Orthodoxie & het vaststellen van de Waarheid

scheefgegroeide boom;                            στραβό δέντρο; شجرة ملتوية.

Wij dienen zaken, die zijn scheefgegroeid niet langer
stilzwijgend te laten voortwoekeren en op hun beloop te laten.
Wanneer we hoor en wederhoor hebben laten plaatsvinden
valt dit absoluut niet onder bekritiseren en de ander vernederen …
Wij zijn immers allen mensen, degenen die zonden openlijk bedrijven, dienen het Woord van de Heer voor ogen te houden en daarop zouden we niet mogen bekritiseren?:
Neen, hebt uw vijanden lief en doet hun [door uw mond open te doen] goed en leent zonder op vergelding te hopen en uw loon zal groot zijn en gij zult kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goed jegens de ondankbaren en bozen. Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is en oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat [vervolgens los] en gij zult losgelaten wordenLuc.6: 35-37.

doofpot, κάλυψη, التست,      extinguisher by covering up 1860 

En de apostel, die de [tegel-]vloer van anderen aanveegt zegt:
Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet zal vallen. Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, Die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt1Cor.10: 12,13.
En bij een andere gelegenheid: ” Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf [bevuilt u uw eigen nest]; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.
Wij weten echter, dat het oordeel Gods onpartijdig gaat over hen, die zulke dingen bedrijven. Rekent gij wellicht hierop, o mens, die oordeelt over hen, die zulke dingen bedrijven, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontgaan zult?
Of veracht gij de rijkdom van Zijn goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid, en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?
Maar in uw weerbarstigheid en on-boetvaardigheid van hart hoopt gij u toorn op tegen de dag van de toorn en van de openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods, die een ieder vergelden zal naar zijn werken:
‘hun, die, in het goeddoen volhardende, heerlijkheid, eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven;
maar hun, die zichzelf zoeken, der waarheid ongehoorzaam en der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, wacht toorn en gramschap. Verdrukking en benauwdheid [zal komen] over ieder levend mens, die het kwade bewerkt, eerst de Jood en ook de Griek; maar Heerlijkheid, Eer en Vrede over ieder, die het goede werkt, eerst de Jood en ook de Griek
Rom.2:  1-10.
    Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten God’s. Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan de eigen geest van de mensen, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest God’s.
Wij nu hebben
‘niet’ de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is.  Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke [de geestelijkheid] met het geestelijke vergelijken.
Doch een on-geestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest God’s is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is
”.1Cor.2: 10-14.
Veel mensen zien veelal de zonde [uiteraard] bij andere mensen, na het Mysterie voor God te hebben beleden, krijgen wij vergeving en behagen wij Hem en ontvangen de Heilige Geest. En dus zijn degenen die accepteren dat wij zondaars zijn en verwachten dat God ons rechtvaardig zal vehandelen.
Waarom hebben we onze zonden ingezien, maar kenden de zgn. goede werken die wij heimelijk bedreven kenden we niet?
Dienen wij dienovereenkomstig niemand te bekritiseren, zelfs indien we met eigen ogen hun zonde aanschouwen. Want indien we tien stappen van degene  verwijderd zijn , die niet gezondigd zou hebben – hadden we kunnen weten dat God in het verborgene werkt en hem maakt tot hetgeen God met hem bedoeld [voor ogen] heeft.
Tijdens het verraad was Judas op die bewuste donderdagavond in Gemeenschap met Christus en Zijn volgelingen, terwijl de goede moordenaar – onder de misdadigers werd beschouwd – en zich nèt als Judas in de “uiterste duisternis” bevond:
  maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknarsMatth.8: 12.
  Indien dan ons Evangelie nog bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, die slechts een uiterlijk spel spelen, wier overleggingen de god van deze eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het Evangelie der Heerlijkheid van Christus, hetgeen het beeld van God is.
Want wij prediken niet ‘onszelf’, maar Christus Jezus als Heer en onszelf als uw dienaren om Jezus’ wil. Want de God, die gesproken heeft: Licht zal schijnen uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis van de Heerlijkheid van God  in het aangezicht van Christus.
Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons: in alles zijn wij in de druk, doch niet in het nauw; om raad verlegen, doch niet radeloos; vervolgd, doch niet verlaten; ter aarde geworpen, doch niet verloren; te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam zal openbaren.
Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd, om Jezus’ Wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees zal openbaren2Cor.4: 4-11.
Vanwege de plotselinge veranderingen in onze tijd zou het goed zijn indien de mens niet zou oordelen voordat Christus komt, God’s terugkeer nadert.
Met name degenen die de gedachten van mensen zo goed schijnen te kennen en de geheimen van het menselijk hart dienen te verlichten.
”     Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het gehele oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren gelijk zij de Vader eren.
Wie de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet, die Hem gezonden heeft.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie Mijn Woord hoort en Hem gelooft, Die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, het uur komt en is [reeds hier en] nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven.
Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf. En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is. Verwondert u hierover niet, want het uur komt [en is reeds hier en nu], dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen [zich in hun graf omdraaien] en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de Opstanding ten Leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de Opstanding ten oordeel. Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeftJohn.5: 22-30.
– Wie dus z’n naaste oordeelt, dat zijn al degenen,die men zich ook maar in deze wereld kan voorstellen, meet zich het ambt van een wereldse rechter toe en alleen al omdat het van de wereld is wordt het als ‘heidens’ beschouwd en is zo’n iemand de anti-christ [bevuilt z’n eigen nest].
– Daarnaast zijn er een aantal die zonder het te beseffen verschillende beproevingen doorstaan, teneinde anderen de ogen te openen en daardoor de mens door openheid –  duidelijkheid tot de verlossing van zonden aanreiken.
– Anderen worden op hun beurt opnieuw [van zonde] gereinigd door een lichamelijke ziekte of doordat zij een langdurige bepaalde vorm van ziekte dienen te verduren. Omdat de Blijde Boodschap aangeeft dat:
    De rechterhand des Heren heeft Kracht gewerkt: ik zal niet sterven maar leven en de werken des Heren verkondigen. Zwaar heeft de Heer mij gestraft, maar Hij heeft mij niet overgeleverd aan de dood. Opent mij de poorten der gerechtigheid: ik wil erdoor binnentreden om de Heer te belijden.
Dit is de poort des heren; slechts gerechten zullen er binnengaan.
Ik wil u belijden, omdat Gij mij verhoord hebt; Gij zijt mij tot heil geworden.
Een stem van gejuich en verlossing, in de tenten der rechtvaardigen
Psalm 117; 18-21 en “      Daarom zijn er onder u velen zwak en ziekelijk en er ontslapen niet weinigen. Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen. Maar onder het oordeel des Heren worden wij getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden.
Daarom, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, wacht op elkander.
Heeft iemand honger [en z’n buikje op een niet-christelijke wijze vullen], laat deze thuis [elders, buiten de christelijke gemeenschap] eten, opdat gij niet tot uw oordeel  bijeenkomt.Het overige zal ik regelen, wanneer ik [Paulus, de woordvoerder van Christus] kom1Cor.11: 30-34.
Vanwege de plaats waar het euvel [de kwaal] plaatsvindt wordt op een natuurlijke wijze gewag gemaakt van het feit dat:
      gij zijt opgeblazen in plaats van u veeleer te bedroeven, en dus verwijder de oorzaak van het bedrijven van die daad uit uw midden! 
Want mijnerzijds heb ik, hoewel lichamelijk niet, maar naar de geest wel aanwezig, reeds, als aanwezig, vonnis geveld over hem, die op zulk een wijze zo iets heeft begaan. Wanneer wij vergaderd zijn, gij en mijn geest met de Kracht van onze Heer Jezus Christus leveren wij in de Naam van de Heer die man aan de satan over tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest behouden zal worden op de dag des Herenconf. 1Cor.5: 2-5.
• Hieruit kunnen wij opmaken dat degenen, die hiermee behept zijn – indien zij het verdragen de hun opgelegde beproeving van God’s wege krijgen opgelegd. 
• Hieruit leren we wat hen overkwam, indien wij [hun beproeving] verdragen danken [God] opgeslagen met deze straf.
      In die dagen werd Jechizkia ten dode toe ziek. Toen bad hij tot de Heer en Hij sprak tot hem en gaf hem een wonderteken.
Maar Jechizkia schoot te kort in dankbaarheid voor de weldaad, hem bewezen, want hij werd hoogmoedig, zodat er toorn kwam te rusten op hem, op Juda en op Jeruzalem“ 2Kron.32: 24,25.
Anderen verzoenden zich in stilte [heimelijk] met God en toonden berouw en werden binnen een paar dagen door te herleven van hun ziekte verlost en gered.

Jezus Christus, de uiteindelijke Rechter, over de mens

Omdat elke mentale toestand, of die nu goed of slecht wordt beoordeeld, in deze de mens [op het tijdstip van overlijden] nabij is en in deze – zal – eenieder worden beoordeeld.
  Zo verklaart God op de mond van Ezechiël:
            Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg tot hen:
‘ Wanneer Ik over een land het zwaard breng, en de inwoners van dat land hebben uit hun midden iemand gekozen en tot wachter aangesteld, en deze ziet het zwaard over dat land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het Volk, als dan iemand wel het geluid van de bazuin hoort, maar zich niet laat waarschuwen en het zwaard komt en rukt hem weg, dan komt diens bloed over zijn eigen hoofd.
Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord, maar zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt over hemzelf; als hij zich had laten waarschuwen, zou hij zijn leven hebben gered.
Maar wanneer de wachter het zwaard ziet komen, doch niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt; en het zwaard komt en rukt iemand van hen weg, dan wordt hij wel weggerukt in zijn eigen ongerechtigheid, maar van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen’.
            Gij nu, mensenkind, ‘u heb Ik tot wachter over het huis van Israël [de Kerk] aangesteld. Wanneer gij een woord uit Mijn mond hoort, zult gij hen uit Mijn Naam waarschuwen.
Als Ik tot de goddeloze zeg: ‘Goddeloze, gij zult zeker sterven! Maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen.
Maar als gij een goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, doch hij bekeert zich daarvan niet, dan zal hij in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw leven gered’.
            Gij nu, mensenkind, zeg tot het huis van Israël [de Kerk]: Aldus zegt gij:
‘onze overtredingen en onze zonden rusten op ons en daardoor kwijnen wij weg. Hoe zouden wij dan leven?’.
            Zeg tot hen: ‘zo waar Ik leef, luidt het woord van de Heer der Heerscharen, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis van Israël [Kerk]?’.
           Gij nu, mensenkind, zeg tot uw volksgenoten: ‘Zijn gerechtigheid zal de rechtvaardige niet redden,
⁌  wanneer hij tot overtreding komt; en door zijn goddeloosheid zal de goddeloze niet ten val komen, wanneer hij zich van zijn goddeloosheid bekeert. En wanneer hij zondigt, zal de rechtvaardige door zijn gerechtigheid niet kunnen leven.
Wanneer Ik tot de rechtvaardige zeg, dat hij zeker leven zal, maar hij vertrouwt op zijn gerechtigheid en doet onrecht, dan zal met geen van zijn gerechte daden rekening gehouden worden, maar om het onrecht dat hij deed, zal hij sterven.
           En wanneer Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven, maar hij bekeert zich van zijn zonde en handelt naar recht en gerechtigheid.
  De goddeloze geeft een pand terug, [-‘keert op zijn schreden terug’-] vergoedt het geroofde, wandelt naar de inzettingen die doen leven, zodat hij geen onrecht meer bedrijft. Hij zal zeker leven, hij zal niet sterven. Geen van de zonden die hij bedreven heeft, zal hem meer worden toegerekend; hij heeft naar recht en gerechtigheid [naar eer en geweten] gehandeld, hij zal zeker leven’Ezech.33: 2-16.
Zo zijn er onder ons mensen een aantal, niet veel, die de verlossing van zonden hebben ontvangen door het woord van anderen – heilige mensen.
    Geloofwaardig is de Heer, in al Zijn woorden; Hij is heilig in al Zijn werken.
De Heer steunt alle gevallenen; allen die ter aarde liggen, richt Hij weer op.
Aller ogen hopen op U: Gij geeft hun voedsel te rechter tijd.
Gij opent Uw hand, en vervult al wat leeft met zegen
Psalm 144: 19-22.
De wil van de verschrikte zal God omvormen en de getuigenis daarvan bevindt zich in de Blijde Boodschap, die elke mens onophoudelijk tot op het bot dient te bestuderen:
      De volgende dag zeide Mozes tot het Volk:
Gij hebt een grote zonde begaan, maar nu zal ik opklimmen tot de Heer, misschien zal ik voor uw zonde verzoening bewerken.
Toen keerde Mozes tot de Heer terug en zei:
  Ach, dit volk heeft [met z’n leiders] een grote zonde begaan, want zij hebben zich een gouden god gemaakt. Maar nu, vergeef toch hun zonde. En zo niet, delg mij dan uit het boek dat Gij geschreven hebt’.
Maar de Heer zei tot Mozes:
    ‘Wie tegen Mij gezondigd heeft, zal Ik uit mijn boek delgen. Maar ga nu heen, leid het Volk naar de plaats waarvan Ik u gesproken heb; zie, mijn engel zal voor u uit gaan, maar ten dage van mijn bezoeking zal Ik aan hen hun zonde bezoeken’.
Zo sloeg de Heer het Volk, omdat dit het kalf gemaakt had, dat Aaron vervaardigd had
” Ex.32: 30-35.
Dankzij het schrijnend verzoek [gebed] van Mozes werd het Volk gered.
Dat deed God eveneens via zijn zuster Myriam, welke door het pleidooi van Mozes werd genezen; zelfs Nebukadnezar vond Genade bij God door de gebeden van de profeet Daniël, sla het boek Daniël [4: 1-34] er maar op na, deze lezing wordt in de dienst van Paaszaterdag, gevolgd door een uitbundige lofzang in de Orthodoxe Gemeenschappen gelezen.
Vele malen, zijn het de heilige engelen – die veel vrijmoedigheid in God bezitten, omdat zij Zijn dienaren zijn – hierin betrokken en doordat zij nimmer tegen Hem zullen ingaan, is het voor hen mogelijk – één van deze mensen, die via hen om verlossing smeken, verlossing voor die mens te verzoeken.
En God, Die God, Die dag en nacht waakt, neemt net als aardse koningen hun gratieverzoek aan en in het belang van waarachtige levensgezellen smeken zij soms tot in de dodencel aan toe, goedgunstigheid bij hun Heer en Meester af.

Laten we daarom een mens niet bekritiseren, ook al zien we hem als een manifestatie van de overtreding van de Goddelijke Wetten.
Het is beter om hem in alle nederig te adviseren en voor hem te blijven bidden.
        Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goedeRom.12: 20,21 en
      Indien uw vijand honger heeft, geef hem brood te eten, indien hij dorst heeft, geef hem water te drinken; want dan hoopt gij vurige kolen op zijn hoofd en de Heer zal het u vergelden. De noordenwind verwekt immers stortregen, heimelijk gepraat [achter de rug van een ander] toornige aangezichten“ Spreuken 25: 21-23.
Zoals reeds eerder verkondigd werd voegen we ter bevestiging méér toe dan  wanneer we het als atleten [stilzwijgend] laten rusten – echter wanneer een Gemeenschap misleid wordt en velen onder de gevolgen gebukt gaan mag je nooit en te nimmer zwijgen.
Vertel me wat,  lieve, wie had gedacht, om Rachab de hoer in Jericho ongegeneerd te zien hoereren, dat God zal alle hoererij zal vergeven en het de spionnen van Israël [de Kerk], betuigde [en hielp  conf. Joshua 2 : 1-21];
òf dat van de tollenaar, de inhalige en onrechtvaardige, die samen met de Farizeeër bidt, zou winnen met een zucht om Genade van God en keerde “gerechtvaardigd naar zijn huis terug” conf. Lc. 18: 9-14?
òf dat Samson, hoewel hij zelfmoord pleegde [zie, Richt.16: 30], een van de heiligen is, zoals blijkt uit hetgeen Paulus ons schrijft  [zie, Hebr.11: 32]?
òf dat Manasse, die tweeënvijftig jaar lang de afgoden aanbad en daarmee het gehele Joodse volk misdaden liet plegen en God de rug toekeerde en deserteerde  , wie zou verwachten dat hij dan binnen een uur, na een weinig gebed, vergeving van zonden zou ontvangen zoals de Blijde Boodschap vermeldt [zie 2Koningen 21]?
Want zoals zijn ogen gesloten werden door de koning van Assyrië met een bronzen diermodel, bad hij tot God met zijn gebruikelijke gebed, daar in het diermodel en met de kracht van God die er de rillingen van over de rug deed komen. Dan engel van de Heer nam hem mee naar Jeruzalem, waar hij woonde en berouw toonde, zoals historici vertellen.
Maar ik heb het oude al lang achter mij gelaten, doch bidt voor de slachtoffers en sluit mijn woorden [opnieuw] aan bij de heilige moordenaar, die samen met Christus werd gekruisigd en zei: Gedenk mij o.Heer, in Uw Koninkrijk . . . . .
Wanneer het Mysterie, dat hem bereikte,  stiekem, in het geheim gedaan was, wie zou dan ooit nog geloven dat geen mens op aarde, het gruwelijke wat zo velen van hun eer beroofd heeft, zowel jong als oud, rechtvaardig en onrechtvaardig, nog langer zou doden. Hiermee heeft onze Heer en Verlosser onderwezen dat ook anderen aan het eind van hun leven gerechtvaardigd kunnen worden en
dat er de zondaar nog veel meer kan overkomen als de eerste bewoner van het paradijs? conf. Luc.23: 42-43.
Dit alles is niet voor niets openbaar gemaakt en breeduit voor ons uitgespreidt
”     Laten wij er dus ernst mee maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val zal komen door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen.
Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen
Hebr.4: 11-13.
Hier zie je maar al te duidelijk dat iemand, door slechts enkele menselijke fouten  te observeren en aan de dag te brengen – in de wetenschap, dat niemand zonder zonde is, dan alleen God – het bewustzijn van anderen activeert en hen niet als lotgenoot de zonden met zich mee laat dragen.
Negeer dit soort toestanden dus niet en doe niet net alsof je neus bloedt en kijkt weg, want nog altijd blijkt slechts een op zich klein vergrijp van een meerdere, anderen tot zonde verleidt en dat zij daardoor de pijn met zich meedragen en
zichzelf en anderen zowel lichamelijk als geestelijk [mentaal] tekort doen;
geneigd zijn nog slechter dan voorheen te presteren.
conf. H. Anastasios van de berg Sinaï