Orthodoxie & zicht op religieus leiderschap

    En onze Heer Jezus Christus zei:
‘Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen en wie zien, blind worden’.
Dit hoorden sommigen uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en
zij zeiden tot Hem: ‘Zijn wij soms ook blind?’.
       Jezus zei tot hen:
‘ Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten.
Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen
volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen’.
       In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
Jezus zei dan nogmaals:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.  Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen     maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte.
Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij,  gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen’John.9: 39-10: 15.

                   In religieuze en spirituele gemeenschappen neemt leiderschap vaak een specifieke vorm aan.
Religieuze leiders zoals Patriarchen staan namelijk –  ‘verschillend ’ van seculiere leiders zoals keizers – centraal in het verbinden van gelovigen, t.o.v. het transcendente en de buitenwereld.
In het Russisch wordt de term ‘maffia‘ gebruikt voor de ‘corrupte politieke elite‘, die altijd verbonden is/was met machthebbers; in de Sovjetperiode werden met ‘maffia‘ mensen aangeduid die verantwoordelijk waren voor bepaalde goederen of diensten, of degenen die hoge posities op de maatschappelijke ladder hadden [номенклатура , воры в законе – kort omschreven, dieven onder de wet].
Het goed functioneren van religieuze en spirituele gemeenschappen is grotendeels afhankelijk van dit leiderschap.
Religieus leiderschap en religieuze gemeenschappen staan in een tijd van de-ïndividualisatie, de-secularisatie en super-diversiteit sterk onder druk.
Onderzoek laat zien dat men in dit soort tijden van onzekerheid behoefte heeft aan charismatische leiders die richting en veiligheid kunnen verschaffen. Daarnaast zorgt een onzekere of aarzelende situatie er ook voor dat leiders meer mogelijkheden hebben om charismatisch [goeroe-]gedrag te gaan vertonen.
Dit wekt nieuwsgierigheid op wat betreft de ervaringen met charismatisch leiderschap in religieuze en spirituele geloofsgemeenschappen.
Alles is nu eenmaal geschapen, voordat het tot het bestaan kwam, zelfs de mens, als sluitstuk van de Schepping; komt voort uit Gods Liefde tot verlangen naar iets wat van verre [uit het hart] voortkomt; de wens Goed te doen en overwoekerd te worden door Goddelijk Licht, is ontstaan uit de onmetelijke schoonheid van het Goddelijk Licht.

Wanneer we bovenstaande woorden van de Blijde Boodschap van de hand van Johannes horen, lijken ze in eerste instantie te doen afnemen, ze zijn bijna weerzinwekkend, ze zijn al meer dan tweeduizend jaar voer voor handelaren, voor een schijntje te koop op de marktplaatsen van de theologie:
– Onze Heer Jezus Christus is ‘de ware Herder en degenen die in Hem geloven, vormen de kudde’, – die de relatie en de klasse beschrijft van de Christelijk leider en de ‘en masse’ Christus volgende gelovigen, inclusief alle vormen van mogelijk misbruik.
Een natie van “schapen” heeft leiderschap nodig.
Iedere gedragspsycholoog kan ons uitleggen waarom: ‘In tegenstelling tot de sluwe geiten, degenen die zich in de hoge bergen voortbewegen, ten opzichte van de schapen die zich in de dalen op uitgestrekte boomloze vlakten bevinden, waar slechts gras en mos groeit, althans zo lag het er ongeveer achtduizend jaar geleden bij voordat zij aan het menselijk leven gewend was geraakt, voordat zij zich in de wereld thuis begonnen te voelen. Het menselijk leven is afhankelijk van erkenning, respect van degene die dat aanlevert, deze ervaring begeleidt en beschermt’.
Meer dan het geblaat en het exploiteren van deze dieren kan zelfs in een noodgeval niet worden vertrouwd. Wanneer een dergelijk gedrag als een model van “gelovigen” wordt voorgesteld, mag  het tevens duidelijk worden waarom de [schaaps-]kudde gelovigen aan Christus een centrale uitgangspunt toekennen en Hem als het onmiskenbare centrale Hoofd van de Kerk dienen te herkennen, de Enige [God-]mens, op Wie je werkelijk je vertrouwen kunt stellen.
Hier wordt dus klip en klaar gesteld: “ Ja, Jezus Christus, de Zoon van God is de Herder, de behoeder van de Kerkgemeenschap”.
Christus maakt dit hier duidelijk aan ieder mens, die zich als herder, als spelleider, als toezichthouder in Zijn stal aanmeldt om er te komen werken!

Deze scène is tevens opgenomen in de sterk sentimentele weergave van het erfgoed van de Nazarener: een herder die vredig in de avondschemering bij zijn kudde doorbrengt; hij trekt met hen op, met allen, alsof er geen gevaar dreigt.
Vele van dit soort fresco’s en iconen zijn te vinden in de christelijke kerken in Israël, Jordanië, Libanon en Syrië als ingevoerd product uit het koloniaal verleden van het Christendom tot in de 21e eeuw aan toe. Een enkele blik op de bergen van Galilea of ​​Judea zou je andere dingen kunnen laten zien: ‘Hoe bewerkelijk het werk van een herder is en wat de werkelijkheid inhoudt‘.
Bij de weergave van Johannes is er zelfs sprake van een naderende dood, van een leven vol avontuur, van een verbintenis tot ‘alles of niets’, hetgeen een herder als ‘beroepsrisico’ dient in te calculeren en als heel natuurlijk daarop volgend, één opmerking:
Het betreft het uitgangspunt dat het gedrag van de spelleider en toezichthouder, als herder ten opzichte van de schapen afhankelijk is van hoe we tegen de relatie tussen God en de mens aankijken. Geloof en erkenning van de uitvoering daarvan wordt niet beschouwd als taak waarvan de vervulling charismatisch gelegitimeerde eisen stelt aan de mens zelf’.

Met name nieuwe religieuze splintergroeperingen kenmerken zich door een charismatisch leiderschap als een ‘levend voorbeeld’, van een profeet, een mysticus of plaatsvervanger van God. Charismatische leiders worden door hun volgelingen en ook door zichzelf [een soort zelfhypnose] beschouwd als ‘ontzettend’ bijzondere personen met wèl ‘héél bijzondere’ eigenschappen, een soort supermens, die van alle markten thuis is, òf zij doen het slechts voorkomen en spelen het spel, zoals dat van hen verwacht wordt.
Charismatische leiderschap onderscheidt zich in een ideaaltype in contrast met de twee andere vormen van leiderschapsautoriteit, gezag of macht: ‘legaal’ leiderschap en ‘traditioneel’ leiderschap.
       Bijzondere [Genade-]gaven om anderen te inspireren en te leiden is een bepaalde eigenschap van een individuele persoonlijkheid, dankzij welke hij/zij [de geit op de berg] zich onderscheidt van de gewone mens [het schaap in de steppe] en behandeld wordt als begiftigd met bovennatuurlijke, bovenmenselijke, of op z’n minst specifiek uitzonderlijke krachten of kwaliteiten.
Deze eigenschappen zijn dusdanig dat gewone mensen er absoluut geen toegang toe hebben, maar beschouwd worden als ‘van goddelijke oorsprong’ òf wat als voorbeeld kan dienen en het individu dat deze eigenschappen bezit wordt op grond hiervan als leiderschapsfiguur behandeld.
       Na nadrukkelijke bestudering van dit onderwerp is het algemeen min of meer gebruikelijk geworden, begrippen als charisma of charismatisch leiderschap nog uitsluitend op te vatten als omschrijvingen van innerlijke kwaliteiten van een persoon onafhankelijk van de omgeving.

Persoonlijke uitstraling
De charismatische autoriteit berust op “geloven” in de desbetreffende ‘profeet‘, op de “erkenning” die de charismatische ‘held’ zichzelf verwerft en toekent of ermee door de mand valt.
Niettemin ontleent het z’n autoriteit niet aan deze erkenning door degenen, die in de wereld regeren; Macht uitoefenen. Integendeel: Geloof en erkenning worden beschouwd als taken, waarvan de vervulling ‘charismatisch gelegitimeerde eisen’ stelt aan zichzelf [Maximilian C.E. (Max) Weber 1864–1920].
De vraag die daarop volgt is of charisma overdraagbaar is, kunnen de volgelingen worden vastgehouden wanneer de voorafgaande leider er niet meer is, wat gebeurt er als het charisma z’n glans gaat verliezen, minder interessant, minder de moeite waard wordt?
Dit is het vraagstuk van de institutionalisering van het charisma of, zoals Weber het noemt, de routinematig behouden van charisma. De charismatische leider heeft ideeën en idealen, die ook na zijn verscheiden, bewaard en uitgedragen dienen te worden; om de leider heen bevindt zich een groep van mensen, die economisch en sociaal van hem afhankelijk zijn geworden en er zijn volgelingen die het geloof en het vertrouwen in hun leidsman willen behouden, eventueel ook geritualiseerd.
De socioloog Weber gaat er van uit dat charismatisch leiderschap in zijn puurste vorm een zo onzeker, instabiel en vluchtig gegeven is, dat er in de praktijk bijna altijd reeds na een korte tijd een routinematig behouden van het charisma gaat optreden. De mensen rond de charismaticus en vaak ook de leider zelf, willen immers zekerheid en continuïteit; zij tolereren geen enkele tegenstand.

Krishnamurti is een typische voorbeeld van een charismatisch leider, die zich juist ‘tégen’ het routinematig behouden van z’n charisma in een georganiseerde vorm heeft verzet, de ‘antimeester’, zoals godsdienstige leermeesters dit noemen.

De tragiek van de charismatisch leider is dat hij naarmate hij méér succes heeft, meer en meer van z’n oorspronkelijke charisma verliest. Het is een opeenvolgend proces dat vrij gemakkelijk te herkennen is.
1.]. Iemand wordt een charismatisch leider, wanneer hij volgelingen krijgt die zijn charisma herkennen en erkennen. Hij is dan de leider [‘hoofdspelleider’ kon Weber in zijn tijd nog onbelast zeggen] en zijn volgelingen zijn ‘de jongelingen’.
2.]. In de tweede fase, wanneer het leiderschap in bredere kring erkend wordt, worden de volgelingen beschermers en bewakers. Zij gaan om de leider heen staan, onttrekken hem aan het directe contact met de meerderheid van de volgelingen. Om hem zijn charismatische werking niet te doen verliezen, tillen ze hem op, verheffen ze hem tot een zichtbaar, maar onbereikbaar idool.
3.]. In de derde fase zijn de beschermers en de bewakers van de charismatische leiders tot zijn beheerders geworden: het charisma wordt gemanipuleerd ten behoeve van de organisatie die zich om de leider heeft ontwikkeld. De charismatische leider is een marionet geworden van zijn omgeving.
4.]. In de vierde fase tenslotte zijn de beheerders geëvolueerd tot bestuurders en de charismatische leider is nog slechts een herinnering, die de legitimatie is voor de handelingen van de bestuurders. De marionet is dan een mascotte geworden: een symboolfiguur.

De leermeester als algemeen ‘spelleider van de ziel’ is vandaag de dag de ‘religieus charismaticus’ bij uitstek: hij is geen plaatsvervanger zoals iemand die de Blijde Boodschap verkondigt, hij is eveneens geen profeet, die oude waarheden vernieuwt, maar hij ontpopt zich als mysticus, de ‘verlichte’, die z’n volgelingen kan helpen en bijstaan [als starets] zelf de toestand te bereiken, die  zijn bestaan uitmaakt.
De eerbiedwaardige persoon is geen geroepene, geen uitverkorene, maar een ‘verlichte’, een navolgbare [dat weinigen dat stadium van ‘verlicht’ zijn bereiken, is principieel niet van belang]. De leermeester wordt vereerd als voorbeeld en als methode; dat is heel sterk het geval bij geestelijk leidslieden uit India en het verre oosten. Bij velen van hen heeft dit aspect na het overlijden van de stichter reeds duidelijk aan betekenis ingeboet. Interessant is dat vele leermeesters hun eigen charisma ook als afgeleid of overgenomen zien worden. Hieruit blijkt meteen al hoe persoonlijke kwaliteiten ‘alleen’ al onvoldoende zijn voor de erkenning van het charismatisch leiderschap.
De intelligente, steeds wisselende en dagelijks optredende geestelijk leidsman is niet méér of minder dan een charismatisch – verwende, materialistische en intellectueel spelleider. Als eerbiedwaardig spelleider hebben beiden overigens wel ieder een eigen publiek en een eigen functie. Of iemand ‘waarachtig’ de kwaliteiten bezit, die hem door z’n eigen optreden en de reactie daarop van z’n omgeving worden toegeschreven is eigenlijk niet relevant.
Waar het om gaat is of de charismatisch spelleider ‘integer’ is: gelooft hij in z’n eigen charisma en in de opdracht die daarin besloten ligt of in ieder geval als daarin besloten liggend door hem wordt uitgedragen?
Een charismatisch leider kan immers een bedrieger zijn; daarmee is zijn charismatisch leiderschap geen bedrog, maar wèl het misbruik dat hij ervan maakt.
                         Een probleem dat hiermee samenhangt is de enscenering van het charismatisch leiderschap. Iedere charismatisch leider die succes heeft, komt in de situatie terecht dat hij zijn charismatische eigenschappen moet gaan ‘opvoeren’ , zowel in het spel wat gespeld wordt als de mate waarin het gemanifesteerd wordt.
Een steeds groter publiek met steeds grotere verwachtingen dienen in zijn charismatische eigenschappen te blijven geloven, ook buiten het persoonlijk contact om.
Dat vraagt op zijn beurt weer om enscenering van het charisma, om vertoon van bijzondere kwaliteiten en om vertoon van ‘de grote spelleider’.
Dit betekent tevens dat charisma als zodanig tot op grote hoogte tot een schijnvertoning op te voeren is. In zekere zin gaat het hier om een behendigheid, die aangeleerd wordt door het regelmatig [voor de spiegel] geoefend te hebben, het zogenaamde geroutineerd charisma.
De onzekerheid en het wantrouwen dat de enscenering oproept bij degenen die zich niet in de ban van de charismatische leider bevinden, klinken als verontwaardiging door in het commentaar op de levensstijl van de leiders van nieuwe religieuze bewegingen. De buitenwacht veronderstelt bij hen misbruik van het charisma ter verwerving van macht, vermogen en seksueel genot.
– ‘All the groups that we are talking about have living leaders who ware demonstrably wealthy’ [Clark, 1976].
– ‘Zwischen dem anspruchslosen Leben der Guru-Anhänger und dem luxuriösen Lebensstil ihres vollkommenen Meisters Maharaj Ji klafft ein tiefer Graben’ [Löffelmann, 1979],
– ‘Er worden boeken verkocht, waarvan Hubbard [oprichter van Scientology] de royalties opstrijkt: zijn inkomsten worden geschat op enkele miljoenen per jaar’ [Köllen, 1980, 180].
De dag- en weekbladjournalistiek is op dit punt nog veel onverbloemder. Voortdurend vindt men verwijzingen naar de wijze, waarop sekten en sekteleiders zich vergrijpen aan alles wat de burger zo angstig voor zich behoudt en zo gretig anderen ziet verliezen:
geld, bloed, zweet, tranen, eer’.
Geen goeroe zonder giro’, wordt in de pers regelmatig gezegd en hoewel de goeroe daarin dan juist niet van de gemiddelde Nederlander zou verschillen,
drukt deze korte en kernachtig stelling toch vooral een onverbloemd wantrouwen tegen de charismatische godsdienstige spelleider uit, met name wat betreft het inkomen van de toezichthouders.
Zeker ook wat betreft de erfopvolging; je leidt je opvolger als het ware op ten einde verzekerd te zijn van de voortzetting van het charismatisch – verwende, materialistische en intellectueel spel. De volgelingen worden als het ware ‘voor’-geprogrammeerd om ook de voortzetting op handen te dragen, te voeden en te versterken.

Christus geeft het verschil aan
Overeenkomstig deze inleiding sprak ook onze Heer, Jezus  Christus tot ons, maar wij gelovigen begrepen niet, wat het was, waarover Hij – in te tijd- tot ons sprak.
Jezus zei daarom dan nogmaals:
‘ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die voor Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.  Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen     maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte’”.
De autoriteit van Christus berust enkel en alleen bij Christus en stelt hoge eisen aan degenen, die zich tot Zijn Blijde Boodschap geroepen voelen, zowel aan de geiten als aan de schapen.
Willen wij het Koninkrijk der Hemelen bereiken dan dienen wij ons alle ondergeschikt aan onze ‘Heer en Meester’ van ons leven op te stellen.
Daarom wordt in het vasten gebed gebeden: “Bewaar mij voor een geest van luiheid, moedeloosheid, heerszucht en ijdel gepraat. Maar schenk mij; Uw dienaar, een geest van ingetogenheid, nederigheid, geduld en liefde. Ja, Heer en Koning, doe mij m’n eigen fouten zien en niet mijn broeder veroordelen, want Gij zijt gezegend In de eeuwen der eeuwen. Amen”.
Een bitter voedingsmiddel was het die Adam in z’n hoogmoed uit het Paradijs verdreven heeft; hij weigerde om zich te onthouden [van z’n verheffing] volgens het gebod van z’n Heer en werd toen veroordeeld om de aarde, waaruit hij genomen was, met veel moeite te bewerken en z’n brood te eten in het zweet van z’n aanschijn. Vernedert u dan onder de Machtige hand van God, opdat Hij u zal verhogen te Zijner tijd.
Dit gaat geheel tegen de mentaliteit van de wereld van vandaag in, waarin je vooral bijgebracht  wordt om voor jezelf op te komen.
Waar spelleiders soms manipuleren en controleren, een machtspositie innemen.
Waar spelleiders zich monseigneur, vader, pastor of apostel laten noemen, profeet of doctor of welke titel dan ook. Ze lopen uiteraard graag in keurige pakken met stropdas, wonen in paleizen en berijden voertuigen, die menigeen van ons onmogelijk kan bekostigen.
                             Mensen kijken vaak naar de buitenkant, hoe mensen overkomen, hoe ze zich gedragen. Mensen zetten spelleiders en toezichthouders op een voetstuk, kijken tegen ze op.
                             Mensen zien aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan!
      Gij zijt het, die voor rechtvaardig wilt doorgaan voor de mensen, maar God kent uw harten. Want wat hoog is bij mensen, is een gruwel voor GodLuc.16: 15.
      Hij sprak tot de genodigden een gelijkenis, omdat Hij bemerkte, hoe zij de eerste plaatsen uitkozen, en zei tot hen: ‘Wanneer gij door iemand op een bruiloft genodigd zijt, ga dan niet op de eerste plaats aanliggen. Misschien is er iemand, voornamer dan gij, door hem genodigd; en dan zou hij, die u en hem genodigd heeft, komen en tot u zeggen: Maak plaats voor deze, en 
dan zoudt gij tot uw schande de laatste plaats moeten gaan innemen. Maar wanneer gij genodigd zijt, ga dan, als gij erheen gaat, op de laatste plaats aanliggen. Dan zal misschien hij, die u genodigd heeft, wanneer hij binnenkomt, tot u zeggen: ‘Vriend, kom meer naar voren. Dan zal dat u tot eer zijn tegenover allen, die met u aanliggen. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden Luc.14: 7-11.
Onze Heer en Verlosser vernederde Zichzelf en
was z’n gehele leven een vriend voor de uitgestotene en de zwakke; stond naast hem in z’n eenvoudig leven. 

Religie uit balans
Vooral het type religie op basis van eenzijdige macht is herhaaldelijk ondersteund door theologische verwijzingen naar de mens als schapen onder de leiding van een meerdere [de geiten]. Mensen – onder hen stellen sommige kerkleden vandaag nog voor als echte “schapen“, kijken op ze neer als wezens die God totaal uit het zicht hebben verloren, omdat ze alleen maar om zichzelf heen draaien en zelfs hun “zonden” als deugden voor de hemel claimen.
Met zulke koppige existenties dient God op een strikte en beslissende manier van reageren aan de dag te leggen teneinde hun goddeloosheid te doorbreken.
God, komt altijd van buitenaf, komt onder zulke omstandigheden altijd van buiten; wanneer Hij komt, bedient Hij Zich van zelfverzekerdheid van de “zondaars” te verpletteren, Hij dient de mensen aan te spreken als ware Hij de officier van Justitie met de Wet in de hand met het doel de ondeugden en de zonden van mensen aan het daglicht bloot te stellen. Hij staat onmiddellijk klaar ​​om te straffen en de mens ter verdoemenis uit te stoten.
God verschijnt daar als de tegenstander van de mens en dat wil zeggen dat er een verbinding, een brug tussen dient te worden opgebouwd, die God Zelf heeft geschapen en de God die op de mens wacht.
Net zoals de mens op z’n God wacht, wordt deze onmiddellijk overvleugeld en
wordt deze onmiddellijk ondergesneeuwd door “zelfverlossing” te prediken: ‘God wordt op een afstand geplaatst en wordt onderwezen als zou de mens dienen te leven op een manier die God overbodig maakt’.
In feite, als het niet nodig is om de mens van z’n “schuld” te redden, dan bestaat er misschien helemaal geen god, dan is dit misschien gewoon een hersenschim, een bedenksel van de mens; en leidt zo’n opvatting dan niet automatisch tot pantheïsme of atheïsme? Dan is er helemaal geen God, alleen de mens en zijn ziel!

Godzijdank heeft de Blijde Boodschap van Johannes zich anders uitgedrukt dan hedendaagse theologen welke het om dogmatische redenen in tegenstellingen onder woorden brengen.
Het vierde Evangelie kiest een tussenweg, een rotsachtige, steile maar letterlijk besparende manier om valse alternatieven te vermijden.
Het is onmogelijk dat God en de mens één en dezelfde zijn, integendeel, het benadrukt, per zin, hoe noodzakelijk de mens God nodig heeft om te bestaan; maar omgekeerd ook: wat God de mens in de persoon van Jezus te zeggen heeft – dat is overduidelijk in het Evangelie van Johannes – het is geen verkondiging van een vreemdeling, van een overweldigende, van een aanklager, maar eerder van een zeer stille, vriendelijke en vriendschappelijke samenspraak.
In de inleiding tot de ‘pastorale rede’, vormt Johannes daaruit zijn antithese: er zijn altijd mensen in de geschiedenis van religie geweest die zijn uitgegaan van het verschil tussen God en de mens:
– hoe lager ze de mens benaderden, hoe groter werd hun macht, want
– hoe verder ze uit elkaar werden gedreven, bewoog God Zich als een wolk in de nabijheid van en behorend tot het volk,
– hoe meer ze Hem op een hoger niveau stelden – verhieven zij zichzelf daarmee boven al het aardse en werden zij als Zijn boodschappers herkend.
Allen die dàt op die wijze realiseren, zo verklaart onze Heer overeenkomstig de formulering van het Evangelie van Johannes, zijn in de schaapskooi gekomen alsof ze van een vreemd land zijn, alsof ze van buiten komen en wat ze bezeten en voor ogen hadden, kan gezien, opgevat worden als de uitwerking van hun aantrekkingskracht, hun optreden.

Dit vormt een duidelijk criterium om te testen wat religie ons waard is; uiteraard kan dit voor van alles worden misbruikt.
Dan komen er dieven, dan verschijnen degenen die de mens overvallen: ook zij houden zich bezig met de schapen, maar alleen met het doel ze af te slachten en te exploiteren, – καταστρέψτε [= te vernietigen], zegt het Griekse woord op zo’n moment. Je kunt religie zo ‘tegenkomen’ dat uiteindelijk geloofsvragen niets meer of minder zijn verworden, dan goedkope hulpmiddelen om macht, geld, invloed en posities te verwerven.
Dit alles is maar al te vaak gebeurd en dit zal aldus, in de Naam van God, in alle tijden doorgaan en, zoals je kunt zien, zelfs in de Naam van Jezus Christus, onze Heer, maar het precies hetzelfde als diefstal en dit stelen heeft niets mee te maken met datgene wat onze Nazarener daarmee voorhad.

De God-mens uit Nazareth
Wanneer de mens zich inzet om inzicht te verkrijgen in Wie de God-mens uit Nazareth wel niet voorstelt en overeenkomstig het Evangelie van Johannes Hem dient weer te geven, doet dat op  deze manier, want Christus spreekt heel intiem met de mensen, zoals een herder tot zijn schapen. 
Op een heel natuurlijke wijze blijkt de gelijkenis van de Goede Herder zich in te voegen en wordt ogenschijnlijk gerechtvaardigd door de historische verschijning van onze Heer, Jezus Christus, waarin Hij op dit punt Gods evenbeeld openbaart, zoals Hij verkondigt heeft, maar zich tegelijkertijd de verloren mens, de ‘zondaars’ tegemoet trad en Zich daarvoor inspande.
        Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen.
En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken: ‘Deze ontvangt zondaars en eet met hen’. En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei:
        Wie van u, die honderd schapen heeft en er een van verliest, laat niet de negenennegentig in de wildernis achter en gaat het verlorene zoeken, totdat hij het vindt? En als hij het vindt, tilt hij het met blijdschap op z’n schouders en thuisgekomen, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: ‘Verblijdt u met mij, want ik heb m’n schaap gevonden, dat verloren was.
Ik zeg u, dat er alzo blijdschap zal zijn in de Hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebbenLuc.15: 1-7;
Christus vervulde daarmee tevens de messiaanse visie van een herder,
zoals God Hem heeft aangegeven:
De Herder en z’n schapen

profetie Ezechiël, mozaïek in Osios David – Thessaloniki, 5e eeuw

      Het woord des Heren kwam tot mij:
‘ Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer en zeg tot hen, tot die herders: zo zegt de Heer der Heerscharen:
‘ wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?
• Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet;
• Zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij.
• Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte van het veld; zo raken zij verstrooid.
• Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel; over de gehele aarde zijn mijn schapen verstrooid zonder dat er iemand is die naar hen vraagt of ze zoekt.
Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren.  Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Heer der Heerscharen,
omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn,
omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte van het veld
doordat er geen herder is [want Mijn herders vragen niet naar Mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet]
Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Heer der Heerscharen:
  Zie, Ik zal die herders! Ik eis Mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.
Want zo zegt de Heer der Heerscharen:
Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar hen omzien;
Zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar Mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis.
Ik zal ze midden uit de volkeren doen uittrekken, uit de landen bijeen-vergaderen en ze naar hun eigen land brengen;
Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land.
In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël.
Ik Zelf zal Mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Heer der  Heerscharen;
De verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen;
de gewonde zal Ik verbinden en
de zieke versterken,
maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen.
Ik zal ze weiden zoals het behoort.
En gij, Mijn schapen, zo zegt de Heer der Heerscharen, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld?
Daarom, zo zegt de Heer der Heerscharen tegen hen:
Zie, Ik ga zelf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn;
Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 
Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: Mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn.
Ik, de Heer, zal hun tot een God zijn, en Mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden.
Ik, de Heer, heb het gesproken.
Ik zal met hen een Verbond van Vrede sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen.
Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen;
Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegen-brengende regens zullen het zijn;
Het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst.
Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Heer ben, 
wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten.
Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt.
Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volkeren niet langer te dragen hebben.
En zij zullen weten, dat Ik de Heer, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis van Israël, Mijn volk zijn, luidt het woord van de Heer der Heerscharen.
Gij toch zijt Mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van de Heer der HeerscharenEzech.34: 1-31.

Theologie wetenschap of persoonlijke ervaring
Maar zoals Paulus, dat in verwoord vermijdt Johannes in zijn weergave bijna al de traditionele zinnen van Jezus te citeren en op te nemen; Johannes geeft er de voorkeur aan zijn eigen interpretaties van gebeurtenissen over de persoon van de God-mens uit Nazareth en Zijn Blijde Boodschap in ‘eigen’ woorden om te zetten;
Paulus laat “zijn” Heer en Meester zeggen wat zich allemaal decennia later uit zal kristalliseren als “Theologie“.
Hoe belangrijker is het niet dat Johannes, als meest nabije apostel van de Heer, de betekenis van onze Heer bepaalt, in de speciale ‘Acte de présence’ van wat eenmaal aan de oevers van het meer van Galilea gezegd zou zijn; de doorslag-gevende factor voor hem is de wijze waarop onze Heer en Meester tot de mens spreekt, hij verwoord wat werkelijk bedoeld wordt.
Wie hem begrijpt, hoort in z’n hart een vertrouwd geluid zonder een enkele valse toon; over zaken, die sinds de prehistorie tijd reeds bekend zijn gemaakt, sommigen komen ons helemaal niet vreemd voor, omdat zij bij de Liefde van God voor de mens passen, maar als uit de eeuwigheid vernomen hun zegje doen en om die reden graag beantwoord willen worden vanuit het hart van de mens.
De taal van de ‘herder‘ als zijn ‘schaap‘, zoals belichaamd in de weergave van Johannes, is kennelijk niets meer dan een dialoog op basis van liefde.
En is ‘dìt’ de gehele religie zoals, die verstaan dient te worden, er is geen andere weergave mogelijk: de relatie tussen God en de mensen dient te worden gezien als de dialoog van Liefde, waarin het Goddelijke Woord niet als vijand, bedreigend of sinister wordt opgevat, maar als iets wat een bepaalde tendens vertoont, iets geheel gevoeligs, kwetsbaar.

Net zoals iemand liefde nodig heeft, zo heeft de mens eveneens behoefte aan deze taal van God, God is tenslotte de Liefde Zelf.
Waarachtig stilstaan en een verdieping op datgene wat Christus bedoeld heeft
dient minder beoefend te worden als een terugblik op het verleden, maar
als een bekroning van een leven dat goed geleefd is.
Begin derhalve met een nieuwe start, leeg en in tegenstelling tot een leven
waarin in het verleden verkeerde keuzes werden gemaakt en
de icoon werd gekwetst die niet kon worden hersteld.
Een goddelijke benadering van de problemen is de liefde zelf en
Christus verklaart ons als ontsnapt aan en technisch vrij van zonden.

Het getuigenis over ons werk in Christus [overeenkomstig Johannes].
      Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.
En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo.
De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem:
‘Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit’.
Jezus antwoordde hun:
        Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet;
         de werken, die Ik doe in de naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij; maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
         Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand roven. Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vaders. Ik en de Vader zijn een’John.10: 22-30.
                            Oorspronkelijk was de Blijde Boodschap als een kabbelende beek, die zich verbreedde tot een steeds breder wordende rivier en uiteindelijk samen-smolt tot een grote stroming.
De boodschap van Jezus werd overgebracht naar een heel andere cultuur, de wereld van het Hellenisme en dáár in dezelfde bewoordingen [vertaald] en woorden werden geïnterpreteerd op een manier die vreemd is, soms zelfs in strijd met de oorsprong.
Het heeft geholpen vorm van de wolken te geven aan het water dat ooit op aarde stroomde en het door het land te laten drijven, door de eeuwen heen en de millennia to nu toe.
Maar niemand kan op de wolken leven. Het werk van iedereen, die het Evangelie van de hand van Johannes leest, dient uitvoerend te zijn – om de wolken te laten regenen, zodat ze de aarde hydrateren.
             Het dient daarom onze vraag te zijn wat de concepten, de woorden, de gedachten die in de mond van Jezus in het Evangelie van Johannes werden weergegeven, oorspronkelijk bedoeld waren – wat zij in die tijd in deze nieuwe, zo volledig heidense, hellenistische wereld zeiden – wat ze ons vandaag kunnen vertellen in weer een andere, ja, een totaal andere cultuur.
Niet voor niets verwijst ‘herder’ Franciscus de Duitse bisschoppen terug naar hun eigen Duitse overleg, teneinde nieuwe wegen te banen op basis van het Goddelijk-Liefdes-gebod. Iedere tijdspanne en iedere omgeving vraagt z’n eigen liefdevolle oplossingen. De mens is zèlf verantwoordelijk in de keuzes, die hij maakt en zal te Zijner tijd door Christus op basis van een liefdevolle benadering beoordeeld worden – God is geen aanklager, maar handelt in de context van wetten met betrekking tot het maatschappelijk middenveld – het belang van eerlijke getuigenissen in een rechtbank en een juiste behandeling van de medemens:
        In het zevende jaar zult gij het land braak laten liggen en het met rust laten, opdat de armen van uw volk eten, en wat zij overlaten zal het gedierte van het veld eten. Evenzo zult gij doen met uw wijngaard en met uw olijfbomenEx.23: 11. Neem in deze de tijd – inzake lastige beslissingen gas terug -; op die wijze zal de Wet der Liefde Z’n Goddelijk Scheppingswerk doen. Het heeft in de huidige omstandigheden de ondergang van de kerkgemeenschap tot gevolg wanneer er op basis van Macht ingegrepen wordt in bestaande structuren/processen; het uitwisselen van informatie op basis van liefdevol contact is daarbij een basisvoorwaarde. Je kunt het merendeel van je gemeenschappen niet opheffen, omdat je zelf door [financieel] wanbeleid, tekorten hebt opgebouwd – iedere gemeenschap vraagt een eigen aanpak en onderling overleg.
Het gezamenlijk gebruik van kerkruimte door verschillende bloedgroepen dient hierbij als een overlevingsstrategie overwogen te worden – jezelf terugtrekken op ‘eigen’ eilandjes is in deze niet uit te leggen aan de breed-georiënteerde samenleving. Kerkgebouwen kunnen gezamenlijk dienst doen ter ere van Christus, de Zoon van God, de zondagsrust wordt ‘gezamenlijk’ in acht genomen.
      Zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij [in uw gemeenschap rust nemen] rusten, opdat uw rund en uw ezel [lichaam en geest] kan uitrusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdeling adem kan scheppen.
Ten aanzien van alles, wat Ik u bevolen heb, zult gij op uw hoede zijn; de naam van andere goden zult gij niet noemen, hij zal uit uw mond niet gehoord wordenEx.23: 12,13.

Wie is Jezus van Nazareth?
Het begint allemaal als een historische herinnering, leidend tot de tweedeling die in het midden van alle controverse stond tussen de vroege Kerk en het jodendom in de eerste eeuw na Christus. Wie was Jezus van het Nazareth?
           Was Hij, zoals de vroegchristelijke Kerk beweerde, de Messias, of niet?
Voordat we een stuk van ten minste de omstandigheden aan de hand van het verleden op deze vraag duidelijk kunnen maken, dienen we te beginnen met de opmerking dat de historische Jezus de suggestie dat hij slechts de Messias was bruusk heeft verworpen.
      En Hij vroeg hun: ‘Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?’
Petrus antwoordde en zei: ‘Gij zijt de Christus’. En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken [en dan gebeurt het juist toch]. En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.
       Hij sprak dit woord vrijuit. En Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen.
Doch Hij keerde Zich om en, ziende naar zijn discipelen, bestrafte Hij Petrus en zei:
‘ Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die van de mensen’
Marc.8: 29-33.
Het verhaal in Marcus onthult dat de titel “Jezus, is de Christus” tijdens Zijn leven ondenkbaar was en niet eerder de overhand kreeg dan na Zijn dood.
Misschien is het echt zo gedragen, zoals sommige commentatoren denken dat men Jezus is bekend als “Koning” in strijd om de titel, die op Golgotha ​​aan Hem werd gegund aan het Groot en Heilig Kruis.
De Romeinse procurator stelt vervolgens als een schuldig vonnis dat de gekruisigde “de koning van de Joden” is; Dit is een Romeinse naam die een Jood nooit zou gebruiken.
Koning van Israël – dat zou Joods zijn; “Koning der Joden” – dat is de uitgesproken uitdrukking vanuit het Romeinse gezichtspunt van iemand die Macht en Royalty wil veroveren, maar die het niet kan winnen.
Hij wordt daarom zowel gestraft voor rebellie als voor machteloosheid. Het ene is de reden, de andere is het gevolg van Zijn arrogantie.   Macht komt immers alleen aan Rome toe en die strijdt woed nog steeds voort.
Dat Jezus veroordeeld werd onder deze term: “Koning der Joden” – is een van de weinige vaststaande historische feiten! – iedereen die zich in z’n leven als volgeling achter Hem heeft geschaard, veroorzaakt dit geestelijke pijn: was deze macabere titel, de beoogde politieke bekleding toch niet helemaal goed?
Jezus, als ‘Christus Koning’ [een roomse uitdrukking] – Christus heeft dit persoonlijk nimmer willen zijn; maar aan de andere kant: wie zijn hier degenen die zichzelf in het verhaal voor koningen uitgeven? Voelt de ene bloedgroep van Christenen zich niet verheven boven de andere en heeft de ander ongelijk?

  • Het is onmogelijk om dit te herkennen en het is zelfs na Golgotha nog onmogelijker dan ooit tevoren. Als iets het menselijk leven zou kunnen bepalen, zodat het de troost van de levenden zou dienen, zodat het zou kunnen bijdragen aan de humanisering ervan, dan was en is het de Blijde Boodschap van de Jezus van Nazareth. Maar dienen we niet tegen alle vervorming in nog meer te benadrukken: ‘Hij is de Koning der koningen, de enige waarachtige Koning?’.
    Dient men Hem dan niet met de liefdevolle ogen van God te zien, met hetzelfde zelfvertrouwen waarmee hij God als Zijn vader tot mens wilde brengen? Vrij spoedig al groeit, op basis van de Palestijnse gemeenschap, het Geloof dat de Jezus uit de plaats Nazareth, waar niets goed uit kon voortkomen, toen hij stierf, “verheven” werd tot God, dat wil zeggen, tot koning gemaakt, zoals in het oude Egypte aan degene, die gestorven was een plaats werd toegekend aan de rechterhand van de zon, als heerser in de Hemelen anders gezegd over de hemelen.
  • Zij geloofden vurig, er werd vanaf dat moment gehoopt en gebeden, dat Jezus van Nazareth Zijn macht, Zijn Koning der koninklijke Waardigheid, zou tonen bij de val van deze ‘wereld’.
    Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de Liefde1Cor.13: 11-13.
    Hiervan is/was een ding zeker: het einde zou heel spoedig komen, en de tijdspanne tot die tijd zou alleen tot de laatste ademhaling duren, want dan hield de tijd voor het individu op te bestaan en sta je meteen in de goddelijke eeuwigheid.
    Het is/was koortsachtig aan het anticiperen op deze tijd; maar dan werd die komst van het einde der tijden werd uitgesteld en uitgerekt tot het werkelijk zal plaatsvinden.
    Er zijn al een aantal passages in de weergave van Marcus waaruit blijkt dat – men steeds maar is doorgegaan – om van Jezus van Nazareth, de door God aan-gewezen Messias, aan te geven dat Deze Zoon van God op de laatste dag de Koning der Koningen zou zijn.
    Het was voor degenen die waarachtig in Hem geloofde ondenkbaar dat Christus slechts in de Hemel zit af te wachten, om het zo uit te drukken, als de keizer Barbarossa in Kyffhäuser, om het geluid van de laatste bazuin af te wachten.
    Degenen die in Hem geloofden, zagen Hem al aan de Macht, en zelfs hier op aarde was Hij niet, zoals de mensen Hem aanschouwden.
    Boven alles begint de Grieks, Hellenistiche cultuur, die volledig vreemd is aan de God-mens uit Nazareth hier parten te spelen en dit als vraag op te nemen.
    Degenen die door Zijn Blijde Boodschap worden bewogen – aangeraakt, zien reeds in de op aarde verblijvende Jezus, de Koning, de Messias, de Heer der Heerscharen en niet alleen in het verborgene, maar als Degene, Die Zich heeft geopenbaard en in het bijzonder in door Zijn werken.
  • Dit is de wenk, die het Evangelie van Johannes ons geeft:

    Reddende Christus, Mysterie en Goddelijke Liturgie’; ‘Saving Christ, Mystery and Divine Liturgy’

    Je kunt je over de persoon van Jezus van Nazareth tussen Joden blijven verwonderen, het blijft een Mysterie – wat overblijft is dat we nu kunnen vaststellen, zoals Griekse christenen vaststellen: een debat aan te gaan vanuit de verdeelde mens, maar er blijft een argument op de achtergrond van het Evangelie van Johannes overeind, waarover men vanuit dit perspectief in staat is te ontkennen: “Dat dit de “Mysteriën” – de wonderen zijn die Jezus als God-mens op aarde heeft verricht“.
    Reeds Marcus bereidt zich alvast een beeld in de weergave van Mattheüs voor; en men vraagt zich af: ‘Wat zijn deze daden waarin Jezus zichzelf als Koning de koningen zou moeten bewijzen, dus het zijn alle genezingen, die Hij als God-mens vooral voor de verdrukten, de zwakken en de zieken werkte’.
    De weergave van de Blijde Boodschap van Johannes kan niet genoeg krijgen om de genezing van de blinde mens aan Jeruzalem’s poort aan te halen als een “bewijs” dat Jezus waarachtig  van God kwam.
    maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende Lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn Licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes [de Doper]; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, Die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit Zijn Stem gehoord of Zijn Gedaante gezien en Zijn Woord hebt gij niet blijvend in u, want Die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet. 
    Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen en toch wilt gij niet tot Mij komen om [eeuwig] Leven te hebben.
    Eer van mensen behoef Ik niet, maar Ik ken u: gij hebt de Liefde Gods niet in uzelf. Ik ben gekomen in de Naam van Mijn Vader en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen.
    Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de Eer, Die van de enige God komt, niet zoekt? John.5: 34-44.

  • Pinksteren is in aantocht
    Over heel de aarde klinkt hun Boodschap tot aan de grenzen van de wereld hun woorden. De Hemelen verhalen de Heerlijkheid van God, het uitspansel verkondigt het werk van Zijn handen. De Wet [van de Liefde] is onbevlekt en bekeert de zielen; het gebod des Heren is stralend en verlicht de ogen”.
    Prijslied:
    Koningin verheug U, die de Heerlijkheid van de maagdelijkheid verenigt met het Moederschap. Want in Uw schoot droeg U het Woord, de Zoon van God, als een sterveling, Die de zwakheid van onze natuur, doordat Hij als God heeft willen lijden, genezen heeft. Nu zetelt Hij op de Troon van Zijn Vader.
    Nu zendt Hij ons de Genade[-gaven] van Zijn Heilige Geest
    ”.