14e September – Orthodoxie & het feest van Kruisverheffing

      Toen dan de overpriesters en hun dienaren Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden: ‘Kruisigen, kruisigen!’.
Pilatus zei tot hen: ‘Neemt gij Hem en kruisigt Hem: want ik vind geen schuld in Hem’.
De Joden antwoordden hem: ‘Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf God’s Zoon gemaakt’.
Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd en hij ging weer het gerechtsgebouw binnen en zei tot Jezus: ‘Waar zijt Gij vandaan?’.
Maar Jezus gaf hem geen antwoord.
Pilatus dan zei tot Hem: ‘ Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?
Jezus antwoordde: ‘Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, groter zonde . . . . .
        Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrotos, in het Hebreeuws Gabbata
[Hebr.= ‘verhoging, podium’] . En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zei tot de Joden: ‘ Zie, uw koning!’.

Zij dan schreeuwden: ‘Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!’.
Pilatus zei tot hen: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’.
De overpriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen koning, alleen de keizer!’.
Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en Hij, Zelf Zijn Kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota [Hebr.=schedel], waar zij Hem kruisigden en met Hem twee anderen, aan weerszijden een, en Jezus in het midden.
En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: ‘Jezus, de Nazoreeër’, de Koning der Joden . . . . .
En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en de zuster van Zijner moeder, Maria van Cleophas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus Zijn moeder zag en de discipel, die 
Hij liefhad, bij haar staande, zei Hij tot zijn moeder: ‘ Vrouw, zie, uw zoon’. Daarna zei Hij tot de discipel: ‘ Zie, uw moeder’. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.
Hierna zei Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was: ‘Mij dorst’ . . . . .
       Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zei Hij: ‘Het is volbracht!’.
En Hij boog het hoofd en gaf de geest.
De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven – want de dag van die sabbat was groot – vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden.
De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.
En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooftJohn.19: 6-11, 13-20, 25-28a, 30-35.

      Want het woord van het Kruis is wel voor hen, die verloren gaan, een dwaasheid, maar voor ons, die behouden worden, is het een Kracht God’s.
Want er staat geschreven: ‘Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen’.
Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd?
Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?
Want daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet gekend heeft, heeft het aan God behaagd door de dwaasheid van de prediking te redden hen die geloven.
Immers, de Joden verlangen tekenen en de Grieken zoeken wijsheid, doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken, [prediken wij] Christus, de Kracht  God’s en de Wijsheid God’s1Cor.1: 18-24.

    Om het genot des Heren te schouwen; om Zijn heilige Tempel te bezoeken.
Want Hij verbergt mij in Zijn tent op de dag dat het mij slecht gaat. Hij beschut mij in het verborgene van Zijn tent, Hij plaatst mij hoog verheven op een rots”
Psalm 26[27] : 5,7 en

    Zou mijn ziel zich niet aan God onderwerpen? Door Hem komt immers mijn heil. Ja, Hij is mijn God en mijn Heiland en mijn steun; ik zal niet langer wankelen. Hoelang nog stort gij u op een mens als op een hellende wand of een vervallen muur? Gij allen zijt moordenaarsPsalm 61[62] : 1 en 4.

Waar blijft de wijze? Waar de schriftgeleerde? Waar de redetwister van deze tijd?
Heeft God niet de wijsheid der wereld tot dwaasheid gemaakt?

Is het eigenlijk niet hopeloos, zo vragen vele mensen in onze tijd zich af, de Blijde Boodschap aan de hand van het opnemen van je Kruis te prediken in deze wereld ? Wanneer iemand zich verhard en absoluut geen medelijden heeft met zichzelf dan doet deze niets anders dan z’n eigen passies af te vlakken, te verzachten.
De mens, die hier op deze wijze mee omgaat, is geen waarachtig Christen.
De Apostel zegt immers overduidelijk: ”     Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigdGal.5: 24.
Onstuimig bruist de grote stroom van het moderne leven en de westerse wereld leeft voort als ware het een dynamisch stelsel, die aan de muren van al wat heilig is voorbij lijkt te gaan en schijnt alsof zij met haar overdaad de grondslagen van datgene wat God aangaat steeds verder aan het ondermijnen zijn: het is een triest een weinig verheffend  vooruitzicht.
Steeds groter wordt de veelkoppige menigte, die zich ophoopt in het ondermaanse van ons hemellichaam en temidden van die mensenzee staat daar een enkele eenzame drager van het Licht, om de duistere drukte van heen en weer bewegende mensen te bewegen een andere weg in te slaan: een haast wanhopige onderneming.
Kracht’s- en Machtsvertoon aan alle zijden, openbaring van rumoerige, brutale, schreeuwerige kracht en tussen al dat rumoer slechts de zwakke klank van enkele mensenstemmen, die getuigen van kwetsbare, geestelijke zaken, als roependen in de woestijn, hetgeen je de adem beneemt!
Is het in deze omstandigheden niet hopeloos om je überhaupt ook nog maar in te zetten het Woord aan te nemen en over je persoonlijke kruis te verkondigen?

‘een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid’

Scheen het ook voor Paulus geen wanhopige dwaasheid, om in een stad als Corinthe het te wagen met de eenvoudige boodschap van datzelfde Kruis te verkondigen, waaraan immers de vrome Joden zich ergerden en waarom beschaafde Grieken [westerlingen] slechts lach[t]en?
En tegenover deze vragen brengt nu Paulus een Naam naar voren: “Christus, de Kracht van God en de Wijsheid van God”
Het Woord prediken, dat is: Christus prediken, want waar je ook de Blijde Boodschap opent, het is altijd opnieuw de Gestalte van Christus, Die ons tegemoet komt.
Als een voorafschaduwing en Profetie in het Oude Verbond, in de geschiedenis en de gelijkenissen van het Nieuwe Verbond het is altijd opnieuw de Naam van onze Heer en Verlosser Jezus Christus, Die daar straalt, hoe verschillend ook die Naam gespeld zou mogen worden.
En daarom, zegt Paulus is het prediken van het Woord, altijd weer opnieuw herhalen: “Het verkondigen van de Blijde Boodschap uit het Leven en door de dood en de Verrijzenis van onze Heer, Jezus Christus, de Zoon van God”.

Heeft u misschien het idee, dat dit een zeer éénzijdige verkondiging betreft?
Neen, in de rijke afwisseling en die altijd weer wisselende verscheidenheid: zo heeft Paulus als Apostel het zoeklicht van het Woord doen uitstralen op elk terrein van het menselijk leven, maar al die stralen, die daar van uitgaan, komen uit één middelpunt, vloeien uit één bron en die Bron dat is Christus.
Jullie zijn misschien van mening dat dit slechts een al te gemakkelijke verkondiging is, een loutere vaststelling – een mededeling, die slechts een oppervlakkige vaststelling zou betreffen?

Neen, met een overweldigende bovenaardse geestdrift, met een diepe overtuiging vanuit z’n hart, als een mens die een noodzakelijk optreden opgelegd heeft gekregen van een Liefde tot Christus, waarmee hij te Damascus geroepen werd: zó heeft Paulus, Degene, die hem dáár riep verkondigd al huivert hij bij de opdracht, die hem te Damascus is opgelegd.
Ondanks zijn persoonlijk achtergrond zal het Woord, dat hij aan ons als christelijke gemeenschap overbrengt, eerst door zijn eigen ziel getroffen zijn.
De religieuze farizeeër Paulus, die doordrongen was van de grootse Joodse cultuur welke hem tot autoriteit maakte in welke Joodse Synagoge, die hij maar betrad, verkondigde de Wet van Mozes, welke hem van het ene op het andere moment tot grootspraak werd.
Hij werd getroffen door het Licht van Christus en ontdekte dat zijn trotse optreden op basis van deze cultuur slechts negativiteit en nihilisme  teweeg bracht.
Door zijn ontmoeting met de Heer Jezus Christus ontdekte hij de waarde van onsterfelijkheid, die reeds op aarde verkregen was doordat haar Redder aan het Kruis gestorven was voor onze zonden, inclusief, die van Paulus zelf.
Wat die tijd aangaat betitelde hij zichzelf als een hond, een slechte arbeider door te verkondigen: “Let op het ‘versnijden’!; want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest 
Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwenPhil.3: 2,3.
Dáár onderweg naar Damascus liep hij tegen een muur van [Thabor-]Licht op, welke Hem duidelijk maakte dat de Liefde van God boven elke maat van de Wet van Mozes verheven is. De zonde van de Wet is teniet gedaan door het Licht van Christus, welke afstraalt van Zijn door aan het Kruis te sterven voor de wereld en de daaropvolgende Verrijzenis.
Wordt Licht, wordt Licht, oh, Gij nieuw Jeruzalem”, de dood is het lot der mensen, maar God heeft voor ons een andere zegen achter de hand.
Vriendelijk en veilig als het Licht zoals een mantel om mij heen geslagen ben ik bekleed – zo is mijn God, ik zoek zijn aangezicht. Ik roep zijn naam, bestorm hem met mijn vragen, dat Hij mij maakt, dat Hij mijn wezen richt.
God wil mij behoeden en op handen dragen; Hij is de God bij wie mijn toekomst is – Heer, ik Geloof, waarom staat Gij mij tegen?

Het is het persoonlijke kruis welke ieder mens draagt teneinde aan Zijn roep gevolg te geven. De mens leerde door de ontmoeting met de Heer en Meester van het leven, dat de waarde die onsterfelijk blijft op aarde is dat Zijn Redder aan het Kruis gestorven is voor zijn zonden.
Paulus kreeg door de ontmoeting met Christus eveneens het inzicht:
      Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, dat alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus zal mogen winnen en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de Wet, te bezitten, maar de Gerechtigheid door het Geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het GeloofPhil.3: 8,9.
Daarom is het de Enige, waaraan zijn ziel zich volkomen onderwerpt, want van Hem komt het geduld alles om ons heen te verdragen.
En toch is het niet z’n eigen overtuiging, die hij naar voren brengt, ‘t is niet zijn eigen armzalige Geloof, waarmee hij onze zielen tracht te voeden, ‘t is niet zijn eigen deugd en vroomheid, waarmee hij degenen, die in den vreemde in de verte opdoemen tracht te lokken en te trekken.
Neen, in heilige zelfverloochening, zo is deze verkondiger een stap terug gedaan, opdat Christus en Christus alleen naar voren zou treden en verheerlijkt zou worden.

Onderkennen wij mensen dan niet de koninklijke rijkdom, die in Christus is?

– Christus prediken: dat is Hem voorstellen aan het christenvolk, zoals Hij met het zwaard van de Heilige Geestes de heilige strijd aanbindt tegen alle ongerechtigheid en eigen- gerechtigheid, tegen al onze liefdeloosheid en zelfverheffing.
– Het is diezelfde Christus, Die met de palmtak van de Vrede verkoeling toewuift aan allen, die door het zwaard van de Heilige Geestes dodelijk gewond zijn geraakt.
Wij zijn getuigen van Christus geworden, Die lijden en ten derden dage moest opstaan uit de doden; in Zijn Naam moest bekering gepredikt worden tot vergeving van de zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalemconf. Luc.24: 46-48.
– Wij zijn Christus gaan verkondigen als getuigen van Hem,
Wiens:
Christus prediken: dat is getuigen van Hem,
Wiens „ Wee degene die een vals getuigenis aflegt” , als mokerslagen neerkomen op al het geveinsde en on-bekeerlijke, maar wiens zaligspreking de armen van geest, zij, die gebroken zijn van hart zó onuitsprekelijk vertroost.
– Wij zijn getuigen van Christus geworden, dat is Hem op iconen schilderen in al de gestrengheid, waarmee Hij het halve Christendom terugwijst met de woorden:
  Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen en de Mammon” Matth.6: 24.
– Wij zijn Christus gaan verkondigen, nadat wij aan de volkomen overgave van het hart hebben voldaan door: “ Zijn volgeling te worden en Vader, Moeder, Vrouw en kinderen tekort te doen en ons in tederheid van Zijn geduld bezig te houden met dwaze, aardgebonden mensenkinderen.
– Wij zijn getuigen van Christus geworden, door Hem af te schilderen als de lijdende Hogepriester, die in het dienen in Zijn Liefde aan de Zijnen een voorbeeld te zijn – te laten doorwerken, opdat zij zijn voettappen zouden navolgen. Hem afschilderen als de  gekruisigde Middelaar, Die aan Zijn kruis een eeuwige verzoening teweegbrengt, als de verheerlijkte Koning, Wiens wil als wet, Wiens Woord als richtsnoer heeft te gelden, voor elk gebied van het leven.

Aldus een enkele greep van de Rijkdom van Christus, Die door het ChristenVolk gepredikt wordt.
De wereld mag dan dwaas doen voorkomen, dat het christendom haar tijd gehad heeft en ons eigen ongeloof mag geneigd zijn om de wereld gelijk te geven.
– Maar voor ons blijft het een zalige ervaring: dat waar Christus gepredikt wordt, daar worden toch nog altijd mensen getroffen, die zich niet aan de kracht van die prediking hebben kunnen onttrekken: ouden van dagen, voor wie dat Woord zó dierbaar is geworden en voor wie Christus het Licht van de avondstond is geworden, de ster van Hoop aan de duistere levenshemel.
– Maar een nog groter Mysterie blijkt het te zijn dat toch ook nog altijd jonge levens, waarin een heilige geestdrift blijkt te ontkiemen, waarmee geen [wereldse] valt te behalen, een heerlijke bezieling voor Zijn Naam, Die door de wereld wordt verguisd, maar jonge har
ten blijkt te doen opbloeien, die zich niet kunnen ontworstelen aan de heilige Goddelijke Kracht en Sterkte, Die uitgaat van Christus.
– Daar tref je die kruisdragers aan, onwillige kruisdragers van nature, van wie de ziel wordt aangegrepen door de Kracht van Christus en Hij wordt hun zó dierbaar, omdat Hij het is,  Die onder het Kruis leert buigen en die het leven op die wijze goed te leven maakt, ook in donkere en pijnlijke nachten.
– Zij, die het kwa gezondheid, lichamelijk niet zo goed getroffen hebben, als degenen die gezond zijn en sterk en zijn en die eveneens als de rest van de wereld ook hun eigen weg zouden willen wandelen en hun eigen genot najagen en hun eigen geluk bouwen.
Maar zie, hoewel zij kunnen zich niet onttrekken aan die wondere kracht van Christus, die hen maar niet loslaat en die telkens met zachte maar sterke Hand hen dwingt om hun eigen weg van lijden te verlaten en op Zijn wegen leren wandelen.

Het feest van Kruisverheffing wordt elk jaar op 14 september gevierd;
eveneens wordt eer een feestje gebouwd op de 1e Augustus, een dag, die gekoppeld is aan de glorieuze processie, die in 614 na Christus plaatsvond in het jaar des Heren 614.
Tevens wordt elk jaar in het midden van de Grote Vastenperiode op de derde Zondag het Groot en Heilig Kruis vereerd teneinde de gelovigen een riem onder het hart te steken.
Kruis verheffing, beide woorden hebben dezelfde betekenis: kruisiging leidt tot verheffing van de mens: “    Zij [de mensen uit Zijn Volk tot wie Hij predikte] hadden niet begrepen, dat Hij tot hen van de Vader sprak. Jezus dan zei: ‘Wanneer gij de Zoon des mensen verhoogd hebt, zult gij inzien, dat Ik het ben en niets uit Mijzelf doe, doch dat Ik dit spreek, gelijk de Vader Mij geleerd heeftJohn.8: 27,28.
De Heer verwijst hier naar Zijn kruisiging en ‘Hij’ betekent JHWH of wel genoemd het tetragrammaton, de Naam, Die – door God Zelf – aan Mozes in het eerste Verbond. gegeven was door, toen hij vroeg wat God’s Naam was:

De drie Patriarchen, Abraham. Isaäc & Jaäcob – Lusinov 1797, Jaroslavl unknown maker

      Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Heer, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isäac en de God van Jaäcob, heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslachtEx.3: 15.
Mozes had God om Zijn Naam gevraagd, toen Deze hem in de verbrandde braambos verscheen. God zei tot Mozes: “Ik ben, Die Ik ben”. Hij zei: “Aldus zul je tot de Israëlieten zeggen: “ ‘Ik ben’ heeft mij tot jullie gezonden” met andere woorden – ‘Ik ben Degene, Die als God door de mens bestudeerd wordt”.
Ook de grieken onder de Joden zochten Christus en zeiden tot enkele Apostelen:
Heer, wij zouden Jezus wel willen zien’ En toen onze Heer dit te horen kreeg antwoordde Hij: “      Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten-geworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen [de gehele mensheid] tot Mij trekken. En dit zei Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou“ en
      Nog een korte tijd is het Licht onder u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet zal overvallen; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Gelooft in het licht zolang gij het Licht hebt, opdat gij kinderen van het Licht zal mogen zijn”.
Dit sprak Jezus en Hij ging heen en verborg Zich voor hen. En hoewel Hij zovele tekenen voor hun ogen gedaan had, geloofden zij niet in Hem“ John.12: 31-33; 35-37.
En ons Heer en Verlosser zei dit en hief Zijn ogen op naar de Hemelen en zei:
      Vader het uur is gekomen; verheerlijk uw Zoon, opdat uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus, de Christus, Die Gij gezonden hebt. Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de Heerlijkheid, Die Ik bij U had, eer de wereld was
John.17: 1-5.
In de tijd van God betekent dit: Dat het Groot en Heilig Kruis ons besef te boven gaat – wordt er niet gesproken over een algemene noodtoestand, van ziekten, pijn en problemen, dat zal een kruis voor de mensen betekenen.
Maar bij onze Heer en Verlosser werd het Kruis een teken van Kracht en Overwinning:
na Zijn kruisiging stond Hij op uit de dood en overwon de dood door Zijn dood en aan allen in de graven schonk Hij het Leven”.
• Bij ons christenen is het Groot en Heilig Kruis een teken van Verlossing geworden, alsmede een teken van uitzonderlijk Liefde voor de mensen: “Christus stierf voor ons mensen om ons van een onontkoombare dood te Verlossen”.
• Zijn Kruisiging is een teken tot onze vergeving.
• Als brug ter overbrugging naar het Hemels Koninkrijk is het een teken tot zuivering. Laten wij derhalve ons kruis op ons nemen teneinde door onze Heer Jezus Christus te volgen het eeuwige Leven te bereiken.

Het Groot en Heilig Kruis omvat een van de tekenen, die de christengelovige koestert, als voornemen heeft, wat zich uit in het dagelijks leven, zodat deze mens in vreugde en verdriet een kruisteken maakt – hetgeen als het ware een overwinningsteken inhoudt.

Het gebeuren rond de ontdekking van het Groot en Heilig Kruis verheft onze herinnering aan het feit dat Christus symbool staat voor de Glorie van Zijn verlossing en Opstanding.
De Evangeliën verhalen ons dat het Joodse Volk indertijd om de kruisiging van onze Heer en Verlosser heeft gevraagd, met gevolg dat Christus met zijn Kruis naar buiten naar de schedelplaats werd gevoerd.
Christus stierf aan het hardvochtig opgelegd Kruis en na Zijn dood verkreeg Joseph van Arimathaea [Hebr.= ‘hoogten’] van stadhouder Pontius [Hebr.= ‘van de zee‘] Pilatus [Hebr.= ‘gewapend met een speer‘] toestemming om het Lichaam van Christus af te nemen en deze zette het in een nieuw graf.

Maar wat gebeurde er met het Groot en Heilig Kruis?
– Zij begroeven het met Zijn medegekruisigden in het stof der aarde en in de drie eeuwen, die daarop volgde, durfde niemand tijdens de vervolging van de christelijk gemeenschap en de daaruit ontstane Martelaren er ook maar over te spreken, laat staan ernaar te gaan zoeken.
– Tijdens de veldslag die plaats vond tussen  Keizer Constantijn en zijn tegenstander Marcus Aurelius Valerius Maxentius in 312 [bij de slag bij de Milvische brug] riep keizer Constantijn de hulp in van de christelijke God en verscheen hem een Kruis met daarbij de tekst: “het teken van het onoverwinnelijk Kruis”. Door dit teken, welke hem verschenen was en de daarop volgende overwinning, geloofde keizer Constantijn en vaardigde in 313 het edict van Milaan uit waarbij hij het christendom haar bestaansrecht verleende. 
– Na de overwinning ging de moeder van keizer Constantijn naar Jeruzalem om daar het Groot en Heilig Kruis te zoeken. Haar werd duidelijk gemaakt dat het Kruis begraven was in de omgeving van de tempel, welke indertijd toegewijd was aan de Romeinse god, Venus. Zij zocht in de buurt van de door keizer Hadrian opgerichte tempel van Venus en vond daar drie kruizen, doch zij wist niet welke van de drie het Groot en Heilig Kruis van Christus was.
De toenmalige Patriarch Marcarios bemerkte dat twee van de drie kruisen geen enkele geneeskracht bezaten, doch day het waarachtig Groot en Heilig Kruis een wonderbaarlijke uitwerking had bij de genezing van een zieke vrouw, welke onmiddellijk na aanraking genas.
Met tranen in de ogen verhief deze Patriarch het Groot en Heilig Kruis onder de uitroep: “ God, mijn God, Gij zijt ons genadig”.
Vervolgens werd op de vindplaats – de schedelplaats van die berg gemarkeerd en werd aldaar de kerk gebouwd, die tot op heden bekend is  als de kerk van het Heilig graf.   Dit werd tevens bevestigd door de Heilige Johannes Chrysostomos in een homilie welke deze tussen 390 3n 395 heeft gehouden en de Heilige Ambrosius van Milaan voegt daar tussen 373 en 397 aan toe, dat de moeder van keizer Constantijn, Helena – het Groot en Heilig Kruis – ook daadwerkelijk heeft ontdekt.
– In het jaar 614 is de keizer van Perzië, het huidige Iran, Jeruzalem binnengevallen en heeft duizenden christenen meegevoerd naar zijn land, waaronder Patriarch Zacharias, waarbij hij als oorlogsbuit het Groot en Heilig Kruis meevoerde en het 14 jaar in z’n bezit had.
– In de periode van 602-628 werd de Romeins-Perzische oorlog uitgevochten tussen de Oost-Romeinse Rijk en het Perzische Sassaniden. In 628 bracht Heraclius op zijn terugtocht naar Constantinopel, waar zijn overwinning werd geprezen door de Senaat, de geestelijkheid en de toenmalige mensheid – het Waarachtige Kruis terug naar het Heilige Graf. Patriarch Zacharias bevestigde, na zorgvuldige analyse, dat het Goor en Heilige Kruis niet verwisseld was.
Deze keizer werd vanwege zijn triomfen gefeliciteerd door ambassadeurs van Frankrijk en India en werd zelfs vergeleken met grootheden als Mozes, Alexander de grote en Hercules.
– Na een periode van veertien jaar keerde de Patriarch en zijn mede gevangenen in Jeruzalem terug; een jaar later wilde keizer Heraclius zich vergewissen of het Kruis inderdaad z’n oorspronkelijk plaats had ingenomen.
Hij werd opgewacht -in vol van rinkelend belletjes voorzien ornaat – Patriarch Zacharias, die hem liet weten dat hij slechts in staat was z’n overwinningsweg te vervolgen doordat:
Onze Heer Jezus Christus deze weg gevolgd had toen Hij Zijn Kruis droeg, met een doornen kroon op Zijn hoofd en tot spot en vernedering gekleed was in een lijfrok” dat de Patriarch derhalve uit nederigheid een paars tenue doeg met een bijbehorende mitra. 
Keizer Heraclius reageert daarop door zich om te kleden in een vies en smerig gewaad en vervolgde zijn toch blootsvoets tot op de schedelplaats, waarbij het Eerbiedwaardig Groot en Heilig Kruis vereerd werd door knielende gelovigen, die op 14 september 628 de aanbidding van Christus Kruis vierden.
– Deze vreugde sloeg over op de toenmalige gehele Byzantijns-christelijke wereld in het Oosten, waarop des dag in de kerkelijke kalender werd opgenomen.
en mochten er nu [wereldse] historici zijn, die het avontuur van keizerin Helena aanvechten, dan dient vermeld te worden dat niet alleen geestelijke historici gewag maken van deze gebeurtenis, maar dat deze tevens vermeld zijn in de geschriften van Eusebius, Susuminus en Socrates.

Bij de zondagen rond het feest van Kruisverheffing worden de woorden van Johannes de Theoloog uit zijn weergave in herinnering gebracht: “   Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, het  uur komt en is reeds daar, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in ZichzelfJohn.5: 25-27.
Mozes verhief immers de banner van koper met aan ieder zijde slangen, opdat die er naar opkeken niet door het kwaad geraakt werden en ten leven werden genezen. Mozes is daarin een voorafbeelding van Christus, Die God’s Belofte ten uitvoer bracht en daarop verkondigde dat na Zijn dood aan het Kruis “de Zoon zó de Verheffing van de mens heeft bewerkstelligd, zodat wie in Hem gelooft, eeuwig leven heeft”.
– Het eeuwige Leven is de genezing van de kracht van het kwaad, de zonden en de vervulling van God aan de Gelovigen door hen vergeving te schenken.
De laatste woorden in het Johannes-Evangelie [John 19: 30-35] betekenen:
En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon van de mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven zal hebben. 
Want zo Lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven zal hebben. Want God heeft Zijn Zoon [immers] niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou  veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; wie niet gelooft, is reeds veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de Éniggeboren Zoon van God. Dit is het oordeel, dat het Licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het Licht, want hun werken waren boos. Want eenieder, die kwaad bedrijft, haat het Licht en gaat niet tot het Licht, opdat z’n werken niet aan de dag komen; maar wie de waarheid doet, gaat tot het Licht, opdat van z’n werken mag blijken dat zij in God verricht zijnJohn.3: 14-21.
Redding is de vergeving van de zonden, die begint met de geestelijke Geboorte van de gelovige met water en de geest van het even welk Doopsel en vervolgens om in de Heilige Kerk te leven van de geestelijke voeding van de heilige Mysteriën en Deze belichamen de Liefde van onze Heer Jezus Christus, waarbij Haar kinderen onder alle mensen die de gelijkenis dienen te geloven in het Kruis van Gods Liefde voor de mensen, hetgeen hen bevrijd van het gewicht van hun zonden, teneinde  hun bestaande bijdragen te verheffen [verhogen] en daardoor ieder mens tot deze diepe Liefde van God op ter  roepen [aan te trekken].

Op dit verheffend, zaligmakend Feest van het Groot & Heilig Kruis horen we de weergave van Johannes de Theoloog met de woorden van de Heer: “    Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen [=de gehele mensheid] de Zoon eren gelijk zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeftJohn.5: 21-23.
–  Het Groot en Heilig Kruis draagt met Zich mee het voorschrift tot de genezing, welke inherent is aan Christus, zoals door de engel Gabriël aan Maria van Magdala werd gedefinieerd: “      Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeftMath.28: 5,6 en door Paulus werd overgenomen met de woorden: “ doch wij prediken een gekruisigde Christus, voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die geroepen zijn, Joden zowel als de wereld [de Grieken], [prediken wij] Christus, de Kracht van God en de wijsheid van God” 1Cor.1: 24,24. Wij kunnen de symboliek van het Kruis heel kort omschrijven: verticaal is onze relatie met het Hemelse, het Goddelijke, met God en horizontaal is onze relatie met de mensen, onze naasten.
–  Op deze dag wordt ons de icoon getoond van Constantijn en Helena, als Heiligen, die de belofte van op zich hebben genomen de Belofte van het Kruis te herstellen – want zij openbaren ‘opnieuw’ – stellen weer aan de orde – midden in het daglicht – dat het Groot en Heilig Kruis, de redding betekende voor de gehele mensheid.
– De vreugde van de Kerk verkondigt deze dag de vreugde van Gods Liefde voor de mensen en onze gelovige gehechtheid aan de “éen-Heilige, de ene Heer,, Jezus Christus tot Heerlijkheid van God de Vader”.
  Hef daarom allen uw ogen op naar het Kruis, welk achter het altaar in het Heilige der Heiligen – achter de iconostase, is geplaatst. Doet dit ten einde de Liefde van God tot de mensen wordt herinnerd, zodat een ieder, die dit aanschouwt in Hem zal geloven. Want Christus toonde ons in dit Kruis de Liefde, waarmee de Godmens de dood overwon en daarmee de afstand tussen God en mens verkleinde en de schaamte en de pijn van het lijden in de mens draaglijk heeft gemaaktconf. H. Johannes van Kronstadt.

Treur niet langer, maar leer door het Geloof in te zien wat ons allemaal wel niet beloofd is.
      Christus hief Zijn ogen ten hemel en zei:
‘Vader het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U zal verheerlijken, gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig Leven te schenken. Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt’
John.17: 1-3.

Apolytikion     tn.1.
    Heer red Uw Volk en zegen Uw erfdeel
en bescherm Uw Gemeenschap door Uw Kruis
”.

Kondakion     tn.1.
    Gij, Die U vrijwillig op het Kruis hent verheven, o Christus God,
schenk Uw erbarmen aan Uw nieuwe Gemeenschap, die naar U genoemd is.
En verblijd on smet Uw Kracht in de strijd tegen de vijand.
Want u bent onze Helper,
door het onoverwinnelijke Vredeswapen van Uw Kruis
”.

Het feest van het Groot en Heilig Kruis mag voor iedereen
een Mayday [een verbastering van het Franse ‘m’aidez‘ (“help mij“)] zijn,
waarbij iedereen zich vrij mag voelen en zich door God beschermd mag weten.

Het lied van de opstanding
            “De steppe zal bloeien,
            de steppe zal lachen en juichen.
De rotsen die staan vanaf de dagen der schepping,
staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open.
Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen,
dorstigen komen en drinken.
De steppe zal drinken, de steppe zal bloeien,
de steppe zal lachen en juichen.
De ballingen keren.
Zij keren met blinkende schoven
Die gingen in rouw tot aan de einden der aarde,
één voor één en voorgoed, die keren in stoeten.
Als beken vol water, als beken vol toesnellend water,
schietend omlaag van de bergen.
Als lachen en juichen – die zaaiden in tranen,
die keren met lachen en juichen.
De dode zal leven.
De dode zal horen: nu leven.
Ten einde gegaan en onder stenen bedolven:
dode, dode, sta op, het licht van de morgen.
            Een hand zal ons wenken, een stem zal ons roepen: Ik open
Hemel en aarde en afgrond.
En wij zullen horen, en wij zullen opstaan
en lachen en juichen en leven”.
Huub Oosterhuis