Augustus 1e – het plechtig uitdragen van het eerbiedwaardig hout van het levenschenkende Kruis van onze Heer en Verlosser

      Wat dunkt u? Iemand had twee kinderen. Hij ging naar de eerste en zei: Kind, ga en werk vandaag in de wijngaard.
En hij/zij antwoordde en zei: Ja, Heer, maar hij ging niet.
Hij ging naar de tweede en sprak evenzo.
En deze antwoordde en zei: Ik wil niet, maar later kreeg hij/zij berouw en ging toch. Wie van de twee heeft de Wil van zijn Vader gedaan?
Zij zeiden: De laatste.
Jezus zei tot hen:
‘   Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en de hoeren gaan u voor in het Koninkrijk Gods. Want Johannes heeft u de weg van de Gerechtigheid gewezen en gij hebt hem niet geloofd. De tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd, doch hoewel gij dat gezien hebt, hebt gij later geen berouw gekregen en ook in hem geloofd’“ Matth.21: 28-32.

      Mocht het echter van belang zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen. En ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik zal de reis door Macedonië doen, maar dan zal ik mij mogelijk bij u langer ophouden, misschien wel de winter doorbrengen, zodat gij mij kunt voorthelpen, wanneer ik verder reis.
Want ik wil u thans niet in het voorbijgaan bezoeken, want ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Here het toestaat.
Maar ik zal nog tot Pinksteren te Ephese blijven; want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders.
Wanneer Timotheüs komt, zorgt er dan voor, dat hij bij u niet afgeschrikt wordt, want hij doet het werk des Heren evenals ik; laat niemand hem dan geringschatten. Maar helpt hem voort in vrede, opdat hij tot mij komen kan, want ik wacht op hem met de broeders
1Cor.16: 4-12.

Paulus reist van -hot naar her- om de Blije Boodschap te verkondigen, net zoals onze pionier, de jonge priester Basilios dat hier in Nederland doet.
Wat een contrast!  Na de roep door Christus Zelf en zijn bekering is Pailus nèt als ons z’n pelgrimstocht door het leven begonnen – hij richt zich op het fundament van het Geloof, het voorbeeld geven en daarmee de verkondiging aan anderen – eerst deed hij dat tot z’n eigen volk, maar nadat hij met Pinksteren het feest van de Heilige Geest heeft gevierd, laat hij zich door de Heilige Geest leiden en trekt zich het lot aan van de heidenen, de niet-Joden.
      Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken of stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijnMatth.6:19-21.
Een mens is geen ding wat afgedankt wordt en aan de kant wordt geschoven; overeen-komstig onze christelijke roeping dienen wij ons in te zetten om mensen vooruit te helpen en te redden op de wijze welke Christus ons heeft voorgedaan. Onszelf daaraan over-geven zal ons hart in het werk van God plaatsen.
Op deze wijze blijven wij verbonden met de omstandigheden waarin de Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser gerealiseerd wordt. De gelovigen in Corinthe waren kennelijk al enige tijd bekend met dit speciale aanbod om elkaar en hun naasten te ondersteunen en Paulus wilde dat dit offer er een was, waaruit onderlinge liefde en eenheid sprak – zelfs tot de jonge apostel Timotheüs, die hem achterna reisde en die zij waarschijnlijk zouden ontmoeten. De van oorsprong Joodse christenen zouden een offer ontvangen van een heidense [niet-Joodse] gemeente, dit zou eenheid en onderlinge bezorgdheid benadrukken.
De gemeente ontmoette elkaar op zondag opa de eerste dag van de week, de dag des Heren en de gaven, die zij meebrachten waren een onderdeel van hun eredienst.
In navolging van Christus dienen wij gevers te zijn -ieder van ons- en we kunnen allemaal wel iets geven en dienen het ook te ervaren als een offergave – het dient je te beroeren. De weduwe gaf immers twee kleine muntstukken en Jezus stemde ermee in omdat ze uit haar armoede gaf [zie Marc.12: 41-44].
Wij geven derhalve onze offergave overeenkomstig ons inkomen en onze mogelijkheden. Dit was evenredig geven overeenkomstig de verhoudingen van dié tijd in dié oude cultuur, waarbij nog geen sociale voorzieningen bestonden – derhalve werd er het principe van de tiende gevoerd.
Paulus maakt zich zorgen over ‘onze verantwoordingsplicht’ en schrijft:
    Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb:
‘ elke eerste dag van de week dient ieder van u naar vermogen thuis iets weg te leggen en hij dient dit op te sparen, opdat er niet eerst ná mijn komst inzamelingen dienen te worden gehouden. Wanneer ik dan [later] aangekomen ben, zal ik hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven zenden om uw liefdegave te Jeruzalem af te dragen.
Mocht het echter van belang [noodzakelijk] zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen’
1Cor.1-4.
Daarmee begint de Apostel-lezing van vandaag.
Het gaat dus om de verhouding waarop offers gebracht worden –  het geschenk diende te  worden gepresenteerd door mannen die ze hebben goedgekeurd, de schatbewaarder [peningmeester] met z’n controleurs, Paulus zou de inwijding’s hun aanstellingsbrief schrijven.

Een nauwkeurige bestudering van de Blijde Boodschap en met name de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan zou ons moeten overtuigen van de verwachtingen van Jezus met betrekking tot ons rum-hartig geven [Luc.10: 25-37].

God is de grote gever van alle dingen:
  Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven zal hebben. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zal veroordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zal wordenJohn.3: 16,17.

Onze Heer zegt tot Nicodemus:
  Indien iemand niet geboren wordt uit water èn Geest, is hij niet bij machte binnen te komen in het Koninkrijk der Hemelen; want wat uit vlees geboren wordt, is-en-blijft vlees en wat uit Geest geboren wordt is-en-blijft vlees; verwonder je er dus niet over van Ik je gezegd heb: Jij dient vanuit een Hemels Geest geboren wordenJohn.3: 5-7.
Wanneer we het dus over aardse zaken [geld en vermogen] hebben, dienen we dat ten opzichte van de gemeenschap als een hemels zaak te beschouwen.
Zo dient de mensenzoon, -‘wij dus’-, onszelf te verhogen door ons Kruis met ere te verheffen en de gemeenschap in staat te stellen aan haar verplichtingen te  voldoen.
Zozeer heeft het Goddelijke de wereld lief gehad, dat de gelovige mens geeft, opdat eenieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven zal verkrijgen.
Wanneer ons derhalve gevraagd wordt een formulier in te vullen, teneinde een kerkbijdrage te leveren – voor het voortbestaan van de gemeenschap – kunnen we het overeenkomstig bovenstaand Evangelie zeggen, ja, ik zal het invullen en het niet doen.
òf we kunnen het na het ontvangen verzoek invullen en de gaven verder op hun beloop laten. Later kun je berouw krijgen en je bijdrage alsnog leveren, waarop
dit Evangelie ons leert ‘wie van de twee de Wil van z’n Vader gedaan heeft.

bij Heer, ik roep . . . tn.4. voorfeest verheerlijking
Komt laat os voortgaan en onszelf reinigen en door Geloof onszelf bereiden voor de Goddelijke gang omhoog tot die meest verheven staat, waar wij Zijn Majesteit mogen aanschouwen en geraken tot de heerlijkheid die Zijn meest geliefde Apostelen waardig waren bevonden te schouwen op de berg Thabor”.

Nb. wilt u uw bijdrage leveren en
weet u niet hoe info.aokn@gmail.com òf

06- 522 465 61