9e Zondag na Pinksteren – wij kleingelovigen zinken, net zoals Petrus

      En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.
        En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen.
        Doch het schip was reeds vele stadiën van het land verwijderd, geteisterd door de golven, want de wind was tegen.
        In de vierde nachtwake kwam Hij tot hen, gaande over de zee.
Toen de discipelen Hem over de zee zagen gaan, werden zij verbijsterd en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van vrees.
        Terstond sprak Jezus hen aan en zeide: ‘Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd !’.
Petrus antwoordde Hem en zei:
‘ Heer, als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water’.
        En Hij zei: ‘Kom !’. En Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.

‘Help, ik verdrink’ ; ‘Help, I drown’;          ‘مساعدة ، أنا غرق’; ‘Βοήθεια, πνίγω’

Maar toen hij zag op de wind, werd hij bevreesd en begon te zinken en hij schreeuwde:  ‘Heer, red mij!’.
        Terstond stak Jezus hem de hand toe en greep hem en zei tot hem:
        Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?
En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen. Die in het schip waren, vielen voor hem neer en zeiden: ‘Waarlijk, Gij zijt God’s Zoon!’Matth. 14: 22-34.

Door het Geloof blijf je drijven op de levenszee; Μέσω της Πίστης συνεχίζετε να επιπλέετε στη θάλασσα της ζωής; من خلال الإيمان تبقي عائمة على بحر الحياة; Through the Faith you keep floating on the sea of life.

      Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Naar de Genade van God, Die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt.
Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.
       Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen.
Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro,  ieders werk zal aan het licht komen.
Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken.
        Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.
        Weten jullie niet, dat jullie God’s Tempel zijt en dat de Geest van God in jullie woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden.
Want de Tempel Gods’, en dat zijn jullie, is heilig!
1Cor.3: 9-17.

De Blijde Boodschap gaat over God, èn over mensen, die in hun leven ervaren wat God voor mensen betekent. Ze vertellen over onze Heer Jezus Christus, Die met Zijn leven liet zien hoe het mensenleven naast God, onze Vader kan zijn.
Daarom is de Blijde Boodschap ook waardevol, omdat het richting geeft aan je leven.
Het roept vragen op en het wijst je de weg, om mee verder te leven.
Petrus ging uit het schip en liep over het water en ging naar Jezus.
Maar toen hij opzag in de waan van z’n denken, het houvast, waaraan hij gewend was, werd hij bevreesd en zonk weg in de golven. Geloven, dat is de stormen van het leven niet uit de weg gaan, maar blijven vertrouwen.
Het is het ‘blijven’ vasthouden aan het verlangen naar het Enige, het Eeuwige, de oase in de  woestijn kunnen we dáár vinden wáár we ons temidden van desillusies bevinden.
Wij blijven ons laten leiden door het verlangen -een zodanig leven met een open horizon, dat het besef van dat -‘er méér is’- een kans krijgt in ons bestaan en ook dat wij die Hoop levend houden.
En tegelijk durven wij zonder reserve te roepen:
“Red mij, Heer”, omdat we op zijn tijd allemaal ook ‘kleingelovigen’ zijn, ieder op z’n eigen wijze zijn getekend, gevormd.
Onze Heer heeft Zijn Volgelingen in het schip [de Kerk] in een storm terecht laten komen. Hij, Die hen [en ons] op weg heeft gestuurd, zat Zèlf niet in de boot, maar kwam Zijn Volgelingen “op het einde van de nacht” in hun moeilijkheden tegemoet.
De Volgelingen zien Hem echter temidden van de chaos van wind en water [de chaotische wereld]  aan voor een Mysterie en schreeuwen het uit van angst.
Blijkbaar, zo concludeerde ik, is het lang niet altijd duidelijk te onderscheiden – wat nu de redding is èn – wat de bedreiging, waarvan God ons redt.
De Heer drukt ons op het hart rustig te blijven: “Ik ben het, wees niet bang”.
Waar God of Zijn Gezalfde verschijnt, wordt in de Blijde Boodschap de angst verdreven.
Het is Petrus die opmerkelijk op het Mysterie reageert, ergens onderkent hij de Hand van God. Hij zegt: “Heer, als Jij het bent, zeg mij dan over het water naar jou toe te komen”.
Wanneer hij inziet dat onze Heer en Verlosser in de chaotische wereld en de bedreiging alom overeind blijft, concludeert Petrus dat niet in het schip [de Kerk], maar in de nabijheid van onze Heer de waarachtige veiligheid te vinden valt. Hij vraagt daarom geroepen te worden door het Mysterie van Degene, Die hij ziet doen wat hij tot dan toe onmogelijk heeft geacht:
overeind blijven in de golven van het leven en de tegenwind van de wereldgeschiedenis’.
Onze Heer zegt immers namelijk maar één Woord: “Komt allen en volgt Mij”.
En deze grote Apostel, met z’n grote mond en een ontzettend klein hartje stapt uit de relatieve veiligheid van de boot [de Kerk], loopt over het water alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en komt naar de Heer toe.

De boot [de Kerk], die wordt gebeukt door de schijnbaar onoverwinnelijke oerkrachten van wind en water, het is wat mij betreft een beeld van ‘wáár’ we ons bevinden als cultuur, als gezamenlijke christenen, als christelijke gemeenschap in een tumultueuze tijd.
Onze tijd heeft slechts aandacht voor sensatie, prikkeling van de zintuigen en het behouden van het aloude Geloof is maar niks, dat is illusie – zinsbegoocheling, dàt geloof je toch niet.
In zo’n situatie dien je niet veilig te ‘willen’ zijn, maar dien je dáár te gaan waar redding zich aandient, ook al roept dat je verder de onveiligheid in.

‘Petrus verdrinkt’, byzantine mosaïc.

Temidden van de golven ziet de grote Volgeling met het kleine hartje ineens in, dat hij zich in een gans onmogelijke situatie hij verkeert.
Hij merkt de Kracht van de Wind [van de Heilige Geest] op, staat er, waarvan hij eerder gezegd bemerkt dat dit “tegen hem in werkt” [de beproevingen] en hij wordt bang.
En terwijl hij begint te zinken, roept hij en wij met hem: “ ‘Heer, red me!’ – ‘Heer, Jezus Christus, ontferm U over mij, zondaar’ ”.
Blijkbaar zijn de angst en het zinken twee kanten van dezelfde realiteit, een realiteit die tegenover het Geloof staat dat het eerste opkwam en hem deed vragen – geroepen te worden en zonder aarzelen naar Christus toe doen gaan. Maar dáár wáár wij, kleingelovigen in twijfel wegzinken, blijft onze Heer ons echter trouw: “Hij steekt Zijn hand uit en grijpt ons vast”. 
Hij stapt met onze kleingelovigheid de boot [de Kerk] weer in en de chaotische wind [beproeving] gaat liggen.
Jezus noemt ons terecht “kleingelovig”, maar dat lijkt Hij haast liefkozend te zeggen, zoals ouders een kind “stom” kunnen noemen wanneer zij het overeind helpen nadat het is gevallen, of z’n vingers ergens aan brandt.
Onze Heer herinnert Petrus en ons eraan dat hij/wij toch kònden weten dat onze angst onnodig is. Maar als wij in onze ellende dreigen weg te zinken, trekt Hij ons eruit en leert ons zo waarachtig te vertrouwen, te geloven.

Op deze wijze leren wij nog altijd wàt waarachtig geloven is:
niet voorkomen dat je “Heer, ontferm U” dient te roepen,
maar het werkelijk zonder enige reserve durven en het wagen te roepen.

Als samenvatting wordt dit tevens een leidraad.
Een aansporing om niet te proberen – altijd tevergeefs! – mij in welke boot [kerkgemeenschap] dan ook  te verschansen, maar in plaats daarvan te zeggen:
Heer, als U het bent, zeg mij dan over het water naar U toe te komen”.
Met de Hoop dat de roep dóórklinkt en het voornemen dàn óók wèrkelijk tot werkelijkheid zal komen. Ook als ik het eigenlijk niet durf en daardoor dreig weg te zinken.

De Heer is verheven, want Hij woont in den hoge. Hij heeft Sion met Recht en gerechtigheid vervuld. En Zijn tijden zullen bestendig zijn, een rijkdom van Heil, Wijsheid en Kennis; de vreze des Heren is Zijn schatIsaiah 33: 5,6.

  God’s mede-arbeiders zijn wij; God’s akker, God’s bouwwerk zijt gij”.
Wanneer je deze tekst zo onsamenhangend zou lezen, dan zou je de indruk kunnen krijgen dat wij vooral moeten ‘werken’. Dat wij met z’n allen in God’s tuin, in Zijn schepping aan het werk -aan de slag dienen te gaan.
Maar op de een of andere manier – is dit voor iedereen verschillend en zijn wij allemaal anders dan anderen tot het Geloof gekomen, nadat onze Heer ons geroepen heeft. Wij zijn geplant en door de een of de ander begoten, veelal iemand vanuit de Kerk, maar God gaf de groeikracht [wasdom].

    Daarom, noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft. Wie plant en wie begiet, staan gelijk; alleen zal elk zijn eigen loon krijgen naar zijn eigen werk1Cor.3: 7,8.

Paulus maakt ons in de lezing van de Apostel iets heel belangrijks duidelijk.
Hij zegt vrij vertaald dit: ‘het doet er niet toe wie de blijde boodschap verteld en wie de ‘katechese geeft’.  Je zou nu kunnen opmerken, waaròm doet dat er niet toe?
Omdat God Degene is Die groei [wasdom] geeft, zowel binnen als buiten Zijn Kerk.  En zo gaat Paulus verder, Hij, Die de Blijde Boodschap ‘openbaart’ en Hij, Die ‘katechese’ geeft zijn daarin Één.
De ene mens is niet ‘méér’ dan de ànder, want God geeft ons de woorden.
Niet wij zijn het, die spreken maar op de een of andere Mysterieuze wijze spreekt God tot en door ons.

Nu denkt u misschien, ja maar… wij zullen loon naar werken ontvangen, dat staat er. Maar dat is geen loon of beloning, in de zin van, wat heb ‘JIJ’ dàt even effectief en goed gedaan, nu krijg jij, persoonlijk ‘extra plusjes’ achter je naam in het grote boek des levens.
Neen, de beloning is dat jij ‘het planten en begieten’ [in Genadegave] ‘om niet’
mag doen en dat je ‘dàt’ mag beseffen.
Dáárin ben je dus gezegend en ‘dàt’ is je loon,
niet dat ‘JIJ’ zo bijzonder bent als spelleider of toezichthouder!
Je dient je nadrukkelijk te beseffen, dat GOD degene is Die ALLES een plaats geeft. Dàt is de grote zegen tot de mensen! Besef dàt! Dàt is ons loon.
Dat is trouwens ook heel simpel aan te tonen.
Enige hoofdstukken verder lezen we dat Paulus zegt:
Wat is dan mijn loon? Dit: door mijn evangelieprediking het evangelie om niet te mogen brengen, en zo van mijn bevoegdheid als evangelieprediker geen gebruik te maken. Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt, om er zoveel mogelijk te winnen; en ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de Wet staan, als onder de Wet – hoewel persoonlijk niet onder de Wet – om hen, die onder de Wet staan, te winnen; hun, die zonder Wet zijn, ben ik geworden als zonder Wet – hoewel niet zonder de Wet van God, want ik sta onder de wet van Christus – om hen, die zonder wet zijn, te winnen. Ik ben voor de zwakken zwak geworden, om de zwakken te winnen; voor allen ben ik alles geweest, om in elk geval enigen te redden1Cor.9: 18-22.

In die wetenschap lezen we verder, er staat: want Gods medearbeider zijn wij. Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij.
Je zou nu de volgende gedachte kunnen hebben, hier staat toch echt dat ‘ik’, persoonlijk voor God dien te gaan arbeiden, dat ‘IK’ God wel eventjes dien te gaan helpen, want Zijn medearbeider ben ik.
Maar deze gedachte zou de voorgaande verzen ‘en dat wij Gods akker zijn!’ tegenspreken, we lazen immers dat God, de groeikracht, de wasdom geeft.
Neen, we zijn medearbeiders ten opzichte van elkaar!;  en God werkt dóór ons als mede-arbeiders heen.  Hij is de Bron, de initiator, de formeerder, de schepper, Hij maakt ons tot ‘getekenden’.
Je ziet dus nadrukkelijk dat God centraal staat en niet de mensen en
wat de mensen er ook allemaal van gemaakt hebben.
Gelukkig maar, want de mens [en z’n instituties] falen en zijn niet altijd zo trouw, dat je ze op hun ogen kunt geloven en blindelings kunt navolgen,
maar God overziet het einde vanaf het begin en is Barmhartig, Trouw en onveranderlijk en Christus is ‘Waarlijk, de Zoon van God!’.

Apolytikion     tn.8.
  Uit den Hoge zijt Gij neergedaald, o Barmhartige,
en zijt drie dagen in het graf gebleven,
om ons van het lijden te bevrijden.
Gij zijt ons Leven en onze Verrijzenis;
Heer, eer aan U
”.

Kondakion     tn.8.
  Nadat Gij zijt opgestaan uit het graf,
hebt Gij de doden opgewekt,
en Adam weer doen opstaan.
De einden der wereld jubelen
over Uw ontwaken uit de doden,
O Al-Barmhartige

Theotokion     tn.8.
  Om ons zijt Gij uit de Maagd geboren,
en hebt Gij het Kruis ondergaan, o Goede.
Door Uw dood hebt Gij de dood overwonnen
en ons als God de Opstanding getoond.
Veracht het werk van Uw handen niet;
toon ons Uw mensenliefde, o Barmhartige.
Verhoor haar die U gebaard heeft:
de Moeder Gods, die voor ons bidt
en verlos Verlosser het wanhopige Volk
”.