omdat gij (discipelen) van Hem zijt, voorwaar, Ik zeg u, dat hem zijn loon voorzeker niet zal ontgaanMarc.9: 33-41.

    Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden.
       Want je hebt met de gevangenen mee geleden en de roof van uw bezit blijmoedig aanvaard, want je wist, dat jijzelf een beter en blijvend bezit hebt.
Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten.
Want gij hebt volharding nodig, om, de Wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is.
       Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en Mijn rechtvaardige zal uit Geloof levenHebr.10: 32-38a.

Geef dan uw uitgesproken mening niet prijs:

H. Ignatios, bisschop van Antiochië

      Je bent [immers] Mijn knecht, Ik heb jou uitverkoren en je niet versmaad; vrees niet, want Ik ben met je; zie niet angstig rond, want Ik ben jouw God. Ik sterk je, ook help Ik je, ook ondersteun Ik je met mijn heilrijke rechterhand.
Zie, allen die tegen jein woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande; de mannen die je bestrijden, worden als niets en komen om; jij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die je bestoken; zij worden als niets, ja vernietigd worden de mannen die tegen jou oorlog voeren
Isaiah 41: 9b-12.
       In zijn tijd werd de heilige Ignatios van deze dag – een discipel en als bisschop van Antiochië, opvolger van de Apostel Petrus – gemarteld als navolger van Christus
Als bisschop van Antiochië schreef hij 7 brieven aan vele gemeenschappen van de Kerk en tevens aan de heilige Polycarpus, de hieromartelaar van Smyrna, waarin hij een speciaal onderwerp behandelde.
Hij week niet af van de Pedagogie van de Heer en net als de overige Apostolische Vaders werd hij tot diep in het hart door de Genade van Heilige Geest getroffen en dit Geloof manifesteerde zich in het vlees. Onophoudelijk bleef hij het Woord van Christus verkondigen en is als zodanig tot voorbeeld geworden voor velen.
    Het Woord, God’s geboden [de Wet van mozes] mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins ze dag en nacht, opdat je nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want dan zul jij op je wegen je doel bereiken en je zult voorspoedig zijn. Heb Ik je niet geboden: ‘ wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet verschrikt, want de Heer, jouw God, is met je, overal waar je maar gaat’ “ Jozua 1: 8,9.
    Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens Zijn voornemen Geroepenen zijn” Rom.8: 28.

Thuis komen [= uit Geloof leven]:
Tegenwoordig word je net als toen door de doop navolger van Christus, Zijn leerling.
Geen enkel schepsel, zichtbaar of onzichtbaar, belemmert je om je bij Jezus Christus aan te sluiten… Zelfs wanneer de wreedste verzoekingen jou omlaag proberen te trekken, dan wil je slechts de icoon van onze Heer Jezus Christus zien te bereiken.
Wat zouden de heerlijk aantrekkelijke verleidingen van deze wereld en de keizerrijken van de aarde, jou nog kunnen schelen?
Het is mooier om voor onze Heer Jezus Christus te sterven dan te heersen over de gehele wereld. Hem dien je te zoeken, Hij die gestorven is voor ons; naar Hem dient je verlangen uit te gaan, Hij Die voor ons verrezen is.

. . . . . Jouw wedergeboorte komt nabij . . . . . ; laat het -geheel zuivere- Licht jou omkleden. Pas wanneer je daarin succesvol bent zul je volledig mens geworden zijn.
Wij mensenkinderen zullen Hem zoeken en niet vinden, en: Waar Hij is, kunnen wij mensen-kinderen niet komen?
Maar op de laatste, de grote dag van het feest, stond onze Heer en Verlosser op en riep, zeggend:
    Indien iemand dorst heeft, hij dient tot Mij te komen en zal drinken! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zei Hij van de Heilige Geest, welke zij, die tot geloof in Hem zouden komen, zouden ontvangen; want de Heilige Geest was er toen nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt wasconf. John.7: 36-39.
Christus is immers verheerlijkt, Hij is opgestaan en heeft Zijn Heilige Geest tot ons gezonden.
Aanvaard dan als navolger het lijden van onze God
– . . . indien ons aardse verlangen wordt gekruisigd en in ons is niet meer het vuur om materie lief te hebben,
– . . . maar Zijn levend water, dat in ons ruist en fluistert in ons hart:
– . . . komt allen tot de Hemelse Vader.
– . . . het vergankelijke voedsel of de zoetheid van het leven, biedt ons dan geen vreugde meer.
– . . . eerst dàn hebben wij honger naar het brood van God, het Lichaam van onze Heer Jezus Christus en als drank drinken wij Zijn Bloed, welke de onvergankelijke Liefde is.

Wij leven echter in een vergankelijke wereld en worden beproefd en zeggen:
Red mij, God, want de wateren zijn in mijn ziel binnen gedrongen.
Ik zink weg in diep slijk, er is geen grond onder mijn voeten.
Ik ben geraakt in de diepte der zee, de stormvloed heeft mij overstroomd.
Ik ben uitgeput door het roepen, mijn keel is hees, mijn ogen begeven het, terwijl ik toch vertrouw op mijn God.

Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden; mijn vijanden hebben de overhand, die mij ten   onrechte vervolgen.
Hoewel ik niets geroofd had, moest ik toch vergoeding geven.
God, Gij kent mijn dwaasheid; mijn overtredingen zijn voor U niet verborgen.

Heer, laat hen die U verbeiden niet over mij beschaamd staan, Heer der heerscharen.
Laat hen die U zoeken, God van Israël; niet omwille van mij te schande worden.
Want om U word ik versmaad, schaamrood overdekt mijn gezicht.
Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders, een onbekende voor de zonen van mijn moeder.
Want de ijver voor uw Huis heeft mij verteerd; de versmading van hen die U smaden is op mij gevallen.

Toen ik mijn ziel door vasten vernederde, werd het mij tot smaad;
toen ik mij hulde in een boetekleed, gebruikten zij mij als spreekwoord.
Die in de poort zitten belasteren mij; de wijndrinkers zingen een spotlied over mij.
Maar ik richt mijn gebed tot  U, Heer; nu is het tijd om genadig te zijn.
God, verhoor mij in de volheid van Uw Barmhartigheid, in de Waarheid van Uw verlossing.
Red mij uit het slijk, opdat ik er niet in zal wegzinken; bevrijd mij van hen die mij haten, uit de diepte van de wateren.
Laat de stormvloed mij niet overstromen; noch de afgrond mij verzwelgen; laat de kuil zich niet boven mij sluiten.
Verhoor mij Heer, want Uw Barmhartigheid is goed; zie op mij neer volgens de menigte van Uw ontferming.
Wend Uw aangezicht niet af van Uw dienaar,  verhoor mij haastig wanneer ik gekweld word.
Kom tot mijn ziel om haar te verlossen, bevrijd mij van mijn vijanden.
Gij kent immers mijn smaad en mijn schande, hoe het schaamrood mij overdekt.
Voor Uw ogen zijn allen die mij kwellen: mijn ziel verwacht smaad en ellende.
Ik wacht op een medelijdende, maar er is er geen; op een trooster, maar ik heb niemand gevonden.
Voor spijs gaven zij mij gal; in mijn dorst drenkten zij mij met azijn.
Hun tafel wordt hun tot strik, tot vergelding en struikelblok.
Hun ogen worden verduisterd, zodat zij niet meer zien; hun rug is voor altijd gekromd.
Want Gij giet Uw toorn over hen uit, Uw grimmige woede zal hen grijpen.
Hun woonstee veranderd in verlatenheid, er is niemand meer om te wonen in hun tenten.
Want hen die Gij geslagen had, hebben zij vervolgd; en aan de pijn van hun wonden hebben zij nog toegevoegd.
Daarom voegt Gij zonde bij hun zonden; zij zullen niet ingaan in Uw gerechtigheid.
Zij worden gewist uit het Boek der levenden, en niet ingeschreven met de rechtvaardigen.

Ik ben ellendig en vol pijn; God, laat Uw heil mij opnemen.
Dan zal ik de Naam van God loven met een lied; ik zal Hem verheffen met lofzang.
Dat zal God meer behagen dan een jong kalf met horens en hoeven.
Mogen de armen het zien en zich verheugen: zoekt God, dan zal uw ziel gezocht worden.
Want de Heer heeft de arme verhoord; Hij heeft Zijn gevangenen niet gering geacht.
Dat hemel en aarde Hem loven, de zee en alles wat zich daarin beweegt.
Want God zal Sion verlossen, de steden van Judea zullen weer opgebouwd worden.
Men zal daar wonen en ze ontvangen als erfdeel.
Het zaad van Uw dienaren zal ze bezitten; wie Uw Naam liefhebben, zullen daarin wonen”. Psalm 69[69] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Thuis komen [= uit Geloof meeleven]
In de 2e eeuw van onze jaartelling schreef ene Mathetus in een brief aan Diognetus het volgende over de christenen om hem heen:
”                  Christenen vallen niet op door hun nationaliteit, taal of gewoontes. Ze wonen niet in aparte steden, spreken geen vreemd dialect, volgen geen bizarre gewoontes.
Ze volgen gewoon de gewoontes van de stedelingen en de streek waar ze toevallig wonen. En toch is er iets buitengewoons aan hun leven.
            Ze wonen in hun land alsof ze er tijdelijk zijn.
            Ze vervullen hun rol als burgers, maar ze hebben last van dezelfde beperkingen als vreemdelingen. Ieder land kan hun vaderland zijn, maar waar ze ook zijn:     het land is vreemd voor hen.
Net als anderen trouwen ze en krijgen ze kinderen, maar ze leggen ze niet te vondeling.
Ze delen hun maaltijden, maar niet hun vrouwen. Ze laten zich niet door het lichamelijke beheersen.
Ze leven hun leven op aarde als burgers van de Hemel.
ze gehoorzamen de wetten, maar op een niveau dat iedere wet overstijgt.
Ze leven in armoede, maar verrijken velen.
ze zegenen wanneer ze uitgescholden worden en reageren hoffelijk op beledigingen.
Als ze afgestraft worden, verheugen ze zich, alsof ze nieuw leven ontvangen”.

Thuis komen is ons ‘tot zaad’ voor anderen.
Misschien leven we ook in onze tijd in zware tijden, òf is dat altijd zo en afhankelijk van de wijze waarop iemand in het leven staat en natuurlijk waar iemand zich bevindt.
Wij blijven God echter danken voor de gaven die voortkomen uit de Komst in deze wereld van Zijn eniggeboren Zoon.
Wij delen dezelfde Traditie van het eerste millennium van het Christendom. Het vroege christendom is een bijzondere periode in het denken over lijden en ondanks dàt lijden blijven volhouden.
Jezus Christus, Die wij navolgen, is bekend geworden vanwege het feit dat Hij overal waar Hij kwam mensen genas. Deze zelfde Jezus sterft een ellendige en gewelddadige dood, één die geen tragische vergissing is, maar is voorzien; die niet wordt ontlopen en die het mogelijk maakt dat anderen gered worden.
Zijn volgelingen vraagt Christus om bereid te zijn om mee te lijden én mee te genezen.
De getuigen van deze Traditie zijn de Allerheiligste Moeder van God, de Maagd Maria, en de heiligen die wij vereren. Hieronder zijn ontelbare martelaren die getuigenis hebben gegeven van hun trouw aan Christus en het “zaad van de Christenen” zijn geworden.
De getuigen spreidden buitengewone zorg en onderlinge menselijke liefde ten toon.  Ze spaarden zichzelf niet, maar zorgden voor elkaar; voortdurend hielpen zij elkaar.
Ze dienden de zieken in Christus en met hen lieten ze in blijdschap dit leven los.
Soms kregen ze de ziekte van anderen, liepen die van hun naasten op. […]
Velen waren er die zelf stierven na anderen te hebben verpleegd en genezen.
Zo haalden zij zichzelf de dood op de hals. […]
De grootsten onder onze Getuigen zijn op deze manier gestorven,
spelleiders, diakenen en mensen uit het kerkvolk, worden om deze reden hogelijk geprezen.
Deze manier van sterven leek niet minder waard te zijn dan het martelaarschap,
door de grote Vroomheid en het vurige Geloof die ermee gepaard gingen.
    Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben“ John.3: 16.

Thuis komen is ontberen
Waarom wil diegene die zijn vertrouwen stelt op de materie niet vertrouwen op God?  Tatianus [ca.120-180] waarschuwt tegen het ongebreideld vertrouwen op de geneeskunst en op geneeskrachtige stoffen:
“ . . . . . Waarom nadert u niet tot de veel machtiger Heer, maar probeert u uzelf te genezen als een hond met gras, een hert met een adder, een zwijn met een rivierkrab of een leeuw met apen? Waarom vergoddelijkt u het natuurlijke? En waarom wordt u, die uw naaste geneest, een weldoener genoemd? Geef u over aan de Macht van het Woord”.
Lichamelijk lijden kan ons volgens Tatianus helpen om op God te vertrouwen en de oppermachtige geneeskunst kàn dat vertrouwen juist in de weg staan.
Toch, als mensen zich tot de geneeskunst wenden en daardoor genezen worden, keurt Tatianus dat niet af, mits zij zich na hun genezing tot God wenden, Hem voor hun genezing danken, het resultaat aan Hem toeschrijven en zich stellen onder de Heilige Geest:
  En al wordt u genezen door medicijnen [ik geef die mogelijkheid beleefdheidshalve toe], dan past het u om getuigenis af te leggen dat God het is die genezen heeft”.      Toch betekent dit niet dat lijden maar moet worden verdragen.
Net zoals lijden kan duiden op een dieperliggend euvel bij de mensheid, kan ook genezing boven zichzelf uit wijzen, namelijk naar de reddende nabijheid van Jezus Christus die we hebben leren kennen als de ‘grote Geneesheer’.
Ondanks afwijzende geluiden overweegt in de vroegchristelijke kerk de acceptatie van medisch handelen.
             Ondanks alle overeenstemming gaan het christendom en de omringende cultuur op het punt van de lijdzaamheid nogal eens in discussie. Een belangrijk kritiekpunt van de vroege kerk op de visie van de filosofen op lijdzaamheid is dat zij haar als vorm van individuele levenskunst interpreteren.
In correctie daarop, en in navolging van Christus, legt de vroege kerk een directe verbinding tussen de lijdzaamheid en de liefde.
Cyprianus van Carthago [200-258], die een heel werk aan de lijdzaamheid besteedt, wijst erop dat we de boom aan de vruchten kennen en dus ook de deugd:
  … niet in woorden maar in daden. Wij tonen onze wijsheid niet door middel van onze kleding maar door waarachtig te zijn; wij kennen de deugden door ze in praktijk te brengen in plaats van er hoog van op te geven; wij spreken niet van grote dingen, maar we leven ze uit”
Volgens Cyprianus kunnen lijdzaamheid en menslievendheid niet zonder elkaar:
Liefde is de band van gemeenschap, het fundament van vrede, de standvastigheid en kracht van de eenheid: zij is groter dan zowel Hoop als Geloof; zij munt uit in zowel goede werken als lijden om het Geloof en als een eeuwige deugd zal zij altijd bij ons zijn in het koninkrijk der Hemelen. Neem het geduld weg en het zal niet bestendigen. Neem weg het beginsel van verdraagzaamheid en toelating en  het heeft geen wortel of kracht meer
.
Zo verbond ook de Apostel, toen hij zijn loflied uitsprak, de lijdzaamheid of het geduld daarmee, toen hij zei:
    De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe.
Zij is niet blije over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid.
Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij1Cor.13: 4-7.Het hedendaags martelaarschap
‘Het opnemen van je persoonlijke Kruis’ is geen populair gegeven in onze moderne samenleving. We proberen het lijden juist te ontvluchten, verbannen het uit ons bestaan, lopen er met een wijde bocht omheen.
We leven heden-ten-dage in een consumentencultuur. We streven naar een gelukkig leven en willen het bereikte en nagestreefde geluk met alle mogelijke [technische] middelen bewaren. Ondanks een met de mond beleden failliet van het maakbaarheidsdenken uit de vorige eeuw is ons vertrouwen in menselijke mogelijkheden nog springlevend, misschien wel tegen beter weten in. ‘Kruis dragen’ kan allereerst slaan op de navolging van Christus; de gehoorzaamheid aan Gods geboden, ondanks krachtige tegenstand. ‘Kruis dragen’ krijgt hier al snel de kleur van het martelaarschap in de geest van de Bergrede.
    Zalig de vervolgden omwille van de Gerechtigheid, want aan hun is het Koninkrijk der Hemelen. Zalig gen je, wanneer men jou smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van je  spreekt om MijnentwilMath.5: 10,11.

Verblijd jezelf en verheug jezelf, want je loon zal groot zijn in de Hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor u vervolgd:
    Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedachten van Vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven.
⁌ Dan zult jij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden en Ik zal naar jou horen;
⁌ Dan zul jij Mij zoeken en vinden, wanneer je naar Mij vraagt met uw ganse hart.
⁌ Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het Woord des Heren, en in uw lot een keer brengen;
⁌ dan zal Ik jullie verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik jullie verstoten heb, luidt het woord des Heren, en jullie terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik je in ballingschap heb doen wegvoerenJeremia 29: 11-14.
➥           Maar in het geseculariseerde Nederland balanceren velen tussen Geloof en ongeloof, onwillig om zich te binden aan normen en waarden die [op z’n minst schijnbaar] hun vrijheid en hun zoektocht naar geluk inperken.
De stijl van het Hemels Koninkrijk staat kritisch tegenover deze vaak eendimensionale en snelle belevingscultuur. Die kritiek, en het daaruit voortkomende zoeken naar een ‘tegenovergestelde  positie’, wordt door veel christenen als een hedendaagse vorm van navolging en dragen van het persoonlijk kruis gezien.
    Maar jij, spreek mijn woorden tot hen, of zij horen dan wel het nalaten, want zij zijn weerspannig. En jij, mensenkind, hoor wat Ik tot je zeg; wees niet weerspannig gelijk het weerspannige geslacht; doe je mond open en eet wat ik je geefEzechiël 2: 7,8.

De alheilige wereldomvattende Kerk, ‘een Mysterie’ – icoon

De Kerk, die de op aarde voortlevende Christus, dat is de gemeenschap van de gelovigen, die verzameld rond de toezichthouder als opvolger van de Apostelen met de spelleiders en hun dienaren [de priesters en diakenen] , samen de Goddelijke Mysteriën vieren:
– niet alleen in de dienst, maar als voorbeeld voor anderen in hun leven, door ‘alle‘ onderlinge onenigheid en naijver ‘te bekritiseren’ en ‘uit te bannen’ en vervolgens samen te laten klinken als een grote symfonie.
     Hoe zwaar de reis naar Rome het onze Ignatios ook gemaakt werd, beladen met boeien en onophoudelijk opgejaagd door een cohort ‘Romeinse’ soldaten, leek het soms een triomftocht:
van alle kanten kwamen Christenen naar hem toe om afscheid te nemen van hun geliefde ‘Antiocheense‘ bisschop.
Soms werd er zelfs ‘een dreigende houding aangenomen’ en werd met wereldse normen de degens gekruist, maar Ignatios kalmeerde de gemoederen en vroeg dringend de naderende dood ‘niet‘ te verhinderen:
    Sta me toe een navolger in Christus te zijn in het lijden van onze God . . .
Laat mij maar voedsel zijn voor [het journaille] de wilde dieren, want daardoor zal ik God vinden.
Ik ben het tarwe van Christus, die gemalen wordt door de tanden der leeuwen,
om zuiver brood te worden voor onze Heer en Verlosser, Jezus Christus
”.

Apolytikion     tn.4.
Zoals gij opvolger zijt op de troon van de Apostelen,
hebt gij ook hun levenswandel nagevolgd;
en wat gij als Waarheid had beschouwd,
hebt ge in daden volbracht, door God bezield.
Recht hebt gij gesneden het Woord der Waarheid en
om het Geloof hebt ge zelfs uw bloed vergoten.
Bidt daarom tot Christus God,
bisschop, martelaar Ignatios,
opdat onze zielen mogen worden gered
”.

Troparion.    tn.3.
De lichtende dag van uw stralende strijd
kondigt de Goddelijke Geboorte aan.
Want in dorstende liefde aan Hem deel te hebben,
hebt gij u gehaast om door wilde dieren te worden verslonden.
Daarom wordt gij terecht Goddrager genoemd,
roemrijke hiëromartelaar Ignatios
”.