2e Zondag van Pascha, Thomaszondag – Antipascha – Beloken [besloten] Pasen

Thomaszondag [Αντίπασχα]

  Toen het dan avond was op die eerste dag van de week en ter plaatse, waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zei tot hen: ‘Vrede zij u!’.
   En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Heer zagen. Jezus dan zei nogmaals tot hen: ‘Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u’. En na dit gezegd te hebben, blies Hij op hen en zei tot hen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Aan wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend’.
En Thomas, een der twaalven, genaamd Didymos [= tweeling], was niet met hen, toen Jezus daar kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Indien ik in Zijn handen het teken van de nagelen niet zie  en mijn vinger niet steek in de plaats van de nagelen en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins geloven.
En na acht dagen waren Zijn discipelen weer in het huis en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten waren en Hij stond in hun midden en zei: ‘Vrede zij u!’. Daarna zei Hij tot Thomas: ‘Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde en wees niet ongelovig, maar gelovig’.
Thomas antwoordde en zei tot Hem: ‘Mijn Heer en mijn God!’.
Jezus zei tot hem: ‘Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven’.
Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen van Zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naamJohn.20: 19-31.

  En door de handen van de Apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het Volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het Volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Heer geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom
Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mee. En zij werden allen genezen.
     Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren – de zogenaamde partij van de Sadduceeën – en zij werden vervuld met naijver, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring.
     Maar een engel des Heren opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zei: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levensHand.5: 12-20.

Christus geneest

Christus heeft het als Zoon van God, als geheel mens en geheel God, als Zijn tegenwoordigheid in de wereld, van groot belang geacht de morele waarden, mentaliteit en karakter, het leven en de dood dusdanig kenbaar te maken, dat de mens via z’n theologie, filosofie en literatuur Gods bedoelingen met de mens zou leren kennen. God heeft in Zijn oneindige Liefde en medemenselijkheid de wereld en de mens geschapen. Hij is God [goed] en is niets dan ‘Liefde’.  
”  De Liefde is uit God; en een- ieder, die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is Liefde1John.4: 7. En … het door Mozes geredigeerde boek van Genesis presenteert de schepping van de mens. ”  En God zei: ‘Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte aan de hemel en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij henGen. 1: 26-27. Met andere woorden, iedere mens is geschapen naar Gods Beeld en Gelijkenis en draagt de Bron van de Goddelijke Liefde in zich [zijn leven] mee. 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de verschillende delen van het Oude en het Nieuwe Testament hier brede bekendheid aan geven.
Gods verhaal is immers òns verhaal, de mens is daarmee verantwoordelijk z’n omgeving dusdanig in te richten dat de voor de hand liggende Goddelijke ontwikkeling werkelijkheid wordt en te werken aan het veranderen van z’n geestelijk karakter. 
Dit Verhaal is een verslag of weergave van gebeurtenissen, die zowel de mens als God aangaan. 
Dit doet ons allereerst denken aan de Goddelijke Genadegaven en in de tweede plaats aan de geestelijke en morele waarden, die indien deze door een mens worden opgevolgd naar God leiden, door Hem te volgen: God zorgt aldus voor de volmaakte mens en zal de mens zoveel mogelijk te ontdoen van z’n menselijke ongerechtigheden.
Hij heeft de mens slechts weinig beneden de engelen geplaatst; Hij heeft ons gekroond met Glorie en EerPsalm 8: 6.  Adam en Eva waren oorspronkelijk trouw en gehoorzaam aan God en leefden als product van Zijn hand in het aards Paradijs; zo werd Zijn Naam wonderbaar over heel de aarde.
Trek daarom allen de wereld in vanuit uw hart en spreekt tot het Volk om u heen al deze woorden des levens [van Gods Liefde tot de mensen] en een engel des Heren zal des nachts ook u de deuren van de gevangenis openen en u naar buiten leiden [vrijheid geven].
Wanneer onze ziel in God, z’n oorspronkelijke vrijheid probeert te zoeken, Hem tracht te gehoorzamen en zich naar ziel en lichaam bloot geeft en zich in nederigheid overgeeft aan de Schepper welgevallig te zijn zal het in overeenstemming met z’n bedoeling en in een toestand van rust doorbrengen.
Zijn harmonie en z’n evenwicht wordt echter verstoord als gevolg van de hoogmoed, de menselijke zonde, omdat de mens hierdoor God niet langer gehoorzaamheid verschuldigd is wordt zijn lichaam en ziel niet langer beschermd tegen de aanvallen van de tegenstrever op de oorspronkelijke Goddelijke bedoelingen. “ Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien. De lamp van het lichaam is uw oog. Indien dan uw oog zuiver is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar wanneer het slecht is, is ook uw lichaam duister. Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. Indien dan uw lichaam geheel verlicht en geen deel duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel verlichtLuc.11: 33-36.

“Christus is Verrezen/Opgestaan”

Zitten er twee koorleden na de Agape na afloop van de Paaswake met een kopje koffie en een glaasje met Baklava, Paasbrood en Pascha aan tafel, wordt er opgemerkt: “We zingen nu wel dat Christus is verrezen uit het graf [het waren Vlamingen in Nederland blijft men ‘Opgestaan’ verkondigen], maar als Christus had geweten hoe koud het op dit ogenblik is [het vriest buiten 5 graden], dan had Hij vast en zeker nog even gewacht.
Het is dit jaar helemaal geen weer voor Pasen
”.  
“Ja”, zegt de ander, “Dat zou best eens kunnen. Maar weet jij nou wat uit het graf verrezen betekent? Geloof je dat echt?”.
Dit is een doodernstige vraag voor koorleden en voor alle andere kerkgangers: ‘wéten we wàt we zingen en oprecht geloven wàt wij, christenen verkondigen!

Juist door daar niet te zijn – de rest van de apostelen was wel aanwezig en dus was er geen conciliaire eenheid – kan de als ongelovig aangeduide Thomas z’n medebroeders kritische vragen stellen! toch?
Daarin klinkt voor velen onder ons wel iets van afkeuring door. “Doe niet zo vervelend. Geloof het gewoon!”;  anderen herkennen zich in hem : “Die kritische Thomas is één van ons, één van ons broeders in Christus”.
Zijn ongeloof voor zomaar een bewering “Wij hebbende Heer gezien”, wekt ook verwondering, verwachting. Zijn ongeloof is geen gebrek aan Geloof in Jezus; zijn ongeloof betreft de kritiekloze Vreugde van de anderen.
Juist omdat Thomas zo intens geloofde in Jezus, op Hem zijn vertrouwen stelde, zoveel van Hem hield dat hij bereid was met Jezus te sterven . . . . . daarom heeft Thomas het er moeilijk mee wanneer er zo gemakkelijk “Alleluja” – “Hij heeft ons het Leven geschonken” en “Christus is Verrezen [Opgestaan]”, gezongen en ” Hij is waarlijk Verrezen [Opgestaan] uitgeroepen wordt.
Jezus is toch een smadelijke dood gestorven; ze hebben Christus toch “allemaal” – ook Thomas zelf –  in de steek gelaten. De vrouwen hebben Hem in een graf gelegd en iedereen is teruggegaan naar huis. En daar zitten ze als bange wezels bij elkaar in de bovenzaal en Thomas is waarschijnlijk een boodschap doen in de winkel, die met het hoogfeest van Pasen nog open is [waarschijnlijk van een andere gezindte].  Wat de Joodse leiders Jezus hebben aangedaan, zouden ze dat ook hen niet kunnen aandoen?  Leerling van Jezus zijn is en blijft tenslotte gevaarlijk, je wordt voor afwijkend versleten.
Thomas weet van het gevaar en Hij weet van het kruis van Jezus: “Als de Heer zich te zien geeft dan wil ik zijn wonden kunnen betasten, mijn hand in zijn doorboorde hartstreek leggen. Dan zal ik Hem geloven. Voor die Heer heb ik mijn leven over”. 
Vraagt Thomas hier dan te veel? Had hij niet beter met de anderen in de vreugde kunnen delen? Thomas tast hier het geloven van de anderen af.
Weet je zeker dat de Heer, Die jullie gezien hebben, ook de Gekruisigde is?
De vreugde van Pasen mag het verdriet om Goede Vrijdag niet verdringen!
Deze Thomas ontnuchtert de andere apostelen èn Christus volgelingen, door hem gaan ze zichzelf eveneens vragen stellen. Thomas vraagt het óók aan ons, want Christus verhaal is ook ons verhaal: “Geloof je wat je daar staat te zingen?”.

Geloven betekent voor Thomas niet “voor wáárachtig aannemen”, maar “je overgeven en toevertrouwen aan Iemand, Die voortaan jouw leven zal bepalen”.
Is dàt ook voor òns de betekenis van geloven?

Acht dagen later zijn de twaalf, net als wij hier compleet en als gemeenschap bijeen. Thomas is er ook; ook op deze dag verschijnt de Heer in hun midden.
Jezus nodigt Thomas èn ons uit: “Breng uw vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde [Mijn Hartstreek], en wees niet ongelovig, maar gelovig”.  Thomas roept uit: “Mijn Heer en mijn God”. “Ik geef mij aan U gewonnen. Ik geloof in U”.
Deze kortste Geloofsbelijdenis is het fundament van elke andere getuigenis.
Door deze woorden wordt het getuigenis van de twaalf volledig. Nu de Gekruisigde en de Verrezene één zijn, wordt het geloofwaardig en betrouwbaar dat God in Jezus Zijn Levenschenkende Tegenwoordigheid schenkt.
Thomas wordt als twijfelende en tastende zoekende gelovige de eerste die door Jezus gebracht wordt tot het Geloof in de Verrijzenis/Opstanding: “Mijn Heer en mijn God”.
Er staat niet dat Thomas op Jezus toeloopt en Hem aanraakt. Thomas raakt Jezus niet aan als zou Jezus een uit de dood teruggekeerd lichaam hebben; zo iets als een levend lijk. De aardse Jezus laat Zich op een heel nieuwe manier ontmoeten. Hij is ook geen geest, geen denkbeeld in de hoofden en de harten van de apostelen zoals zij misschien voor de eerste keer de Heer zagen.
Thomas is de eerste die inziet dat Jezus op een volstrekt Nieuwe Wijze aanwezig is: een mens in Wie Gods Liefde, Licht en Warmte zichtbaar, tastbaar en ervaarbaar wordt. Terwijl Thomas een ‘echt’ mens aanschouwt, verkondigt hij met luide stem de God, Die hij niet kan/kon zien.

Waarom zouden we nog wachten, mijn vrienden, tot er opnieuw slechte tijden [crises] komen? Onze Vader, uw en Mijn Vader heeft u allen lief, ook waar jullie Hem nog niet liefhebben.  Jullie Hemelse Vader wacht op jullie, Hij komt je tegemoet, ook waar je nog niet aan volledig geloven toe bent nog geen antwoord hebt kunnen vinden op Zijn Liefde.
‘”Zie, Ik sta hier voor jullie, leg je hand in Mijn hartstreek en herken dat Ik jullie de Liefde van God verkondig. Ach, waarom grijpen jullie die Liefde niet aan? Kunnen jullie niet geloven? Als je eens wist, hoe Lief Ik, als Zijn Zoon, u allen heb, indien jullie zien konden, hoe Mijn hart overstroomt van Liefde, als een niet aflatende bron – jullie zouden iets kunnen begrijpen van de oneindige tederheid van God . . . . . Waarom grijpen jullie deze Zaligheid niet, Die je wordt aangeboden? Laat los je zelfzucht, laat los je zonden, laat je twijfel, laat je droefheid los. Ik weet heus wel, dat jullie allen bedroefd zijn, Ik zie wel dat de wereld jullie geen vreugde geeft. Ik heb het immers zelf, aan den lijve ondervonden, gekend, de moeheid, de bitterheid, de eenzaamheid van een mensenziel zonder God. Ik weet hoe daar geen vrede woont in uw hart…”.
Hij glimlachte als de Énige, Die alle aardse, menselijke smart gekend en overwonnen heeft en nu weet, dat al het leed van de wereld niets waard is dan slechts een glimlach, een glimlach van medelijden. Gods hart wat Zich bedroeft over onze droefheid.

Voorheen heb ik mezelf ook over m’n smarten bedroefd, vroeger toen ik Jezus Christus, als Heer en Meester van mijn leven, nog niet kende en Zijn vrede nog ‘niet’ gevonden had. Ja, ik weet best wat het is, eenzaam te zijn in de wereld, – alleen, verlaten, miskend, en ik ken dat onduldbaar verdriet, die rusteloze strijd van onvervulde wensen, uitgestelde hoop.
Ik weet, wat het betekent, je vrienden, ja zelfs het Liefste op aarde te verliezen, teleurgesteld te worden in datgene, waarop we ons aardse vertrouwen hadden gesteld . . . . .
Maar ik ben gegaan tot de Mensenvriend, die nooit teleurstelt, ik vond het Hart van de wereld, Dat altijd liefheeft met een onuitputtelijke, onveranderlijke Liefde, Dat me liefheeft, Dat me heeft, nog éér ik Hem zocht . . . . .
Ik vond Hem, Die mijn leven maakt tot een lofzang van dankbare liefde, Hem, mijn Heiland, mijn Koning,  Mensenvriend, Jezus Christus . . . . .
Indien ik ooit heb gezegd, dat ik gelukkig was – het bleek een leugen.
Indien ik door het leven ben/heb rondgelopen met opgeheven hoofd, alsof ik niet moe, niet eenzaam, niet onbegrepen was – het was een leugen, God . . . geloof het niet …
Och we weten immers beiden wel beter. Gij weet hoe zwak ik ben, hoe klein, – veel te klein, om alleen te blijven in deze oneindige wereld . . . . . hoe ook ik hunker naar de liefde van mensen.
Maar ik zal U dat nooit toegeven God, ik zal het nooit erkennen, ik zal door het leven, alsof alles juist zó door mij besteld, zó door mij beschikt was . . . . .
en toch . . . toch God . . . we weten beiden samen wel beter . . . . .

Christus is verrezen/opgestaan;
Hij is waarlijk verrezen/opgestaan en
Hij heeft ons het Leven gegeven,
wij vereren Hem op de derde dag
”.

De vraag blijft: “Gelooft u dit zelf ook?”.

Apolytikion     tn.7
Nadat de steen verzegeld was, o Christus onze God, zijt Gij, het Leven opgegaan uit het graf,
en bij gesloten deuren stond Gij temidden van Uw Leerlingen, als de Opstanding van het heelal,
om door hen in ons de rechte geest te vernieuwen,
volgens Uw grote Barmhartigheid
”.

Kondakion     tn.8
Met zijn nieuwsgierige hand o Christius, onze God,
noch Thomas Uw levenbrengende  zijde betasten,
hoewel Gij binnengetreden wa door gesloten deuren.
Daarom riep hij tot U, tezamen met de andere Apostelen:
Gij zijt mijn Heer en mijn God
”.