Orthodoxie & Christus, onze God is het, die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg.

 Christus,                                        de enige Hogepriester

      Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in Waarheid.
        En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven,  opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld zal geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
En de Heerlijkheid, Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:
‘ Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld zal erkennen, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt
John.17: 18-23.

Christus tronend op de tronende Theotokos & de synaxis van de hemelse machten

 

      Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de Hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.
        Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.
Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven verslonden zal worden.
        God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en Die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
        Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Heer in den vreemde zijn
– want wij wandelen in Geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen.
        Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.
        Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder zal wegdragen wat hij in zijn lichaam verricht heeft2Cor.5: 1-10a.

Vervolgend:
Ik wil u verhalen en niet God’s Mysteriën voor u verbergen, want Hij is het, Die Wijsheid geleidt en de Wijzen richt op hun weg: in Zijn hand is alle Wijsheid en kennis en kundigheid.
Een verleidelijke vluchtweg naar opzij maar weet ons ook daar te vinden waar mensen er op gaan vertrouwen [zich willoos overgeven] dat macht of machtsverwerving bij het behartigen van ‘Christelijk belangen’ ons uit de crisis zou kunnen helpen; het blijkt dat ook deze vluchtweg een dwaalweg is.

De vroeg-christelijke kerk is al rond 300 een instituut geworden met vele geestelijken.
De kerk was in de steden zeker even groot geworden als de grootste broederschappen, vanwege het in stand gehouden ‘verdeel en heers’-systeem  werden er ook toen al veel armen onderhouden.
De hoofd- en bij-toezichthouders [bisschoppen, de prelaten] van de Kerk stegen in aanzien en toezichthouders, welke gekozen werd uit de monnikenstand [celibatair, hetgeen hen boven de gemeenschap stelde]; zij werden – ‘nèt zo’ – prestigieus als de uit de wereldse traditie afkomstige notabelen.
                  Vanaf het moment -na het edict van Milaan [313] welke iedereen de vrijheid van godsdienst gaf, groeide het aantal navolgers van Christus snel.
Ten tijde van keizer Theodosius [347-395] werd het christendom in 380 feitelijk de godsdienst van heel het oostelijk gedeelte van het Romeinse, dus het Byzantijnse Rijk [vanaf Clovis en ‘Charlemagne’ werd dit in het Westen geëvenaard].
1.]. De keizer schonk de Kerk openbare gebouwen, in grote steden volgens een rijksontwerp, de basiliek. Deze was afgeleid van de audiëntiezaal van de keizer, maar in plaats van de rechtersstoel van de keizer stond in de basiliek de rechterszetel van God.
2.]. De geestelijkheid werd vrijgesteld van belasting en kreeg voedsel toegewezen, welke het vervolgens alle armen diende te doen toekomen.
3.]. De hoofd- en bij-toezichthouders [bisschoppen] van de Kerk, welke toezicht hielden op de ware geloofsverkondiging door de spelleiders [de priesters] kregen toegang tot de gouverneurs van de provincie en de vooraanstaanden [de wereldse elite] om te pleiten voor de armen en de onderdrukten, maar bleven in werkelijkheid ondergeschikt aan de wereldse machten.
De kerk in de vierde eeuw gaf daarmee aan het volk de indruk belangwekkend te zijn, maar bleef voor de wereld van de macht van die tijd [Lat. ‘saeculum’ =eeuw] een randverschijnsel, d.w.z. een stroming die ijvert voor overgang van wereldse staat en maatschappij naar een hemelse staat en maatschappij – en dienden dienovereenkomstig buiten de wereldse werkelijkheid te staan.

Het is al eerder aangegeven, maar in de navolging van Christus, ook binnen de Orthodoxie, zitten modificerende – ‘nuance’ verschillen [zet maar 10 òf 500 Orthodoxen op een rij], welke de oorspronkelijke Apostolische Leer, toch een nadere vorm geven / geen gelovig mens, geen spelleider, geen toezichthouder is immers hetzelfde en het is maar goed ook, anders heeft onze Heer, Verlosser en God straks niets meer te oordelen.
Op deze wijze blijven er maar weinig gelovigen over, die werkelijk de leer van Paulus, tot in z’n ‘uiterste’ waarheden – kunnen onderschrijven.
De charisma, de genadegaven van de Heilige Geest, de geloofswaarheden, die de Geloofsleer onderbouwen, zijn met de doop over de geroepen navolgers van Christus uitgestort.
          Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn:
⇏⇏⇏ ontucht, onreinheid, losbandigheid, afgoderij, toverij, veten, twist, afgunst, uitbarstingen van toorn, zelfzucht, tweedracht, partijschappen, nijd, dronkenschap, brasserijen en dergelijke, waarvoor ik u waarschuw, zoals ik u gewaarschuwd heb, dat wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.
♥︎ Maar de Vrucht van de Heilige Geest is:
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing
Gal.5: 20-22.
Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met z’n hartstochten en begeerten gekruisigd en degene, die tot in uiterste hieraan voldoet mag ‘de eerste steen‘ werpen.
Zo zijn er – óók binnen de [Oosterse] Orthodoxie – mensen, die:
1.]. met beide benen op de grond zijn blijven staan; best bereid zijn ‘goede dingen’ voor anderen te doen; niet de persoonlijke geloofsovertuiging bezitten, die andere overtuigingen buiten sluit.
2.]. niet zoveel vaststaande overtuigingen bezitten en zeker niet bereid zijn daar strijd voor te gaan leveren.
3.]. daarentegen wel vaststaande overtuigingen bezitten, bereid voor het Geloof te strijden/te sterven, dwars tegen de eigentijdse overtuigingen, die het menselijke vreselijk overschatten, een strijd tussen no. 1 en 2, de rekkelijken en de preciezen.
4.]. ook heb je eigentijdse ‘poldermodellen’,  zij bezitten ‘eigen theorieën over het ‘hoe en waarom’ van on- en aangepastheid, al dienen hun argumenten, net als al het andere, met een flinke korrel zout worden genomen’.
5.]. daartegenover opnieuw, degenen, die overtuigd zijn van de bestemming van de mens, de rol van God in hun leven en de manier waarop zij hun Geloof vorm dienen te geven.
  De verrassende conclusie kan nu echter – ‘na zoveel eeuwen ‘godsdienststrijd’ – getrokken worden;
dat in de navolging van Christus,
óók binnen de andere Bloedgroepen van het Christendom, dezelfde nuanceverschillen bestaan en er dus eigenlijk uiteindelijk ‘helemaal geen verschil van beleving’ overblijft, nadat je de verschillende onderstromingen waarneemt.
We dopen, hebben een avondmaal, en van de anderen overgenomen vastenperiode, biecht, het kruisbeeld, zwarte kleding [soms zelfs nog met boortje], kerst- en paas- nachtelijke vieringen en iconen.
In feite bestaat er binnen de Christelijke poot van de wereldraad van kerken al een oecumenische mate van eenheid.
            Waar draait het ‘dàn ?’ uiteindelijk nog om en dàn komen we terug bij het vroeg-Christelijk Geloof en zijn wij – er gewoon door de verleiding van de tegenstrever – ingestonken en hebben ons eeuwenlang bezig gehouden met ons over te geven aan de hoogmoed en hebben ons in alle:
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing” ten opzichte van elkaar gewoon aan de verderfelijke “HOOGMOED” overgegeven.
Of wordt dit heden ten dage nog beschouwd als ‘vloeken in de Kerk’?
Sterker nog – in werkelijkheid worden binnen de verschillende bloedgroepen bestanddelen van de anderen en de oorspronkelijk christenen gebezigd, we zijn helemaal niet zo verdeeld, we zitten alleen maar vast in structuren, die wij in onze onnozelheid ‘van de wereld hebben afgekeken’.
Vanaf het edict van Milaan [313] welke iedereen de vrijheid van godsdienst gaf, is er een ‘geestelijke handicap’ ontstaan, zijn we ‘door de wereldse invloed’ gehersenspoeld, doordat we rangen en standen hebben laten ontstaan.
Er zijn ontwikkelingen,
– jà, we praten weer met elkaar en wisselen allerlei vriendelijke en beleefde ontmoetingen uit, maar
– van een doorbraak is geen sprake – blijf vooral zitten waar je zit – maar over een werkelijke assimilatie [volledige aanpassing] door onze posities op te geven kan geen sprake zijn.

Nu, dàt is hetgeen, waar onze christelijke bevolking en met name degenen, die de Kerk, de rug hebben toegekeerd, op zit te wachten,
de Kerk is voor de navolgers van Christus, ‘in Christus gebeiteld’, op Christus gefundeerd en niet op de een of andere prelaat.
‘“ Van het Koninkrijk van God” kan geen utopie gemaakt worden’, aldus D. Bonhoeffer vanuit z’n gevangenschap. We kunnen niet strijden voor het “Koninkrijk van der Hemelen”, wij kunnen het ook niet bouwen.
Dat is, zegt Bonhoeffer, ‘Schlechterdings unmöglich’ [D.= ’Erger nog onmogelijk’].
Wat de gemeenschap, die Christus navolgt, heeft te doen, is :’-bidden-‘ om “het Hemels Koninkrijk”.
Wij bidden in het onze Vader: “Gij Zelf, o God, de Vader dient Uw Rijk te geven”, wij kunnen het niet, wij zijn als mensen niet in staat over onze kleinmenselijke ‘hoogmoed’ heen te komen. God Zelf dient het Koninkrijk der Hemelen te doen komen.
    Hij is de Hemelse Koning, Trooster, Geest der Waarheid,
Die overal tegenwoordig is en alles vervult, Schatkamer van alle heil
[verlossing, welzijn] en schenker van het Leven”.
Hij dient ons te omkleden, wij dienen “overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden” – te verlossen, Hij dient Zich over ons te ontfermen.
Dat is het oorspronkelijke en pure gebed van het hart, zoals de inleiding’s-gebeden uiteindelijk in het “Onze Vader” eindigt en er alleen nog maar 12 x het “Heer, ontferm U” volgt, waarna  wij Vader, Zoon en Heilige Geest als eenheid toebidden:
Komt, laten wij aanbidden, onze Koning en God,
  Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor Christus, onze Koning en God.
  Komt, laten wij aanbidden en neervallen voor Christus Zelf, onze Koning en       God” en
Eer aan de Vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen.     Amen”.
De Gemeenschap van gezamenlijk navolgers van Christus neemt afstand van de utopie [het droombeeld, waarin alles ideaal is’] en keert in tot het waarachtig Geloof.  Zo zal zij ongetwijfeld de utopie anders terug ontvangen, maar de Gemeenschap in Christus neemt afstand van de wereld, zij doet afstand van de wereld.
De Gemeenschap in Christus zegt in navolging: “Uw Koninkrijk, God, onze Vader“, mag komen van Uwentwege en van Uwentwege alleen,
het Hemels Koninkrijk, o God, is totaal anders,
onvergelijk-baar met alles, wat wij mensen er van gemaakt hebben.
Het Koninkrijk, waar Vrede, Vrijheid en Recht voorgoed zijn veiliggesteld en waar God, deze God van het Verbond met de mensen, alles in allen, ons voor ogen mag staan, wij mogen er niet naar grijpen. wij mogen het Hemels Koninkrijk niet drijven, een bepaalde richting opjagen; het Koninkrijk der Hemelen jaagt ons in een bepaalde [waarchtige] richting. God is God.

De kern van de Blijde Boodschap, de Pedagogie van onze Heer en Verlosser, is het Koninkrijk der Hemelen, wat wij verwachten, het is nabij, het breekt binnen. Onze Heer en Verlosser roept niet alleen omdat Hij in Zijn Vader gelooft, maar Hij is Zelf dàt Koninkrijk der Hemelen in Persoon.
Onze bekering, ons om-keren, is tot dàt komen van God’s Rijk geen voorwaarde
[alsof het door bekeerde mensen zou dienen te worden verwerkelijkt], maar zij is er de consequentie, het onvermijdelijk gevolg van.
Indien het wáár is, dat zo’n Koninkrijk der Hemelen – een voor ons bestemd Rijk is -, dan wordt het hoog tijd eens anders te gaan denken, doen en leven.
Dat betekent dat we heel gewoon:
allemaal, van hoog tot laag, van prelaat tot beminde gelovige,
heel simpel: weer oud en vertrouwd ‘leerlingen’ worden,
horende horen, ziende ziend en Hem navolgen op Zijn weg,
want Christus is het Koninkrijk der Hemelen.

Zonder enige illusie evenwel of we nu gewijd zijn òf niet, òf er
nu een 3x “Axios, Axios, Axios” geklonken heeft;
ja, zonder illusie over ons ‘eigen’ lot, dat
wij in onze Heer en Verlosser voor ogen hebben.
Onze Heer en Verlosser werd gerechtelijk vermoord, omdat religie en politiek in het gebruikelijk menselijke monsterverbond, de menselijke gekte, de geestelijke gestoordheid, hoewel schijnbaar onschuldig, uiteindelijk tòch heel gevaarlijk vonden.
        De Wijsheid heeft Zich een Huis gebouwd,  zeven zuilen heeft Zij Zich gehouwen,
Haar vee heeft Ze geslacht, Haar wijn gemengd, Haar tafel gereed gemaakt.
Nu zendt ze Haar bedienden uit,  op de hoogste punten der stad dienen ze te roepen: ‘Wie onervaren is dient hierheen te komen en wie geen inzicht heeft, laat hem/haar tot bezinning komen: ‘Kom en eet van Mijn Brood, drinkt van de Wijn, Die Ik [God] gemengd heb. Laat uw onnozelheid varen en u zult leven, bewandel de weg van de Wijsheid!’” Spr.9: 1-6.
Het Christendom is geen pakketje van normen en waarden.
En indien dàt zo was, dan zouden véél méér mensen Christen worden en er geen vervolging meer zijn.
Johannes duwt ons met de neus op dit feit:
In het hart van het Christelijk Geloof staat slechts één Persoon‘.
Die persoon is Jezus, en zijn Naam [Hebr.=
יֵשׁוּעַ, Jesua] betekent: De Heer brengt uitzicht en redding, maakt ons rechtschapen, betrouwbaar en vormgevend [Hebr.= ג׳סכר, Gosher, Jeser].

Indien we de Persoon van onze Heer en Verlosser losmaken van Zijn woorden en er een Blijde  Boodschap uit afleiden, die we verkopen onder de noemer van ‘normen en waarden’, dan hebben we misschien wèliswaar iets moois, maar
dan hebben we geen Christendom meer.
Zoals was het in de periode van de Evangelist Johannes,
zo is het ook in onze tijd:
het Christelijk Geloof staat of valt met
de aanvaarding van de Persoon van onze God,
onze Heer Jezus Christus, Die wij
als Beeld en in gelijkenis trachten te volgen
’.

Apostelen van de 70, Heiligen Erastus, Olympus, Rhodion, Sosipater, Quartus and Tertius [Menologion of Basil II]
November 10e: Apostelen uit de 70;
Erastos van Corinthe, Olympos, Rhodion, Sosipatros, Quartos en Tertios.

Kondakion     tn.2.
Stralend door Goddelijk Licht
hebben jullie de netten van de geleerden verscheurd.
Jullie zijn waarachtige vissers van mensen geweest, die de volkeren tot de Meester hebt gebracht doordat jullie hen geleerd hebben de Heilige Drieëenheid te vereren,
roemrijke Apostelen van Christus
”.