8e Zondag na Pinksteren – de wonderbare Broodvermenigvuldiging

      En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote menigte en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken.
       Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden:
‘ De plaats [hier] is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de menigte weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen. 
Maar Jezus zei tot hen:
      Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten.
Zij zeiden tot Hem:
‘ Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.
Hij zei:
      Brengt Mij die hier’.
En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de Hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen.
En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezondenMatth.14: 14-22.

      Doch ik vermaan u, broeders, bij de Naam van onze Here Jezus Christus: weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, een van zin en een van gevoelen.
       Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de [huisgenoten] van Chloe [Hebr. jonge scheut], dat er twisten onder u zijn.
       Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus [klein, bescheiden]! En ik van Apollos [Hebr. gegeven door Apollo]! En ik van Kefas [Hebr. rotsblok]! En ik van Christus!
       Is Christus gedeeld?
      Is Paulus dan voor u gekruisigd,
òf zijt gij in de naam van Paulus gedoopt?
Ik ben dankbaar, dat ik niemand uwer gedoopt heb dan Crispus [Hebr. gekruld] en Gaius [Hebr. Heer]; zodat niemand kan zeggen, dat gij in mijn naam gedoopt zijt.
Ook heb ik nog het gezin van Stefanas [Hebr. gekroond] gedoopt; verder weet ik niet, dat ik nog iemand gedoopt heb.
       Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen, en dat niet met Wijsheid van woorden, om niet het Kruis van Christus tot een holle klank te maken1Cor.1: 10-17.

  De Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft haar zeven pilaren uitgehouwen,
Zij heeft haar slachtvee geslacht, haar wijn gemengd, ook heeft zij haar tafel bereid.
Zij heeft haar dienstmaagden uitgezonden,
zij roept boven op de hoogten van de stad: ‘
Wie onverstandig is, zal zich hierheen keren’;
tot de verstandeloze zegt zij: ‘
Komt, eet van mijn brood en drinkt van de wijn, die ik gemengd heb; laat varen het onverstand, dan zult je leven en betreed je de weg van het verstand’
Spr.9: 1-6.

Conversion of Apostle Pavlos

Paulus heeft hier beslist niet voor ogen om zich met deze woorden geringschattend over de navolging van Christus en de daarop volgende doop uit te laten, alsof die niet van belang zouden zijn. Integendeel, we weten maar al te goed hoe hij de bewuste navolging van Christus op zijn werkelijke waarde weet te schatten.
Bovenstaand wil hij ons openbaren waar zijn roeping ligt: in het verkondigen van de Blijde Boodschap aan de hand van de leer van Christus.
Tegelijk zegt hij hierbij iets uiterst belangrijks over tot het hoe en wat van die verkondiging – zeker ook voor onze tijd – terwijl wat hij zegt onthullend is ten aanzien van de gemeenschap te Corinthe en zo als het ware een ‘verborgen’ aansporen tot beter gedrag inhoudt, welke eveneens tot ons is gericht.

Paulus spreekt hier namelijk de mensen aan voor wie ‘Wijsheid’ vanuit de wereldse filosofie een tweede natuur geworden is, en dan met name de vrucht van het denken – zo belangrijk is geworden. Het van oorsprong Griekse denken staat in haar essentie haaks op het Joodse, maar zeker ook op het Nieuw-Testamentisch denken en beleven.
Een Wijsheid die in het Licht van God dan ook zonder meer en zonder verdere toelichting dwaasheid heet, terwijl omgekeerd Gods wijsheid in het werelds denken als een dwaasheid wordt beschouwd.
Als een en ander ergens expliciet naar voren komt dan is dit wel bij het Kruis –
neem je kruis op en volg Mij’ zegt Christus immers.
Wij behoeven ons eigen kruis niet te maken, ofschoon het ongeloof een voortreffelijk timmerman is in het vervaardigen van Kruisen; ook wordt het ons niet veroorloofd ons eigen kruis te kiezen, hoewel de eigen wil zo vaak ‘Heer en Meester’ van het eigen leven tracht te blijven.
Maar een kruis wordt voor ons geregeld en aangereikt door de Goddelijke Liefde.
Blijmoedig dienen wij het aan te nemen; wij dienen ons kruis op te nemen als het kenmerk van onze keuze, en niet er voor blijven staan om het ongevraagd te regelen.
Deze ontmoeting gebiedt u allen als Jezus uw schouder te buigen onder Zijn zachte juk. Wees dan niet weerspannig, verzet je er niet tegen, trap er niet op door zelfverheerlijking; val er niet onder neer in wanhoop; ontloop het ook niet in angst en vrees, maar neem het op als een waar volgeling van onze Heer Jezus Christus.
Onze Heer en Meester was een kruisdrager, Hij gaat ons voor op de weg van de smart; je zou je absoluut geen betere gids kunnen begeren!
En daar Hij een Kruis draagt, welk een edeler last zou jij dan nog weten te begeren? De weg van het Kruis is immers de veilige weg; vrees niet de met doornen overwoekerde paden te betreden; het menselijk kruis is immers niet met fluwelen paden geplaveid, het is zwaar en voor onwillige schouders kneuzend; maar het is geen ijzeren kruis, al schildert uw vrees het met een ijzerkleur; het is slechts een houten kruis, en gij kunt het dragen; want de Man der Smarten heeft het getorst.
En neem van mij aan, God zal z’n kinderen niet overbelasten – Hij zorgt dat je over de mogelijkheden/middelen beschikt om de weg te volbrengen.
Neem derhalve je kruis op en door de Kracht van Gods Geest zult je het weldra zo beminnen, dat je, net als Mozes, de smaadheid van Christus niet zou willen ruilen voor de schatten van Egypte.
Bedenk dat Christus hèt Kruis gedragen heeft en hèt Zijn zoete geur zal geven; bedenk dat er eertijds de Kroon van het leven op zal volgen.
Wij volgelingen van Christus dragen ons kruis met geestdrift, in vuur en vlam als in het boek Daniël.
Schijnbaar liepen de Corinthiërs het risico het kruis te veel te benaderen en te verkondigen vanuit de ‘eigen wijsheid’ in plaats vanuit de wijsheid van God.
Wat zij schijnbaar niet beseften was, dat het kruis op die manier tot een holle klank werd gemaakt. Dat wil feitelijk zeggen, van haar kracht beroofd.
Juist het kruis blijkt volgens Paulus het hart van de Blijde Boodschap van Christus en dus van Zijn Leer.

En wanneer iemand in elk opzicht van zijn bestaan heeft ervaren wat de Kracht van het Kruis is, dan is het Paulus wel geweest. Het heeft hem gegrepen en juist daardoor heeft hij de waarde aan inhoud ervan begrepen.
Hij weet als niemand anders wàt de Kracht wel niet is van de Verkondiging van de Leer van Christus, met als fundament het opnemen van je persoonlijk kruis.
Het persoonlijk kruis confronteert je namelijk met jezelf, het ontmaskert en onthult de verborgen zielenroerselen in het leven.
Het toont je de werkelijke verhouding tot God: ‘Waarom vervolg je Mij?’.
Het raakt je tot in het diepst van je wezen: ‘Adam waar ben je?’.
Wanneer dàt je overkomt, overvalt, kun je jezelf niet redden, je eigen ‘Ikje’ handhaven.
Dàn wordt eerst duidelijk wàt onze Heer en Verlosser verkondigd heeft, namelijk
dàt alleen in het totaal verliezen van jezelf ‘het vinden van het Leven’ ligt.
Hoe staat dit vandaag de dag dwars op het ‘werelds’ denken,
een denken dat als in de tijd van toen, de tijd van de Grieken,
gedreven wordt door de drang tot ‘zelfverwerkelijking’ en ‘zelfhandhaving’.
Paulus laat ons de menselijke onvolkomenheid zien in de confrontatie met
de gekruisigde, maar opgestane Jezus Christus, onze Heer.
Dan vallen de oogkleppen af en hoor je wat werkelijk de bedoeling is.

 

Op de berg van God, de Horeb, sprak God op een steeds zachtere toon en Eliah kwam naar een grot waar hij zijn toevlucht nam. Toen zei de Heer tegen hem: “Ga naar buiten en sta op de berg voor het aangezicht van de Heer“.                       On the mountain of God, the Horeb, God spoke in an ever-softer tone and Eliah came to a cave where he took refuge. Then the Lord said to him: “Go out and stand on the mountain before the face of the Lord ….“. 

Onze Heer Jezus Christus sprak in eenvoudige verhalen, dat wist iedereen.
Daarom luisterde men graag naar Zijn Leer, Zijn parabels en levenslessen; iedereen verstond Hem, het was heel anders dan de woorden van de Schriftgeleerden, die hen slechts de Wet voorschreven.
Maar vandaag vertelt onbegrijpelijke dingen en gaat niet eens in op de vraag van de omstanders: ‘Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?
Jezus gaat onverstoorbaar verder en lijkt de zaken op de spits te drijven.
Dat staat allemaal te lezen in de beschrijving van bovenstaand gebeuren door Johannes de Theoloog, een lange uiteenzetting die volgt op de wonderbare broodvermenigvuldiging.
      Ik ben het levende Brood, dat uit de Hemel neergedaald is.
Indien iemand van dit Brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, voor het Leven van de wereld.
De Joden dan streden onderling en zeiden: ‘Hoe kan Deze ons Zijn Vlees te eten geven?’.
Jezus dan zei tot hen:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het Vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn Bloed drinkt, hebt gij geen Leven in uzelf. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, heeft eeuwig Leven en Ik zal hem opwekken op de jongste dag. Want Mijn Vlees is ware spijs en Mijn Bloed is ware 
drank. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hemJohn.6: 51-58.

Voor ons is dit ook niet altijd eenvoudig te begrijpen, het betreft namelijk een Mysterie [een wonderbare uiting van de Heilige Geest]; in feite gaat het hier over de eucharistie.
Het Brood is het Lichaam van onze Heer en de wijn Zijn Bloed.
De vraag ligt nu voor de hand: hoe kan dat nu?
Dat is een ernstige vraag. Ze heeft aanleiding gegeven tot grote theologische debatten en meters dikke boeken. Maar ze is in zekere zin ook misleidend alsof het om bovennatuurlijke scheikunde zou gaan.
We komen echter veel dichter bij de kern met de vraag:
“ Hoe kan iemand [God’s kind] in de Liefde zó vèr gaan, dat hij of zij zichzelf te eten geeft? Dat de persoon in kwestie wordt zoals het brood dat wij nodig hebben om te leven?”.

Jezus stelt Zijn omstanders voor een keuze.
Wat eten jullie eigenlijk? Waarvan leven jullie? En voedt dàt óók ècht?
Neemt dàt je honger weg, of blijf je tòch altijd maar weer met een lege maag zitten? Mensen hebben altijd al geweten dat ‘niet alles’ eetbaar en voedzaam is.
Goed en gezond voedsel, daar maken we ons al jaren stèrk voor; maar voedsel is nog zó véél méér dan dàtgene wat door de maag gaat.
De uitdagende woorden van onze Heer Jezus Christus gaan over àlles waarvan een mens leeft. Waarvan leef je in je gevoelsleven, in je contacten?
Met wie ga je om en waarom, en hoe?
Zijn dat contacten die anderen doen leven en waarin je andere tot leven brengt?
En geestelijk: voedt je jezelf met kennis en inzicht?
Met dingen die het weten waard zijn, òf met flauwe kost die je overal kunt krijgen?

Laatste avondmaal, Coptische icoon.

Eigenlijk spreekt Jezus vandaag ook maar eenvoudige taal. Alles wat Hij hier zegt is een commentaar op het Mysterie van het brood, op de wonderbare brood-vermenigvuldiging. Mensen worden pas door het Woord van God verzadigd geraakt, nadat het eerst door Christus’ handen is gegaan.
Wat Jezus vandaag eigenlijk zegt is:
laat dàt wàt jij belangrijk vindt, waarvan jij leeft, eerst door Mijn handen gaan‘.
Ik zal je duidelijk maken wàt voedzaam voor je is en wàt niet.
En, van wàt ik je dàn geef, zul je pas ècht in staat zijn te Leven.
Vervolgens is het aan ons om er een nieuwe Hemel en aarde mee op te bouwen.

Maar hoe doe je dat? En hoe geef je die bezieling door?
Maar hoe houd je de Geestdrift zo door het jaar levend en vurig?
Van oudsher komen christenen daarom bijeen op de dag des Heren, de zondag, omdat ze beseffen dat niets zo snel verwatert als ‘Geestelijke bezieling’.
Ze komen bijeen om te horen hoe Hij ons is voorgegaan, wat Hem heeft bezield.
Dat samenkomen is een ritme dat wij nodig hebben om elkaar te kunnen voeden en bezielde mensen te blijven.
Je hoort wel eens zeggen: ‘maar, thuis kun je toch ook bidden’, daarvoor behoef ìk ècht niet naar een Kerkgemeenschap te gaan, dit past dan uitstekend in onze ‘ìk-cultuur’ en zo werkt het niet bij God.
Maar we weten nog wèl hoe snel Geloof, z’n oude energie en vuur verliest; de Kracht van ons geloof is gelegen in de Gemeenschap, Die we samen vormen; de ‘Communio’, als overtuiging dat de verschijningsvormen van de Vrede onder de volkeren slechts blijft bestaan, zolang er gecommuniceerd wordt.
Vanuit de inspiratie, die we elkaar bieden, kun je zelf dankzij God’s Kracht ‘sterker’ in het leven staan en worden als mens bij alles wat je overkomt.
Natuurlijk kun je die inspiratie ook elders vinden, in de natuur, bij een concert of op een feest bij vrienden – maar Goddelijke Inspiratie bereik je dankzij God en bij God.
    Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.
Wat uit het vlees geboren is, is vlees, en wat uit de Geest geboren is, is geest. Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet opnieuw geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zo is een ieder, die uit de Geest geboren isJohn.3: 5-8. Onze Heer en Verlosser zegt dit in gesprek met een Joods leider, een man van naam, Nicodemus [Hebr. overwinnaar].

 

Christus & Nicodemos, durch Friedrich Hermann Carl von Uhde [ca.1886]

In dàt gesprek naar een Joodse leidsman, die eveneens net als ons blijft zoeken –  gaat het over de vraag: ‘Hoe werkt God nu in je leven?
In dat bekend geworden gesprek doet Jezus een heel radicale uitspraak:
Ik verzeker je: alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het Koninkrijk van God zien en binnengaan“.
En even later werkt onze Heer dat nog verder uit, en Hij zegt dan:
Je hebt een natuurlijke geboorte, dat is de geboorte uit de schoot van je moeder. Maar er is ook een tweede geboorte, een wedergeboorte, een geboorte uit de Geest”. Een nieuw begin, doordat de Heilige Geest in je leven aan het werk is. 
Die Heilige Geest, Die maakt dàt je van binnenuit tòt een ander mens wordt en daarbij bovendien totaal vernieuwd wordt.
Wanneer Christus zegt: ‘De wind waait waarheen hij wil...’, dan kun je ook vertalen: ‘De Geest waait waarheen Hij wil…
Alleen al omdat Hij ons zegt:
“… je hoort Zijn geluid, maar je weet niet waar Deze [‘Geest’] vandaan komt en waar Hij heen gaat…”; alleen daarom is het wel heel duidelijk dat Hij die vergelijking trekt met de wind.
En Hij zegt er dan nog bij:
Zo is het ook met iedereen die uit de Geest geboren is, uit de Heilige Geest“.
Zo’n geboorte gaat – door levenspijn heen – en dàt kun je onmogelijk ontlopen.
Ná Zijn Opstanding verschijnt onze Heer ‘in de bovenkamer’ weer aan Zijn leerlingen, zij zijn daar gezamenlijk in gebed en dan staat er:
Vrede zij U”, zoals in de Goddelijke Liturgie
’Η ειρήνη είναι επάνω σου’ – ‘
السلام عليكم’ – ‘Мир всем’.
Hij blaast over ons allen [Zijn adem wordt tot wind], en Hij zegt:
Ontvang de Heilige Geest”.
Wind, adem, Geest, dat is het Mysterie van de Heilige Geest,
dat is eigenlijk de Levensadem, Die van God uitgaat.
En als God, Die Adem in ons leven blaast, dan komen wij tot Léven, tot nieuw Leven, tot een nieuwe geboorte en dàt vindt plaats in de gemeenschap met Christelijke mensen.

Dat is wat Jezus ook al benadrukt:
Als die Geest aan het werk is, dan gebéúrt er wat.
Liturgie [λειτουργία] is oorspronkelijk elke rechtstreekse dienstverlening
van de burger aan z’n staat, aan het Hemels Koninkrijk.
De vroeg-Christelijke Kerk was vanaf het begin een liturgisch Kerk, omdat
de Joden gewend waren aan vaste vormen in de Eredienst.
Het Nieuwe Testament verhaalt allerlei voorbeelden van liturgische praktijken,
van traditionele Joods praktijken [zoals dat Petrus en Johannes naar de Tempel gaan, omdat het het uur van het gebed was] tot Christelijke liturgische eredienst, waarbij ervan uitgegaan kan worden dat de vroege Christenen samenkwamen en Eredienst hielden volgens de Joodse Traditie en daar hun eigen accenten aan gaven, zoals de duiding van het breken van het -onder aanroeping van de Heilige Geest- geHeilige Brood en het drinken van de -op dezelfde wijze geHeiligde Wijn, welke als “Lichaam en Bloed van Christus’ de Maaltijd des Heren voor de gedoopte Christen vormde.
De navolging van Christus begon de vroeg-Christelijke Kerk niet met een schone lei, evenmin zoals onze Heer, dat deed. Ze baden als Joden en hielden hun eredienst als Joden. De eerste Christenen waren Joden die Jezus Christus erkenden als de beloofde Messias en de eredienst die ze hielden volgde de gebruikelijke Joodse vormen.
Daarom zien we in het Nieuwe Testament dat de eerste Christenen hun Joodse religieuze praktijken voortzetten, terwijl ze ook op Jezus Christus gerichte praktische invulling ontwikkelden, vanuit de woorden van onze Heer en Verlosser Jezus Christus gezegd heeft:”   Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt” Luc.22: 19-20.
Het nieuw geduide maaltijd-ritueel dat ingesteld is bij het Laatste Avondmaal met Zijn Apostelen werd in de vroege Kerk aanvankelijk afzonderlijk gevierd.
Deze continuiteit [van Tempel naar Synagoge] naar de vroege Christelijke Kerk maakte het mogelijk dat de Christelijke Kerk aan het eind van de eerste eeuw reeds een ‘hoog’ ontwikkelde liturgische vorm had.
De Orthodoxe Kerken praktiseren de continuïteit zelfs in de vorm van een soort
onveranderlijkheid. De Orthodoxe Kerk wordt ook wel getypeerd als “vast-besloten om trouw te blijven aan het verleden, vasthouden aan het Mysterie van de levende continuïteit van de vroeg-Christelijke Kerk“.
Deze toewijding om de Blijde Boodschap te beschermen en om het Woord en de lof van/aan God in stand te houden komen voort uit de overtuiging dat het Geloof aan Christenen gegeven werd door Jezus Christus.
Indien Christenen “Apostolisch” willen zijn, dan dienen zij tot dezelfde Kerk te behoren, Die onze Heer en Verlosser, Jezus Christus stichtte, Die in de eerste eeuw tot stand kwam.
John Meyendorf, een bekend Orthodox Theoloog, haalde in z’n boek ‘Woman and the Priesthood’ aan, dat “alle Christenen op een bepaalde manier tijdgenoten van Jezus Christus dienen te worden…“. Dat dìt in de een-en-twintigste eeuw niet langer een absolute norm is, in de Apostolische eerste eeuw was het dàt voorzeker wèl.
  Komt, eet dan van Mijn Brood en drinkt van de Wijn, Die Ik gemengd heb;
laat varen het onverstand, dan zul je leven en betreed je de weg van de Wijsheid, het nuchtere verstand”.
  
Zoals het was in de tijd van Johannes, de Theoloog, zo is het ook in onze tijd:
Het Geloof staat of valt met de aanvaarding van de persoon van onze Heer Jezus Christus, Die ons heeft verlost.
Dàt aanvaarden van Jezus Christus, als Zoon van de Levende God, Hèm toelaten in je leven, Hem ontmoeten en vooral: Hem ‘eten en drinken’ – dat is vèrre van vanzelfsprekend.
Want ‘eten en drinken’ duidt op toetreden tot aan een persoonlijke intimiteit en op gemeenschap mèt Hèm, die jou bemint als z’n eigen broeder, zuster.

Apolytikion     tn.7.
  Door Uw Kruis zijt Gij de Overwinnaar van de dood
en hebt Gij het Paradijs geopend voor de Rover.
De droefheid der Myron-draagsters hebt Gij veranderd in vreugde,
en Gij hebt haar gezonden tot de Apostelen om te verkondigen,
dat Gij waart verrezen, o Christus onze God,
om aan de wereld grote Genade te schenken
”.


Kondakion     tn.7.
  Niet langer houdt de onderwereld de gestorvenen vast,
want Christus is er afgedaald,
en heeft diens kracht vernietigd.
De hades is geboeid;
de Profeten jubelen en roepen:
de Verlosser is aan de gelovigen verschenen.
verheft u in het Geloof, ter Opstanding
“.

Theotokion     tn.7.
  Gij zijt de schatkamer van onze Opstanding, o Albezongene.
Voer daarom hen die op U vertrouwen,
vanuit de poel en de afgrond omhoog.
Want Gij hebt ons,
die aan de zonden schuldig waren, verlost,
doordat gij de Verlossing gebaard hebt.
Voor deze Geboorte waart Gij Maagd,
en in die Geboorte waart Gij Maagd
en zijt na deze Geboorte Maagd gebleven
”.