7e Zondag na Pinksteren – genezing van de blinden en de doofstomme

‘Dat Vrede mag stromen als wind door de bomen’;
‘ That Peace may flow as wind through the trees’;
‘Ότι η Ειρήνη μπορεί να ρεύσει όπως ο άνεμος μέσα από τα δέντρα’;
‘أن السلام قد يتدفق كالرياح عبر الأشجار’.

      En terwijl Jezus vandaar verder ging, volgden Hem twee blinden, al roepende en zeggende: Heb medelijden met ons, Zoon van David!
En toen Hij het huis was binnengegaan, kwamen de blinden tot Hem, en Jezus zei tot hen:
‘Gelooft gij, dat Ik dit doen kan?’. Zij zeiden tot Hem: ‘Ja, Heer’.
Toen raakte Hij hun ogen aan en zeide:
‘U geschiede naar uw Geloof’.
En hun ogen gingen open. En Jezus verbood hun ten strengste en zeide: Ziet toe, niemand mag dit weten!
Maar zij gingen heen en maakten Hem in die gehele streek bekend.
       Terwijl zij heengingen, zie, men bracht een doofstomme bezetene bij Hem.
En nadat de boze geest was uitgedreven, sprak de doofstomme.
En de scharen verbaasden zich en zeiden: ‘Zo iets is nog nooit in Israël voorgekomen!’.
Maar de Farizeeën zeiden: ‘Door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit’.
        En Jezus ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun Synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaalMatth.9: 27-35.

Hoe wonderlijk zijn de wegen die U met ons gaat

      Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen en niet onszelf behagen.
Ieder van ons dient zijn naaste trachten te behagen, ten goede, tot opbouwing, want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat:
       ‘ De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neer’.
Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting van de Schriften de Hoop zouden vasthouden.
       De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken.
Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid GodsRom.15: 1-7.

Opnieuw worden we opgeroepen eensgezind te zijn en te volharden  – niet onszelf te behagen.
Het gaat hier over oordelen in verband met Wetmatigheden, volgens een bepaald systeem, dewelke wij onderling met elkaar afgesproken hebben.
Eten of niet eten en het al dan niet houden van bepaalde dagen en dat soort aangelegenheden.
Paulus begint met: “Maar ‘wij’, die sterk zijn …”.

Zou hij dit ironisch bedoeld hebben? Wij vinden immers onszelf immers altijd sterk, ‘wij’ weten hoe het moet, wij zijn beslist niet de zwakke in de menselijke samenleving.
Hoe het ook zij – wij hebben het met onszelf getroffen; ‘wij’, die sterk zijn,
behoren de zwakheden van de niet-sterken te dragen en ‘niet’ onszelf te behagen.
In de gehele Blijde Boodschap komen wij dit principe tegen.
Niet ‘ik’ moet centraal staan, maar ‘mijn naaste’.
Christus geeft het in de verwoording van Mattheüs ten opzichte van ons [farizeeërs] als volgt weer: “   Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de gehele Wet en de ProfetenMatth.22: 37-40.
Het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste staan dus gelijk.
Betekent dat nu dat ik mijn naaste in de watten moet leggen?
Nee, dit gaat nog veel en veel verder, dit behagen of liefhebben van onze naaste heeft een doel.
In de watten leggen doe je om uiteindelijk ‘zelf’ aardig gevonden te worden, maar dat is in ‘dit geval’ niet belangrijk: “Laat ieder van ons de naaste behagen ten goede, tot opbouwing”;

letterlijk staat hier de eis, tot in het goede.
Net zoals we gelezen hebben in:
    Maar wij weten dat hun die God liefhebben, alle dingen meewerken ten [tot in] het goede“  Rom.8: 28. Wanneer we deze tekst vervolgen dan lezen we en zien we dat dàt goede ‘Christus’ is. En ook hier in bovenstaande is dàt ‘goede’, dat Goddelijke – Christus.
Dàt is de opbouwing, die hier genoemd wordt.
Het is de bedoeling dat óók bij de zwakken Christus openbaar komt.
En natuurlijk gaat God ook dáár voor zorgen.

Christus was niet op Zichzelf gericht, Hij had alleen oog voor God.
Hij heeft zichzelf niet behaagd: “De schandelijke beledigingen van hen, die U smaden, zijn op mij gevallen”. Alle beledigingen ten opzichte van God zijn op Christus neergekomen en Hij verdedigde Zichzelf nooit!

Dat wat Paulus hier schrijft is eigenlijk niets nieuws, hetgeen blijkt uit:

Want alles wat tevoren geschreven is, is tot onze lering geschreven, opdat
‘wij’ door de volharding en door de vertroosting van de Blijde Boodschap
slechts de Hoop zouden hebben.

De gehele Blijde Boodschap en dus ook het Oude Testament is niet ‘zomaar’ een boek.
Je kunt het lezen als een geschiedenis, als een historische opsomming,
alles wat beschreven wordt is ook ‘inderdaad’ op die manier gebeurt, maar
niet alles is opgeschreven.
Johannes de Theoloog schrijft immers aan het slot van zijn verwoording van
zijn versie van het Evangelie in het allerlaatste vers:

Er zijn nog vele andere dingen die Jezus heeft gedaan, waarvan
ik denk dat als zij één voor één werden geschreven, zelfs
de gehele wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten
”.

Maar de dingen die Johannes wel beschreven heeft over Jezus hebben een doel:
Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus,
de Zoon van God en opdat gij, gelovende, het Leven hebt in Zijn Naam
John.20: 31.

En eerst dàn openbaarde Jezus Zich ‘opnieuw’ aan de discipelen bij de zee van Tiberias [Hebr. van de Tiber (als riviergod)] en Hij openbaarde Zich aldus:
  De Apostelen vertrokken met Petrus en gingen scheep, en in die nacht vingen zij niets. 
Toen het reeds morgen werd, stond Jezus aan de oever; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was. Jezus zei tot hen: ‘Kinderen, hebt gij ook enige toespijs?’.
Zij antwoordden Hem: Neen. Hij nu zei tot hen:
‘Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden’.
Zij wierpen het
[net] uit en konden het niet meer trekken
vanwege de menigte van de vissen
John.21: 3-6.
Paulus zegt dàt de Blijde Boodschap in Z’n geheel ‘voor òns’ geschreven is,
voor de gelovigen die in de handelingen periode en ook daarna
de brief aan de Romeinen zouden lezen.
In de Heilige Geschriften kunnen we immers Volharding en Vertroosting vinden.
En daardóór is er Hoop, de wereld eindigt niet in ellende.
Nee, het gehele Oude Testament en óók de Evangeliën spreken van de komst van de Messias. Inderdaad ‘dìt’ is in de eerste plaats een boodschap voor Israël [de Kerk], dus óók voor de heidenen.
Op vele plaatsen staat dat God de wereld en de mensen ‘Lief heeft’ en
Zijn Zoon heeft gezonden om haar te redden.
Er is hoop, er is een toekomst en genezing voor alle mensen.

De wens van Paulus is dan ook;
  De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar [het voorbeeld van] Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijkenRom.15: 5,6.
Let op, Paulus geeft geen opdracht. Hij zegt niet: “Je moet eens gezind zijn”.
Nee, hij gaat, zoals wel vaker, terug naar de Bron.
Hij vraagt God om die eensgezindheid te geven. Wat denk je zou God zo’n gebed verhoren?
Christenen hebben heel verschillende gedachten wat betreft de eenheid.
Sommigen gooien alle kerken op één hoop en gaan voor de oecumene of de wereldraad van kerken. Anderen zijn het daar helemaal niet mee eens en vormen een eenheid van kerken die het er niet mee eens zijn. Weer anderen vinden dat je alleen maar één kunt zijn als je allemaal dezelfde visie hebt.
Zij vormen een eenheid en noemen zichzelf ‘Dè Christelijke Gemeenschap”,
met uitsluiting van alle andere gelovigen.
Dat is duidelijk ‘niet’ de eenheid die hier beschreven wordt.
Neen, de eenheid, hier genoemd, komt tot uiting in de verheerlijking van
de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.
Niet ‘de mens’ maar ‘God‘ staat centraal en daarom staat er:
Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid GodsRom.15: 7.
Wij mensen zijn toch ’niet méér’ dàn Christus, zoals Hij ons heeft aangenomen, zonder aanzien des persoons, zonder voorwaarden te stellen; eerst dàn kunnen wij ook onze naasten aanvaarden. Overigens staat ook hier weer het woordje eis.
    Christus is ter wille van de Waarachtigheid van God een dienaar van hen, die besneden zijn  geweest, om de Beloften, aan de [Voor-]vaderen gedaan, te bevestigen en dat de heidenen God ter wille van Zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat: ‘Daarom zal ik U loven onder de heidenen en Uw Naam met snarenspel prijzen’Rom.15: 8.
Want, het geeft de reden aan!
Die eenheid waar Paulus het in de voorgaande verzen over heeft, vindt zijn oorsprong ‘in’ Christus. Hij is een dienstknecht in de zin van διάκονος [=dienaar] van de besnijdenis geworden. Zelf zegt onze Heer en Verlosser daarover:
      Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël [de Kerk]” Matth.15: 24.

Christus bevestigt daarmee de Beloften aan de vaderen, hetgeen Hij de Emmaüsgangers eveneens voorhield.
Het gehele Oude Testament staat bol van de Beloften van God aan Israël en de Kerk; te beginnen bij Abraham, Isaäc en Jaäcob en daarna de Profeten.
En wàt God belooft heeft, zal ook inderdaad gebeuren!
Maar ook al is Christus gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël, toch gaat Zijn werk verder in Zijn Lichaam, de Heilige, Katholieke en Apostolische Kerk.
Nu is het de taak van Israël en van ons om God te belijden onder de Volkeren.
Niet nieuws hoor, David zei dit al:
      De Heer leeft. Geprezen zij mijn Rots, en verhoogd zij de God van mijn heil,
de God, die mij wraak heeft verleend, die volkeren aan mij onderworpen heeft en mij van mijn vijanden heeft bevrijd.
U hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden,
U hebt mij gered van de geweldenaar.
Daarom loof ik U, o Heer, onder de volken en wil ik Uw Naam psalmzingen2Sam.22: 47-50
en tevens in:
    Daarom zal ik U belijden onder de volken Heer; ik wil psalmzingen voor Uw Naam“ Psalm 17[18]: 50 vert. R.O.K. ’s-Gravenhage.
En Mozes zingt Mozes aan het einde van zijn leven:
      Jubelt, gij natiën, om Zijn Volk, want Hij wreekt het bloed van Zijn knechten, Hij oefent wraak aan Zijn tegenstanders en verzoent Zijn land, Zijn VolkDeut.32: 43.
En verder is er nog een Psalm gewijd aan de Volkeren:
      Looft de Heer, alle naties; bezingt Hem, alle Volkeren.
Want Zijn Barmhartigheid is machtig over ons
En de Waarheid des Heren blijft tot in eeuwigheidPsalm 117[118].
Alles in aanmerking genomen haalt Paulus ook nog aan:
Er zal zijn de wortel van Isaï en
Hij die opstaat om over de volken te heersen;
op Hem zullen de volken hopenRom.15: 12.

Paulus geeft overweldigend bewijs voor het feit dat het werk van Christus
niet beperkt tot het volk ven Israël, en hij had rustig nog even door kunnen gaan.
God heeft nooit bedoeld dat het Heil bij de grenzen van Israël zou stoppen.
Hij heeft Zijn zoon gezonden tot Heil van Israël en alle volkeren.
Dit was Israël vergeten, ze waren hoogmoedig geworden en
voelden zich ver boven de volkeren verheven;
de heidenen dat waren ‘goi’, gajes, daar ging je niet mee om.
Maar Paulus roept juist op tot eenheid, waarom?
Omdat God eenheid heeft gegeven.
De gelovigen uit Israël dienen de Gelovigen uit de volkeren als gelijken te zien.
  Samen één, opdat…:
u allen eendrachtig uit een mond de God en Vader van
onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken
Rom.15: 6.
En hierop volgt het tweede gebed van Paulus:
    De God nu van de Hoop moge u met louter vreugde en vrede in uw Geloof vervullen,
om overvloedig te zijn in de Hoop, door de Kracht van de Heilige Geest
Rom.15: 13.
Eerst lezen we over de God van de volharding [vers 5] en hier over de God van de Hoop.
Het gaat niet om ‘onze’ volharding, het is ‘Zijn’ Goddelijke Volharding en
niet ‘onze’ hoop, maar ‘Zijn’ Hoop.
Wij behoeven dan ook in het geheel niet ‘zelf’ te zorgen voor eenheid, het is de eenheid ‘van God’.
En het gaat ook niet om ‘onze’ blijdschap en vrede, maar ‘Zijn’ Blijdschap en Vrede mag ‘ons’ vervullen.

Apolytikion     tn.6.
“ De scharen der Engelen stonden aan Uw graf en de wachters lagen als dood.
Bij het graf stond Maria Magdalena zoekend het alleruiterst Lichaam van haar Heer.
Gij hebt de hel overwonnen, zonder erdoor te worden aangetast.
Gij hebt de Maagd ontmoet, Levenschenkende, Die uit de dood zijt opgestaan.
Heer, ere zij U
”.


Kondakion     tn.6.
“ Met Uw levenschenkende Hand,
wekt Gij alle doden op uit het duistere dal,
O Levenschenkende, Christus onze God,
Die aan het mensengeslacht de Opstanding gegeven hebt.
Gij zijt waarlijk onze Heiland, onze Verrijzenis,
ons Leven en de God van het heelal
”.

Theotokion      tn.6.
  Gij hebt Uw Moeder de gezegende genoemd
en zijt vrijwillig tot het lijden gekomen.
Gij zijt opgestraald aan het Kruis, 
om Adam te zoeken,
terwijl Gij tot de Engelen sprak:
Verheugt u met Mij,
want Ik heb de drachme teruggevonden die verloren was.
Gij, Die alles in Wijsheid hebt ingericht,
Heer, eer aan U
”.