Orthodoxie & het ‘onze’ Vader wordt niet alleen voor jezelf opgeëist.

Behorend bij onderstaande uitleg,
Evangelielezing van de zaterdag in de 4e Paasweek:
Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden:
‘ Als gij in Mijn Woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de Waarheid verstaan, en de Waarheid zal u vrijmaken’.
Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest; hoe zegt Gij dan: gij zult vrij worden?
Jezus antwoordde hun: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een ieder, die de zonde doet, is een slaaf der zonde. En de slaaf blijft niet eeuwig in het Huis, de Zoon blijft er eeuwig. Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet, dat gij Abrahams nageslacht zijt; maar gij tracht Mij te doden, omdat Mijn Woord bij u geen plaats vindt. Wat Ik gezien heb bij de Vader, spreek Ik; zo doet ook gij, wat gij van uw Vader gehoord hebt’.
Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. 
 Jezus zei tot hen:                   ‘Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham;
maar nu tracht gij Mij te doden, een mens, Die u de Waarheid gezegd heeft, Welke Ik van God gehoord heb; dit deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw Vader’. 
Zij zeiden tot Hem: Wij zijn niet uit hoererij geboren, wij hebben een Vader, God.
Jezus zei tot hen:
‘Indien God uw Vader was, zoudt gij ‘Mij’ liefhebben, want Ik ben van God uitgegaan en gekomen; want Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar Hij heeft ‘Mij’ gezonden’
John.8: 31-42.

Apostellezing van vrijdag 28 september 2018 Julian Calendar,
verkrijgbaar Orthodox Fellowship Saint John the Baptist:
available £4.00, ofsjbcalendar@gmail.com.

      En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken zal worden, om vrijmoedig het geheimenis van het Evangelie [de Blijde Boodschap] bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen.
[Eerst] Dàn zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.
       Opdat ook gij van mij moogt weten, hoe het mij gaat, zal Tychikus
[Gr.= ‘tuchè‘,’geluk‘, ‘gunstig lot‘; vergelijkbaar met het Latijnse. ‘fortunatus’, oftewel ‘Waarheidvriend‘],
mijn geliefde broeder en getrouwe dienaar in de Heer, u alles bekendmaken.
        Met dit doel heb ik hem tot u gezonden, dat gij onze omstandigheden zoudt weten en hij uw harten zou vertroosten.
        Vrede zij de broeders en Liefde met Geloof, van God, de Vader, en van de Heer Jezus Christus. De genade zij met allen, die onze Heer Jezus Christus onvergankelijk liefhebben“ Eph.6: 18-24.

  Soms schijnt een weg voor iemand recht [de juiste] te zijn,
maar het einde daarvan blijkt naar de dood te voeren
Spr.16: 25.

H. Cyprianos, Thascius Caecilius, ca. 200 – 258, bisschop van Carthago, martelaar

We hebben onze kinderen opgevoed en hen geleerd tot ‘onze Vader’  te bidden, de Heer en Meester over alle dingen. Veelal leerden wij dit gebed als een persoonlijk gebed, het was zó alledaags dat wij de inhoud op ònszèlf betrokken, niet bewust zijnde, beseffende dat:
‘Jezus Christus’, De Heer en Meester van ons leven in eenheid en vrede hier op aarde is gekomen om ons bij te brengen dat het gebed niet bedoeld is als privé aangelegenheid, zodat degene die tot de Vader zou bidden Hem alleen voor zichzelf zou opeisen.
  We zeggen immers niet ‘Mijn’ Vader, Die in de Hemelen zijt òf
geef ‘mij’ heden [deze dag en wel onmiddellijk] ‘mijn’ dagelijks brood;
  evenmin vraagt iedereen dat alleen zijn/haar eigen schuld hem/haar wordt vergeven;
  noch vraagt hij/zij alleen voor zichzelf, opdat hij/zij niet in verzoeking wordt gebracht,
  maar dat alle mensen verlost zullen mogen worden van de boze, het kwaad.
Ons gebed is een openbaar gebed en wanneer wij ons aangeleerd hebben dit te bidden, bidden we niet dit voor één persoon [onszelf], maar voor het gehele volk, omdat wij, als gehele mensheid, één mogen zijn.

God’s bestaan òf God’s rol in onze menselijke geschiedenis

De Schepping, The Canturbury Psalter, 1147 AD

We dienen in ogenschouw te nemen dat wij in onze hedendaagse orthodoxe gemeenschap gevoelsmatig heel erg gericht op vragen over religieuze verplichtingen en hoe deze op onze kinderen over te brengen. Wij hebben hierbij het doel voor ogen en zijn gericht op vragen over religieus geloof en hoe dat kan worden gecultiveerd, bewaard of misschien wel verloren gaat.
Wij vergeten hierbij het principe dat God, Heer en meester is, dat niemand ter wereld de Zoon kent dan de Vader, en niemand de Vader kent dan de Zoon en wie de Zoon het wil openbaren.
God roept ons op het moment welke Hij verkiest: “     Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is lichtMatth.11: 28-30.
In onze hedendaagse beleving zijn wij het niet meer gewend – af te wachten – tot God ons zover op Zijn pad heeft gebracht, dat wij voor Hem ‘open’ staan en onszelf geheel aan ‘Hem’ overgeven. Wij hebben onze ogen gericht op welvaart en welzijn, hoe wij dat binnen niet al te lange tijd zelf kunnen bewerkstelligen, door onszelf dusdanig te ontwikkelen dat wij de touwtjes in handen hebben en zijn daarom aan niemand verantwoording schuldig.
Maar bij God werkt dat anders, Die weet wel beter, Die geeft ons ons dagelijks brood op ‘Zijn’ tijd.
En wanneer Hij ons dan uiteindelijk ‘het dagelijks brood’ geeft, dan doet Hij er als het enigszins kan ook nog iets op, zodat je er van doordrongen wordt dat ‘Hij’, als God, de Heer en Meester van ons leven is.

Heilige Drieëenheid

Eenheid, vanuit het éne Verbond, de éne overeenkomst in navolging van Christus.
God, Die ons telkenmale Vrede wenst is de Meester van het overeengekomen akkoord, zowel het Oude als het Nieuwe Verbond, de Blijde Boodschap.
De Blijde Boodschap welke de eenheid heeft onderwezen, de onderlinge Liefde is namelijk het fundament van Zijn Pedagogie en Hij wilde dat men voor ‘iedereen’ zou bidden, net zoals Hij Zelf, één is met ons allen, ons allen vanaf den beginne heeft gedragen. 

De drie kinderen in de vuuroven hielden zich aan dit gebod, deze Wet toen zij op last van een despoot in een vuurzee werden ingesloten, verbleven zij daar al biddend met één stem en met één hart.
Ons Geloof als navolgers van Christus leert ons dìt in de goddelijke pedagogie en geeft ons in het Oude Verbond reeds een voorbeeld hoe wij dienen te bidden.
Wanneer Christus Zich dus terug trok op de berg en aldaar ging bidden geeft Hij ons overeenkomstig Zijn Traditie en bidt Hij nèt als de drie jongelingen. Wij dienen Hem daarin te volgen en wanneer wij bidden dienen wij nèt als de drie een hymne als uit één mond aan te heffen, zodat wij kunnen worden zoals Hij en zij. Wij, navolgers van Christus bidden als uit één mond en bieden ons menselijk onvermogen als uit één mond aan aan God, de Vader en zegenen al doende de Heer, die in eenheid is met de Vader en de Heilige Geest. De drie jongelingen in de vuuroven spraken uit één hart en één mond, ook al had Christus hen nog niet geleerd hoe te bidden.
    Heer, onze Heer, hoe wonderbaar is Uw Naam over geheel de aarde!
Want hoog boven de Hemelen is Uw Heerlijkheid verheven.
Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof toebereid
Psalm 8: 1-3

En dàt is de reden dat zij, terwijl zij baden, in hun gebeden werden verhoord en waren ze vruchtbaar, omdat een vredig, oprecht en geestelijk gebed de Barmhartigheid des Heren toekomt, dit Hem waard is/was.
Zo zien we ook de apostelen en de navolgers in de bovenzaal na de Hemelvaart des Heren bidden:
    Zij allen bleven eendrachtig bijeen volhardend in gebed, met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broedersHand.1: 14.
Ze gingen dus ééndrachtig dóór met bidden en toonden door de urgentie en de unanimiteit van hun gebed, dat God, die de bewoners van een huis tot één geest maakt, alleen maar Zijn  Goddelijke en eeuwige Thuis geeft aan degenen onder wie het gebed unaniem is.

Maar, geliefde broeders en zusters, welke diepe zegeningen zijn er wel niet in ‘het Onze Vader’ meegegeven! Hoeveel zijn het er wel niet en hoe grandioos is het samengesteld, in zo weinig woorden ondergebracht, maar zó ontzettend rijk aan spirituele kracht!
Er is niets dat niet in dit gezamenlijk gebed en onze smeekbeden te vinden is, als het ware een grote verzameling van hemelse leerstellingen.
Dus, heeft Christus ons geleerd, toen Hij zei: “Aldus dien je te bidden: “Onze Vader, Die in de hemelen zijt”.

Onze Vader, Die over Zijn Genadegaven in en vanuit de Hemelen beschikt.
De nieuwe mens, wordt Door God’s Genadegaven wedergeboren en teruggebracht tot God, en zegt vanaf het allereerste begin, Vader, want hij is zojuist begonnen God’s zoon te zijn. 

Hij kwam bij de zijnen en de zijnen accepteerden Hem niet. Maar voor hen die Hem wel accepteerden, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden, voor hen die in Zijn Naam geloven. Iedereen die in God’s Naam gelooft en Zijn zoon is geworden, zou hier dienen te beginnen, zodat hij kan danken en beweren dat hij God’s zoon is, door God zijn Vader in de Hemelen te noemen.
conf. commentaar op het Onze Vader, door H. Cyprianos, Thascius Caecilius,
bisschop van Carthago, martelaar [ca. 200-258 ná Chr.].

H. Cyprianos, Thascius Caecilius, ca. 200 – 258, bisschop van Carthago, martelaar – feestdag 14 september [kruisverheffing!]

De Heilige Cyprianos was een markante persoonlijkheid, vooral omdat hij als een oprecht mens z’n leven leidde en vriendelijk en verstandig als bisschop zijn Gemeenschap de juiste richting deed opgaan.

Cyprianos werd geboren als de zoon van een rijke familie in Carthago, Noord-Afrika, rond 200/220. Zijn ouders waren ongelovigen. Hij bekwaamde zich door het onderwijs dat in die tijd door rijke jongelingen veelal werd verkregen door zich voornamelijk te bekwamen in de retoriek. 

Met betrekking tot de vorm, de etiquette van die tijd werd het deskundigen alleen toegestaan hun kunstjes ten toon te spreiden bij officiële aangelegenheden, mensen die goed van de tongriem gesneden waren verkregen op die manier op eenvoudige wijze een hogere positie onder de mensen. Cyprianos werd zeer gewaardeerd vanwege zijn welsprekendheid, hij draaide nergens omheen, was ‘recht to the point’, kwam rechtstreeks ter zake, zoals men dat tegenwoordig uitdrukt.
Omstreeks 246, op ongeveer 40 jarige leeftijd, werd Cyprianos door God’s innerlijke roep opgewekt en bekeerde hij zich tot het christendom, mede dankzij zijn relatie met een priester genaamd Caecilius. De priester respecterend, die Cyprianus gedoopt heeft, voegde hij de naam van de priester aan zijn naam toe, Caecilius Thascius Cyprianus.

In zijn boek “Ad Donatum” [aan Donatos gericht] beschreef Cyprianus hoe zijn leven was verlopen, voordat hij zich tot het christendom bekeerde:
Als een blind mens liep ik in die tijd van links naar rechts, doelloos als in een pikdonkere nacht, vanuit m’n eigen hoogten in de zee van de wereld geworpen, die hoorbaar schuimt, die heel levend en dynamisch op je overkomt. Ik zweefde zonder de juiste kennis van het leven, ver van Waarheid en Licht verwijderd. Toen ik mijn gedrag op dat moment onder ogen kreeg, voelde ik me zwaar belast en onmogelijk in staat God’s geboden ten uitvoer te brengen, die mij op de weg naar de zaligheid zouden begeleiden”.

Nadat Cyprianus het Mysterie [RK= Sacrament] van de heilige doop had aanvaard en daadwerkelijk had ontvangen, bekeerde hij zich ook radicaal.
Zijn bezittingen en eigendommen werden zoals Christus de rijke jongeling voorhield aan de armen  uitgedeeld.
Daarop volgend onderging een turbo-ontwikkeling en werd twee jaar na zijn doop in 248 na Chr. gekozen tot toezichthouder [bisschop] van de Christelijke gemeenschap in Carthago, de hoofdstad van de Noord-Afrikaanse provincie.
Al heel spoedig leidde hij de gemeenschap aldaar naar rustige wateren.
In 249 besteeg keizer Decius de troon; deze Decius was een gepassioneerde persoonlijkheid, die het Romeinse rijk wilde redden dat bijna ingestort was door de aanvallen van de Germaanse naties.
Teneinde het Romeinse rijk te redden, achtte hij het noodzakelijk om zich eerst van de loyaliteit van al zijn ondergeschikten te verzekeren.
Christenen zouden immers ontrouw zijn aan de staat, omdat zij niet aan de cultus van de keizer deelnamen. Hij beeldde zich in dat de afwezigheid van christenen aan de cultus van de keizers de goden boos hadden gemaakt op het eens zo machtige rijk. Hij nam daarbij aanvankelijk voor zich te richten op de kerkleiders , teneinde hun invloed op het volk af te remmen.
Cyprianos nam daarop de beslissing Carthago te verlaten – zich voor deze overmacht te verstoppen – zodat de kerkgemeenschap haar leider zou verliezen. Deze daad werd door de Romeinse geestelijkheid veroordeeld als een minder gedurfde daad, maar later bleek deze daad toch de meest verstandige te zijn geweest. Cyprianos ging ertoe over zijn gemeente vanuit zijn schuilplaats te voorzien van Catechese, godsdienst-onderwijs door middel van schriftelijke het ontvangen en versturen van brieven.
               Nadat keizer Decius gestorven was, pakte Cyprianos zijn taak weer op en gaf hij opnieuw leiding en hield hij toezicht op de bevordering van de Christelijke Leer.
Er was een geschil in de kerk ontstaan over degenen die als gevolg van de vervolgingen van Decius afvallig geworden waren, doch spijt hadden betoond en wilden terugkeren naar de gemeenschap van de Kerk.
Over het algemeen is de algemene Christelijke Gemeenschap geneigd twee houdingen aan te nemen: De aanvankelijke houding is dat de Kerk hen niet opnieuw zou willen accepteren en vervolgens de houding om van hen onvoorwaardelijk terugkeer te verlangen.
Cyprianus koos de middenweg, de afvalligen kregen na een lange periode van spijtbetuiging de mogelijkheid op hun schreden terug te keren en werden weer als volwaardige leden in de gemeenschap opgenomen.
➥   De laatste jaren van zijn leven kwam Cyprianos hierbij op gespannen voet te staan met Stephanos, de bisschop van Rome, over de aan- of afwezigheid van ketterij bij de Christelijke doop. Volgens Cyprianos was de ketterse wijze waarop gedoopt werd absoluut ongeldig.
In plaats daarvan betoogde Stephanos dat iedere vorm van de kerkelijke doop van ketterijen legaal was.
De basis van Cyprianos’s betoog is dat niemand buiten de Apostolische Kerk het Mysterie [RK=  Sacrament] zal mogen toedienen.
Ketters hebben zich namelijk van de Kerk afgekeerd, hebben zich door zich af te zonderen van de bisschop aan de Apostolische verbintenis onttrokken en staan daarop buiten de Kerk, het Lichaam van Christus en mogen zich als zodanig niet langer Christen noemen.
Cyprianos was er derhalve van overtuigd dat:
    De Bisschop als toezichthouder tot de Christelijke Kerk wordt gerekend en de Kerk zich via de verbintenis aan de toezichthouder verbonden weet met Christus, indien de toezichthouder, bisschop ontbreekt, staat iemand derhalve buiten de Kerk”.
Er bestaat geen redding buiten de Kerk, het Lichaam van Christus [Extra ecclesiam nulla sallus], volgens Cyprianus, m.a.w. de Kerk is de moeder van de navolgers van Christus, de gelovigen.
            Stephanos wilde de kerk in Afrika dwingen de traditie van de Roomse kerk als een universele traditie te volgen. Gelukkig ging Stephanos hemelen, zodra dit conflict begon en onderging  Cyprianus al spoedig de marteldood, dus ontstond er geen schisma, verdeeldheid tussen de Roomse kerk en de Kerk in het Noordelijk Afrika.

➥   Bovenstaand conflict spitste zich tevens toe omtrent het primaat van de jurisdictie van de bisschop van Rome, zoals in onze dagen nog steeds opnieuw de kop op steekt. De ene mens probeert zich boven de ander te verheffen en dat terwijl slechts Christus het hoofd van de Kerk is. God leidt de Kerk op al haar wegen in ‘wederzijdse trinitaire Liefde’ en op deze wijze dienen de toezichthouders dit zowel ten opzichte van hun collega’s als ten opzichte van het kerkvolk te handhaven. Geen mens kan zich in de Kerk dus beroepen de eerste onder gelijken te zijn, hetgeen immers vanuit het  menselijk oer-instinct wordt omgevormd tot ‘de eerste onder ongelijken’. Zie daar de mens, die God probeert in juist vaarwater te leiden.

➥   ➥   ➥   Het primaat van de bisschop van Rome werd door Cyprianos besproken in zijn boek “De Unitate Ecclesiae” [De Eenheid van de Kerk].
Hij maakt hierbij duidelijk dat toezichthouder van de verschillende gemeenschappen, de bisschop de vertegenwoordiger en garantie – is/was en zal zijn – voor eenheid van de Kerk, omdat hij met vrienden in het ambt van de bisschop in een onderlinge [Goddelijke] Liefdesrelatie verbonden is vanwege de basis van zijn positie, het ambt van de Apostelen. Van de Apostelen was het Petrus die slechts in zijn persoon een speciale positie verkreeg, omdat hij de macht kreeg om in alle vrijheid te vergeven en te ontbinden. Omdat die macht wordt overgegeven door Christus en slechts aan één Apostel is verstrekt, betekent dit dat de eenheid van de Kerk door Christus is gevestigd.
Cyprianos trok daaruit echter ‘niet’ de conclusie dat Petrus hiermee de macht, als ware het een rechtsmacht, verkreeg over andere apostelen en de beminde gelovigen. 
Evenmin heeft hij geconcludeerd dat de bijzondere macht van Petrus [als een erfrecht] werd  overgedragen aan zijn opvolger, de bisschop van Rome.
De Romeinse congregatie werd slechts speciaal geëerd omdat Peter aldaar gewerkt heeft en daar ook gestorven is.
Het recht van de bisschop van Rome om rechtstreeks in een andere kerk tussenbeide te komen door bevelen te geven, werd [en wordt nog steeds door een ‘groot’ deel van de Kerk, waaronder de Antiocheens Ortodoxe Kerk] door Cyprianos absoluut van de hand gewezen. Verbintenis met God aangaan is een liefdesband en kan nimmer door menselijke geldingsdrang de boventoon kunnen voeren.

In 257 brak de vervolging op de Christenen opnieuw uit onder het bewind van keizer Valerianus. Echter nu probeert Cyprianos niet weer opnieuw te hieraan te ontkomen. Cyprianus werd berecht door de gouverneur van Afrika, Paternus, in een hal in Carthago.
Dapper verweerde Cyprianus zichzelf, ten eerste als volgeling van Christus en vervolgens als toezichthouder van de Christelijke Gemeenschap in Carthago.
Cyprianos verklaarde dit als volgt:
Ik ben Christen, zowel als toezichthouder, bisschop.
Ik erken geen andere goden behalve de ene en ware God,
Die de Hemelen en de aarde, de zee en al wat er bestaat heeft gemaakt.
Wij christenen dienen God; tot Hem bidden we dag en nacht
voor onszelf en voor iedereen en voor de veiligheid van de de despoot, de keizer zelf
”.
Vanwege deze bekentenis werd Cyprianus verbannen naar de stad Curubis en hij verbleef daar een periode.
Vervolgens werd Paternus vervangen door Galerius Maximus die Cyprianos opriep om opnieuw te worden berecht; Cyprianos bleef staande in zijn Geloof.
Maximus veroordeelde Cyprianus tot de dood en deze antwoordde op het vonnis door te zeggen: “Goddank!”.
Cyprianus diende God op 14 september 258 door een marteldood te ondergaan.
                 Eer aan God in de Hoge en Vrede op aarde aan de mensen van goede wil”;
Alheilige, Moeder van God, bidt God voor ons allen, om onze zielen te redden?“.