5e Zondag na Pinksteren – de onderlinge verhouding met andersdenkenden

      Nadat Hij aan de overkant in het land der Gadarenen was gekomen, kwamen Hem twee bezetenen uit de grafsteden tegemoet, zeer gevaarlijke, zodat
‘niemand’ langs die weg kon voorbijgaan.
       En zie, zij schreeuwden, zeggende:
‘Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?’.
       Nu werd er ver van hen een grote kudde zwijnen gehoed.
De boze geesten smeekten Hem en zeiden: ‘Indien Gij ons uitdrijft, laat ons dan in de kudde zwijnen varen’.
En Hij zei tot hen: ‘Gaat heen!’
Zij voeren uit en gingen in de zwijnen; en zie, de gehele kudde stormde langs
de helling de zee in en zij kwamen om in het water.
       En de hoeders namen de vlucht en kwamen in de stad en berichtten alles, ook van de bezetenen. En zie, de gehele stad liep uit, Jezus tegemoet, en toen zij Hem zagen, drongen zij er bij Hem op aan hun gebied te verlaten.
       En in een schip gegaan zijnde, stak Hij over en Hij kwam in zijn eigen stadMatth.8: 28-9: 1.

      Broeders, de begeerte van mijn hart en mijn gebed over hun behoud gaan tot God uit. Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. Want onbekend met God’s Gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.
        Want Christus is het einde van de Wet, tot Gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.
        Want Mozes schrijft: ‘  De mens, die de Gerechtigheid naar de Wet doet, zal daardoor leven’.
        Maar de gerechtigheid uit het Geloof spreekt aldus:
  Zeg niet in uw hart: Wie zal ten hemel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen; òf: ‘Wie zal in de afgrond nederdalen? namelijk om Christus uit de doden te doen opkomen’.
Maar wat zegt zij?
Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord – het Geloof, dat wij prediken. 
Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij behouden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenisRom.10: 1-10.

    Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de Gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zal worden, tot alle goed werk volkomen toegerust2Tim3: 16,17.
De goddelozen worden tot leven gewekt in een afzonderlijke Opstanding – de Opstanding van veroordeling. Onze Heer en Verlosser heeft immers gezegd:
”     Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf.
En Hij heeft Hèm Macht gegeven om Gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is.
Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de Opstanding ten Leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de Opstanding ten oordeelJohn.5: 28,29.

“  Wij hebben de Messias gevonden, Die de Christus is”.
De enige Christus, Die van nature God is, heeft zich vernederd en is mens geworden. Hij toonde Andreas, de eerstgeroepene en alle andere Apostelen de Bron van het Mysterie en de Grootsheid van God’s Genadegaven.
En met die verzamelde Geroepenen [wij dus], bezoekt Christus het land der Gadarenen, hetgeen ten oosten van Galilea lag met de inwoners van het stadje Gerasa.
Het Griekse woord Garasenen, de bevolking  in de Brontekst is gerasènoon, van gergasènos, lett. naderende vreemdeling, zoals:
Het is een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker, ik zal hem gauw eens vragen naar zijn naam”.
Lucas verhaalt van de bevrijding van slechts één bezeten man; de bevreesde volksmassa van die streek vroeg daarop aan de enige Christus, Die van nature God is of Hij van hen ‘wilde weggaan‘.
Maar zijn we niet allemaal ‘zondaars’ en ‘bezeten‘ door de drang af te wijken van de Goddelijke weg? Een zondaar is immers iemand, die zich door zijn zonde en dat is alles wat buiten/zonder God’s-besef wordt gedaan, laat gebeuren.

Wie zich daarop als Christen terugtrekt omdat hij zich niet wil begeven in de ‘boze buitenwereld’ doet geen recht aan de Christelijke Opdracht, welke de Zoon van God ons ná de Zaligsprekingen meegaf:
  Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmee zal het gezouten worden?Matth.5: 13.
  Gij zijt het Licht van de wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de Hemelen is, verHeerlijkenMatth.5: 14-16.

Onze Christelijke strijd om vooruitgang.
Er bestaan veel obstakels voor het geestelijk leven.
Twee van de belangrijkste zijn: nieuwsgierigheid en eigenliefde.
1.]. De eerste is waarachtig tumor van de ziel.
Hij legt je op dat je alles behoort te weten, wat je ook hoort of ziet.
Het wordt slechts verwijderd door in vrede het gebed tot God te beoefenen en de studie van de blijde Boodschap op te pakken.
2.]. De eigenliefde is een zieke, buitensporige en wanordelijke liefde voor onszelf en blijft zich slechts vasthouden aan zondige genoegens, die  de Genadegaven God’s van binnenuit om zeep helpen.
Door deze belangrijkste obstakels te overwinnen, verbeteren we geleidelijk aan de kwaliteit van ons geestelijk leven, dat wil zeggen, onze relatie met Christus, onze Heer en Verlosser.

Wanneer wij als Christenen wegkwijnen -‘in zelfbeklag’- deugen wij nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt [òf overtroeft] te worden. Leven als een vreemdeling op deze wereld is iets anders dan jezelf terugtrekken in eigen kring en dat gebeurt zo dikwijls als wij ons afzetten ten opzichte van de ander.
Toen Israël in ballingschap ging riep de Heer het Volk dan ook op om “ De Vrede voor de stad te zoeken waarheen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot de Heer, want in haar Vrede zal uw vrede gelegen zijnJer. 29: 7.
Door óók in Babylon ‘midden’ in het leven te staan  kon het Joodse Volk tot zegen zijn voor de omgeving, zonder op te gaan in de cultuur van Babylon, bleef men zich aldoor bewust van de eigen identiteit.

Bestuderen we het verleden -òf het nu om de sociale òf om de schoolstrijd gaat- dan zien we een voortdurende worsteling tussen Kerk en staat:
– in Christus tijd;
– in de periode van de Apostelen;
– in de opkomst van het instituut van de Kerk;
– ook in hoogtijdagen van het Rijke Christelijke leven is er telkenmale sprake van tweestrijd.

Het Nieuwe Testament leert ons dat deze twee zaken [Kerk en staat] los van elkaar staan. Juist omdàt we vreemdelingen op aarde zijn, is het niet ònze taak om maatschappelijke structuren te veranderen òf een christelijke staat te vestigen. God roept ons òp te verkondigen, teneinde slechts ‘het verlorene in de wereld te zoeken’ aan de hand van de Blijde Boodschap, zodat mensen worden gewezen op het Leven in Jezus Christus.
En of je je in een christelijk, mohammedaans, fascistisch, communistisch of seculier land bevindt, het maakt niet uit. Die Opdracht staat overal centraal en zal ten alle tijde om samenwerking met je medechristenen en om overleg en inzet vragen.

Wàt heeft de onderlinge verhouding met onze medeburgers
tot ons christenen te zeggen?
Wie in Christus is, is een burger van het Koninkrijk der Hemelen.
Dat betekent ‘niet’ de wereld ontvluchten, je op je eilandje [in jouw specifieke Geloof’s-gemeenschap terug te trekken], maar in diezelfde wereld doen wàt God van jou vraagt.
Hij roept ons òp om de Vrede voor de wereld te zoeken.
Wat betekent dit concreet?
Dat begint àl met mensen, die je ontmoet en hen vriendelijk gedag te zeggen.
En daarbij vraag je jezelf voortdurend af òf je wàt voor anderen zal kunnen betekenen; God brengt vanzelf behoeftige mensen op je weg.
De één geeft zijn Hemels burgerschap handen en voeten door tafels af te ruimen en af-te-wassen, leiding te nemen in een onderneming; een ander doet dat bijvoorbeeld door het voortouw te nemen bij een protest.

Vreemdelingen in een land verlangen immers
naar het komende Koninkrijk van God !
Wat houdt dit in?
Dat is een besef, de innerlijke overtuiging, dat we hier zelf op aarde geen koninkrijk kunnen vestigen, dat àlles zich in God’s hand bevindt en wij ooit door God naar Huis [– de Hemel – ] worden geroepen wanneer ons werk er hier òp zit.
Regelmatig mogen we daarbij met blijdschap denken aan ‘thuis’, waar alles volmaakt zal zijn.

Na het óverlijden van een geliefde wordt de Hemel pas voor velen nòg concreter dan voorheen gemaakt. De Hemel wordt op dat soort momenten veel persoonlijker en komt dichterbij “Onze Geliefden vieren daar feest”, maar dit verlangen kan uitmonden in vluchtgedrag.
We komen gesprekken tegen met mensen, die menen dat het leven hier op aarde ‘maar zinloos’ is geworden; zij willen in hun onmacht eveneens naar de Hemel en vermijden ieder vorm van lijden en zijn er aan toe zèlf uit te maken, wanneer de tijd er òp zit. Tijdens dit soort gesprekken wordt duidelijk dat er mensen rondlopen, die hun werk – hun levensopdracht – een stuk minder ‘goed’  vervullen.
Het overlijden van een Geliefde kan mensen frustreren en dàt blijkt geen goede motivatie om naar de Hemel te verlangen. Als burger van het Hemels Koninkrijk is er sprake van een gezonde balans: het is goed om hier te zijn èn ‘nog beter’ om ooit bij God te verblijven.
Dat betekent dat wij onze opdracht van de Zaligsprekingen serieus nemen en de handen onafgebroken uit de mouwen steken om het anderen naar de zin te maken.
Een van de meest belangrijke hoofdstukken in de Blijde Boodschap eisen nu onze aandacht op;  dit te meer omdat de Openbaring van de verborgenheden van het Koninkrijk der Hemelen, Die de Heer ons gegeven heeft, veelal verkeerd begrepen en uitgelegd worden.
1.]. De gelijkenis van de Zaaier, Matth. 13:1-23;
2.]. Het onkruid op de akker, Matth.13: 24-30;
3.]. De gelijkenis van het mosterdzaad, Matth.13:31-32;
4.]. De gelijkenis aan het zuurdeeg, Matth.13: 33-43; 
Inleiding op de schat in de akker en de ene schone parel
5.]. De schat in de akker, Matth.13:44;
6.]. De éne parel van grote waarde, Matth.13: 45-46;
7.]. De gelijkenis van het visnet, Matth.13: 47-58.

Wat ons dient òp te vallen is dat Christus ons zegt:
Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun [buitenstaanders] is het niet gegevenMatth.13: 11 en
dat er geschreven staat:
Al deze dingen sprak Jezus tot de scharen in gelijkenissen en zonder gelijkenis sprak Hij niet, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet”, zeggende: “Ik zal Mijn mond opendoen in Gelijkenissen; Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweestMatth.13: 34,35.
Deze verzen opgetekend door Mattheus zeggen ons wàt de Heer ons allemaal onderwijst, bekend maakt, namelijk “de verborgenheden van het Koninkrijk der Hemelen” – “zaken uitspreken die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweest”, een Mysterie zijn en op bepaalde punten ook zal blijven [vbld. geen mens kent God en datgene wàt wij van God kennen is ons slechts door Zijn Zoon  in de Heilige Geest geopenbaard].

De Pharao gaf [aartsvader] Joseph de naam ‘Zafnath Paäneah’ en gaf hem Asnath, de dochter van Potipherah, een priester uit On, tot vrouwGen.41: 45.
De naam ‘Zafnath Paäneah’, welke naam volgens Rabbijnse uitlegging betekent: “Onthuller of Ontdekker van Verborgenheden”.
Het is deze Joseph, de Hebreeuwse slaaf, door zijn medebroeders verworpen, de meest volmaakte typologie in het Oude Verbond van onze Heer Jezus Christus.
Ná zijn verwerping werd Joseph, dè Onthuller van de Verborgenheden en dat door de Geest van Wijsheid, van God Zelf.
Christus is voor ons eveneens verschenen als dè Verworpene.
Nadat het aanbod van het Koninkrijk en Hij Zelf als Koning eveneens verworpen is, wordt Hij, als dè ‘Zoon van God’, de Onthuller van de Verborgenheden en
laat Hij zien wat er plaats zal vinden na de verwerping door Israël [de Kerk].

En op die dag ging Jezus uit het huis en zette Zich bij de zeeMatth.13: 1.
Het huis verlaten betekent dat Hij Zich scheidde van de verbinding met Zijn Volk, zoals we aan ‘t einde van het twaalfde hoofdstuk van Mattheus kunnen zien.
De zee is het type van de Volkeren; plaats nemen bij de zee wijst er op, dat Zijn getuigenis de Verborgenheden, Die geopenbaard worden, voor wijder kring bestemd zijn, betrekking hebben op al de Volkeren, niet alleen toen, maar ook in het hier en nu . . . . .
En vele scharen verzamelden zich tot Hem zodat Hij in een schip ging en Zich neerzette; en de ganse schare stond op de oever”.
  Ik schep de Vrucht der lippen: Vrede, Vrede voor hem die verre, en voor hem die nabij is, zegt de Heer; en Ik zal hem genezen. Maar de goddelozen zijn als de zee, zo opgezweept, dat zij niet tot rust kan komen, en wier wateren slijk en modder op-woelen. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen VredeIsaiah 57: 1
9-21.
Hij scheidt Zich af van de mensen, terwijl Hij Zich ten behoeve van de Verkondiging van de Blijde Boodschap midden tussen de schare beweegt.
Wat Hij zegt, spreekt Hij in Gelijkenissen en zonder Gelijkenissen sprak Hij niet.
    Welzalig zijt gij, Israël [de Kerk]; Wie is aan u gelijk? Een Volk, verlost door de Heer, Die het Schild van uw hulp en het Zwaard van Uw Hoogheid is. Daarom zullen uw vijanden veinzen u hulde te brengen, en Gij zult op hun hoogten tredenDeut 33: 29.
Onze Heer en Verlosser zegt ons telkenmale: “Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk geworden”.
Wat bedoelt Hij met deze uitdrukking?
Dat het niet meer het Koninkrijk der Hemelen is, zoals in het Oude Verbond voorzegd, beloofd en aangeboden aan Israël, is bewezen.
Het aanbod was gedaan en verworpen.
De prediking van Hem en Zijn boodschappers die Hij uitzond, is:
☦️  Het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen. Bekeert uMatth.4: 17.
☦️En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het EvangelieMarc.1: 15.
☦️Ik zeg u lieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in de Hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebbenLuc.15: 7.
☦️  Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden van de verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des HerenHand.3: 19.
☦️Die zal weten, dat degene, die een zondaar van de dwaling van zijn weg bekeert, een ziel van de dood zal behouden en een menigte van zonden zal bedekkenJac.5: 20.
☦️  Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal snel bij u komen en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeertOpenb.2: 5.

De negenvoudige Zegen uit de Zaligsprekingen, Die voorzien is onder de Genade -“de Vrucht van de Heilige Geest”. Men zal dàn zien dat àl wat geëist wordt onder de Wet van het Koninkrijk, als voorwaarde tot Zegen, onder de Genade ‘Goddelijk voorzien’ is.
Alle Zegeningen in het Koninkrijk bij elkaar zijn niet vergelijkbaar met  de overvloedige “Vrucht van de Heilige Geest”: “Liefde, Blijdschap, Vrede, lankmoedigheid [in staat om veel te verdragen, wanneer men boos wordt], Goedertierenheid, Goedheid, Geloof, Zachtmoedigheid en MatigheidGal. 5: 22-23.

”    Wij hebben de Messias gevonden, Die de Christus is”,
De enige Christus, Die van nature God is, heeft zich vernederd en is mens geworden.  Hij toonde Andreas en alle andere apostelen de bron van het Mysterie en de grootsheid van God’s Genadegaven.
Tracht na dit inzicht uw omgeving te overtuigen, dat het ‘goed’ is God te dienen, dat dit niet alleen ‘ons’ ten hoogste goed doet, maar dat het eveneens dè waarachtige bevordering van ziel en zaligheid is.
Je kunt dit zeggen en met voorbeelden onderbouwen, dat men alleen bij zulk een levenswijze vergenoegd, blij en vrolijk z’n dagen kan doorbrengen,
ja zelfs wèl tevreden en getroost kan zijn in bedroefde perioden en dingen die de mens zoal kan meemaken, laat dit vooral uit uw eigen voorbeeld blijken.
Niets schrikt een ander méér af ‘van de dienst tot God‘, dan het ongegrond vooroordeel, dat vanzelfsprekend lastig en vervelend is.
Dit vooroordeel dien je de ander trachten te ontnemen, wanneer je bemerkt dat het reeds bij hen heeft postgevat òf nagaan hoe je dit kunt voorkomen, opdat het niet aan kracht toeneemt.
Spreekt vervolgens eerst dàn opzettelijk met de ander over het belang van de dienstbaarheid in de Naam des Heren; doet dit evenwel met beleid.
Op het ene moment is dit meer geschikt dat op het andere
– soms doen er zich echter ongedwongen zeer gepaste aanleidingen voor –
laat die niet voorbijgaan – doch wanneer deze zich voordoen – doe het dan kort en doeltreffend met een gevoel en een ernst welke stof geeft tot nadenken.

Apolytikion     tn.4
  Nadat zij de Blijde Boodschap van de Opstanding
en van de Bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders
uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myrondraagsters jubelend tot de Apostelen:
Vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.4
  Mijn Heiland en Verlosser
heeft als barmhartige God de aardgeborenen opgewekt,
uit de ketenen van het graf.
Hij heeft de poorten van de hel verbrijzeld
en is als Gebieder na drie dagen verrezen
”.

Theotokion     tn.4
  Het van eeuwigheid verborgen en aan de Engelen onbekende Mysterie,
is door U aan de aardbewoners openbaar geworden, Moeder Gods:
in onvermengde eenheid is God vlees geworden
en heeft Hij om ons het Kruis op Zich genomen.
Daardoor heeft Hij de Eerst-geschapene weer opgewekt
en onze zielen uit de dood verlost
”.