Orthodoxie en de roep des Heren

Storm op de levenszee

In deze tijd van het jaar, wanneer de winternachten het langst zijn,
is onze behoefte naar ‘het Licht’ intenser. 
Sommige mensen ervaren zelfs een bepaalde depressie veroorzaakt door een tekort aan zonlicht.
Hetzelfde overkomt ons, wanneer we door onze “lange, donkere nacht van de ziel” gaan, we snakken ook maar een kleinste sprankje van het genezende “Licht’ te mogen ervaren.
De grote profeet Isaiah schreef over een “Groot Licht” dat
op een dag zou komen om mensen uit de duistere duisternis te verheffen:  

            “Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot Licht;
over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een Licht.
Gij hebt het Volk vermenigvuldigd, Zijn Vreugde groot gemaakt;
het verheugt zich voor Uw Aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals
men juicht bij het verdelen van de buit.
Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder,
de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag.
Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel,  in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur
Isaiah 9: 1-4.

Wie/Wat is dit “Grote Licht” waarover Isaiah heeft geprofeteerd?
Het Licht zou komen in de vorm van een kind, dat uiteindelijk over de Volkeren zou regeren in Barmhartigheid en Gerechtigheid, gezeten op de troon van Zijn Voorvader, David, voor de eeuwigheid.
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en
de Heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst.
Groot zal de Heerschappij zijn en eindeloos de Vrede op de troon van David en
over Zijn [Hemels] Koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met
Recht en Gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.
De ijver van de Heer der heerscharen zal dit doen.
De Heer heeft een woord gezonden in Jaäcob en 
het is gevallen in Israël
Isaiah 9: 5-7.
Onze Heer roept onophoudelijk en klopt aan de deur van het hart:
Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; 
neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en
gij zult rust vinden voor uw zielen; 
want Mijn juk is zacht en
Mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
Onze Heer en Verlosser heeft gezegd:
Ik ben het Licht van de Wereld.
Wie Mij volgt, zal nooit in duisternis wandelen,
maar zal het Licht van het leven hebben” John.8: 12.
De profeet Isaiah is een bijzonder begenadigde dienstknecht des Heren.
Door in-spraken en in-gezichten openbaart de Heer hem hetgeen geschieden zal.
Diep wordt hij ingeleid in de kennis aangaande de toekomst van het God’s Volk [de Kerk]. Het is alsof de profeet is geleid op een hoge berg, vanwaar
hij de komende tijden kan overzien tot aan de verre, verre horizon.
Met het geestes-oog ziet hij een lange weg en  op die weg de volkeren van de wereld en temidden van die menigte, die schare ontward hij het kleine volk van het Verbond.
Isaiah ziet hetgeen in de toekomst openbaar zal worden onder God’s leiding,
Die het Hemel en aarde, de kosmos en al wat zich daarin en op bevindt bestuurt.
En bij het aanschouwen van die verborgenheden beeft zijn hart. Hoe kan het ook anders !

slachtoffers van oorlog en geweld – Canadese begraafplaats in Groesbeek

Het volk Israël [de Kerk] heeft zich van de dienst des Heren afgewend.
Zij hebben het Heilig Verbond ver-broken, zij doen geen moeite meer, kunnen het gewoon niet meer opbrengen.
Zij lopen wereldse goden na en doen al datgene wat God hen verboden heeft.
Zij hebben geen lust in het volbrengen van de geboden en de inzettingen des Heren. Immers het is veel aantrekkelijker jezelf te begeven in wereldse aangelegenheden; Recht en Gerechtigheid hebben zij verre van zich vervreemd.
    En het gehele Volk zal het ervaren, Ephraïm en de inwoners van Samaria, die
in hoogmoed en grootsheid van hart zeggen:
     ‘Tichelstenen zijn gevallen, maar met gehouwen stenen herbouwen wij;
wilde vijgenbomen zijn geveld, maar  ceders zetten wij daarvoor in de plaats’.
Doch de Heer verhief Resins tegenstanders tegen hen en Hij hitste hun vijanden op:
     Aram in het oosten en de Filistijnen in het westen, zodat zij Israel gulzig verslonden.
Ondanks dit alles keert zijn toorn zich niet af en blijft zijn hand uitgestrekt.
Doch het volk heeft zich niet bekeerd tot Hem die het sloeg, en
het heeft de Here der heerscharen niet gezocht
Isaiah.9: 8-12.

Je ziet het om je heen in welke stad vind je nog geen wolkenkrabbers als de torens van Babylon; we rennen met z’n allen de Moloch [- ‘iets waaraan alles wordt opgeofferd’ -] achterna. Wij hebben massaal het hart in ons verhard, zijn gevoelloos geworden en volharden in het kwaad.
Maar de profeet ziet toch óok nog stralen van Goddelijk licht vallen over de lange weg, de hij met z”n geestesoog volgen kan tot aan de gezichtseinder.
Immers er is in Israël [in de Kerk] nog een overblijfsel, dat de knieën voor Baal ‘niet‘ gebogen heeft.
Een rest, van wie gezegd kan worden, dat zij door voorkomende Genadegaven de getuigenissen des Heren genomen hebben tot een eeuwige erfenis.
            “  Heer, hoezeer bemin ik Uw Wet: deze is heel de dag in mijn gedachten.
Boven  mijn vijanden hebt Gij mij wijs gemaakt   door Uw Gebod, dat in eeuwigheid bij mij is. Ik heb meer begrip dan allen die mij moeten onderrichten, want Uw Getuigenissen zijn mijn overweging. Ik heb meer begrip dan de oudsten, want ik zoek steeds uw Geboden.
Bij elke weg tot kwaad heb ik mijn voeten weerhouden, opdat ik Uw Woorden zou vervullen.
Ik ben niet afgeweken van Uw Oordelen, want Gij hebt mij de Wet gegeven.
Uw Uitspraken zijn zoetheid voor mijn gehemelte, zoeter dan honing voor mijn mond. Door Uw Geboden heb ik verstand gekregen; daarom heb ik een afkeer van elke wet ter  ongerechtigheid.
Uw Wet is een lamp voor mijn voeten, en een licht op mijn paden.
Ik zweer en ben vastbesloten, om de Oordelen van Uw rechtvaardigheid te onderhouden.
Ik ben ten uiterste vernederd; Heer, maak mij levend volgens Uw Woord.
Aanvaard toch, Heer, wat ik vrijwillig opdraag met mijn mond;
Leer mij Uw Oordelen.
Mijn ziel is steeds in Uw handen: Uw Wet vergeet ik nooit
uit: Psalm 118[119] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Ach, hoe weinigen zijn er die zelfs in Israël [zelfs in de Kerk] . . . . .
Doch de Heer heeft hen gegraveerd in de palmen van Zijn handen.
Dat is de Heerlijkste Getuigenis, dat van hen gegeven kan worden.
Wanneer het oordeel over Israël [de Kerk] zal komen, zal ook hun weg wel in de diepte geleid worden. Velen van hen zullen mede in ballingschap weggevoerd worden.  Harde kastijdingen zullen hen niet onthouden worden.
Maar in dit alles zal de Heer hen toch niet verlaten. Immers zij zijn voor eeuwig de Zijnen. De schapen, die Zijn hand zal weiden.
Hen wil de profeet in het bijzonder bemoedigen.
Die last legt onze Heer hem op.
Ach, hoe regelmatig komt het niet voor, dat het erfdeel des Heren moet klagen:
Uit de diepten roep ik tot U, o Heer . . . ! Heer! hoor de stem van mijn smeking ; laat Uw oren aandacht schenken aan de stem van mijn smeking” uit: Psalm 129[130].
Wat zijn er niet een noden en bekommernissen, die hen van tijd tot tijd terneer drukken.  Dan is het: “ Mijn tranen strekken mij tot brood bij dag en bij nacht . . . Als ik daaraan denk smelt mijn ziel in mij weg” uit: Psalm 41[42].
Het kan de schapen, die Zijn hand weidt – zo bang te moede worden, als zij een Kruis van ziekte of smart, ja doodsangst hebben te dragen.
Zij kunnen er zo twijfelmoedig onder worden wanneer zij zien op de welvaart en welstand van de dwazen en de vrede van de goddelozen.
Dan zeggen zij bij zichzelf:
  Er is immers geen samenzwering om hen te doden; zij vinden steun in hun kwelling. Zij delen niet in het leed der mensen, zij worden niet als andere mensen geslagen. Daarom worden zij overheerst door hoogmoed, zij zijn bekleed met hun eigen onrecht en goddeloosheid …
Zij zeggen immers: Hoe zou God het weten? Is er wel kennis bij de Allerhoogste?…
Heb ik dan vergeefs mijn hart gerechtvaardigd, en mijn handen in onschuld gewassen?”
uit: Psalm 72[73] vert. ROK ’s-Gravenhage

arrenmoede; φτώχεια; فقر; poverty.

De verdrukkingen kunnen hen zó aangrijpen, dat ze moedeloos worden en hun eerste liefde verlaten. De zonde kan hen zó aanklagen, dat ze vrezen moeten kinderen der duisternis te zijn en verstoken van alle Genade.
Kom, zegt de profeet Isaiah op God’s bevel tot hen:
    Sterkt de slappe handen en verstevigt de knikkende knieën. Zegt tot de versaagden van hart: Weest sterk, vreest niet; zie, uw God zal komen met wraak, met de vergelding God’s; Hij zal komen en Hij zal u verlossen.
Dàn zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden;
Dàn zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe, en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen; waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen zijn.
Dáár zal een gebaande weg zijn, die ‘de Heilige Weg’ genoemd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn; reizigers noch dwazen zullen erop dolen
Isaiah 35: 3-8.
Na alle lichamelijke straffen en verdrukkingen ziet de profeet Isaiah ‘nieuwe tijden van gelukzaligheid aanbreken voor de schapen, die Zijn hand weidt.
In het verre verschiet ziet hij de heerlijke lichtglans van een nieuwe dag, die de Heer zal doen aanbreken voor al Zijn navolgers.
Voor Israël [de Kerk] zal de ballingschap in Babel 70 jaar duren. In die jaren van verschrikking zullen er vele zielen tot de Heer bekeerd worden.
Een deel van het volk zal nog tot inkeer komen en alle zonde en schuld voor de Heer leren belijden. Dan gaan zij nog de knieën buigen voor de Heilige van Israël om Hem te erkennen als Oppertoezichthouder.
Zó alleen kunnen zij gebracht worden tot de begeerte, dat de Heer hen zal aannemen, alle gruwelen van hen wegdoen, zover als het Oosten verwijderd is van het Westen.
Al het oude zal doen voorbijgaan en er zal een nieuwe Hemel en een nieuwe arde gevormd worden.

In de ballingschap zal de Heer Zijn kudde toch weer vergaderen en stellen onder Zijn heilige hoede: degenen, die reeds vóór de ballingschap Hem toebehoorden en degenen, die tijdens de grote verdrukking van 70 jaar Hem zijn toegebracht in de weg van vernedering en bekering.
Die allen noemt de Heer ‘Zijn Overblijfsel’.
En Jesaja aanschouwt in het gezicht, dat de Heer hen zal bestralen met Goddelijke lichtglans.  Hij zal hen voeren uit de gevangenis en doen wederkeren naar Zion.
        Daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend dier zal daarop komen; zij worden daar niet gevonden. Maar de verlosten wandelen daarop; De vrij-gekochten des Heren zullen weerkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd zijn, blijdschap en vreugde zullen zij verkrijgen, maar kommer, kwel en zuchten zullen wegvluchten“.
Isaiah 35: 9-10.
Welke heerlijke onvoorstelbare beloften mag de profeet Isaiah ons doorgeven als het Volk van God, als de navolgers van Christus.
Als de dagen der beproevingen voorbij zijn, zal onze Heer en Verlosser Zich keren tegen Zijn vijanden en tegen de vijanden van Zijn volk.
Dit is het, waarvan gebeden, ja gejubeld wordt :
    Komt, laat ons jubelen voor de Heer, laat ons juichen voor God, onze Heiland.
Laat ons voor Zijn aanschijn treden met belijdenis en met Psalmen juichen voor Hem. Want God is een machtig Heer, een grote Koning over heel de aarde.
In Zijn hand zijn de einden der aarde, en de toppen der bergen behoren Hem toe. Van Hem is de zee, Hijzelf heeft die gemaakt, het droge land hebben Zijn handen geschapen.
Komt, laat ons aanbidden en voor Hem neervallen; laat ons schreien voor de Heer, onze Schepper.
Want Hij is onze God, en wij zijn het volk van Zijn weide, de kudde van Zijn hand. Heden, als gij Zijn stem verneemt, verhardt dan niet uw harten, zoals in de verbittering, ten dage der beproeving in de woestijn.
Daar stelden uw vaderen Mij op de proef: zij beproefden Mij en toch hadden zij Mijn werken aanschouwd. Veertig jaar heb Ik dit geslacht verzorgd, en moest zeggen:        altijd dwalen zij in hun hart, zonder Mijn wegen te kennen’.

Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: zij zullen niet ingaan in mijn rust“.
Psalm 94[95] vert. ROK ’s-Gravenhage

Met gejuich zullen De schapen, die Zijn hand zal weiden weerkeren naar Zion.
Dat is geschied aan het einde van de Babylonische ballingschap; dat gebeurt nog dagelijks, -hier  en nu- wanneer de Heer de Zijnen opneemt in Zijn Heerlijkheid.
Dat zal eenmaal geschieden in de Jongste Dag, wanneer Christus zal weerkomen op aarde om te oordelen de levenden en de doden.
Jezus Christus onze Heer en Verlosser is gekomen en heeft voor hen de losprijs betaald, die aan Gods genoegdoening eisende gerechtigheid voldeed.
Niet door goud of zilver of door Macht en aanzien  heeft de Heer hen gemaakt tot Zijn eigendom, maar door het Heilig Bloed van de Goddelijke Zaligmaker.
Eerst waren zij vleselijk, verkocht onder de zonde.
Thans : een verkregen volk, een Heilig Volk,  verlost uit de machten der duisternis.
Isaiah heeft in het visioen twee grondwaarheden aanschouwd: oordeel en verlossing.

Ladder van Armando, vrijheidsmonument Amersfoort

Wat is jouw deel ? . . . . . Onderzoek het bij je-zelf!
Vreselijk is het zonder Christus te zijn. Buiten Hem is er geen zaligheid.
Heerlijk is het als een vrijgekochte des Heren te mogen weerkeren naar Zion.
Onze Heer wil via Zijn Goddelijke Geest door de Vader deze Genadegaven
rijkelijk uitdelen aan al degenen, die Hem met een oprecht hart aanroepen.
Want Hij is nog een Beloner van degenen, die Hem zonder ophouden blijven zoeken.

Comboskini, gebedssnoer

Blijf Hem daarom persoonlijk onophoudelijk aanroepen, zeg zo vaak mogelijk het christelijke Jezusgebed”
Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij, arme zondaar”,
hoe vaker je dit doet hoe meer de Genade van de Heilige Geest jou toewaait,
het geeft vrede in het hart in je ziel,
het doet het vuur van de Goddelijke Geest opbloeien en
de kracht om de strijd van het leven aan te gaan.
Onze Heer blijft roepen, Hij spoed je tegemoet.

Dit gebed is onmogelijk te zeggen indien je niet
de Genadegave van de Heilige Geest bezit, omdat
dit het Woord van God verkondigt, hetgeen zegt:
Daarom maak ik u bekend, dat niemand, door de Geest Gods sprekende, zegt:
Vervloekt is Jezus; en dat niemand kan zeggen: Jezus is Heer, dan door de Heilige Geest. 
Er is verscheidenheid in Genadegaven, maar Het is dezelfde Geest; en er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Heer; en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, Die alles in allen werkt”.
1Cor.12: 3-6.
Dat wil zeggen, dat niemand het gebed van het hart kan bidden en
onze Heer Jezus Christus kan aanspreken als “Heer, Meester en God”, tenzij
hij de Genadegave van de Heilige Geest heeft ontvangen.