Orthodoxie & de tijd die deze vasten periode in beslag neemt.

‘In het begin was het Woord’;                       “Στην αρχή ήταν ο Λόγος”;                           “في البداية كانت الكلمة”.

      Wij behoren God te allen tijde om jullie te bedanken, broeders [zusters],
zoals gepast is,  omdat jullie Geloof zeer toeneemt en jullie liefde jegens elkander sterker zal worden, 
zodat wij zelf over jullie roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw Volharding en uw Geloof onder al uw Vervolgingen en de Verdrukkingen, die jullie [hebben] doorstaan:
een bewijs van het rechtvaardige oordeel Gods, dat jullie het Koninkrijk Gods waardig geacht worden, voor hetwelk jullie ook lijden, indien het inderdaad recht is bij God, aan jullie verdrukkers verdrukking te vergelden en aan jullie, die verdrukt worden, verkwikking tezamen met ons, bij de Openbaring van de Heer Jezus van de Hemel met de engelen van Zijn Kracht, in vlammend vuur, als Hij straf oefent over hen, die  God niet kennen en het Evangelie van onze Heer Jezus Christus niet gehoorzamen2Thess.1: 3-8.

Zonder een woord, openbarend Geloof:
Een mens, die voorheen toch regelmatig naar de kerk ging, maar bleef opeens langdurig thuis.
Na een paar weken besloot de spelleider eens bij hem langs te gaan. Het was een gure avond.
De spelleider trof de mens thuis aan voor een knapperend haardvuur.
De mens, die kon wel raden waarom de spelleider langskwam, heette hem welkom, bood hem een gemakkelijke stoel bij de haard aan en wachtte.
De spelleider ging lekker zitten, maar zei niets.
Tijdens de plechtige stilte sloeg hij de vlammen gaande die
rond de brandende houtblokken speelden.
Na een paar minuten nam de spelleider de tang,
pakte voorzichtig een stukje gloeiend hout en
legde dit aan de kant van de haard waar geen vuur was.
Daarna ging hij weer zwijgend zitten. De gastheer keek geboeid toe.
Het eenzame stukje hout brandde steeds zwakker, gloeide even op en doofde toen.
Al snel was het helemaal koud.
Sinds de begroeting was er geen woord meer gesproken.
Vlak voordat de spelleider wegging, pakte deze
het koude stukje hout en legde het weer midden in het vuur.
Door het licht en de warmte van de blokken eromheen,
begon het direct weer te gloeien.
Toen de spelleider de deur wilde opendoen, zei zijn gastheer:
‘Heel erg bedankt voor uw bezoek en met name voor de vurige vermaning. Zondag a.s. ben ik weer in de kerk aanwezig’
”.
uit: verhalen om je te raken

Gedurende de veertigdaagse vastenperiode roept de Kerk ons op
alles wat langzamer te doen  en de “stilte te betrachten”.
Een periode voorafgaand aan de viering van een Hoogfeest in dit geval het allerhoogste Kerkfeest van Pascha wordt al van oudsher bestempeld als een onderzoek van ons gedrag en het bijbehorend berouw over onze misstappen;
het behoort tot de Traditie van de Kerk.
De vastentijd begint al met een aanloopje, de vóór-vasten uitlopen in de melk- en vleesonthouding waarna wij elkaar op Vergeving’s-zondag vergiffenis vragen voor de door ons begane fouten ten opzichte van onze naasten.
Het geheel wordt gemarkeerd met een symbool van boetvaardigheid, met als hoogtepunt het slot de viering van de Verrijzenis van onze Heer, Jezus Christus, onze Verlosser.
Op dit Pascha wordt onze Verlossing gevierd, de overwinning op de dood, met de alom klinkende overwinningsleus:
Christus is opgestaan” [Nl.] “Christus is verrezen” [Be].
Tussen deze overwinningskreten is geen enkel verschil, het is maar net hoe je jezelf uitdrukt, hoe het vogeltje gebekt is.

Veertig dagen
Maar heb je je ooit afgevraagd waarom er veertig dagen vasten zijn?
In de allereerste jaren van de Kerk werd een vastenperiode van bekering waargenomen, maar de exacte duur was niet altijd exact veertig dagen.
Naarmate de Traditie en praktijk werden ontwikkeld, waren de vastentijd erg divers.
De Heilige Irenaeus van Lyon schreef in het jaar 190 AD: 
Sommigen vinden dat ze één dag dienen te vasten,
anderen twee dagen en anderen zelfs meerdere,
terwijl anderen er rekening mee houden dat ze
zowel overdag als ‘s nachts veertig uur nodig hebben om te vasten
”.
De eerste officiële verwijzing naar de Vasten als een periode van veertig volle dagen van voorbereiding is te vinden in de leer van het eerste Oecumenisch Concilie van Nicea in het jaar 325 na Christus. De leringen noemen het woord τεσσαρακοστή [tessarakoste, Gr. veertigste], met betrekking tot de vasten.
Het bewijs voor deze naleving is te vinden in het vroegste in het latijn geschreven verslag van een christelijke pelgrimstocht naar het Heilige Land geschreven rond 380 AD,  [Peregrinatio [Lat. buitenland]; dus gewoon een tochtje naar het buitenland, hetgeen in die dagen een behoorlijke onderneming was.
De auteur spreekt over een vastenperiode van acht weken die hij/zij in Jeruzalem heeft  waargenomen. Het gegeven dat zaterdag en zondag van gewone weken waren vrijgesteld, geeft acht weken op vijf dagen een totaal van veertig dagen voor het vasten.
Hierdoor is de Traditie van de vastentijd van veertig dagen gebaseerd
in het vroege begin van de Christelijke Kerk. 
Wanneer bij de eerste Christenen de gelovigen de duur van hun vastentijd nogal wisselend vaststelden, hoe kwam het dan tot de vaststelling van veertig dagen en de algemene aanvaarding?
We zien in de Blijde Boodschap vele vermeldingen van het getal veertig.
Bijvoorbeeld, vanaf het allereerste begin wierp God in het boek Genesis een vloed over de aarde gedurende veertig dagen en veertig nachten.
Mozes en de Israëlieten zwierven 40 jaren ter vorming van één Godsvolk door de woestijn voordat ze het Beloofde Land binnengingen.
Hoewel historici het niet eens zijn over de exacte basis voor de periode van  veertig dagen, is het in de hele vastgelegde Boodschap duidelijk dat er een verband is tussen 40 en berouw.
Naarmate in de vroeg-Christelijke Kerk de Traditie en gebruiken ontwikkeld werden, modelleerde men de duur van berouw in navolging van de voetstappen van Christus, Die 40 dagen en 40 nachten in de woestijn verbleef en zich van alles onthield, voordat Hij aan Zijn door God de Vader gegeven Werkopdracht begon.
Tegen het einde van de vierde eeuw werd de Traditie van de vastentijd van veertig dagen in vasten en gebed vastgesteld, hetgeen haar voornaamste spirituele oefeningen vormden.
Dit werd door alle gelovigen algemeen geaccepteerd, overeenkomstig het voorbeeld van Christus ‘vasten van veertig dagen en veertig nachten in de woestijn van Judea tijdens zijn verzoeking.

Hoewel de Kerk veel leed doormaakt, dienen we ons als gelovigen, geroepen en uitverkoren als wij zijn, los te maken van de wereld.
Wij zijn een verbintenis aangegaan met God door stilte, eenzaamheid en armoede op ons te nemen, op die wijze beoefenen wij het goedaardig in tegenstelling tot het kwaadaardig gedrag.
Eerst dan, en alleen dàn, zullen wij ‘die [kleine] kudde gelovigen’ als iets geheel nieuws kunnen zien: wij zullen tot de ontdekking komen dat
het “een Bron van Hoop en Leven’ is op Zichzelf,
het antwoord waar wij ‘altijd al‘ naar op zoek zijn geweest.
De toekomst van de Kerk van Christus kan en zal uitgaan van degenen, die gefundeerd actief blijven zoeken en die leven vanuit de zuivere volheid van het Christelijk Geloof.Het komt niet van degenen die zich alleen maar aanpassen aan
het voorbijgaande moment of van degenen die alleen maar kritiek op anderen hebben en aannemen dat zij zelf ‘onfeilbare maatstaven’ zijn;
het zal ook niet uitgaan van diegenen die de gemakkelijkere [uit-]weg zoeken, die
de Passie van het Geloof omzeilen.
Die slechts alles vals, obsoleet, tiranniek en wettisch verklaren, al datgene wat eisen stelt aan mensen, dat hen een akelig gevoel geeft en hen dwingt zichzelf op te offeren.
De toekomst van de Kerk zal altijd weer opnieuw worden hervormd door Heiligen en dat zijn diegenen, die werkelijk ervaren Volgeling van Christus te zijn; door mensen, die hun geest verder onderzoeken dan het motto van de dag, die meer zien dan alle anderen zien, omdat zij hun leven omarmen een bredere realiteit.
Onzelfzuchtigheid, die mensen bevrijdt, wordt alleen bereikt door het geduld van kleine dagelijkse daden van zelfverloochening.
Door deze dagelijkse passie, die als enige aan een mens openbaart op hoeveel manieren hij verslaafd is aan zijn eigen ego, ten opzicht van deze dagelijkse passies, worden de ogen van een mens ‘stapje voor stapje‘ geopend.
Hij ziet alleen in de mate waarin hij heeft geleefd en geleden.

Indien we vandaag nauwelijks meer in staat zijn om ons van God bewust te worden, dan komt dat omdat we het zo gemakkelijk vinden om onszelf te ontwijken, door te vluchten uit de diepten van ons wezen door middel van het verdovende middel van enig genot of iets anders.
Op die manier blijven onze eigen innerlijke diepten voor ons gesloten.
Als het waar is dat een mens alleen met zijn verlangens kan zien, hoe blind zijn wij dan!

Christus, ‘de Hogepriester

In deze periode van ‘vasten en gebed’ ontmoeten we God, Die ziet van uit de hoge hemel. Hij ziet de ellende van zijn volk en God hoort, Hij hoort het roepen van Zijn kinderen.
Dat is voor ons onvoorstelbaar, dat er een luisterend oor is in de Hemel en een toeziend oog. En daar blijft het niet bij, indien God de mens gezien en gehoord heeft en ziet wat er in Egypte [onze woestijn] met Zijn kinderen gebeurt dan daalt Hij af.
Heel menselijk wordt hier over God gesproken, opdat het ‘voor ons mensen‘ voorstelbaar wordt. God hoog in de Hemel ziet en luistert en daalt af om Zijn volk te bevrijden. En voor die bevrijding heeft Hij Zijn Zoon gestuurd, Die ons zegt:
Jij dient je weg te gaan op de wijze die Onze Vader van ons verwacht,
want “Zijn Wil geschiede! ‘en “Jouw Geloof heeft je gered! ’.

uit: Kathismazang 4e maandag van de Vasten:
tn8.  Het Woord van de Vader is op aarde neergedaald toen de lichtende Engel riep tot de Moeder Gods: Verheug u, Gezegende, die alleen het bruidsvertrek ongeschonden bewaard hebt, toen u in uw schoot ontvangen mocht onze God en Heer Die is voor alle tijd, om als God het mensengeslacht te redden uit het bedrog en dwaling”.

tn.3.Nu hebben wij de helft bereikt van het ingespannen werk van de Vasten; na verering van Uw Leven-schenkend Kruis vallen wij neer en roepen: Groot bent U, Die de mensen lief heeft en Heerlijk zijn Uw Werken, want U hebt ons Uw kostbaar Kruis getoond: wij vereren het eerbiedig en roepen: Ere zij Uw uiterste Barmhartigheid”.    [herhalen]

nu en altijd . . .

tn.3.  Als aan een wijnstok zonder landbouwer hebt U de aller-schoonste druiventros doen ontspringen, Die voor ons de verlossing-brengende Wijn doet vloeien, welk ons aller ziel en lichaam verheugt. Wij prijzen u zalig, als de bewerkster van al dit goed en roepen steeds met de Engel: Verheug u, Begenadigde

tn.6.  Heden zijn geheiligd de vier hoeken van de aarde,
door de verrichtingen van het Kruis, 
dat verheven is, o Christus onze God,
Groot bent U en Heerlijk zijn Uw Werken: Ere zij U
”.

tn.6.  De stemmen van de Profeten hebben voorspeld het geheiligde Hout, waardoor Adam van de oude vervloeking van de dood is bevrijd.
Heden op de dag van de Verheffing, verheft de schepping haar stem om aan God Zijn Grote Genade te vragen, U, Die alleen zonder mate Medelijdend bent, o Meester, wees de verzoening en red onze zielen
”.