11e Zondag na Pinksteren – Christus is de Koning van het Koninkrijk der Hemelen, Wiens brood men eet, Diens Woord men spreekt

De onbarmhartige schuldenaar

      Daarom is het Koninkrijk der Hemelen te vergelijken met een Koning, Die afrekening wilde houden met Zijn dienaren.
Toen Hij begon te rekenen, werd een voor Hem geleid, die tienduizend talenten schuldig was. Omdat hij niet bij machte was te betalen, beval Zijn Heer hem te verkopen, met zijn vrouw en kinderen en al wat hij bezat, opdat er betaald kon worden.
De dienaar wierp zich neer als smekeling en zei: ‘Heb geduld met mij en ik zal U alles betalen’.
De Heer van die dienaar kreeg medelijden met hem en Hij liet hem vrij en schold hem de schuld kwijt. Toen die dienaar wegging, trof hij een van zijn mede- dienaren aan, die hem honderd schellingen schuldig was, en hij greep hem bij de keel en zei: ‘Betaal wat gij schuldig zijt’.
De mededienaar nu wierp zich voor hem neer en bad hem dringend, zeggend:
‘ Heb geduld met mij en ik zal u betalen’. Doch hij wilde niet, maar ging heen en zette hem gevangen, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben.
     Toen nu zijn mededienaren zagen, wat er gebeurd was, werden zij zeer verdrietig en gingen hun Heer al wat er gebeurd was, mededelen.
     Toen ontbood zijn Heer hem en zei tot hem:
‘Slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, daar je het mij dringend had gevraagd. Had jij ook geen medelijden moeten hebben met je mededienaar, zoals ook Ik medelijden had met u?
En Zijn Meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben.
                                         Zo zal ook Mijn hemelse Vader hetzelfde met u doen, indien je niet, een ieder je broeder, van harte vergeeftMatth.18: 23-35.

Abraham ziet Sodom en Gomorra in vlammen opgaan – gebrandschilderd kerkraam, anoniem 16e eeuw

      ‘Het zegel op mijn apostelschap’ zijn ‘jullie’ [navolgers] in de Heer.
Dit is mijn verdediging tegen hen, die zich een oordeel over mij aanmatigen.
Hebben wij geen bevoegdheid om te eten en te drinken?
Hebben wij geen bevoegdheid om een zuster als vrouw mee te nemen gelijk ook de andere apostelen en de broeders des Heren en Cephas?
Of hebben alleen ik en Barnabas geen bevoegdheid om vrij te blijven van handenarbeid?
Wie doet ooit dienst in het leger en betaalt zijn eigen soldij?
Wie plant een wijngaard zonder van de vrucht daarvan te eten?
Of wie weidt een kudde en geniet niet van de melk der kudde?
Spreek ik hier soms van menselijk standpunt, of spreekt ook de wet niet van deze dingen?
Want in de wet van Mozes staat geschreven:
Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen?
Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil?
Ja, om onzentwil werd het geschreven, omdat de ploeger moet ploegen in Hoop, en wie dorst [dient te dorsen] in de Hoop zijn deel te ontvangen.
Indien wij het zijn, die voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, dat wij van u het stoffelijke zouden oogsten?
Indien anderen deel hebben aan de bevoegdheid over u, wij niet veel meer? Doch wij hebben van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt, maar wij verdragen alles om geen hindernis voor het Evangelie van Christus op te werpen1Cor.9:2b-12.

    Geliefde, gij handelt trouw in alles wat gij aan de broeders doet en dat nog wel aan vreemdelingen, die in tegenwoordigheid van de Gemeente getuigd hebben van uw liefde; indien gij hen voorthelpt, gelijk het aan God waardig is, zult gij wèl doen; want zij zijn uitgegaan ter wille van de Naam [van God], zonder iets van de heidenen aan te nemen3John. 5-7.

Paulus verdedigt zich tegen degenen, die zich een oordeel over hem aanmatigen ten aanzien van het feit dat hij – ‘vrijgesteld’ – was – met andere woorden om vrij te blijven van arbeid om in z’n levensonderhoud te voorzien.
De woorden ‘zonder iets te ontvangen‘ uit de Johannesbrief zijn de vertaling van de Griekse woorden ‘ουδεν λαμβάνοντες‘.
Het gebruik van deze woorden drukt meer uit dan het feit dat zij niets aannamen. Het drukte volgens haar een traditie uit die bij de apostel Paulus begon, namelijk om geen voedsel, geld en onderdak te vragen van de mensen onder wie zij de Blijde Boodschap verkondigden:
      Zie, het is nu de derde maal, dat ik gereed sta tot u te komen en ik zal u niet lastig vallen; want het is mij niet om [van] het uwe, maar om uzelf te doen. Immers, kinderen behoren niet voor hun ouders te sparen, maar ouders voor hun kinderen. Ik voor mij zal zeer gaarne offers brengen, ja, mijzelf opofferen voor uw zielen. Ontvang ik soms minder liefde, naarmate ik u meer liefheb?
       Het zij zo; tot overlast ben ik u niet geweest, ik ben nu eenmaal sluw, met list heb ik u gevangen.
Heb ik mij dan ten koste van u bevoordeeld door iemand van hen, die ik tot u zond?2Cor.12: 14-17 en
      Ook zochten wij geen eer bij mensen, noch van u, noch van anderen, hoewel wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden; maar wij gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert. Zo waren wij, in onze grote genegenheid voor u, bereid u niet alleen het evangelie Gods, maar ook ons eigen leven mede te delen, daarom, dat gij ons lief geworden waart. Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt1Thess.2: 6-9.

God en de ‘geld’-duivel; Ο Θεός και ο διάβολος του “χρήματος”; God and the “money” devil

Met ‘niets aannemen’ werd dus hoogst-klaarblijkelijk voedsel, geld, onderdak en eventuele andere middelen bedoeld.
Uiteraard zijn er diverse redenen aan te geven waarom de spelleiders en toezichthouders van onze Christelijke Geloof’s-Gemeenschappen geen geld van de overheid – van de heidenen –  aannemen.
De Kerk is vanaf den beginne [principieel] van mening dat zij onafhankelijk van de wereld dient te opereren – maar al te vaak is in de geschiedenis gebleken en blijkt nog steeds, dat gezaghebbers in de wereld de Kerk voor haar karretje trachten te spannen: “ God bless, etc . . . . .”.
En met de hand op het hart worden de meest onmenselijke ongerechtigheden bedreven.
De Kerk dient ten alle tijde gevrijwaard te zijn van politieke en maatschappelijke binding. Uiteraard kan er een overeenkomst bestaan met maatschappelijke doelen – de Kerk dient er echter op geen enkele wijze mee ‘geassocieerd’ te worden – men dient zich in de Kerk zeker te stellen, dat men ten alle tijde de handen vrij houdt van wat voor binding dan ook.
De Kerk dient zich niet door de Moloch [de banken en geldschieters] te laten muilkorven. Men dient in de Kerk ten alle tijde de schijn te vermijden dat men van geld afhankelijk is – men zou hierdoor kunnen gaan twijfelen aan de meest oprechte intenties.
In zijn tweede brief aan de Corinthiërs toont Paulus vandaag aan dat hij werkte voor mensen en  niet om hun bezittingen, inkomen of eer te bemachtigen. Hiertoe wijst hij erop dat hij de Corinthiërs nooit tot overlast is geweest [nooit om geld of onderdak heeft gevraagd] en dat hij zich nooit ten koste van hen heeft bevoordeeld. Ook heeft Titus en een medebroeder, die door Paulus naar Corinthe waren gezonden, zich niet bevoordeeld ten koste van de Corinthiërs.
Paulus heeft door zijn manier van handelen ervoor gezorgd dat hij de schijn – dat hij het om het geld deed – gemakkelijk kon weerleggen.
Hij was waarachtig en had ècht het beste met de mensen voor, ook door de wijze waarop Christus, de Volgelingen op weg heeft gezonden wordt dit nog eens benadrukt:
      Toen riep Hij de twaalven [= meer dan de 12 Apostelen] samen en gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en om ziekten te genezen. En Hij zond hen uit om het Koninkrijk van God te verkondigen en genezingen te doen en Hij zei tot hen:
‘Neemt niets mee voor onderweg, geen staf of reiszak, geen brood of zilvergeld en hebt ook niet twee hemden bij u. En komt gij ergens in een huis, blijft daar en reist vandaar verder.
En zijn er, die u niet willen ontvangen, gaat dan weg uit die stad en schudt het stof af van uw voeten tot een getuigenis tegen hen.
Zij gingen heen en trokken de dorpen langs, overal het Evangelie predikende en genezingen doendeLuc.9: 1-6.

Koning David, bij de stromen van Babylon; Ο βασιλιάς Δαβίδ στα ρέματα της Βαβυλώνας;
الملك داود في تيارات بابل

Om niet met praktijken van rijke predikers – van heidense goden – geassocieerd te worden konden de uitgezondenen het best proberen om zichzelf niet afhankelijk op te stellen van ongelovigen; daarom is vanaf het begin van de Kerk gesteund op ‘vrijwillige’  Kerk-bijdragen van medechristenen indien dat nodig was.

De oudste stelt dat spelleiders/verkondigers ondersteuning van de Gemeenschap dienen te ontvangen om te voorkomen dat zij dit van ongelovigen zouden gaan vragen, waardoor zij kunnen worden geassocieerd met ‘heidense’ predikers en beïnvloed werden:
      Wij behoren dus zulke mannen te ontvangen, opdat wij mogen samenwerken voor de Waarheid. Ik heb aan de Gemeente een en ander geschreven; maar Diotrefes [Hebr. gevoed door Jupiter], die onder hen de eerste tracht te zijn, ontvangt ons niet.
Daarom zal ik, als ik kom, herinneren aan zijn werken, die hij doet, daar hij met boze woorden tegen ons zwetst; en hiermede nog niet voldaan, ontvangt hij zelf de broeders niet en weerhoudt ook hen, die het wel willen doen, en hij werpt hen uit de Gemeente
3John.1: 8-10.

Voorzien in het onderhoud van degene, die dag en nacht actief is voor de Geloofsgemeenschap, wordt als een christelijke plicht en een uiting van christelijke naastenliefde beschouwd; de spelleiders mogen t.o.v. hun diensten op de hulp van gelovigen rekenen, alsof onze Heer en Verlosser ‘Zelf’ die rol van de Kerk op Zich nam en Zelf alles voor hen zou regelen.
Van overdaad en een luxe leventje is hierbij nimmer sprake geweest zo blijkt uit het volgende.
De apostel Paulus geeft persoonlijk aan hoe een spelleider en toezichthouder zich dient op te stellen.
Indien hij in een stad kwam bleef hij daar vaak een lange tijd en hij bouwde in die periode een handel op [als tentenmaker] om zichzelf van zijn levensonderhoud te voorzien:
      Want gij herinnert u, broeders, onze moeite en inspanning. Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand van u lastig te vallen, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt1Thess.2: 9.
Wèl stelde Paulus dat een evangelist van het brengen van de Blijde Boodschap  diende te kunnen leven:
      Weet gij niet, dat zij, die in het Heiligdom de dienst verrichten, van het Heiligdom eten, en zij, 
die het Altaar bedienen, hun deel ontvangen van het Altaar? Zo heeft de Heer ook voor de verkondigers van het Evangelie de regel gesteld, dat zij van het Evangelie leven1Cor.9: 13,14.
            Redelijkerwijs dienen de gelovigen hem dus in het levensonderhoud te voorzien als dat nodig is,  wat Paulus op zich nam was derhalve een uitzondering; hetgeen ook in onze tijd nog regelmatig voorkomt.
Men zegt wel eens dat “geld regeert” òf “wiens brood men eet, diens woord men spreekt”. Dat kan een heel andere reden zijn om niets aan te nemen van de buitenwereld aan te nemen.
Wanneer buitenstaanders geld doneren, òf onderdak bieden, is het mogelijk dat zij daarmee ook invloed op een spelleider of zelfs een gehele christelijke gemeenschap, waaronder de toezichthouder kunnen uitoefenen.
Deze invloed is ‘absoluut’ ongewenst en dit dienen wij ook in onze kringen te realiseren – hoe er in andere landen ook over wordt gedacht.
We zien maar al te vaak dat ook Kerkleiders, de hoofden van toezichthouders zich hieraan bezondigen. In hun kielzog meten de overige toezichthouders eveneens zo’n stijl van leven aan.
➥➥➥  Vergeet niet dat om die reden, de toezichthouder gekozen werd uit de ‘plaatselijke’ monnikenstand, hetgeen veelal betekende dat een volgroeid en wijs en afgewogen levend [doorspekt monastiek levend] iemand gekozen werd.
In de middeleeuwen werd de gewoonte opgebouwd – graven, wereldse heersers en afgestudeerden als vazal van de wereldse overheid als toezichthouder aan te stellen, hetgeen de oorzaak is geweest van de heidense westerse scheefgroei.
Diotrefes [Hebr. gevoed door Jupiter, een heidense God] was volgens de overlevering een welvarend man, die zijn huis beschikbaar stelde aan de gemeenschap voor samenkomsten. Hierdoor kon ‘hij’ bepalen wie er wèl en níet bij de samenkomsten mochten zijn en de agenda bepalen.
Degenen, die waarachtig, de Heer navolgden, wilde hij absoluut ‘niet binnen’ hebben, dus maakte hij hen het leven aldaar onmogelijk, sloot hen buiten en weerhield anderen ervan hen binnen te laten; tevens weerhield hij z’n medestanders ‘elders’ de Waarheid te achterhalen.
Hij kon hierdoor als gevolg van zijn positie als zogenaamde beheerder/eigenaar van de samenkomst-locatie al het mogelijke doen om de macht binnen de van Christus vervreemde Gemeenschap te behouden, ten koste van de daadwerkelijke leiders [het bestuur], waaronder de oudste.

De ‘Karolingische renaissance’ afbeelding uit de 16e eeuw; The ‘Carolingian Renaissance’ image from the 16th century

Bovengenoemde redenen om ‘niets, maar dan ook niets’ aan te nemen van ‘heidenen en machthebbers’, zijn waar ook ter wereld allemaal heel goed te onderbouwen. Het is daarom vrij zeker dat al deze zaken [en misschien dat er nog veel meer meespelen, zoals vrij-metselarij] in een beslissing van spelleiders om absoluut geen geld en onderdak van buitenlandse mogendheden aan te nemen – met name niet in de Orthodoxe Kerk.
Na dit fenomeen indringend bestudeerd te hebben en tot je door te laten dringen wat de mogelijke gevolgen van je handelswijze zou kunnen zijn;  dienen wij ons te realiseren
wàt ‘de Kerk van Christus’ zijn inhoudt,
wàt de staat en de wereld inhoudt en
wàt daarmee wordt bedoeld,
wàt het daadwerkelijk betekent een Joods-Christelijke georiënteerde samenleving te zijn?
Bovendien dienen wij te benadrukken dat er geen relatie is met de kwestie van de scheiding van de kerk en de staat in onze deelname aan de Europese Unie, aangezien er de gezamenlijke verklaring [nr. 11 van het Verdrag van Amsterdam – 1999] is vastgelegd, waarin duidelijk wordt gegeven: “De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan in overeenstemming met de status van nationaal recht van kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen in de lidstaten. Ἡ Ε.Ε. respecteert dit op dezelfde wijze  als waarop zij met  filosofische en oecumenische associaties omgaat“.
Dit is echter van kracht of het Europees Parlement, hetzij de Raad van Europa, hetzij de Europese Commissie nu door middel van de “gewone wetgevingsprocedure“, een reglement van richtlijnen aanneemt betreffende de wetgeving betreffende de wijze waarop betrekkingen tussen de Kerk en de staat in een lidstaat binnen de EU tot stand zouden kunnen worden gebracht.
Het nationale recht, de staat, die dit zelf in overleg met de Kerk definieert respecteert deze relaties èn die welke de staat voor de EU heeft aanvaard.
Dit houdt in dat de vrijheid en de eer om de specificiteit van elke lidstaat te waarborgen – dit verheft weliswaar de Europese Unie en het ondersteunt het natuurlijk proces van de uitwisseling van en het doen en laten van de onderlinge relaties.
Heel wat anders wordt het wanneer en òf dit in elk Europeesch land wordt gerealiseerd is maar de vraag.  België o.a. subsidieert de Orthodoxe Kerk en het Patriarchaat Constantinopel vaart daar financieel wèl bij, voert derhalve een met de R.K. een overheersend bestuur binnen haar gelederen.
Het blijkt een feit te zijn dat men door de tijden heen net als in de Gemeenten te Corinthe en Ephese ‘al het mogelijke’ behoort te doen om ‘valse apostelen’  en – de kliek daar om heen – [lees Brussel] van de ware Kerk te onderscheiden:

Verzoeking van Christus, door Chrispijn de Passe;
Temptation of Christ, by Chrispijn the Passe

      Maar wat ik doe, zal ik blijven doen, om hun de gelegenheid af te snijden, die er een zoeken, zodat zij in hetgeen, waarin zij roemen, blijken te zijn zoals ook wij. Want zulke lieden zijn schijn-apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel van het Licht. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren van de Gerechtigheid; maar hun einde zal zijn naar hun werken2Cor.11: 12-15 en
      Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding en dat gij de kwaden niet kunt verdragen en hen op de proef gesteld hebt, die zeggen, dat zij [als de] apostelen zijn, maar het niet zijn, en dat gij hen leugenaars hebt bevonden en gij hebt volharding en hebt verdragen omwille van Mijn Naam  en gij zijt niet moede geworden. Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste Liefde verzaakt hebt. Gedenk dan, van welke hoogte gij gevallen zijt en bekeer u en doe [weer] uw eerste werken. Maar 
zo niet, dan kom Ik tot u en Ik zal uw kandelaar van z’n plaats wegnemen, indien gij u niet bekeertOpenb. 2: 2-5.

Heilige Amandus en de heidenen, de (herhalende) Geschiedenis van Gent [Be]; Holy Amandus and the Gentiles, the (repeating) History of Ghent [Be]; Ο Άγιος Αμάνδος και οι Εθνικοί, η επαναλαμβανόμενη Ιστορία της Γάνδης (Be)

Onze Apostolische Orthodoxe Kerk leert dat God, voorafgaand aan het creëren van de materiële wereld, de geestelijke wereld schiep, dat wil zeggen de engelen die redelijke, immateriële en onafhankelijke en vrije wezens zijn. Maar een aantal van deze engelen maakten in hun ‘hoogmoed’, in hun ‘narcistische verwaandheid’ rebellie tegen God. Vanaf dat ogenblik vervielen die engelen van het Licht in de chaos en verwerden tot engelen van de duisternis.
Demonen werken tegen God’s Wil in, verspreiden slechte gewoonten en onderlinge naijver en verbloemen hun rebellie ten opzichte van de ware God; hun werkzaamheid en doel is de mens van God te verwijderen.
De ervaring bevestigt dat tegenstrevers [de duivel] altijd opgewonden raken en opwinding veroorzaken, zelfs wanneer deze zich presenteert als een prins van de Kerk, een engel van het Licht.
Hierdoor verwordt de duivel dus tot een opper-vijand van de mens, anders gezegd een belemmering voor de redding van de mens en dit dienen wij alleen om die reden zo snel mogelijk uit de weg te gaan.

Verzoeking van Christus [San Marco, Venetië (It.)]

De duivel heeft ‘zelfs’ Christus trachten te misleiden, doch heeft zich nadat hij Hem als Heer en Meester van het heelal herkende gemeden. Hij is slechts een grote vijand en heeft absoluut geen Al-Macht. Hij dient zich de mindere te achten ten opzichte van de alom Heersende Vader, onze Verlosser en Heer, Jezus Christus en de heilige Geest.
Uiteindelijk zal de Koning van het Koninkrijk der Hemelen afrekening houden met zijn dienaren, het goed en het kwaad wat ons omringt. Houden wij daarom onze belangstelling onafgebroken gericht op Christus, Die ons uiteindelijk dan ook zal verlossen.

Apolytikion     tn.2
Toen Gij, het onster’flijke Leven nederdaalde tot de dood,
hebt Gij de kracht der onderwereld gedood door de bliksem der Godheid.
En toen Gij de gestorvenen uit de onderwereld opwekte,
riepen alle Machten der Hemelen:
O Christus onze God, Schenker des Levens, ere zij U
“.

Kondakion     tn.2.
Gij zijt opgestaan uit het graf, Almachtige Verlosser,
en bij het aanschouwen van dit wonder stond de onderwereld verslagen.
De doden verrezen en heel Uw Schepping verheugt zich samen met U.
Ook Adan jubelt en het Heelal mijn Verlosser,
zingt U de lofzang zonder einde
“.

Theotokion     tn.2.
Onbegrijpelijk en hoog-Heerlijk zijn alle Mysteriën
Die aan u voltrokken zijn, o Moeder Gods.
Verzegeld in reinheid en vast in maagdelijkheid,
zijt gij waarlijk Moeder geworden
en hebt gij de Ware God gebaard.
Smeek tot Hem dat onze zielen worden verlost
”.