Orthodoxie & de liefdesverhouding buiten het Verbond en het toegeven dat men iets verkeerd heeft aangepakt.

Met de eerste maand van het jaar zijn we een nieuw seizoen binnengegaan en indien we dan één fundamentele kwestie serieus nemen, dan is het de verlossende Kracht van een persoonlijke of publieke biecht.
Zoals dat in Orthodoxe kringen genoemd wordt ‘het is en blijft een Mysterie‘, de uitwerking, die hierdoor in het verborgene plaatsvindt.
En als er één mens in de Blijde Boodschap beschreven wordt, die hier een voorbeeld van deze verlossende Kracht toont, dan is dat ‘David’.
David is de oer-ervaring van het diepste binnenste, datgene wat zich altijd als heer en meester [het ego] van de mens probeert te verheffen, teneinde de ondergang van zijn bestaan te bewerkstelligen.
Overweeg daarbij allereerst Psalm 50[51], waarbij de liefdesverhouding  buiten het Verbond wordt toegegeven en waarin de mens het uitjubelt dat hij/zij gered mag worden. David het archetype, de symbolische voorstelling, die in het onderbewustzijn van alle mensen aanwezig is, is belast met de erfzonde. 

Er zijn vijf ‘vooruitzichten‘ op te noemen van David’s ongerechtigheden en die hem er in eerste instantie aanzetten, absoluut niet toe te geven, dat er iets verkeerds is gegaan [zie: 2Sam.11].
Een mens laat zich nu eenmaal moeilijk iets gezeggen, indien hij/zij op onvolkomenheden wordt aangesproken, dat zit ingebakken vanaf de schepping.

1.]. Hij had seksuele relaties met Bathseba [Hebr.= ‘dochter van een eed’], een vrouw die getrouwd was met zijn gezagsgetrouwe officier Uria [Hebr.= ‘licht van de Heer’] de Hethiet [Hebr. nakomeling van Heth = ‘schrik‘; 2Sam.11: 2-4].

2.]. Nadat van Bathseba[Hebr.= ‘dochter van een eed’] vernomen werd dat ze door David’s toedoen zwanger was, probeerde hij de afkomst van het kind te verstoren door Uria ertoe te brengen een echtelijk bezoek te brengen aan Bathseba [2Sam.11:  5-13].

3.]. Na het falen van dit eerste plan, pleegde hij doodslag door bevelen te geven aan zijn generaal Joab die het leven van Uria [en die van anderen] onnodig in gevaar bracht [2Sam.11: 14-25].

4.]. David veroorzaakte daardoor dat Uria – en anderen die die dag zijn gevallen – een waardige dood sterven.

5.]. David nam Bathseba onmiddellijk na de rouwperiode als vrouw, waardoor de Halacha [het practisch Joodse Recht ] werd overtreden door een wachtperiode van drie maanden op te leggen om het vaderschap te verduidelijken [2Sam.11: 27].

Waar tref je een nog dramatischer illustratie aan, notabene in de Blijde Boodschap van hoe een ontwijken van een bekentenis, het toegeven dat men iets verkeerd heeft aangepakt de neiging doet opkomen een misdaad te verdoezelen en tegelijkertijd te verergeren?

Maar als bovenstaande antwoorden van David op de zonde een discipline gaat worden, verwordt het tot een stelselmatige reactie wanneer iemand op z’n fouten gewezen wordt – en z’n omgeving hem daarin uit onderhorigheid ondersteunt, ja, dàn verwordt dìt tot een ontkenning van het Mysterie, de verlossende Kracht van de Biecht.

King Saul & King David

In tegenstelling tot Saul die door de schuld van zijn falen op anderen af te schuiven, [om berisping van de profeet Samuel’s] te reageren [1Sam.15: 20-21].
Vergelijk dit derhalve met:
      En de Heer zond Nathan [Hebr. = ‘een aangever‘] tot David [Hebr. = ‘de  geliefde‘]. Deze kwam bij hem en zei tot hem:
  Er waren in een stad twee mannen; de een was rijk en de ander arm. De rijke had zeer veel schapen en runderen; de arme had niets, behalve een klein ooilam dat hij had gekocht en opgekweekt. Het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen; het at van zijn bete, dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot, het was hem als een dochter. 
Eens kreeg de rijke man bezoek; en hij kon er niet toe komen, een van zijn schapen of runderen te nemen en te bereiden voor de reiziger die bij hem was gekomen; dus nam hij het ooilam van de arme man en bereidde dat voor de man die bij hem gekomen was”.
Toen ontbrandde de toorn van David zeer tegen die man en hij zeide tot Nathan:
  Zo waar de Heer leeft: de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods’”
2Sam.12: 1-5.

David aanvaardt de volledige schuld als hij wordt geconfronteerd met de profeet Nathan.  Zoals opgetekend biedt David slechts een eenvoudig antwoord:
Ik heb gezondigd tegen de Heer, onze God 2Sam.12: 13.
En als deze versie van David’s bekentenis perfect is in zijn eenvoud, dan komt dit tot uitdrukking in de Psalm, die in iedere Orthodoxe dienst wel aan de orde komt en die we eigenlijk allemaal van buiten dienen te leren reciteren [eerst dàn begint het voor je te leven]
Een Psalm van David, toen Nathan de profeet naar hem toe kwam nadat hij naar Bathseba was gekomen is perfect in zijn welsprekendheid:
    Ontferm U over mij, o God, in Uw grote Goedheid en delg mijn ongerechtigheid uit door de overvloed van Uw Barmhartigheid” Psalm 50[51]: 1,2 vert. ROK ’s-Gravenhage.
In dit ontroerende gebed om mededogen en barmhartigheid in
    Was mij geheel van mijn ongerechtigheid en reinig mij van mijn zonde” Psalm 50[51]: 3, gebruikt David zeven keer het woord het of de “zonde” om naar zijn daden te verwijzen en het als een woord, waarop men zich dient te richten teneinde het doel van het gedicht vast te stellen.
Er wordt door divers woordgebruik dertien totale verwijzingen naar de zonde, welke waarschijnlijk  verwijzen naar de dertien attributen van Gods Genadegaven:
      De Heer ging aan hem voorbij en hij riep:
   Heer, Heer, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar [de schuldige] houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid van de vaderen bezoek-ende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslachtEx.34: 6-7.

Is dit niet tot God verheffende literatuur, die oproept je in je binnenkamer terug te trekken en het gebed van het hart te reciteren: “  Heer Jezus Christus, Zoon van de levende God, ontferm U over mij zondaar”; hoe kun je nog een ander boek ter hand nemen?.

Maar nu gaan we nog een stapje verder en komen op het punt van de biddende Kerk. Een gemeenschap van návolgers van Christus is een biddende gemeente.
Ook als ze samenkomen dan vormen ze samen die biddende gemeenschap rond het Woord.  Dat bidden doen ze niet passief, de leden van die gemeenschap zijn daar actief bij betrokken.
In de meeste  kerkdiensten van tegenwoordig zijn wij dat niet meer gewend.
Wanneer wij samenkomen in ons onderkomen, òf die nu in eigendom is verkregen òf niet, dàn is er maar al te vaak één persoon, die voorgaat in gebed, de spelleider of zoals je wilt de priester, pastor of dominee.
In de vroeg-christelijke kerk was dat anders.
Die oorspronkelijke Kerk, waar de Orthodoxe Kerken zich onafgebroken op beroepen, bestond uit kleine huisgemeenten, hooguit 100 gezinnen, die wekelijks op een centraal punt samenkwamen.
En waneer zij een eredienst hadden, dan mochten ‘alle’ gemeenteleden ‘– méé – ‘ bidden, de mannen, zowel als de vrouwen.
Wèl werd de samenkomst voorgegaan door ‘een oudste’, een spelleider, iemand dient toch het voortouw te nemen, of niet soms?
En die spelleider kreeg een toezichthouder, in navolging van de initiërende Apostelen, die haast ‘niets’ bezittend en met hun stok en hun staf [ ‘ja. dezen zijn mijn troost’, psalm 22(23)] de navolgers van Christus bezochten en toezicht hielden of de Leer wel juist verkondigd werd.
Dat was het ‘in den beginne’, het principe van de Heilige Katholieke en Apostolische Kerk.
Zij verkondigden een leer, een Pedagogie van de Éne, Die in hun midden is:

Christus, Verlosser van de wereld

Één is heilig, één is Heer: Jezus Christus, tot Heerlijkheid van God de Vader. Amen”.
En dan ontwikkeld zich een proces wat in de menselijke belevingswereld is ingebakken:
        Toen Samuel oud geworden was, stelde hij zijn zonen aan tot richters over Israël.
De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël [Hebr.+ ‘voor wie de Heer God is’], die van de tweede Abia [Hebr.= ‘mijn vader is de Heer‘]; zij waren richters te Berseba [Hebr.= ‘ put van de zevenvoudige eed’].
Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; zij waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht”.
Dat gebeurde in de oudheid, dat gebeurt er nog steeds in ònze Christelijke historie, dat gebeurt “hier en nu”, want dat is ingebakken, dat is door God in het menselijk onderbewuste meegegeven.
Maar hoe kan ik dàn de betekenis van het vers vaststellen:
En zij zochten naar onrechtvaardige winst”, wat aangeeft dat zij zondaars waren? Dat betekent dat zij zich niet hebben gedragen [en nog steeds niet gedragen] in overeenstemming met de acties van hun voorvader[en].
Als Samuel [Hebr.= 
van God gebeden, ‘van God afgesmeekt’zou de rechtvaardige reizen naar alle plaatsen waar ‘het volk van Israël [de Kerk] Zich bevond en zat in het oordeel in hun steden’, zoals staat vermeld:
“En hij ging van jaar tot jaar in circuit van Beth-El [Hebr.= ‘huis van God‘], en Gilgal [Hebr.= ‘wiel of rollend’ en Mitzpa [Hebr.= ‘wachttoren’], en richtte [beoordeelde] Israël [de Kerk] op al die plaatsen “1Sam.7: 6.
En/Maar zij deed dit niet, dat reizen van plaats tot plaats. Integendeel, zij zaten in hun ‘eigen’ steden om de vergoedingen te verbeteren die door hun bedienden en schriftgeleerden werden verzameld. Daarom schrijft het vers hun de aan-sprakelijkheid toe alsof ze gezondigd hadden door ongehoorde aanwinsten en steekpenningen te zoeken, tot eigen eer en glorie !!!

goed & kwaad

God heeft de mens meegegeven dat hij/zij persoonlijk afwegingen diende te maken, de keuzevrijheid heeft en zal hebben om ‘goed en kwaad‘ te doen en het één van het ander te onderscheiden.
Dat is voor Christenen het tweeledig gebod van de Liefde,  enerzijds tot God en tegelijkertijd tot de naaste.
In het oude Testament [Verbond] werd dit omschreven in de Wet, voor de meesten bekend als de 10 Geboden en voor insiders de 613 regels van “het pad” of “de manier van hoe je je weg gaat, vervolgt” het boek Leviticus [Hebr.= ‘De Heer riep’ (‘ons’)].
Vervolgens zegt Petrus:
      Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk [aan God] ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar Licht: u, eens niet Zijn volk, nu echter God’s Volk, eens 
zonder ontferming, nu ìn zijn ontferming aangenomen.
      Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke 
begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel; en dat gij een goede wandel leidt onder de heidenen, opdat zij, nader toeziende op datgene, waarin zij u als boosdoeners belasteren, op grond van uw goede werken God mogen verheerlijken ten dage der bezoeking.
       Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om wille van de Heer: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie ‘goed’ doen. Want zó is het de Wil van God, dat gij dóór ‘goed te doen’ de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid ‘misbruiken’ tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief1Petr.2: 9-17a.

 

uit Liefde de handen ineen slaan

Nu is de Kerk ‘oud en belegen’ geworden en is door de jaren heen tot een instituut verheven, die de Goddelijke Boodschap in de wereld behoort te bewaren; door al die wir-war van de omstandig-heden is zij helaas hopeloos verdeeld geraakt.
Wij, gewone en eenvoudige gelovigen, willen evenwel gemeenschap hebben met ‘de énige wáre God’, zodat Hij onze geest inspireert, ons denken beïnvloedt en vernieuwt.
Wanneer wij ‘Hem’ dus als voorwerp van verering aanbidden, willen wij ons eerst met Hem  identificeren, teneinde geen vreemde goden te dienen. Wij willen ‘Hem’ aanbidden in Geest en in Waarheid.
             Toch beroept ieder van de Christelijke groeperingen Zich op/tot een eigen Waarheid en proberen zich als het enigszins kan ‘gróter’ voor te doen alsof ze God Zelf zijn. De verdeeldheid is alom en niemand durft de ander een stro-breed toe te geven. Zo het mogelijk is kent ‘de verdeeldheid‘ zijn weerga niet, de Kerk is tot het bot van haar geledingen net zo verdeeld als de mens en dat steken we niet onder [kerk-]stoelen òf [kerk-]banken.
             De opvolgers van de Apostelen volgen hetzelfde pad als de zonen van Samuel; ’hun zonen wandelden niet naar God’s wegen; zij zijn op winstbejag uit, nemen geschenken aan en buigen voor het recht’.
Zij onderwerpen zich méér dan ooit aan alle menselijke instellingen, in Naam van de Heer:
hetzij aan de wereldse overheden, als opperstalmeester,
hetzij aan de ontwikkelingsmaatschappijen/ de banken [als stadhouders] als door God gezonden tot bestraffing van boosdoeners.
          Kerkgebouwen en bijbehorende bezittingen worden voor ‘grof’-geld verkocht en indien dit niet gelukt worden makelaars benaderd om maar zo veel mogelijk rendement uit hun bezittingen te distilleren.
             In de drang naar groei en meer worden verkregen middelen [veelal met dubbeltjes en kwartjes voor God’s doeleinden bij-een-geharkt] te gelde gemaakt teneinde een verdronken kalf uit de put te redden.
            Nu is het niet verwerpelijk voor de mens de gedachte te koesteren om eenmaal aan het beeld van God gelijkvormig te zijn, want Johannes schreef en Paulus verkondigde:
Wij zullen aan Hem gelijk wezen, die het ‘geen roof behoefde te achten
aan God even gelijk te zijn”
Phil.2: 6.

De [eind-]tijd komt echter dat God alles in allen zal zijn – dóór en vóór – de mensheid zal denken, eerst dàn zal er sprake zijn van Oecumene, in zowel spreken als handelen.
De gelovige mens is uiteindelijk tot een zéér hóge roeping uitverkoren, want hij is bestemd om als woning van God te dienen.
            Toch dìt alles bereikt de mens en haar Kerk ‘niet’ door geld te genereren, maar door een ontwikkelingsproces. Wanneer hij/zij zich aan de Waarheid houdt, groeit hij/zij als vanzelfsprekend ‘als kool‘ naar dit doel toe:
      Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neer, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt,  maar dan groeien wij, ons aan de Waarheid houdende, in Liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele Lichaam als een wel-sluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de Kracht, die elk lid op zijn [eigen-]wijze [be-]oefent, deze groei van het Lichaam [des Heren],
om Zichzelf op te bouwen in de Liefde
Eph.4: 14-16.

De Schepping, The Canturbury Psalter, 1147 AD

            Het is dan ook geen wonder dat Adam en Eva ná hun daad van ongehoorzaamheid wegscholen tussen het geboomte van de hof van Eden.
Zij ervoeren wèlzéker dat hun verhouding met God veranderd was. Ze waren bevreesd dat God hen zou straffen, wellicht zou willen doden; met het maaiveld gelijk zou willen maken. Zij geloofden immers dat Hij eveneens kwaad zou kunnen doen.
Hij maakt dood en Hij maakt levend! 1Sam.2:6.
            Alsof de Heer, onze God iemand zou doden! Heeft Hij niet Zijn eigen Zoon geschonken, “opdat deze door Zijn dood hem, die macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij waren gedoemdHebr.2: 14,15.
          De Heer is immers een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst.
De boog van de helden
[de toezichthouders, als zij niet veranderen] is verbroken, maar de wankelende [degene, die ondanks alle tegenstand het ‘oorspronkelijk Geloof’ heeft bewaard] is met Kracht omgord.
Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten.
Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt.
De Heer doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen.
De Heer maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk,
om hem te doen zitten bij edelen en een erezetel te doen verwerven
“ 
1Sam.2: 3b-8.

Het doen en laten van de meeste kerkleiders spreekt momenteel boekdelen, zij geloven er zèlf niet meer in en durven ‘ – onmogelijk – ‘ toe te geven dat zij zelf – ‘ook maar iets’- verkeerd hebben gedaan.

  Ons vóór-land is ons bloed:
Voor gelovigen uit de Lage Landen is het een etiquette, een ongeschreven wet, dat je je mond open doet, wanneer de Vrijheid [en de Vrijheid van Geloof] op wàt voor gebied dàn óók, door machtsmisbruik verkracht wordt. Dan hou je je mond niet langer en wanneer er ‘dan nog’ door ontwijkend manoeuvreren getracht wordt aan verandering te ontkomen dan publiceer je het gewoon, hetgeen dan bij deze is gedaan.

Heer, Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid“.

  Psalm
  Heer, verhoor mijn gebed, luister naar mijn smeking in Uw waarachtigheid. Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed niet in het gericht met Uw dienaar.
Immers, niemand der levenden, kan zich rechtvaardigen voor Uw aangezicht.
De vijand heeft mijn ziel vervolgd; mijn leven vernederd tot op de grond. Hij doet mij neerzitten in het duister, evenals de doden van eeuwigheid.
Nu is mijn geest in mij beangst; mijn hart is bevreesd in mijn binnenste. Maar ik herinner mij de dagen vanaf den beginne; ik overweeg al Uw werken.
Ik denk aan de daden Uwer handen; Ik strek mijn handen naar U uit. Mijn ziel dorst naar U, als een land zonder water; verhoor mij spoedig, Heer, mijn geest versmacht.
Wend Uw aangezicht niet van mij af, anders wordt ik gelijk aan wie afdalen in het graf. Doe mij in de ochtend Uw barmhartigheid horen, want op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
Heer, doe mij de weg kennen die ik moet gaan, want tot U heb ik mijn ziel verheven.
Bevrijd mij van mijn vijanden, Heer, want tot U heb ik mijn toevlucht genomen.
Leer mij Uw wil te doen, want Gij zijt mijn God.
Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar land; Heer, doe mij leven, omwille van Uw Naam.
Gij voert mijn ziel uit de verdrukking, in Uw rechtvaardig­heid; Gij verstrooit mijn vijanden, in Uw barmhartigheid. Gij verdelgt allen, die mijn ziel verdrukken: ik ben immers uw dienaar.
            Verhoor mij in Uw rechtvaardigheid, en treed  niet in het gericht met Uw dienaar; Uw goede Geest geleide mij in een vruchtbaar landPsalm 142[143] vert. ROK. ’s-Gravenhage.

  aangever tot gebed:
    Heer,
Die bewerkt dat iedere ziel op aarde aan U gelijkwaardig wordt;
Die slechts wilt dat Uw Rijk van de Hemelen op aarde gevestigd wordt;
Die slechts wilt dat wij onze inzet erop richten om het goede te bewerkstelligen;
Die de duisternis in ons hart verlicht.
             Dat ik mag toezien op mijn eigen zielenheil en
             de angel uit m’n verderfelijk bestaan mag boeten;
             Dat het goede het kwaad mag overwinnen;
             Dat ik slechts beoordelen mag diegene die om wat voor reden ook rechtvaardig is;
             Dat ik U als rechtvaardige en gerechte Heer en Meester van mijn leven mag liefhebben.
Heer, begeleid mij in al wat in mij leeft, laat mij onbekommerd zijn als een kind, die niet langer angstig is, omdat het onbevooroordeeld weet hoe Liefde werkt.
Het kind in ons wordt ons de van God gegeven Pedagoog, Die elk stekje hier op aarde met meer instinct en liefde omringt dan Z’n eigen Zoon, Die voor ons geleden heeft en Zich verheugt wanneer het onderste in ons boven komt.
En wanneer je dan bij het laatste woord komt,  blijkt alles goed te zijn
”.