Orthodoxie & een religie, die een land of staat domineert

Kerk en staat na de Perestrojka
Wanneer een specifieke religieuze groep dominant is in een staat of land, is het vaak de moeite waard om te kijken naar hoe zijn aanwezigheid de samenleving in het algemeen beïnvloedt, maar vooral hoe deze de politiek en het overheid’s-beleid beïnvloedt.
We zien dat niet alleen in Islamitische staten, maar ook in christelijke en met name in het overgebleven Rusland, alwaar de Russisch-Orthodoxe Kerk zich na de vervolgingen onder het communisme een nieuwe plek in de staatsideologie verwierf.
Er vond een ‘kerkelijke renaissance‘ plaats, die al gauw om Macht en onroerend goed bleek te draaien, sinds de afkondiging van de perestrojka door Michail Gorbatsjov heeft de Russisch-Orthodoxe Kerk een enorme weg afgelegd.
Je zou kunnen zeggen dat inhoudelijk de eerste drie eeuwen uit haar geschiedenis van het christendom zijn samengebald in deze dertig jaar van post-communistische  ‘kerkelijke renaissance’ in Rusland.

Het resultaat van de ontwikkelingen is hetzelfde: het episcopaat heeft opnieuw gekozen voor het gebruikelijke model van een ‘Rijkskerk’.
De kring die profiteerde van dit besluit is uiterst klein – de patriarch, bisschoppen van de grote steden en een klein deel van de geestelijkheid.
Aan de periode die in Rusland de ‘kerkelijke renaissance’ wordt genoemd, is stilletjes een einde gekomen. Niemand heeft de eindrekening opgemaakt, maar de prioriteiten zijn de afgelopen jaren duidelijk verlegd, en alle uitlatingen over deze ‘renaissance’ zijn zonder weerwoord naar het archief verwezen. De nieuwe fase in het kerkelijke leven heeft nog geen naam gekregen, maar de gestelde prioriteiten maken duidelijk dat er een streep is gezet onder de voorgaande onder-drukkende decennia.

Al van meet af aan had de ‘kerkelijke renaissance’ iets dubbels. Enerzijds breidden de kerkelijke activiteiten zich uit: nieuwe kerken gingen open, er kwam godsdienstonderwijs en aan de basis ontstonden allerlei zelfsturende organisaties. Anderzijds had de herleving een duidelijk politiek-maatschappelijke component: oppositie tegen al wat sovjet en communistisch was. Vooral daarom stond de Kerk zo dicht bij de jeugd, terwijl de oudere generatie over het algemeen gereserveerder was. Vaak lieten twintigers en dertigers zich al eind jaren tachtig, begin jaren negentig dopen, terwijl hun ouders hun voorbeeld pas een paar jaar later volgden.

Het was alsof de Russisch Orthodoxe kerk een alternatieve realiteit bood, een ‘ander’ Rusland, dat niet-sovjet was. De maatschappelijke verwachtingen waren zo hoog gespannen dat werkelijk alle monniken, priesters en bisschoppen werden aangezien als levende getuigen van dat àndere Rusland en om die reden enorm veel vertrouwen genoten. De Orthodoxe Kerk doorstond onder de atheïstische staat de meest wrede vervolgingen, waarover alleen fluisterend kon worden gesproken. Over een heiligverklaring van de nieuwe martelaren kon men in de sovjet-tijd alleen maar dromen. Na de Oktoberrevolutie van 1917 stond de kerk tegenover de communistische machthebbers, maar ook als ze zich loyaal betoonde, werd ze als serieuze ideologische tegenstander beschouwd.

In de nadagen van het ‘socialisme’ was de jeugd ideologisch en soms ook moreel op een dood spoor beland. De Orthodoxie leek een uitweg te bieden: een intens persoonlijke weg naar de waarheid en naar Christus. De vurige wens om Christelijk te leven deed velen besluiten een bestaan binnen de Kerk te zoeken: ze werden priester of monnik of gingen voor de kerkgemeenschap werken.
Veel hoger opgeleiden traden tot de Kerk toe en vormden de kern van nieuwe parochies en lekenorganisaties. De ‘kerkelijke renaissance’ speelde vooral in Moskou, Sint Petersburg en andere grote steden. Maar al snel traden de fundamentele problemen van de Russisch-Orthodoxe Kerk aan de dag.
1.].  Lang waren niet àlle priesters èn bisschoppen werkelijk vertegenwoordigers van dat àndere Rusland. Dit was al de derde generatie geestelijken die was opgegroeid in de Sovjet-Unie, in overweldigende meerderheid waren ze ‘volledig loyaal’ aan de staat. De gemeenschappen die de periode van grote terreur overleefden gingen ondergronds en hielden in de jaren zeventig-tachtig praktisch op te bestaan, waren uitgestorven. Natuurlijk maakten afzonderlijke priesters en leken deel uit van de ‘dissidenten’-beweging, maar dit had nauwelijks invloed op de situatie in de Kerk, die in hoge mate werd gecontroleerd door ‘de raad voor Godsdienstzaken’.
2.].  Lang niet àlle priesters bleken na de val van het communisme opeens ook bereid om te preken, zich met catechisatie bezig te houden of met mensen te werken. In de sovjet-tijd waren ze immers gewend geraakt aan ideologisch toezicht van staatszijde en aan maatschappelijke en culturele isolatie.
Preken dienden altijd te worden afgestemd met de gevolmachtigde van Godsdienstzaken, ‘Godsdienstonderwijs en liefdadigheid’ waren strikt verboden, net als doopplechtigheden en huwelijksinzegeningen: wie aan de sacramenten deelnam, zette zijn baan en inkomen op het spel. Deze priesters hadden geen flauw idee wat ze aan moesten met de nieuwe religieuze vrijheid.
De lekenbeweging bracht hiervoor deels uitkomst, maar kon slechts een paar jaar vrijelijk te werk gaan. Het episcopaat schrok van het lekenactivisme en legde in 1994 strenge beperkingen op aan de activiteiten van lekenorganisaties.
3.].   Daarop openbaarde zich het probleem van het episcopaat zelf.
Onder druk van de veiligheidsdienst [de K.G.B., waar óók Poetin uit voortkomt] en de raad voor Godsdienstzaken had het Patriarchaat alleen kandidaten tot bisschop mogen wijden, die bewezen hadden loyaal te zijn aan het communistische regime. Bovendien waren de permanente leden van de Synode volledig geïntegreerd in het systeem van speciale voorzieningen dat partijfunctionarissen toegang gaf tot schaarse producten, regering’s
-supermarkten, -sanatoria en -poliklinieken. En de Synode was verworden tot ‘een soort Politburo’, die uit de staatsruif meeaten, waarin de gezegende Metropolieten permanent zitting hadden tot aan hun dood.
In het post-communisme stond de kerkhiërarchie voor de taak de stemming onder het volk ‘te beteugelen’ en hier mogelijk van te profiteren: door haar macht te versterken, nieuw onroerend goed in handen te krijgen en zich in juridisch en canoniek opzicht ‘vrij te pleiten’ van collaboratie met de communistische machthebbers en van financiële en morele misdaden.
Natuurlijk werden voor deze problemen niet zó maar oplossingen gevonden.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie verklaarde de heilige Synode:
Het Moskouse patriarchaat maakt géén aanspraak op een bijzondere positie in de staat, nòch op ideologische of politieke privileges’. Maar dit was slechts een kòrt, voorlopig moment van zwakte !!!
Al tegen het midden van de jaren negentig had het episcopaat zijn positie bepaald: het formuleerde ‘wat het allemaal onveranderd wilde behouden, en wat het precies van de staat wilde krijgen’. De Patriarch werd midden-voor van de Doema en klapt lustig mee met de zogenaamde volksvertegenwoordigers.
4.]. Het meest serieuze probleem ontstond toen in de jaren negentig bleek dat de Kerk geen catechisatie had weten te organiseren maar wel vrijelijk miljoenen gegadigden had gedoopt.
Daarmee beging ze een grote vergissing: terwijl ze opgetogen verhalen afstaken over de terugkeer van Rusland naar de orthodoxie, stonden priesters en bisschoppen geen ogenblik stil bij het gehalte van het Geloof van al die miljoenen. Ieder die wilde werd ingeschreven als lid van de Kerk van Christus. Pas later bleek dat het voor de nieuwe bekeerlingen voldoende was zich bevestigd te voelen in hun nationale identiteit, overeenkomstig de nieuwe, algemeen geaccepteerde formule: ‘Russisch, dus orthodox’, net zoals bij de Griekse bevolking.
De nieuwe kerkleden behielden echter een sovjet-kijk op de wereld: na een paar jaar zouden ze al terugverlangen naar een nieuw orthodox rijk.

De ‘rijkere‘ boerenklasse, die tijdens Stalins gewelddadige campagne voor de collectieve landbouw was heengestapt, zag in hoeveel schade het communisme Rusland had berokkend en die probeerde onder Jeltsin het communisme probeerde te vernietigen maar slaagde daar niet in vanwege zijn mentaliteit, omdat het communisme een wezenlijk bestanddeel van het Russische leven was gebleven.
Dat was precies de reden waarom de staat er in de jaren negentig almaar niet in slaagde op één golflengte te komen met de Kerk. Wel tekende zich een nieuw conflict af: in het land voltrokken zich democratische veranderingen, maar de Kerk neigde opnieuw naar de monarchie, of preciezer gezegd, vond dat de monarchie onlosmakelijk deel uitmaakte van haar symbolische kapitaal.
Behalve dat de Kerk en andere religieuze organisaties hun juridische rechten herwonnen, kerk- en kloostergebouwen [vaak niet meer dan ruïnes] terugkregen, welke met staatssteun werden gerestaureerd en de wet ‘Over vrijheid van geweten en religieuze organisaties’ werd aangenomen, veranderde er in de jaren negentig zo goed als niets in de verhouding tussen Kerk en staat. Deze situatie veranderde toen Vladimir Poetin president van Rusland werd en metropoliet Kirill patriarch van Moskou en heel Rusland.

Patriarch Kyrill & Tsaar Poetin

Mèt het aantreden van president Poetin brak een nieuwe tijd aan voor de Russisch-orthodoxe kerk. Zo wist patriarch Kirill met de staat overeenstemming te bereiken over de invoering op openbare scholen van het leervak ‘Grondslagen van religieuze cultuur en wereldse ethiek’, met als cruciaal onderdeel ‘Grondslagen van de orthodoxe cultuur’. De overheid ging ermee akkoord officieel 240 aalmoezeniers in de strijdkrachten aan te stellen voor bijstand aan gelovige dienstplichtigen. Uiteraard komen deze in meerderheid uit de orthodoxe geestelijkheid. Ten slotte werd een speciale federale wet aangenomen [‘Over de overdracht aan religieuze organisaties van eigendom met een religieuze bestemming in bezit van de staat of gemeentes’].
In Moskou werd samen met het stadsbestuur een programma gelanceerd voor de bouw van enkele honderden nieuwe kerken.  Na corruptieonderzoeken van Aleksej Navalny heeft de staat de federale wet ‘Over de staatsbeveiliging’ zodanig geamendeerd dat het mogelijk werd persoonlijke gegevens geheim te houden van alle personen die onder bescherming staan van de Federale Beveiliging’s-dienst [FSO].
Aangezien ook patriarch Kirill beveiligd wordt door deze instantie valt informatie over ‘zijn inkomsten en bezittingen’ onder de officiële geheimhouding.   In aanmerking nemend dat de Russisch-Orthodoxe Kerk geen enkel financieel overzicht of document over haar financiële transacties publiceert, beschermen de nieuwe wetsamendementen feitelijk de ondoorzichtige financiële structuur die zich in deze Christelijke Kerk heeft ontwikkeld.
Kortom, de patriarch en het episcopaat genieten, in letterlijke zin, goede relaties met de staatsmacht. De patriarch en de president [gekscherend de nieuwe Tsaar genoemd] ontmoeten elkaar regelmatig, niet alleen in het Kremlin, maar ook in het klooster op het eiland Valaam [waar zich een van de residenties van de Patriarch bevindt en toevalligerwijs ook een van de datsja’s van de Tsaar], òf op de Heilige Berg Athos in Griekenland. De spindokters van het Kremlin slagen er tamelijk goed in het beeld van een orthodoxe Russische president te creëren: een vriend van de Kerk en beschermer van traditionele waarden, zoals historisch te doen gebruikelijk was.

Niet toevallig is in de Russische wetgeving de wazige formulering ‘belediging van gevoelens van gelovigen’ opgedoken, al was deze aanvankelijk alleen opgetekend in het Wetboek van administratieve rechtsvordering, in 2002.

Pussy Riot een rel op het rode plein.

Na de scandaleuze actie van Pussy Riot in de Christus-Verlossers-kathedraal in 2013 werd aan artikel 148 van het Wetboek van strafrecht een artikel toegevoegd, dat voor religieuze krenking voorziet in straffen variërend van een boete of een werkstraf tot vrijheidsberoving voor een termijn van maximaal drie jaar.
Sindsdien doen orthodox-gelovigen voortdurend een beroep op dit artikel, en deskundigen waarschuwen dat het gebruikt kan worden voor het vervolgen van tegenstanders van de Orthodoxe Kerk.
Zo dreigde in mei 2017 bisschop Nectarius [Selezjnov] van Livny en Malo-archangelsk met dit artikel tegen de redactie van Orlovskië Novosti [Nieuwsblad van Orlov].
Hij was verontwaardigd over een publicatie over de nieuwe jeep die hij voor 6 miljoen roebel had gekocht, voor het district Orlov zonder meer een extreem luxueuze aankoop. Het schandaal werd gesust, de bisschop spande geen rechtszaak aan. In totaal zijn er relatief weinig vonnissen gewezen op basis van dit artikel, ondanks veelvuldige pogingen van orthodox-gelovigen.
Het is opmerkelijk dat de wet tegen zendingswerk, die een jaar geleden in één pakket met de antiterroristische wetgeving van parlementslid Jarovaja is aangenomen, in theorie ook gebruikt kan worden tegen orthodox-gelovigen, maar dat de autoriteiten deze vandaag de dag uitsluitend aanwenden tegen islamitische radicalen en protestantse gemeenschappen. Juristen van het Moskouse patriarchaat ondersteunen de wet en zien er geen enkel gevaar in voor de Orthodoxe Kerk. Mogelijk zijn er geheime afspraken gemaakt dat de wet niet zal worden ingezet tegen orthodox-gelovigen.

Wat heeft Patriarch Kirill de Tsaar allemaal te bieden in ruil voor deze gulle giften?  Uiteraard was de verwachting vooral dat de Kerk hem zou laten delen in haar symbolische kapitaal.
De orthodoxie speelde een hoofdrol bij de vorming van een nieuwe ideologie en de consolidatie van de natie en de politieke elite. Patriarch Kirill heeft het Kremlin twee tamelijk geslaagde concepten aan de hand gedaan: de ‘Russische wereld’ en ‘traditionele waarden’.
Beiden zijn eind jaren negentig geformuleerd door het Wereldconcilie van het Russische Volk onder leiding van Kirill, die toen nog slechts Metropoliet en supervisor over de R.O.K in West-Europa was [welke positie hij als Patrairch heeft vastgehouden].
Het eerste concept veranderde tamelijk snel van een ‘soft power’-instrument in een primitief wapen van het grote-mogendheid’s-denken, waarvan tegenwoordig praktisch geen gebruik meer wordt gemaakt; ‘traditionele waarden’ gingen in de derde presidentstermijn van Poetin echter een belangrijke rol spelen, zowel in de buitenlandse als in de binnenlandse politiek. De president zal zich dit ongetwijfeld het klappen op de voorste rij van de Doema herinneren en de Patriarch innig dankbaar zijn.
Het kan geen kwaad die ‘traditionele waarden’ eens onder de loep te nemen.
Dit begrip, dat recentelijk zó aan populariteit heeft gewonnen, is zowel in het religieuze als het politieke discours nieuw te noemen.
In de jaren negentig kwam ‘waarde’ doorgaans voor in een vaste combinatie als het wijdverbreide begrip geestelijke en morele waarden, terwijl het adjectief ‘traditioneel’ meestal gereserveerd werd voor religies: ‘traditionele religies’. Maar eind jaren negentig veranderde de politiek-maatschappelijke context.
In september 1997 nam de Staatsdoema een wet aan ‘Over de vrijheid van geweten en over religieuze verenigingen’. In het voorwoord bij deze wet spreekt de staat ronduit van ‘de bijzondere rol van de orthodoxie in de geschiedenis van Rusland en in het ontstaan en de ontwikkeling van ’s lands spiritualiteit en cultuur’; bovendien werd gewag gemaakt van christendom, islam, boeddhisme en jodendom als ‘onvervreemdbaar deel van de historische erfenis van de volkeren van Rusland’. Dit betekende het einde van de discussie over de vraag welke religies in Rusland traditioneel genoemd konden worden en derhalve op steun van de overheid mochten rekenen.
Het begrip ‘geestelijke en morele waarden’ was in zekere zin verouderd geraakt. Opgekomen op het breukvlak van de jaren tachtig en negentig als antithese van de communistische waarden, gaf het een te brede definitie van spiritualiteit, die zich moeilijk liet inperken tot een orthodox begrip.
Daarom verlangde de nieuwe maatschappelijke en politieke situatie een precisering.
Er vormde zich in die jaren een orthodoxe denktank, bestaande uit een kring van publicisten rond het Wereldconcilie van het Russische Volk, een maatschappelijk forum dat werd opgericht en geprotegeerd door Kirill, destijds metropoliet van Smolensk en Kaliningrad en sinds 2009 patriarch van Moskou en heel Rusland.
De geschiedenis van het begrip is binnen de orthodoxe context vrij goed te volgen. Lange tijd werd het uitsluitend gebruikt door de kring publicisten en vertrouwelingen rond het Wereldconcilie en metropoliet Kirill, maar het raakte slechts langzaam in zwang.
Buiten de kring van metropoliet Kirill werd het begrip niet gebruikt in het kerkelijke milieu, en naar alle waarschijnlijkheid niet eens opgemerkt.
Pas ruim een decennium later ontdekten Russische politici de term. Dat zegt genoeg over de geringe politieke invloed van de orthodoxe Kerk in postsovjet-Rusland. Haar theoretische verhandelingen drongen niet tot de politiek door, totdat ze onderdeel werden van de staatsideologie en dus van de propaganda.

In 2013, na gekozen te zijn voor een volgende ambtstermijn -hij is inmiddels begonnen aan zijn vierde en wordt al de nieuwe tsaar genoemd, zei Vladimir Poetin in zijn eerste Boodschap aan de Federatieve Vergadering:
Vandaag staan in vele landen zeden en fatsoensnormen ter discussie en vervagen de verschillen tussen nationale tradities en culturen. Tegenwoordig eist men van de samenleving niet alleen een redelijke erkenning van ieders recht op vrijheid van geweten, politieke opvattingen en privéleven, maar ook zonder meer erkenning van de gelijkwaardigheid, hoe vreemd dit ook lijkt, van goed en kwaad, van begrippen die inhoudelijk elkaars tegenpolen zijn. Een dergelijke vernietiging van traditionele waarden [cursivering van de auteur] ‘van bovenafheeft niet alleen negatieve gevolgen voor de samenleving, maar is in wezen anti-democratisch, aangezien zij voortkomt uit abstracte, geconstrueerde ideeën, die ingaan tegen de wil van de volksmeerderheid, die de continue verandering en voorgestelde herziening niet accepteert’.
Dit is de sleutelpassage van de hele navolgende politieke retoriek.
Letterlijk alles is hier nieuw:
1.]. het accent verspringt van culturele vraagstukken naar zeden en fatsoen.
2.]. de problematiek van ‘goed en kwaad’ wordt ondubbelzinnig aangekaart.
3.]. kritiek op andere landen [zonder overigens concreet aan te geven welke]
4.]. strijdretoriek [cruciale ‘vernietiging’ in combinatie met ‘traditionele waarden’].
5.]. aanspraak op de uitdrukking ‘de wil van de volksmeerderheid’.
Maar in 2017 stimuleerde deze retoriek van ‘traditionele waarden‘ nogal gevaarlijke, radicaliserende tendensen binnen de Russische samenleving.
Oproepen tot het verdedigen van traditionele waarden, zonder precies uit te leggen wat er onder die waarden verstaan moet worden, leveren een explosief mengsel op.
Was de oproep verdedigen! duidelijk afleesbaar in de overheidspropaganda, in het geheel niet duidelijk was wat er precies verdedigd moest worden.
Als gevolg hiervan kregen de Orthodoxe Patriotten de opdracht uit het Russische sprookje mee: ‘kijk maar/ ik weet niet waar/ En breng me dat…/ ik weet niet wat’.
Daar er geen enkele consensus over de inhoud bestond, werd inhoud gelijk aan vorm [the medium is the message].
De religieuze fundamentalistische activist Dmitri Tsorionov, beter bekend onder zijn pseudoniem Enteo, was de eerste die dit begreep en toepaste. Zijn acties tegen Pussy Riot, op de tentoonstelling van Vadim Sidoer en anderen, waren een breuk met alles wat Orthodox-Christelijke-Gelovigen daarvóór hadden gedaan.
Het was een artistiek gewelds-game ter verdediging van Orthodoxe waarden, een soort orthodox aktionisme.
[Inmiddels beweert Enteo de buik vol te hebben van het Orthodoxe aktionisme, en zijn romance met Maria Aljochina, lid van Pussy Riot, heeft ertoe geleid dat zijn strijdmakkers van de fundamentalistische groep –‘God’s wil’- hem uit hun beweging hebben gezet].
Maar de geest was uit de fles. Het idee om geweld te gebruiken ter verdediging van traditionele waarden tegen aanslagen van liberale zijde, is ook opgepikt door de bestrijders van de film Matilda [over de liefdesaffaire tussen de latere tsaar Nicolaas II en balletdanseres Matilda Krzjesinska – red.]. Deze doorsnee pseudohistorische film heeft aanleiding gegeven tot talloze manifestaties van soms radicale en in wezen zelfs terroristische aard.
Zo stuurde de beweging ‘Christelijke staat – het Heilige Roes’ aan alle bioscopen van Rusland brieven waarin werd gedreigd met brandstichting als ze niet afzagen van de vertoning van Matilda. Het heeft er alle schijn van dat Christelijke Staat een fake-organisatie is met niet meer dan drie of vier leden, maar hun oproepen tot geweld zijn niet ongehoord gebleven.
Het orthodoxe tsarenrijk is een traditionele waarde geworden en de door de Russisch-Orthodoxe Kerk gecanoniseerde Nicolaas II is daarvan de verpersoonlijking.
De regisseur van de film, Aleksej Oetsjitel, is de vijand die zich aan hem vergrijpt, hem vals interpreteert en zijn nagedachtenis – en daarmee alle orthodoxe gelovigen en heel Rusland – bezoedelt. Ogenschijnlijk zijn er geen redenen voor een conflict van nationale omvang, maar door een samenloop van omstandigheden is de spanning in de samenleving tot ongekende hoogten opgelopen.
De Kerk reageerde ambivalent, ze probeerde zich te onthouden van een duidelijke stellingname, maar een reeks kerkelijke hiërarchen en priesters sprak zich openlijk uit tegen de film.
Deze film is geproduceerd met geld van de staat, en de staat heeft ondanks de protesten toestemming gegeven de film te vertonen. Maar tegelijkertijd is Natalja Poklonskaja, Doema-afgevaardigde en gewezen officier van justitie op de Krim, een van de belangrijkste bestrijders van de film. Zij zoekt naarstig gronden om de vertoning te verbieden en wil de regisseur tegelijkertijd betrappen op financiële machinaties, zodat hij kan worden aangeklaagd.
In totaal heeft de Hoofdofficier van Justitie van Poklonskaja 43 klachten ontvangen over Matilda en zijn regisseur. In dit opzicht is het tamelijk onheilspellend dat er een poging was tot brandstichting van een bioscoop in Jekaterinburg en dat er auto’s in brand zijn gestoken voor het Moskouse kantoor van Oetsjitels advocaat.
In het eerste geval gaf de dader ronduit toe dat hij brand had gesticht om vertoning van de film te voorkomen; in het tweede geval was er bij de uitgebrande auto’s een brief achter-gelaten met de boodschap: ‘Branden voor Matilda’.
     Naar alle waarschijnlijkheid is er eind oktober een einde gekomen aan de perikelen rond de film. De première op 26 oktober in Moskou was een succes: de zaal was afgeladen, toeschouwers zaten zelfs op de traptreden. Niet alleen bij de première in Moskou, maar ook in Sint Petersburg waren extra veiligheidsmaatregelen getroffen.
Er vonden geen noemenswaardige provocaties plaats, de groepjes demonstranten vielen nauwelijks op.

Echter uit de acties van de orthodoxe radicalen zijn drie conclusies te trekken.
1.]. Er een relatief omvangrijk en tamelijk actief contingent orthodox-gelovigen zichtbaar geworden met een eigen agenda, die bij hun acties altijd ‘strijd voeren tegen…’:
– tegen nieuwe paspoorten,
– tegen sofinummers,
– tegen een ontmoeting van de patriarch met de paus,
– tegen de uitkomst van de DNA-identificatie van de stoffelijke resten van de tsarenfamilie, – tegen toneelvoorstellingen en exposities,
– tegen de film Matilda, et cetera.
Voor hen heeft slechts het verleden een sacrale status. Het is best mogelijk dat de orthodoxe radicalen in de ogen van de samenleving het orthodoxe conservatisme als zodanig in diskrediet zullen brengen.
2.]. Na Matilda is het vertrouwen in de officiële Kerk nog verder gedaald. Haar positie heeft ertoe geleid dat men én de radicalen niet kan opgeven [want ze zijn nu eenmaal allemaal orthodox] èn de staatsmacht, die de film heeft ondersteund, niet te veel tegen de haren mag instrijken.
        Het is niet uitgesloten dat de protesten tegen Matilda als een katalysator zullen werken voor anti-orthodoxe sentimenten, niet alleen in de samenleving maar ook bij de politieke elite. De ontevredenheid over de politiek van patriarch Kirill neemt de laatste jaren alleen maar toe en het is heel goed mogelijk dat in maatschappelijke discussies de Kerk blijvend harde kritiek zal oogsten.

De eerste tekenen zijn er al.
De politicoloog Stanislav Belkovski, die aangezocht werd om zitting te nemen in de verkiezingsstaf van Ksenia Sobtsjak, verklaarde op radio Echo Moskvy dat ‘de liquidatie van de Russisch-Orthodoxe Kerk van het Moskouse patriarchaat en de begrafenis van Lenin’ uitgangspunten zijn van het verkiezingsprogramma. Er dient volledig afstand te worden gedaan van het sovjet-verleden.
In plaats van de door Stalin gecreëerde religieuze organisatie zou er een confederatie moeten komen ‘van onafhankelijke parochies naar protestants voorbeeld’.
Weliswaar maakte hij het voorbehoud dat dit nog niet Sobtsjaks programma was, maar zijn visie op hoe het programma er mogelijk uit ging zien.
De Russisch-Orthodoxe Kerk heeft op het breukvlak van de twintigste en eenentwintigste eeuw enkele historische fases doorlopen:
van een van hoop vervulde ‘kerkelijke renaissance’ naar een stabiel en welvarend leven als ‘Rijkskerk’.
Nu breekt een nieuwe crisis aan; het is moeilijk te voorspellen hoe de Russisch-Orthodoxe Kerk hieruit tevoorschijn zal komen –
zeker in een land, die bij eigen mistoestanden, gewoon de andere kant opkijkt en niet terug schrikt eigen falen openlijk te ontkennen.
Hoe lang zal een geslagen volk een onderdrukking door
een kleine ‘rijke’ en autoritaire elite nog aanvaarden?

conf. Sergej Tsjapnin’s artikel in Venster op Rusland,
nov. 2017, podium voor kennis, analyse en debat