Orthodoxie & de schijnwereld, die wij om ons heen opgebouwd hebben en waar wij allen deel van uitmaken; hoe hier van los te komen?

      Hoor dan, Israël [Kerk] en onderhoud naarstig al God’s Inzettingen en Geboden, opdat het u wel ga, en opdat gij zeer talrijk wordt, zoals de Heer, de God van uw vaderen, u heeft toegezegd, in een land, vloeiende van melk en honing.
       ‘Hoor, Israël [Kerk]: ‘de Heer is onze God; de Heer is een!’.
Gij zult de Heer, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaatDeut.6: 3-7.

Zo innig heeft onze Heer, Jezus Christus gebeden met de woorden van de Psalmen: “     De Heer is mijn Licht en mijn Heiland, wie zou ik vrezen?; de Heer beschermt mijn Leven, voor wie zou ik nog angst hebben? Al komen boosdoeners op mij af om mijn vlees te verslinden, mijn vijanden, die mij verdrukken worden zwak en komen ten valPsalm 26[27]: 1,2.

Red mij, Heer, er is geen heilige meer: de Waarheid wordt zeldzaam onder de kinderen  der mensen. Ieder spreekt leugen tegen zijn naaste, hun lippen zijn vals; zij spreken kwaad in hun hart. Laat de Heer alle bedrieglijke lippen verdelgen en de groot sprekende tong. Die zeggen. Wij zullen onze tong verheffen, onze lippen behoren ons toe, wie is Heer over ons ?
Maar nu sta Ik op, zegt de Heer; om de nood van de armen, om het zuchten van de lijdenden. Ik zal hen in veiligheid brengen, Ik zal vrijmoedig met hen spreken.
De woorden des Heren zijn vlekkeloos:  zilver, in vuur gegloeid, in aarde beproefd, zevenvoudig gelouterd.
Gij, o Heer, bewaar en behoed ons tegen dit geslacht, tot in alle eeuwigheid.
De goddelozen omringen ons, maar in Uw verhevenheid  slaat Gij acht op de kinderen der mensenPsalm 11[12] vert. ROK ’s-Gravenhage

De schijnwereld, die de mens om zich heen opgebouwd heeft en in stand houdt
Misschien heeft niemand zó zéér aan de wereld geleden als Jezus Christus, onze Heer, de Zoon van God, – zó diep stond Hem de Waarheid van ieder mensenhart voor ogen.  Misschien heeft echter ook niemand zo’n vermogen bezeten om gelukkig en blij te zijn, juist omdat Hij de Waarheid zo duidelijk inzag.
In Hem leefde de Kracht mensen zo aan te spreken, dat  hun hart onder Zijn woorden zich kon openen. Wel aanvaarde Hij geen halfslachtigheid, geen ontwijken en vaak roepen Zijn woorden afschrik op in  hun eisende onvoorwaardelijkheid, maar ze gingen in Zijn mond gepaard met zoveel dichterlijkheid  en Hij straalde zo’n vertrouwen in Eigen [Goddelijke] schoonheid en waardigheid, die verhuld in Zijn Eigen hart sluimeren,  ze werden ondersteund door zo’n invoelingsvermogen en gevoeligheid, dat  onder Zijn handen de ogen van blinden open gingen,  de oren van doven zich openden en  de monden van stommen begonnen te spreken.

Men heeft ons in onze opvoeding en onderwijs bijgebracht, wat het betekent ‘realistisch’ te zijn en ‘nuchter en redelijk’ te denken zodat wij, die kinderlijke eenvoud waarmee God Zich manifesteert totaal uit het oog verloren zijn, wij onze oren ervoor gesloten hebben en tot zwijgen zijn gebracht;  ja, we durven onze mond niet meer open te doen voor bepaalde gruwelen uit het dagelijks leven.
Neem een glazen bushokje, we kijken er niet meer van op, wanneer  op maandagmorgen, na afloop van het weekend, diverse duurzaam glazen afscheidingen, in duizenden stukjes uiteengespat zijn; we lopen er gewoon aan voorbij en beschouwen het als normaal gedrag van de uitgaande jeugd.
Maar het meest van al heeft men ons geleerd, God uit het oog te verliezen en in plaats daarvan een afgod tot troon te verheffen; vooral in de gedaante van de angst voor andere mensen – een mens verslindende, bloeddorstige godheid, waaraan alles en iedereen wordt opgeofferd.
Er zijn heel wat manieren om aan die wrede afgod te offeren; bijvoorbeeld de manier, die ons dwingt om met een portemonnee of bankpas-houder met een als met prikkeldraad [ritssluiting] over de aardbol rond te lopen; of de manier, die ons uitnodigt om met schoenen rond te lopen,  die op [puntige] messen lijken elkaar te vertrappen, of de wijze waarop wij tot eeuwig klapperende windmolens worden gemaakt, die alles om ons heen wat zou willen leven, met hun geklets veranderen in ijs en kilte.
En altijd staan wij maar weer klaar en dienen we klaar te staan, als tinnen soldaatjes en zo maken we iedereen om ons heen klaar die nog niet ‘klaar’ genoeg is, we prijzen de wereld de hemel in, maar het is een hel.
In die zin was Christus hier op aarde en behoren wij als Zijn volgelingen – hier en nu – ‘werkelijk niet’ te zijn. Iemand, die Zich houdt bij alles wat praktisch ‘realiseerbaar’ is.
Christus beschouwde de werkelijkheid, die ons zó belangrijk voorkomt, als waanzin en godslastering, als heiligschennis en uitbuiting van mensen.  Hij geloofde niet, dat het ‘geld’ bijvoorbeeld Macht over mensen mocht hebben, dat trouwens geen enkel menselijke Macht het waard was, ernstig genomen te worden, en Hij kon inderdaad niet geloven in alles wat ons zó ontzettend belangrijk toeschijnt, omdat  Hij zag hoe de Machtigen zichzelf kwellen, hoe degenen, die in welstand leven zichzelf te gronde richten en hoe de schijnbaar zo benijdenswaardige mensen in feite een ellendig leven leiden.

De uiting van Christus’ Goddelijke Natuur
Hij ‘wilde’ en ‘kon’ eenvoudig – als God-mens – niet geloven, dat wij serieus aan die schijnwereld van onderlinge leugen en bedrog verknocht zouden blijven, alsof die de eigen waarheid en werkelijkheid was.
Daarom zei Hij bijvoorbeeld tot de rijke jongeling, dat hij zichzelf en anderen de vreugde diende te gunnen armen ‘rijk‘ te maken, iedereen een menswaardig leven te bezorgen.
      De rijke jongeling zei tot Christus: ‘Meester, dat alles heb ik in acht genomen van mijn jeugd af’. En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zei tot hem: ‘Een ding ontbreekt u, ga heen, verkoop al wat je hebt en geef het aan de armen, en je zult een schat in de hemel hebben, en kom hier, volg Mij’. Maar het gelaat van de jongeling betrok bij dat Goddelijk Woord en hij ging bedroefd heen, want hij bezat vele goederenMarc.10: 20-22.
Daarom zei Hij tegen de Farizeeën, dat zij hun verhouding tot God niet als een afgerond neurotisch dwangsysteem dienden op te leggen, maar de nood dienden te leren begrijpen van hen, die zij voor ‘zondig’ hielden.
      En Christus zei in Zijn onderwijs: ‘Wacht u voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het wandelen in lange gewaden en op begroetingen op de markten en op erezetels in de synagogen en eerste plaatsen bij de maaltijden, die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn lange gebeden uitspreken dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangenMarc.12: 38-40.
in Christus leefde de Kracht van een zo wonderbaarlijk God-Mensen-kind, dat Hij niet kon aanvaarden dat er grenzen konden worden gesteld aan het begrip en de Goedheid, ook niet de grenzen, die de burgerlijke levensstijl stelt, ook niet de grenzen die het sociale klassenverschil met zijn beperkingen en taboes stelt.
      En Christus nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zei tot hen: ‘Wie een van zodanige kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt 
niet Mij, maar Hem, die Mij gezonden heeftMarc.9: 36,37.
Er bestonden voor Hem toen niet en bestaan er ‘hier en nu’ geen grenzen aan medemenselijkheid.
Vooral vrouwen begrepen Hem in des houding, zegt de beschrijving van de hand van Lucas:
      Christus verkondigende de Blijde Boodschap van het Koninkrijk van God en de twaalf apostelen met Hem en enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten: Maria [Hebr. ‘bitter’, waarvan ook het woord Myron is afgeleid], met de bijnaam: van Magdala, van wie zeven boze geesten uitgegaan waren en Johanna [Hebr. ‘de door God begenadigde’], de vrouw van Chusas [Hebr. ‘de ziener’], de rentmeester van Herodes [Hebr. heldhaftig’], en Susanna [ Hebr. ‘Lelie’] en vele andere, die hen dienden met hetgeen zij bezatenLuc.8: 1-3.
Deze vrouwen volgden Hem ‘tot op het uur van Goede Vrijdag’, toen ze Hem ter dood martelden, omdat Zijn Goedheid iedereen bang maakte,
of liever, omdat die de steeds meer gestolde, vastgevroren angst van iedereen omsmolt en tot een dreigende stortvloed liet aanzwellen.
Onomstotelijk leefde onze Heer, Jezus Christus de droom van onze eeuwige roeping. Hem was God zo nabij en Zijn Koninkrijk zo tegenwoordig, dat de afstand tussen onszelf  en de Waarheid van God voor Hem zoveel als een niets, een oogwenk was.

Αναζητήστε τον Θεό μέσα σας, μπορείτε να μετακινήσετε τα βουνά;                                  اطلب الله في نفسك ، يمكنك تحريك الجبال;                          Seek God within yourself, you can move mountains.

De moed de wereld om ons heen tegenspraak te geven
Ieder ogenblik, zo formuleerde Hij het ook: God leeft ‘in jullie harten’ – het Rijk der Hemelen is ‘in jullie aanwezig’.
Je dient er niet op te wachten tot het wordt uitgeroepen, liefst onder veel uiterlijk vertoon en lawaai, georganiseerd en in massademonstraties uitgedragen.  Het is ‘in’ jullie, als jullie maar de moed te laten blijken wie je bent, tot ‘dàtgene’ wat jullie gelukkig maakt, omdat ‘God Zelf’ in jullie leeft.
      En op de vraag van de Farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, antwoordde Hij hun en zei: ‘Het Koninkrijk Gods komt niet zo, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk van God is bij u.
En Hij zei tot Zijn discipelen: ‘Er zullen dagen komen, dat jullie zullen begeren een van de dagen van de Zoon des mensen te zien en jullie die niet zult zien. En men zal tot u zeggen: ‘Zie, daar is het; zie, hier is het! Gaat er niet heen, en loopt het niet na’
Luc.17: 20-23.
Ja, zo dacht en voelde en hoopte onze Heer, Jezus Christus, dat deze droom van God in het hart van de mensen nooit een einde zou hebben. En wie durft het aan Hem tegen te spreken?
Minstens vanaf ons veertigste, ‘de mid-life’, verandert ons leven in een steeds sneller weg-ijlende luchtspiegeling en wat voor hoop hebben wij versleten in een fata morgana. Minstens vanaf die leeftijd kunnen wij ons de resterende, haastig wegstromende levensjaren op de vingers van onze handen tellen, en wat zijn we dàn, wat waren wij dàn, wat hàdden wij moeten zijn?
Geen stuk hout, waarop wij zitten, bestaat echt, vergeleken bij de vraag waarom wij er zijn; geen steen in de muur brengt de angst in ons onderbewuste tot rust en elke spijker die wij in de wand slaan heeft de kans, in fysieke zin ouder te worden dan wij.
Zouden wij er werkelijk voor bestemd zijn, niets anders te zijn dan bladeren aan een boom, kaf op de wind, sneeuwvlokken in de nacht, luchtbellen op het water? Dient het cynisme het laatste woord te hebben en voor eeuwig belemmeren, menselijkheid te leren?

De icoon van Christus

Christus Pantocrator icon,
I.M. Chilandar. berg Athos [Gr.]

Het is en was en blijft de icoon van Christus Zelf, Die ons de stoutste dromen over ons leven heeft geleerd, omdat Hij die in Zichzelf belichaamde.
God, Die van eeuwigheid wilde, dat wij zijn, die Macht van eeuwige Liefde, Die zo’n kunstwerk als het bestaan van iedere afzonderlijke mens in het Leven riep, wilde en wil naar Christus’ mening, dat wij eeuwig zijn en dat nooit vergeten, nooit verloren laten gaan en op een zijspoor geraken.
Want de Liefde is ‘Waarachtig Èchter’ dan alle Macht op aarde.
Zij bindt de mensen onafscheidelijk aan elkaar en brengt hen samen voor alle eeuwigheid.
Ze is in staat, al in dit aardse leven het bestaan van een ander mens als spiegel van de oneindigheid, als icoon van de eeuwige schoonheid, als getuigenis van een eeuwige roeping te ‘ont’-dekken, te ‘ont’-sluieren.
En zo leerde Christus ons:
Wij zullen elkaar weerzien, wij zullen eeuwig bij elkaar blijven,
wij zullen elkaar nooit verliezen: ‘de Macht van de Liefde is God Zelf !’.
Hij heeft de dood al overwonnen, toen Hij de Schepping in het aanzijn riep; op het toneel van het Leven, op het toneel van de eeuwige dramaturgie van de Kosmos, gebruikt God de dood alleen maar als figurant; maar de personen zelf, de acteurs van Zijn drama, vallen nooit uit Zijn hand.
Zij hebben hun eeuwige bestemming, hun eeuwige schoonheid, hun blijvend zijn. Daarom kunnen wij in wezen niet vragen, Wie onze Heer, Jezus Christus als menselijk persoon was, of wij zouden alles voor leugen dienen te verklaren wat in Hem leefde, wat Hij uitrichtte, wat Hij ons wilde leren, als onze eeuwige Pedagoog.
Wie in Hem geloven, kunnen over Hem als het eerste en belangrijkste
alleenmaat nu juist zeggen:
Hij ‘was’ nooit, Hijis’, Die Hij is, want bij Hem als Zoon van God, als één van
de Heilige Drie-eenheid  bestaat geen tijd, waarheen wij eeuwig op weg zullen zijn.
Degene, Die ons de Hoop en het Vertrouwen op de eeuwigheid heeft geschonken,
is blijvend de basis, het fundament van ons leven.
Hij, Die ons leerde, ons als zonen van God, als broeders en zusters onder elkaar te beleven, is Zelf de Zoon van God.
En Zijn Persoon en Zijn woorden zijn in Zichzelf  de Weg en de Waarheid – datgene, waarvan wij werkelijk leven:
    Jezus zei tot hen [en ons]:
Ik ben de weg en de waarheid en het leven;
niemand komt tot de Vader dan door Mij.
Indien jullie Mij zouden kennen, zouden jullie ook Mijn Vader gekend hebben.
Van nu aan kennen jullie Hem en hebben jullie Hem gezien.
Philipos zei tot Hem: Heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg.
Jezus zei tot hem: Ben Ik zolang bij jullie, Pilippos en jullie kennen Mij niet?
Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zeggen jullie dan: Toon ons de Vader?
Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?
De woorden, die Ik tot u spreek, zeg  Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, Die in Mij blijft, doet Zijn werken.
Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is:
of anders, gelooft om de werken zelf
John.14: 6-11.
Wanneer wij de weg van ons leven meer en steeds meer op de wijze gaan, als Hij ons is voorgegaan, zullen wij ons alleen maar des te mooier, des te sterker, des te gelukkiger en alleen maar des te meer verlangend naar de eeuwigheid ervaren.
De Waarheid van ons hart’s-taal stralen, warmeren helderder dan ooit.
Ieder van ons is een vonk van dit eeuwige, nooit uitdovende Licht van het verlangen, dat wij God noemen.
Maar Jezus van Nazareth is Degene, Die ons leerde op die manier te hopen en te overleven; te blijven leven.

avondgebed [conf. Luc.24: 29]

Maarten Luther en Katharina von Bora –
portret door z’n vriend
Lucas Cranach, de oude 1529

    Heer, blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen. Blijf bij ons en bij uw ganse Kerk aan de avond van de dag,
aan de avond van het leven, aan de avond van de wereld. Blijf bij ons met uw Genade en Goedheid, met uw troost en zegen, met uw woord en sacrament.
Blijf bij ons wanneer over ons komt de nacht van beproeving en van angst,
de nacht van twijfel en aanvechting, de nacht van de strenge, bittere dood.
Blijf bij ons in leven en in sterven, in tijd en eeuwigheid. Amen
”.
Maarten Luther – [R.K.-monnik, orde van de Augustijnen, 1483 – 1546].

mp4: ‘Te Deum Laudamus‘- 5e eeuws monastiek Gezang [in het Latijn]
Wij prijzen U, o God. U, Heer, loven wij.
U, eeuwige Vader, eert geheel de aarde.
Tot U roepen alle engelen, tot U de Hemelen en alle Machten.
Tot U roepen Cherubijnen en Serafijnen, Die zonder ophouden zingen:
Heilig, heilig, heilig de Heer, de God der hemelse Machten.
Vol zijn Hemel en aarde van Uw Heerlijkheid.
U looft het roemvol koor van de Apostelen,
U het lofwaardig getal van de Profeten,
U looft de blanke stoet van de Martelaren.
U prijst de Heilige Kerk over heel de aarde:
U, Vader, onmetelijk in Majesteit;
U, eniggeboren Zoon, waarachtig en hoog verheven;
U, Heilige Geest, de Vertrooster.
Gij, Christus, Koning der Glorie,
Gij zijt de enige Zoon van de Vader.

Gij, Die om de mens verlossing te brengen
geen vrees hebt gehad voor de schoot van de Maagd.
Gij, Die de prikkel van de dood hebt overwonnen
en voor de Gelovigen [de Heiligen] het Hemels [Konink-]rijk hebt geopend.
Gij zit aan God’s rechterhand in de Glorie van de Vader.
Gij zult als rechter komen, zoals wij geloven.
                                   [Hier knielt men in sommige geloofsgemeenschappen]
U dan smeken wij: kom Uw dienaren [slaven] te hulp,
die Gij door Uw Kostbaar Bloed hebt gered;
Laat ons geteld worden onder Uw Heiligen in de eeuwige heerlijkheid.

Red, Heer, red Uw volk en zegen uw erfdeel,
hoed hen, en draag hen voor immer.
U willen wij prijzen iedere dag,
uw Naam verheerlijken voor altijd.
Wees genadig, Heer, spaar ons deze dag voor de zonde.
Ontferm U over ons, Heer, ontferm U over ons.
Laat Uw Barmhartigheid neerdalen over ons,
zoals ons vertrouwen uitgaat naar U.
Op U, Heer, is onze hoop gevestigd;
beschaam ons niet in eeuwigheid“.