Het hoogfeest van Pascha [1]

‘ Bekeert u . . . . .!’.

Broeders en zusters bekeert u, zo zegt de Heer, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij.
    En toen de Sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria (de moeder) van Jacobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
– En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon opging. – En zij zeiden tot elkaar:  ‘Wie zal ons de steen afwentelen van de ingang van het graf?’.
– En toen zij opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer groot.
– En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar.
Hij zei tot haar:
‘’Weest niet ontsteld. Jezus zoekt gij, de Nazarener, de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats, waar zij Hem hebben neergelegd.
Maar gaat heen, zegt aan al zijn volgelingen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u gezegd heeft’.
– En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd” Marc.16: 1-8.

Van de Apostel Paulus hebben wij vernomen, dat Christus door het Geloof in onze harten leeft:
    Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar Wie alle geslacht in de Hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de Rijkdom van Zijn Heerlijkheid, met Kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het Geloof in uw harten woning zal maken. Geworteld en gegrond in de Liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de Liefde van Christus, Die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid van GodEph. 3,14-19.

Het is voorzeker dat men daaruit mag opmaken, dat Christus zolang in onze harten leeft als ons Geloof levend is. Wanneer echter ons geloof dood is, dan is in zekere zin ook Christus in ons dood. Verder zijn het de werken die van het leven van het geloof ‘getuigenis’ afleggen, zoals geschreven staat: “ Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet Mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.
    Indien Ik getuig van Mijzelf, is Mijn getuigenis niet waar; Een Ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is. Gij hebt tot Johannes [de doper] gezonden en hij heeft van de Waarheid getuigd; maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. Hij was de brandende en schijnende lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes [de doper]; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit Zijn stem gehoord of Zijn gedaante gezien en Zijn Woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij nietJohn 5: 30-38Over deze kwestie lijkt ook de apostel Jakobus overeen te stemmen, die de verzekering geeft dat een geloof zonder werken in zichzelf dood is:
      Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert Geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat Geloof hem behouden? Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel en iemand van u zegt tot hen: ‘Gaat heen in Vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hen echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?
Zo is het ook met het Geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt Geloof en ik heb werken. Toon mij dan uw Geloof zonder de werken en ik zal u mijn Geloof tonen uit mijn werken“ Jac.2: 14-18.

Zoals wij namelijk het leven van dit lichaam het feit dat het beweegt, herkennen, zo herkennen wij het leven van het Geloof aan de goede werken. Het leven van het lichaam is dus de ziel, van haar krijgt het beweging en gevoel.
En zo is het leven van het Geloof de Liefde, want door haar werkt het Geloof, zoals U kunt lezen bij de Apostel:
      Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door Liefde werkende. Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de Waarheid niet meer gehoorzaamt? Gal.5: 5-7.
Wanneer dus de Liefde bekoeld is, koud wordt, sterft het Geloof, zoals het lichaam sterft, als de ziel het verlaat. Ziet ge dus iemand die ijverig is in het doen van goede werken en zich in heel zijn levenswandel blijmoedig toont, dan kun je er zeker van zijn, dat in hem het Geloof leeft, want je hebt de onbetwijfelbare bewijzen van dit leven. Maar helaas, sommigen beginnen met de geest, maar eindigen later met het vlees.
Wij weten echter, dat de geest van leven dan niet langer in hen blijft, zoals geschreven staat:                 Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Heer zei:Mijn Geest zal niet altoos in de 
mens blijven, nu zij zich misdragen hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijnGen.6: 1-3. En als de geest niet blijft, dan lijdt het geen twijfel, dat ook de Liefde zal verdwijnen, Die: “      in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven isRom.5: 5.
Overigens laat de Apostel Paulus ons zien, zoals wij reeds zeiden, dat het leven van het Geloof in de Liefde bestaat, wanneer hij zegt dat het Geloof door de Liefde werkt: “      Gij zijt los van Christus, als gij door de wet Gerechtigheid verwacht; ‘buiten’ de Genade staat gij. Wij immers verwachten door de Geest uit het Geloof de Gerechtigheid, waarop wij hopen. Want in Christus Jezus vermag noch besnijdenis iets, noch onbesneden zijn, maar Geloof, door Liefde werkendeGal 5: 4-6Daaruit volgt dus, dat het Geloof sterft als de geest verdwijnt, want ‘het is de Heilige Geest die levend maakt: “     “ De Geest is het, Die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn Leven. Maar er zijn sommigen onder u, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem verraden zou. En Hij zei: ‘Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem van de Vader gegeven zij” John.6: 63-65.

Vervolgens, als wijsheid naar het vlees [kennis] de dood betekent, dan moeten ongetwijfeld zij, over wier leven wij ons verheugden, zolang zij de werken door de Geest van het lichaam doodden, thans als doden beweend worden, nu zij weer naar het vlees leven.
Daarom staat er ook bij dezelfde apostel te lezen: “      Want indien gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven. Want allen, die door de Geest van God geleid worden, zijn zonen [kinderen] van God. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap [kindschap], door welke wij roepen: ‘Abba, Vader’Rom 8: 13-15.
Wat een ongeluk valt u ten deel, wie gij ook bent, wanneer gij als een hond naar zijn braaksel terugkeert of als een schoongewassen zwijn zich weer in de modder wentelt! 2Petr.2: 22; m.a.w. die weer in oud gedrag vervalt.

‘Je bent bekeerd voor de ander . . . . .’

     Ik spreek niet alleen van degenen die naar het lichaam weer naar Egypte terugkeren, maar ook van hen die dit in hun hart doen, doordat zij naar de geneugten van deze wereld streven en zo het leven van het Geloof, dit is de Liefde, niet bezitten.        Ik heb u geschreven, vaders, want gij kent Hem, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het Woord van God blijft in u en gij hebt de boze overwonnen. Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de Liefde van [God] de Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hovaardig [trots zichzelf beter vindend dan de ander] leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid1John.2: 14-17.
Wie is er immers meer dood dan hij die het vuur in het hart, dit is de zonde in zijn geweten, brandend houdt en dit niet voelt, niet ervoor terugschrikt en het niet uitdooft?
Overweeg nu daarom maar eens opnieuw: Christus is in het graf en het dode geloof is in de ziel.
Wat kunnen wij voor Hem doen?
Wat deden de heilige vrouwen die als enige van alle volgelingen met een grotere Liefde bezield waren?
Zij kochten specerijen om daarmee naar het graf te gaan en Jezus, lichaam te gaan zalvenMarc. 16: 1. Deden zij dat om Hem tot leven te wekken?
Ook wij, broeders, weten, dat een opwekking uit de doden niet in onze macht ligt. Onze opgave is het om te zalven. Waarom doen wij dat?
Om te voorkomen dat een mens die in die toestand een verkeerde geur afgeeft, gaat stinken, hij wordt voor zijn omgeving tot een doodslucht, tot ontbinding overgaat en geheel vergaat.
“      Maar God zij gedankt, Die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van Zijn Kennis allerwegen door ons verspreidt, want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam? Want wij zijn niet als zovelen, die winst maken uit het Woord van God, maar wij spreken in Christus uit Zuivere bedoelingen, ja, op Gezag van God en voor Gods aangezicht2Cor.2: 14-17.
De gehele wereld mag weten wat wij doen en hoe wij het doen; open en eerlijk, in gezamenlijk overleg – niemand om ons heen frustrerend.

waterpas, drieledige balans

Vandaar dat de drie vrouwen, dat zijn ‘de geest’, ‘de tong’ en ‘de hand’, specerijen kopen. Hierop heeft naar mijn mening de opdracht die Petrus kreeg, betrekking, toen hem tot driemaal toe werd opgedragen de kudde van de Heer te weiden: ‘Weid hen‘, sprak Jezus, met de Geest, met de mond, met de daad’, dit is: ‘met het gebed van het hart’, ‘met de opwekking van uw Woord’ en ‘door het voorbeeld te geven’; tot een voorbeeld te wezen voor geheel de mensheid.
Onze geest dient derhalve haar welriekende oliën te zoeken:
in de eerste plaats het gevoel van medelijden, vervolgens ijver voor wat rechtvaardig is en daarbij dient men de geest -van verstandig onderscheiden- niet uit het oog te verliezen.
Telkens wanneer je een broeder ziet zondigen, dient er bij U terstond een gevoel van medelijden op te komen. Het is als het ware aan de menselijke natuur verwant, want het komt uit Uzelf voort.
Paulus zegt hierover:        Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. Verdraagt elkanders moeilijkheden; zo zult gij de [Liefdes-]Wet van Christus vervullen. Want indien iemand zich verbeeldt, dat hij iets is, en het niet is, dan vergist hij zich zeer. Ieder moet zijn eigen werk toetsen; dan zal hij slechts voor zichzelf stof tot roem hebben en niet voor een ander. Want ieder zal zijn eigen last dragen. En hij, die onderricht wordt in het Woord, dele van alle goed mee aan wie dat onderricht geeft. Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogstenGal 6, 1-7.
En toen de Heer de stad uittrok en Zijn Groot en Heilig Kruis droeg en enige vrouwen -nog niet alle stammen der aarde – over Hem weenden: “     En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere 
Simon van Cyrene, die van het land kwam en legden hem het Kruis op om het achter Jezus aan te dragen. En Hem volgde een grote menigte van volk en van vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. En Jezus wendde Zich tot haar en zeide: ‘Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen, want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?Luc. 23: 26-31.

Let goed op de volgorde: eerst zegt Hij ‘over Uzelf’ en dan pas ‘over uw kinderen’.
Let op Uzelf om te Ieren met een ander medelijden te ervaren en om hem ‘in een geest van zachtmoedigheid’ te onderrichten.
Let op Uzelf, dat ook gij niet in bekoring komt.

‘Vandaag hij, morgen ik . . . . . .!’.

– Omdat een voorbeeld echter meer overtuigingskracht heeft en diepere indruk maakt op de menselijke geest, wijs ik U op het voorbeeld van een heilige oude man die, toen hij van de zonde van een van zijn broeders gehoord had, in bittere tranen uitbarstte en uitriep: ‘Vandaag hij en morgen ik!’ Meen je, dat iemand die zo over zichzelf weende, geen medelijden had met zijn broeder? Daarom kan dit gevoel van medelijden ‘vele gelovigen en niet-gelovigen’ tot nut zijn, omdat een edel gemoed zich schaamt iemand leed te berokkenen, waarvan het ziet dat deze bezorgd om hem is.

– Wat doen wij echter, als sommigen zo hardnekkig en onbeschaamd zijn, dat zij van ons medelijden en ons geduld des te meer misbruik maken, naarmate wij hun meer medelijden betonen? Moeten wij dan niet op dezelfde wijze, als wij met die broeder medelijden gehad hebben, ook met de gerechtigheid zelf medelijden hebben, die wij zo schaamteloos met voeten getreden zien en zo roekeloos getergd?
Ik weet, dat, indien er Liefde in ons leeft, wij deze verachting van God niet onverschillig kunnen verdragen. Dat is de ijver van de gerechtigheid die ons doet ontvlammen tegenover hen, die overtredingen begaan; in zekere zin worden wij geleid door liefde jegens Gods gerechtigheid die wij veracht zien worden.
Maar het gevoel van medelijden moet in ieder geval voorrang voor zich opeisen, want anders zouden wij in een heftige gemoedsgesteldheid de schepen van Tharsis verpletteren:
    Want zie, de koningen zijn samengeschoold; zij zijn [in vergadering] bijeengekomen. Dit ziende stonden allen verbaasd, zij ontstelden en beefden; zij werden door schrik bevangen, door barensweeën gegrepen. Door een geweldige storm [echter] werden de schepen van Tarsis verbrijzeld. Zoals wij het gehoord hebben, zo hebben wij het ook gezien in de stad van de Heer der Krachten [Heerscharen]” Psalm 47[48]: 5-8.
    Zie, Mijn Knecht, Die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in Wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd: Hij zal de volkeren het Recht openbaren. Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar Waarheid zal Hij het Recht openbaren. Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het Recht zal hebben gebracht; en op Zijn
Wetsonderricht zullen de kustlanden [de Lage Landen] wachtenIsaiah 42: 1-4Wanneer nu echter beide gevoelens aanwezig zijn, namelijk het oprecht gevoel van medelijden en de ijver voor wat Recht is, dan moet ook nog de geest van het verstandig onderscheiden erbij komen; want het zou kunnen gebeuren, dat, waar medelijden getoond dient te worden, de ijver zich op de voorgrond dringt en onberadenheid alles in de war stuurt.
Daarom heeft ons verstand ook de derde specerij nodig, de geest der onderscheiding, zodat het met verschillende omstandigheden rekening houdt door op de juiste tijd ijver te betonen, maar ook op de juiste tijd Vergeving te schenken.
Hij is een echte Samaritaan die er nauwlettend op toeziet, wanneer hij de olie van de barmhartigheid en de wijn van de vurige ijver moet toedienen.
En denkt nu niet dat ik dit bedacht heb. Luister naar de profeet die in een van de Psalmen om hetzelfde en in dezelfde volgorde smeekt: “     Heer, de aarde is vol van Uw Barmhartigheid; leer mij Uw Gerechtigheden. Doe met Uw Knecht, Dienaar, Heer, volgens Uw Woord. Leer mij goedheid, tucht en kennis, want ik geloof in Uw Geboden. Leer mij uw goedheid, tucht en kennis” Psalm 118[119]: 64-67 vert. ROK ’s-Gravenhage