5e Zondag na Pascha, Zondag van de Samaritaanse vrouw aan de bron

De Samaritaanse vrouw aan ‘de Bron’

    Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar [συχαρ Gr. betekent ‘dronken’], dicht bij het veld, dat Jacob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jacob.
     Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten.
     Jezus zei tot haar: ‘Geef Mij te drinken’ ; want Zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen.
De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: ‘Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen’?; want Joden gaan niet om met Samaritanen.
     Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: ‘Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven’. Zij zei tot Hem: ‘Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij soms meer dan onze vader Jacob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?’.
     Jezus antwoordde en zei tot haar: ‘Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen;  maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten’.
     Hij zei tot haar: ‘Ga heen, roep uw man en kom hier’. De vrouw antwoordde en zei: ‘Ik heb geen man’. Jezus zei tot haar: ‘Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden’.
     Jezus zei tot haar: ‘Geloof Mij, vrouw, het uur komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar het uur komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid’.
De vrouw zei tot Hem: ‘Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen’
     Jezus zei tot haar: ‘Ik, die met u spreek, ben het’.
En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zei niemand: ‘Wat zoekt Gij’, of: ‘Waarom spreekt Gij met haar?’.
De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zei tot de mensen: ‘Komt mee en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?’
Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem. Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: ‘Rabbi, eet’.
     Hij zei echter tot hen: ‘Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet’.
De discipelen dan zeiden tot elkander: ‘Iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?’.
     Jezus zei tot hen: ‘Mijn spijs is de wil te doen van Degenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt’.
En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: ‘Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb’.
Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord en zij zeiden tot de vrouw: ‘Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland van de wereld is’John.4: 5-42.

Handelingen van de Apostelen [met Paulus-reizen] werden geschreven door Lucas

  Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stephanos plaats vond, trokken verder tot Phenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden. Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Heer Jezus predikten. En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Heer. En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië. Toen deze aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heer trouw te blijven;  want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Heer toegevoegd.
En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië.  En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.
En in díe dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië;

Logo AOKN

 en een uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat er een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius. En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden; dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus” Hand.11: 19-30.

De ijver voor U heeft mij verteerd, omdat mijn vijanden Uw Woorden hebben vergeten. Uw Godsspraak is als het zuiverste vuur en wordt bemind door Uw dienaar. Ik ben jong en veracht, maar Uw Gerechtigheid heb ik niet vergetenPsalm 118[119]: 139-141 vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Droogte, dorst en uitdroging, veroorzaken een hartstochtelijk zoeken naar water: voor de meesten onder ons behoort dit gegeven -in de letterlijke zin- niet tot ons dagelijks leven.
Op symbolische wijze kan dat uiteraard wèl het geval zijn: er zijn in het leven van elke mens periodes en momenten waarop we ‘droog’ lijken te staan, waarop het contact met onze oorsprong, de bron verdwenen lijkt te zijn.
Dat gebeurt omwille van allerhande redenen; soms zijn we ons daarvan bewust, veelal niet.  Maar wanneer we het ons steeds helderder beginnen te realiseren – zijn we daar vaak zelf in het geheel niet zo blij mee.
Soms is het opzoeken van ‘de leegte en de droogte’ van de woestijn ook een bewuste en een goede keuze. Misschien zijn we helemaal niet zo slecht af om onze eigen woestijn te creëren, omdat het vertoeven in de droogte ons weer dorst kan doen krijgen of ons weer bewust kan maken van ons verlangen om te leven vanuit een diepere Bron te gaan ervaren.

Samaritaanse aan Christus’ Bron

De ontmoeting van de Samaritaanse met de Leven-schenkende Heer laat zien dat Christus niemand buitensloot, ook geen vrouw uit een ‘onrein’ land, hetgeen onder de toenmalige Joden zo ervaren werd. Zij deelde in Gods Genadegaven, ook al was dat volgens de normen in die tijd ondenkbaar. Deze vrouw doorbrak de grens van het denkbare en datgene wat hoort, past. Of was het de Krachtige stroom van Gods Genade, Die de grens doorbrak? Het teken van de vrouw aan de Bron op een erg symbolische plek.  Eerst en vooral is de bron van Jacob de bakermat van Israël; maar bovendien zijn bronnen in het O.T. de plek bij uitstek waar liefdesgeschiedenissen beginnen. Daar op die plek vindt het gesprek tussen Jezus en de Samaritaanse plaats – een gesprek dat aanvankelijk vol misverstanden zit maar uiteindelijk toch een heel vervullende afloop kent. Het gesprek begint  vanuit dagelijkse beslommeringen: op het middaguur zet onze Heer Zich neer bij de bron. Hij is moe van de reis en heeft dorst.  Aan een vrouw die water nodig heeft – allicht voor het bereiden van eten of het wassen van kleren – en water komt putten, vraagt Hij ‘iets’ te drinken.

Αγία Φωτεινή η Μεγαλομάρτυς η Σαμαρείτιδα – أجيا فوتيني السامري الشهيد العظيم

Misschien besteden we er – doordat we het verhaal zo vaak gehoord hebben – geen aandacht meer aan, maar we kennen de naam van deze vrouw niet. Zij blijft het hele verhaal door anoniem, de Kerk noemt haar Φωτεινη, светящийся, Clara, Ellen, hetgeen betekent lichtgevend, het is een teken dat Gods Genade nog steeds grenzen doorbreekt. Het is ook voor onze tijd belangrijk om dat te beseffen, het is immers zo dat ook voor ons grenzen aangescherpt dienen te worden. De vrouw blijft naamloos maar is voor Hem zeker niet betekenisloos. Christus gedrag kan alleen verklaard worden vanuit een overtuiging dat er ook in onbekende, kleine, doodgewone mensen bronnen van leven kunnen liggen, en dat zij – op hun plek, in hun eigen leven – van grote betekenis kunnen zijn. Dat dàt zo is of kàn zijn, blijkt trouwens uit de rest van deze ontmoeting. De vrouw brengt een beweging van leven en vertrouwen op gang die haar eigen individuele leven ver overschrijdt.

Het begint met de vraag om een weinig water. Christus is op het heetst van de dag, vermoeid van de reis, bij de bron gaan zitten. Als er een vrouw komt om water te putten, vraagt Hij wat te drinken.
Het begint met de vraag om een beetje water, maar al snel neemt het gesprek een andere wending, je zou kunnen zeggen: een hoge vlucht.  Al snel gaat het niet meer om de gewone alledaagse dingen, maar blijkt dàt aanleiding te zijn tot een wat moeilijk te volgen gesprek over hogere, geestelijke zaken. Dan gaat het over eeuwig leven, over de Profeet, over de Messias, over aanbidden in Geest en Waarheid.

Het gaat vanmorgen over dit gesprek, tussen Jezus en een Samaritaanse vrouw. Een gesprek waar ‘wìj’ iets uit leren kunnen. Het gaat over de ontmoeting tussen Jezus en een Samaritaanse vrouw. Maar dan moeten we wèl beseffen, dat wanneer de Blijde Boodschap vertelt over zo’n ontmoeting, dat altijd méér is dan dat Jezus toevallig een vrouw tegenkomt, met wie Hij een praatje aanknoopt. Nee, de ontmoetingen hebben allemaal iets extra’s, ze omvatten een Boodschap. Ze laten iets zien van Wie Jezus is; ze zijn openbarend.

Jezus Christus, tronend door Manuel Panselinos

  Onze Heer kijkt de mens áán, want waneer wij elkaar niet meer ‘in de ogen‘ kijken gaat er iets mis. Het valt mij op, als de mensen je op straat niet aankijken of opeens iets heel interessants aan de overkant van de straat zien; het gebeurt vaker òf ik let er meer op, dat kan ook. Ik deed het een aantal dagen eens heel bewust; tijdens -een blokje om- een stukje lopen voor een frisse neus, keek ik iedereen aan, die ik tegenkwam; en ik groette ook. Gewoon als verzet tegen het langs elkaar heen leven; tegen discriminatie, tegen mijn eigen vooroordelen. Dat groeten is voor mij goed te doen; het is ook leuk om te doen. Sommige ouderen schrapen daarna hun keel, alsof hun ‘goedemiddag’ het eerste was wat ze die dag zeggen. Hetgeen natuurlijk zou kunnen, in deze digitale maatschappij is veel eenzaamheid, kijk maar eens ’s-morgens in een forenzentrein. Ook daar helpt groeten tegen.
Wanneer mensen je niet aankijken, kunnen het ook verlegen mensen zijn. Als dàt het probleem is valt het nog wel mee, maar ik vermoed dat het méér is. Onbevangen oogcontact is een goede graadmeter van een democratische samenleving. Als een gevluchte vreemdeling je niet aankijkt, dan is dat de erfenis van het leven in een politiestaat. Kijk hen dus vooral aan, als bewijs dat het hier ècht ‘anders’ is. Wanneer je Putin of Erdogan op tv ziet, kijkt de eerste de mensen heel vaak niet aan, terwijl de tweede over de hoofden heen kijkt; let er maar eens op. Het omgekeerde is overigens niet automatisch waar; namelijk dat het met leiders, die je aankijken, wèl goed zit.

Christus, Pedagoog [opvoeder]

Terug naar ons uitgangspunt; wanneer Jezus om water vraagt, Hij heeft kennelijk dorst, begrijpelijk met zo’n lange reis achter de rug en op het heetst van de dag. Wanneer Jezus om water vraagt, zegt de vrouw: ‘hoe kunt u mij dat vragen?‘. Zij is verbaasd om zomaar door een man aangesproken te worden. Ze is immers vrouw – die worden niet geacht om zomaar met een wildvreemde man te praten en zeker niet bij de waterbron. Ze is bovendien een Samaritaanse en zoals al in de tekst wordt verklaard, Joden gaan niet met hen om, als was het verontreinigend.
Als Jezus aan Zijn discipelen zou hebben gevraagd willen jullie méér of minder Samaritanen, dan zouden ze hebben gescandeerd: ‘minder, minder’. En als Jezus Zich populair had willen maken, dan zou Hij gezegd hebben: “Nou, dan gaan we dat even regelen”. Maar dat zegt Hij niet en van de Apostelen horen we hier niets, die houden gewoon hun kiezen op elkaar, zijn hebben nog niet geleerd ‘open‘ te communiceren, hebben geen liefdevolle/respectvolle benadering voor de medemens, zij hebben de Heilige Geest nog niet ontvangen.

Christ Pantocrator enthroned with four Evangelists

De Samaritanen, die toen door de Joden als tweederangs burgers beschouwd werden en nog wel, ‘niet helemaal zuiver op de graat‘, spelen in het totale Evangelie een opmerkelijke rol. Jezus neemt één van hen als ‘lichtend’ voorbeeld in Zijn beroemdste gelijkenis van de ‘Barmhartige Samaritaan‘. Hier spreekt Christus, bewust en gewild, één van hen aan om ‘haar’ in Zijn Lichtkring te trekken. Hij reist niet ‘om’ als Hij van Judea weer naar Galilea gaat [van zuid naar noord], zoals de Joden in die dagen doen om te voorkomen dat ze door dit ‘heidens’ land moeten trekken; Hij gaat doelbewust door het Samaritaanse gebied. Het is allemaal opmerkelijk. Zeker als je het contrast er ook nog eens bij betrekt van wat hiervoor in de weergave van Johannes is verteld; daar ontmoet Jezus Nicodemus.
Een man, Jood, schriftgeleerde, tegenover de vrouw, een Samaritaanse, ‘n ongeletterde. Het ene vindt echter plaats in het ‘schemerduister van de nacht‘, de andere ontmoeting in het ‘Heldere Licht van de middag’s zon‘.

Goed, hoe dan ook, de verwonderde vraag van de vrouw, ‘hoe kunt U mij vragen?‘, kun je jezelf maar al te goed indenken. En als wij dan nèt bij het bedenken van de achtergrond een zekere sympathie voor Jezus hebben opgeroepen, dan geeft Zijn

Levend Water – een opfrisser van ons ‘christelijk geloof’

reactie hier meteen weer te denken. Want die klinkt nogal geïrriteerd: “als je eens wist wat God wil geven en Wie het je vraagt, zou jij er Hém om vragen en dan zou je ‘levend water’ krijgen”. Ik zou reageren, als ik die vrouw was: “Hé, jij, brutaal Heerschap, bekijk het lekker Zelf. Je had toch dorst? Jij vroeg mij toch om water. En nu begin je te zeuren over levend water, wat dat ook moge zijn, waar Jij de beschikking over zou hebben. Ik weet niet waar Je het over hebt, maar als Je het zo goed weet, geef Jezelf dan van dat levende water. Of begrijp ik iets niet? Heb ik iets gemist?”.
Kijk, zo zou die -veelal door Joden- gediscrimineerde vrouw hebben kunnen reageren. En als het een gewone ontmoeting zou zijn, waar een gesprek uit ontstaat, dan lijkt me dat zelfs een heel gezonde reactie te zijn. Maar zo gaat het dus niet.
En hieruit kun je concluderen, dat dit niet ‘zomaar’ een ontmoeting is, maar dat dit verhaal ‘iets méér‘ wil vertellen. Het wil aan de hand van een gewone ontmoeting ons iets duidelijk maken, zoals dat ook bij deze gewone vrouw gebeurt.

  In deze ontmoetingen, ook die met Nicodemus, is het soms nèt alsof ze langs elkaar heen praten. Het heeft iets bevreemdends, iets mysterieus. Geen normale conversatie, maar toch gebeurt er van alles; er gaan zekerheden schuiven. Je dient opnieuw geboren te worden, er wordt opeens een nieuw perspectief geopend. Gaandeweg leert de vrouw ‘Wie‘ Jezus is; dat Jezus dorst heeft, lijkt niet meer van belang te zijn. Het verkrijgen van het beetje water raakt helemaal uit het zicht. Ze raakt met Hem in een gesprek verwikkeld waarin ze stap voor stap zichzelf leert kennen. Gaandeweg leert ze Jezus kennen en gaandeweg leert ze zichzelf beter begrijpen. Omdat Hij [Jezus] ‘haar’ lijkt te kennen, leert ze zichzelf kennen.
Het bewijs dat Jezus ‘alles‘ van haar weet, zijn we geneigd te zien in die vraag om haar man erbij te halen. Op zich al een wat wonderlijk verzoek. Maar het is allemaal wat wonderlijk, dat deze vrouw op het zesde uur – dat is midden op de dag, op het heetste moment – naar de put komt.
   Dat is ongewoon en daar hebben verschillende uitleggers dan ook iets achter gezocht; durft ze soms niet met de andere vrouwen mee te gaan? Gaat ze liever alleen om niet lastig gevallen te worden, door hun blikken of door hun praatjes? Want ja, je hoort wel – ik heb geen man; inderdaad zegt Jezus, je hebt er vijf gehad en die je nu hebt is je man niet – tja, dat dit een vrouw is met een zekere reputatie. Hoewel er verder niets over wordt gezegd, is dat al gauw uitgelegd als een vrouw die vijf mannen heeft versleten. Een losbandig leven, en nu hokt ze bovendien met iemand met wie ze niet keurig getrouwd is. We weten immers vaak allerlei dingen meer te vertellen, zeker als het in die richting gaat. Als we vermoeden dat mensen niet helemaal zuiver op de graat zijn, vertelt het gemakkelijk rond en wordt het even gemakkelijk aangedikt. Dat is van alle tijden.

Jezus weet ‘alles‘ van haar. Is dat, omdat Hij [God] haar verleden kent? Een vrouw met een verleden… Zelf noemt ze Hem ‘Profeet’. Is dat omdat Hij [God] haar doorziet, of omdat Hij [God] de toekomst voor haar ziet? Misschien kun je het verhelderen met een fragment uit het gesprek tussen Jezus en de vrouw, waar het gaat om het water. Dààr is het immers allemaal om begonnen.
Jezus spreekt over levend water. De vrouw zegt, waar haal Je dat vandaan, toch niet uit onze put, zeker als je geen emmer bij Je hebt.
Neen”, zegt Christus, “van het water uit deze put zul je weer dorst krijgen. Maar van het Water dat ik te geven heb, zal je dorst voor altijd zijn gelest. Dat Water zal in je tot een Bron worden waaruit Water opwelt dat eeuwig leven geeft”.

Water wordt levend water. Water uit de put komt tegenover water uit de Bron des Levens te staan. Letterlijk staan daar ook twee verschillende woorden. Put tegenover bron. Stilstaand water tegenover stromend, Levend Water.

Mijn Lichaam en Mijn Bloed

Deze woorden, [dit Woord, deze Waarheid] worden het symbool van waar het in dit gesprek in diepere zin om gaat. Het gaat om het stromende water. Het gaat erom dat het in het leven weer stromen gaat, dat er beweging komt, dat grenzen worden overschreden, dat je jezelf overwint door jezelf te leren kennen. Dat zit allemaal in die ontmoeting opgesloten en dat komt er gaandeweg bij die vrouw uit. Zij gaat, zij bloeit open. Door de wonderlijke ontmoeting met Jezus begint er van alles in haar leven te borrelen, te bewegen. Ze wordt in het verhaal zelfs de eerste vrouwelijke Apostel, als ze haar stadsgenoten zo ver krijgt om ook naar Christus toe te gaan, ‘Χριστοφορος’  Christus ‘dragend’ te worden. In haar leven begint het te stromen, en daarmee zet zij anderen in beweging.
Het stromende water, dat is het eeuwige leven. En ‘eeuwig leven’ is, zeker in het Johannesevangelie, het echte, volle, leven dat -hier en nu- al geleefd wordt.
Maar wíj zijn vaak levend ‘dood’, alsof ons leven ‘op slot’ [gesloten] is geraakt, als de stroom is gestold, wanneer we vastzitten, aan onze vaste grondbeginselen, onze ‘opgedrongen‘ traditie, aan de gewoonte, aan ingesleten patronen en vastgelegde etiketten. Stilstaand water; jij bent zus en die is zo. Die vrouw? Dat weet je toch, dat is een vrouw met een verleden . . . . . en roddel zo maar door.
Eeuwig leven is als al díe grenzen worden doorbroken; als een verleden wordt ‘open’gebroken, er is iemand die ‘mij’ persoonlijk [er-]kent – bij wie ik mijzelf mag zijn, zonder welke schijn dan ook op te houden.
Die vrouw met een verleden, wordt een mens met toekomst!
Eeuwig leven is dat het leven dat vastgelopen is, weer stromen gaat: als schulden worden voldaan, als wonden worden geheeld. Ook dàt maakt deze ontmoeting tussen de joodse Jezus en de Samaritaanse vrouw met zoveel woorden duidelijk.
Jezus doorbreekt grenzen bij Zijn volgelingen en wanneer dat niet gebeurt, dan noemt Hij dat zij in slaap zijn gevallen, niet opletten, niet attent zijn, geen aandacht aan Zijn Boodschap schenken.

Dat is een belangrijk gegeven in dit verhaal en het wordt een belangrijk aspect van de Blijde Boodschap, Die in dit verhaal schuilt gaat en Die ook voor ons mag gelden, bij de grenzen van vandaag:
– tussen mensen, tussen religies, in relaties, in leefgemeenschappen, tussen generaties, ga zo maar door. Jezus doorbreekt hier grenzen en barricades die mensen voor zichzelf hebben opgeworpen. Ook dat wordt duidelijk in het verhaal, aan die vrouw, maar het heeft een wijdere strekking, het zegt iets over de Redding [Bevrijding], Die er van Jezus uitgaat.
Deze vrouw, hoe weinig we ook van haar weten, Jezus weet dat ze op een of andere manier in zichzelf gekeerd leeft. Ze heeft wel een man, maar dat is haar man niet. Ze komt, op het midden van de dag, alleen, naar de put. Dat is vreemd. Ze mijdt om wat voor reden ook de omgang met de andere vrouwen van het dorp, òf ze wordt door hen gemeden.

Allen die Ik liefheb, roep Ik tot Mij; weest dan ijverig en bekeert u

Hoe dan ook, ze is “alleen” – haar leven is “op een dood spoor”; het is als stilstaand water; wanneer een oorspronkelijke traditie vastgelopen is, nietszeggend is geworden, geen aandacht meer krijgt, als ouderwets wordt afgedaan en gemeden.
Maar door de ontmoeting met Jezus komt dat allemaal in een stroomversnelling; dat gebeurt voor haar op een bijzondere manier. Dat gebeurt telkens in het Evangelie, waar Jezus mensen ontmoet. Dan worden relaties hersteld, dan wordt er een ‘nieuwe gemeenschap’ geboren, dan wordt alles ‘nieuw’ – een ‘nieuwe hemel, een nieuwe aarde‘.
Het wonder is dat iemand gekend wordt, zich gekend en erkend weet, tot in het diepst van zijn/haar bestaan; zie je die verandering. Christus is God, Zijn Naam is ‘Ik ben’ en “Ik zal zijn”.
De vrouw laat haar kruik staan en gaat terug naar het dorp. Daar vertelt ze wat haar is overkomen. Kom mee, er is Iemand, Die alles van mij weet. Zou dat niet de Messias zijn? en dan komen de stadsgenoten die ook naar Jezus gaan en ook zij komen tot Geloof, zo wordt verteld, niet meer om wat de vrouw heeft gezegd, maar omdat wij “Hem Zelf” hebben gehoord en weten dat Hij werkelijk de Verlosser van de wereld is. “Er is Iemand [een God], Die alles van mij weet. Die mij ziet, zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken. Zou Dàt niet de Messias zijn?”.

De redding van de mens hangt af van twee factoren: het menselijke lichaam en de ziel. Onze menslievende God is frank en vrij [laat Zich door niets en niemand belemmeren] en nodigt ons uit om onszelf voor ‘Hèm‘ ópen te stellen en in ‘Hèm’ te leven. God biedt Zich onafgebroken aan, omdat Hij weet dat we dagelijks onafgebroken strijd voeren, verlossing dienen te bevechten, dit ook onafgebroken nodig hebben. 
God is op de hoogte van onze menselijke beperkingen/tekortkomingen, zodat wij ‘Zijn hulp‘ elk moment van de dag nodig hebben; God sluit Zich nooit voor ons af. Het ongeschapen Goddelijke Licht, de deugd daalt op ons neer “zoals dauw van de Hermon op de berg Sion“. De opening, het aanbod, is er, maar de persoon -‘die God ervaart‘- is niet permanent [Φιλότιμο] Philotimo en stabiel.
Het gekke is dat iedere Griek, die ik ken de betekenis van dit bijzondere begrip  ‘Philotimo’ kent; ‘handelen naar eer en respect, naar eer en geweten voor de wereld en de mensen om je heen‘.
Soms is dit er en soms verdwijnt het; soms lijkt het erop dat het geheel is verdwenen. Dan is het de Verlossing van de mens, Die direct wordt bedreigd. De ziel, het innerlijke, het hart communiceert niet langer met het menselijke en de enige hoop op redding vermindert.

Transfiguration, Antiochian icon, Paris

Maar wanneer men worstelt om het “ongeschapen Licht” van God te laten handelen en door “onze doop in de Heilige Geest”, de Bron van Heiligheid weten we dit,  blijven wij ‘open‘ voor God, voor Zijn verdere doorwerking. Dit is een bovennatuurlijk gegeven en overkomt de heiligen, de christenen, leken, priesters en monniken, die een poging blijven wagen – de ramen en deuren van hun ziel ‘open‘ te stellen en het aardse lichaam te verlaten, door het Ongeschapen Goddelijke Licht, de Genadegaven in ontvangst te nemen.

  Heer, U hebt mij onderzocht , en U kent mij: U kent mijn zitten en mijn opstaan. U weet mijn gedachten van verre, U doorgrond mijn weg en mijn meetsnoer. Al mijn wegen ziet U voorruit; en dat er geen ongerechtigheid is op mijn tong.
Zie, Heer, U weet alles: de eerste en de laatste dingen. U te kennen is voor mij te wonderbaar; het is te sterk, en buiten mijn macht. Want waar zou ik aan Uw Geest kunnen ontgaan?
Waarheen wegvluchten voor Uw aangezicht ? Als ik zou opstijgen tot de hemel, dan zijt Gij daar; als ik zou afdalen in de hades, Gij Zijt er aanwezig.
Al zou ik mijn vleugels uitslaan omhoog, om neer te strijken aan het einde der zee. Ook daar zou Uw hand mij geleiden: Uw rechterhand zou mij vasthouden. Ik zei: Nu zal de duisternis mij toch vertrappen; maar de nacht werd lichtend, tot mijn vreugde. Want voor U is het duister niet donker;
de nacht straalt van licht, als de dag, het duister van de een is gelijk aan het licht van de ander.
Zo U ook mijn nieren in Uw bezit: U hebt mij opgenomen, vanaf de schoot van mijn moeder.
Ik wil U belijden, om Uw ontzagwekkende wonderen. Wonderbaar zijn Uw werken, mijn ziel erkent het ten volle. Voor U was mijn gebeente niet onzichtbaar, toen U mij geformeerd hebt in het verborgene. Evenzo aanschouwt U mijn wezen, wanneer ik zal liggen, diep onder de aarde. Want Uw ogen zagen mijn levenskiem, en in Uw boek staat alles beschreven. Ook de dagen die worden geschapen, waarvan er nog geen enkele bestaat. Daarom zijn Uw vrienden bij mij zo geëerd, o God; daarom is hun heerschappij zo machtig. Ik wil ze tellen, maar ze zijn talrijker dan het zand.
Ik ben opgestaan, steeds ben ik bij U, wanneer U zondaars gaat doden, o God.
Gaat weg van mij, mannen van bloed, om wat gij zegt in uw gedachten. Geheel tevergeefs hebben zij uw steden ingenomen. Die U haten, Heer, heb ik hen niet gehaat?; ben ik niet ontvlamd tegen Uw vijanden. 
Beproef mij, God, doorgrond mijn hart; onderzoek mij en ken mijn wegen. Zie toe, of er een ongerechte weg in mij is; maar leid mij op de weg van de eeuwigheid”.
Psalm 138[139], vert. ROK ’s-Gravenhage

Zien jullie de verandering?
De Samaritaanse vrouw is niet meer alleen; ze gaat nu met haar stadsgenoten mee op weg, om te leren, om zich te laven aan alles wat deze Messias te verkondigen heeft.
Dat gebeurt er door en vanuit Christus en Zijn Lichaam [de Kerk], de beweging Die Hij op gang heeft willen brengen, dit is Zijn Blijde Boodschap.
Christus, de Opgestane Heer, legt onze wereld open; dringt ons bestaan binnen; doet ons openbloeien. Hij spreekt ons aan op onze diepste verlangens – eenheid, gekend worden, openheid, verbondenheid.  Zouden wij zó voor elkaar als levend, stromend, water kunnen zijn? Sprankelend, verfrissend, een bron van eeuwig leven?

Talrijk zijn wie mij vervolgen en verdrukken; maar ik bene niet afgeweken van Uw Getuigenissen. Ik zag de overtreders en werd bedroefd, omdat zij Uw Uitspraken niet onderhouden. Zie, hoe ik Uw Geboden liefheb; Heer, maak mij levend in Uw Barmhartigheid. De oorsprong van Uw Woorden is Waarheid; alle Oordelen van Uw Gerechtigheid zijn tot in eeuwigheid. Vorsten hebben mij zonder reden vervolgd, maar mijn hart was slechts bevreesd voor Uw Woorden. Ik wil juichen over Uw Uitspraken, als zij die een rijke buit hebben gevonden. Voor onrecht heb ik slechts haat en verachting, maar Uw Wet heb ik lief. Zevenmaal daags zing ik Uw lof: over de Oordelen van Uw Gerechtigheid. Overvloed van Vrede voor allen wie Uw Wet beminnen: voor hen ligt er geen struikelblok. Heer, ik verwacht Uw Verlossing; Uw geboden heb ik lief. Mijn ziel onderhoudt Uw Getuigenissen, omdat ik deze zozeer bemin. Ik onderhoud Uw Geboden en Uw Getuigenissen, want al mijn wegen, Heer, zijn voor Uw aanschijnPsalm 118[119]: 156-176 vert. ROK ‘s-Gravenhage.

Dan zullen we ‘allen tezamen’ verheerlijkt en verlost worden weggevoerd op de wolken en gaan we de Heer tegemoet; dan zullen we altijd bij Hem mogen zijn. Vermaant elkander dus met deze woordenconf. 1Thess 4: 17-18.
Vrijheid spreekt niet vanzelf, dient te worden bevochten, tegen onverschilligheid, tegen welbegrepen eigenbelang, tegen gemakzuchtigheid, tegen ‘eigen volk [christelijke gemeenschap] eerst‘.

Apolytikion     tn.4
  Nadat zij de blijde boodschap van de Opstanding en van de bevrijding van de veroordeling van de Stamhouders uit de mond van de Engel gehoord hadden,
riepen de Myron-draagsters jubelend tot de Apostelen:
vernietigd is de dood, Christus de Heer is opgestaan,
en heeft aan de wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion     tn.8
  Met Geloof naderde de Samaritaanse tot de Bron,
daar aanschouwde zij U, het water der Wijsheid.
En toen zij daarvan gedronken had,
begeerde zij dorstig het Hemels Koninkrijk.
Daarom wordt zij geprezen in alle eeuwigheid
”.