MidPinksteren – Orthodoxie & ‘Op het Midden van het Feest . . .’

Christus lerend in de Temple – het feest van Mid-Pinksteren; לימוד המשיח בבית המקדש – חג של חג השבועות; Christ teaching in the Temple – the feast of Mid-Pentecost.

      Doch toen het feest reeds op de helft was, ging Jezus op naar de Tempel en
leerde
[Hij gaf daar Z’n levenslessen].
De Joden dan verbaasden zich en zeiden: ‘Hoe is deze zo geleerd zonder onderricht te hebben ontvangen?’.
Jezus antwoordde hun en zei: ‘Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van z’n Zender, Die is Waar en er is geen onrecht in Hem. Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?’.
De menigte [schare] antwoordde: ‘Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?’.
Jezus antwoordde en zei tot hen: ‘Een werk heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de Vaderen – en gij besnijdt een mens op sabbath. Als een mens op sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de Wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel’.
Sommigen dan uit de Jeruzalemmers zeiden: ‘Is deze het niet, die zij trachten te doden?. En zie, Hij spreekt vrijuit en zij zeggen Hem niets. Zouden waarlijk onze oversten hebben ingezien, dat deze de Christus is? Van deze echter weten wij, vanwaar Hij is, doch wanneer de Christus komt, weet niemand, vanwaar Hij is’.
Jezus dan riep, terwijl Hij in de Tempel leerde, en sprak:
‘ Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, Die Mij gezonden heeft en Die gij niet kent. Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden’.
Zij trachtten Hem dan te grijpen, maar niemand sloeg de hand aan Hem, want zijn ure was nog niet gekomenJohn.7: 14-30.

Paulus geneest de Verlamde te Lystra, Karel Dujardin – Rijksmuseum, Amsterdam.

    Zij namen, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonie, Lystra en Derbe en omgeving en verkondigden daar een tijd lang het Evangelie.
      En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot van zijn moeder af aan, die nooit had kunnen lopen. Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij Geloof had om genezing te vinden en hij zei met luider stem:
‘Ga recht op uw voeten staan!’
     En hij sprong overeind en liep heen en weer.
     En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: ‘De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald’; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde.
     En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren.
          Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende:
          ‘Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen 
u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de Hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volkeren op hun eigen wegen laten gaan en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken’.
En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offeren“  Hand.14: 6-18.

Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Heilige Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in Heerlijkheid; Who manifested Himself in the flesh is justified by the Holy Spirit, appeared to the angels, is preached among the Gentiles, believed in the world, included in Glory.

Woensdag van de vierde week, dus de 25e dag na Pascha, wordt het feest van Mid-Pinksteren gevierd. Op het Midden van het feest ging onze Heer en Verlosser regelmatig naar de Tempel, het heiligdom te Jeruzalem en onderwees daar de mens over Zijn ‘reddend’ zendingswerk. Hij biedt de mens en iedereen, die het maar horen wil “Het Levende Water van onsterfelijkheid” aan, zoals we in de Blijde Boodschap van de hand van Johannes kunnen lezen.
Volgens de vaste regels verlopend, op vaste tijden terugkerend wordt de gelovige mens herinnerd aan de aanwezigheid van de Meester en de Goddelijke reddingsbelofte: “Als iemand dorst heeft, laat hem dan naar Mij [Christus] toe komen en drinkenJohn.7: 37.

the world, thirst for God

    Hoe lieflijk zijn Uw tenten, Heer der Krachten: mijn ziel dorst en smacht naar de voorhoven des Heren. Mijn hart en mijn vlees juichen voor de levende God.
Zelfs de mus vindt zich een woning, de tortel een nest om voor haar jongen te zorgen. Bij Uw altaren, Heer der Krachten, mijn Koning en mijn God.
Zalig zij die in Uw Huis wonen; in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven.
Zalig de mens die zijn hulp vindt bij U: hij maakt opgangen gereed in zijn hart.
Weg uit het dal der tranen, naar de plaats die Hij heeft vastgesteld.
Want de Wetgever schenkt zegeningen, zodat zij gaan van Kracht tot kracht, 
om de God der goden te zien in Sion.
Heer, God der Krachten, verhoor mijn gebed; neig Uw oor, God van Jaäcob.
God, onze beschermer, zie ons aan: zie neer op het aangezicht van Uw gezalfde.
Want één dag in Uw voorhoven is beter dan vele duizenden daarbuiten.
Liever ben ik veracht in het Huis van mijn God, dan thuis te zijn in de tenten der zondaars.
Want de Heer bemint Barmhartigheid en Waarheid; God schenkt Genade en Heerlijkheid.
De Heer weigert geen enkele weldaad aan hen die wandelen in onschuld.
Heer, God der Krachten, zal is de mens die op U vertrouwt
Psalm 83[84] vert. ROK ’s-Gravenhage.

Op het ogenblik dat het zó dient te zijn, is de juiste God-mens òp de geëigende plaats – òm het Mysterie [het Geheim, het Godswonder] te ontsluieren; openbaar te maken.
De Profeet David heeft het in lyrische vorm bezongen in bovenstaande Psalm, de Schepper en Meester van het heelal staat hier en verkondigt Zijn Blijde Boodschap.
De mensen zijn in staat woning te vinden in de Tempel, in hun hart, zij mogen daar wonen en als een tortel haar jongen verzorgen. Zalig zij, die daar wonen en hulp vinden bij God – de Wetgever schenkt zegeningen, zodat de mens kan gaan van Kracht tot kracht, om de God der goden te zien in Sion, in Jeruzalem – het Hemels Koninkrijk.
Met de woorden van deze Psalm – samen met Psalmen 119[120]-134[135] op de lippen, gingen de Joden in Israël op naar het Loofhuttenfeest een hoogfeest om aan God hun dankbaarheid te tonen. Dankbaar vanwege de vruchten van het veld, de opbrengst van de dorsvloer en de wijnpers. Het was een intens vreugdevol feest, wat gevierd werd met processies, met muziek en dans, met geschenken voor God en de mensen – een feest van dankbaarheid, bijna te uitbundig voor woorden. Het werd door buitenstaanders opgevat als een feest voor de romeinse god van de wijn [Bacchus], maar heeft een mens op z’n tijd niet eens behoefte aan zo’n feest – is dìt geen waarachtige religie, welke de mens op deze manier samenbrengt in het Heiligdom, in het binnenste binnen, tot de kern? Het doet alleen een beetje koud aan, dat dit gebeuren toch zo maar een beetje op de achter-grond wordt geschoven, weliswaar wordt er herinnert [tot gedachtenis] maar historisch blijkt het van geen belang. Zelfs de Joden laten zich laatdunkend uit; ze durfden in het openbaar in Jeruzalem in de Tempel ‘niet’ over Christus, de Zoon van God te praten – uit angst voor de Joden, wordt er letterlijk gezegd. Maar Wie anders dan God Zelf had als een Jood in Jeruzalem geleefd moeten hebben?
Maar je dient hier héél nadrukkelijk en ontzettend goed te luisteren!
De Blijde Boodschap van Johannes gaat niet langer over de Joden in de tijd van Jezus, het gaat over het conflict aan het einde van de 1e eeuw; tussen de “christenen” en de “joden“.
De oorspronkelijke saamhorige eenheid van het begin is ontbonden en uit zich in de vorm van  tegenstanders, welke grenst aan het vijandige.
Het is ontzettend belangrijk om daarin de religie-historische tegenstellingen te herkennen, die in het prille begin als uitgangspunt hebben geleid tot het theologisch en in onze tijd betreurde anti-judaïsme van het christendom.
Maar tegelijkertijd dient men eveneens oog te hebben dat er hier “kenmerkende vragen” worden behandeld ten opzichte van “de Joden”, die in elke religie dienen te worden gesteld, vooral in het christendom zelf.
Slechts aan de hand van de veronderstelling dat de twee religies afstand nemen van elkaar, hetgeen zich uit in problemen van die periode begint de weergave van Johannes ons iets waarachtig duidelijk te maken.
Indien het op de wezenlijke essentie, de kern waar het om draait, aankomt, blijkt er een wereld van verschil te bestaan. In de volgorde van een vaste cyclus van rituele, plechtige aanbidding en vreugdevol georganiseerd spel [viering] hebben een aantal factoren invloed.
De Joden bleven zich ondanks hun verwondering afvragen: “Hoe is deze [voor ons God-mens] zo beleerd zonder [theologische begeleiding van mensen] onderricht te hebben ontvangen?”.

Jezus antwoordde hun en zei:

Het Mysterie van de Drie-eenheid

Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem [de Vader], die Mij [als Zoon] gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij [door de Heilige Geest] van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender [God, de Vader], Die is Waar en er is geen onrecht in Hem [de Zoon].
Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de Wet. Waartoe tracht gij Mij te doden?”.
De schare [menigte] antwoordde: “Gij zijt bezeten; wie tracht U te doden?”; dit terwijl zij donders goed wisten dat zij Hem wilden ombrengen; naar het leven stonden.
Jezus antwoordde en zei tot hen: “Een werk [genezing] heb Ik verricht en gij verwondert u allen. Daarom: Mozes heeft u de besnijdenis gegeven – niet, dat zij van Mozes komt maar van de Vaderen – en gij besnijdt een mens op de Sabbath. Als een mens op de Sabbath de besnijdenis ontvangt, opdat de Wet van Mozes niet verbroken zal worden, zijt gij dan op Mij vertoornd, omdat Ik op de Sabbath een gehele mens gezond gemaakt heb? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt met een rechtvaardig oordeel”.

En toch is het niet van toepassing als het op wezenlijke, zo belangrijk dat het onmisbaar zaken aankomt. Het is ‘niet’ mogelijk om God te vinden in de georganiseerde mensenmassa, een menigte.
Allereerst dient deze bewering duidelijk te worden aangetoond in zijn monsterlijkheid. Het Loofhuttenfeest biedt het Evangelie van Johannes het decor, de gelegenheid, de externe trigger voor een principiële discussie.
De God-mens” gaat naar Jeruzalem en ook Jezus zal dat dienen te gaan doen; maar Hij weigert dat nog, het is Zijn tijd nog niet.
De Blijde Boodschap van onze Heer en Verlosser heeft in de mensenmassa nòg geen wortel geschoten, in de georganiseerde, altijd veronderstelde gemeenschap, die Traditie nu eenmaal met zich meebrengt.

Gebed in gezin, Jan Steen – Philadelphia Museum

Onder degenen, die van oorsprong de Traditie doorgeven, dit overbrengen, wordt bijvoorbeeld het gezin genoemd; zelfs dit ontkent deze tekst in alle toonaarden.

In ieder geval wordt de primaire Traditie overgebracht in de familiekring, het gezin is immers de basis van de gemeenschap, waar het voorbeeld overgedragen wordt; de Kerk legt slechts in woorden uit wat als de meest lieflijke toestand wordt ervaren. Onze Heer beschrijft temidden van Zijn Familie wie er tot Zijn familie behoort: ‘ Juist, degenen, die door de Geest de Wil doet van de Vader’, onder ‘de hoede’ van de Theotokos. Christus groeide op in een gemeenschap vanaf den beginne [van de wereld] van de altijd maar weer opkomende gelovigen; hier wordt de mogelijkheid aangeboden – een stukje historische Waarheid te zien, maar je kunt verbitterd opmerken: “ zelfs Zijn medebroeders vertrouwden Hem niet” want hier wordt eveneens gezegd: [verg. Marc.3: 21] “Hij is niet bij Zijn zinnen”.
Toch had dit ‘midden-van-het-feest’, op het Joods Loofhuttenfeest een uitstekende propaganda-stunt geweest kunnen zijn, een kans om zich door het publiek gedragen te weten. Maar wat heeft een dergelijk succesverhaal allemaal te maken, wat heeft het voor zin. ten opzichte van een waarachtige ontmoeting met God?
De cruciale tekst, de eigenlijk belangrijke tekst, is nog niet een paar regels oud òf hetgeen wat als een geldig criterium voor een juiste relatie tussen mens en God wordt beschouwd, is alles dat werkelijk openbaar had dienen te worden en de mogelijkheid tot vereniging [met God] had kunnen bevorderen, is al weer ondergesneeuwd – is compleet verdwenen; dat alles telt niet meer mee en heeft in het geheel geen enkele betekenis meer.

Christus & Z’n Volgelingen

De kern waar het om draait:
Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem [de Vader], die Mij [als Zoon] gezonden heeft; indien iemand Diens Wil doen wil, zal hij [door de Heilige Geest] van deze leer weten, of zij van God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek.
Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer, maar wie de eer zoekt van zijn Zender [God, de Vader], Die is Waar en er is geen onrecht in Hem [de Zoon].
Heeft Mozes u niet de Wet gegeven? En niemand van u doet de Wet;  waartoe tracht gij Mij te doden?”.

Wat heeft een regelmatig beloning eigenlijk voor zin, zowel tussen ons mensen, voor onszelf, vanwege God òf  beter nog : ten opzichte van God?
Jezus kijkt ons, als Zijn broeders en zusters op dit punt bijna hardvochtig aan.
Zijn uur [Zijn tijd] is nog niet gekomen” zegt hij, “Die tijd is er nog niet’.
Onze tijd, die van de mensen, is altijd hier en nu, staat altijd klaar; 
daartussenin ligt een wereld van verschil met de tijd van God.
Sommige mensen brengen hun leven lang door met datgene wat wij de buitenkant noemen, hoe de mensen op elke willekeurig moment tegen ‘hèn‘ aan kijken en vinden dat goed en respectabel.
Het maakt hen helemaal niets uit, het innerlijk, zij vervormen zichzelf en doen zich uiterlijk voorkomen,  zoals het externe [werelds] systeem dit van hen verwacht. Maar er is ook een ‘àndere’ houding ten opzichte van de Waarheid, de realiteit, hoe je wèrkelijk bent, die ‘niet aan tijd verbonden’ is, waarmee je ten alle tijde ‘in je blootje’ voor God kunt verschijnen.
Heden viert de Kerk het midden van – hèt 50 dagen feest -, dat ons enerzijds verlicht door het stralend Licht van Christus, het Goddelijke Pascha en anderzijds wordt het beschenen door de luister van de Genadegaven van de Trooster, de Geest der Waarheid. Op deze wijze worden wij als verlamde mens volledig genezen en indien het Goddelijke leven in de wereld een spel is, dan wordt dìt de gulden spelregel, het vormt de Myron [de balsem] voor de ziel:

Ikos     tn.4.
          Mijn ziel is uitgedroogd door zonden en overtredingen,
besproei haar met de stroom van Uw Bloed,
om haar vruchtbaar te maken door Uw deugden.

Want Gij, Woord van God hebt tot allen gezegd,
te komen tot U, Al-Heilige,
om te putten van het Water der Onsterfelijkheid,
dat ons weer levend maakt en van zonden reinigt,
die Uw roemrijke, Goddelijke Opstanding bezingen,
en die door Uw Goedheid vervuld worden
met de Kracht van de Geest, die in Waarheid
vanuit de hoge over Uw Leerlingen gekomen is,
omdat zij U als God erkennen;
want U bent de Bron van ons leven
”.

 

  Groot is de Heer en groot is Zijn Kracht,
oneindig is Zijn begrip

Apolytikion     tn.8.
    Geef op het Midden van het Feest
aan mijn dorstige ziel het water der vroomheid te drinken, o Redder,
zoals Gij tot allen hebt geroepen:
‘Wie dorst heeft, komt tot Mij en drinken.
Bron des Levens, Christus God, ere zij U
”.

Kondakion     tn.4.
      Op de helft van het Vijftig-dagen-feest,
o Schepper en Meester van het heelal,
Hebt Gij tot hen, die bij U waren gezegd, Christus God:
‘Komt en put het water der onsterfelijkheid.
Daarom vallen wij voor U neer en roepen in Geloof:
Schenk ons Uw Erbarmen,
want Gij zijt de Bron van ons Leven
”.