Het Hoogfeest van Pascha [2]

‘Zij kochten specerijen om Hem te komen zalven’

Waar halen wij deze specerijen vandaan?
De bodem van ons hart laat dergelijke planten, die deugden opwekken niet ontspruiten, maar brengt eerder doornen en distels voort:
    En tot de mens zei de Heer, onze God: ‘Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft. En doornen en distelen zal hij u voortbrengen en gij zult het gewas van het veld eten; in het zweet van uw aanschijn zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij weerkerenGen 3: 17-19.
Wij moeten dus de specerijen zien te kopen. Maar wie verkoopt ons zulke specerijen? Juist bij Diegene, Die ons gezegd heeft: “      O, alle dorstigen, komt tot de wateren en gij die 
geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk.  Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan?
Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zal zich in overvloed verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij; hoort, opdat uw ziel zal leven; Ik zal met u een eeuwig Verbond [een contract (af-)]sluiten: de betrouwbare Genadebewijzen van David. Zie, Ik heb hem tot een getuige voor de natiën gesteld, tot een vorst en gebieder der natiën. Zie, een volk dat gij niet hebt gekend, zult gij roepen en een Volk dat u niet kende, zal tot u snellen ter wille van de Heer, uw God en van de Heilige van Israël [de Kerk], omdat Hij u verheerlijkt heeft. Zoekt de Heer, terwijl Hij Zich laat vinden; roept Hem aan, terwijl Hij nabij isIsaiah 55: 1-6.

‘In de Hemelen wordt niet gekocht!’

Jullie weten heel goed, wat de zoetheid van melk en de wrangheid van wijn betekenen. Maar wat dient er onder het ‘kopen zonder zilver of zonder betaling’ verstaan te worden? Bij de minnaars van deze wereld bestaat immers een dergelijk kopen niet, maar bij de Schepper van deze wereld kan er onmogelijk een ander kopen bestaan.  Immers de profeet David zegt tot de Heer: “       Bewaar mij, Heer, want ik vertrouw op U en zeg: Gij zijt mijn God, mijn goederen hebt Gij niet nodig, Voor de heiligen in Zijn Land heeft de Heer al Zijn wonderen gedaan. Zij waren met zwakheid vervuld, maar met Zijn hulp werden zij snel Psalm 15[16]: 1-4.
Welke prijs zal de mens dus aan God voor Zijn Genadegenaden geven, aan Degene, Die geen enkele gave nodig heeft [omdat Hij alles al heeft] en aan Wie alles toekomt? De Genadegaven worden ‘om niet’ geschonken; en ook als wij ze moeten kopen, kopen wij ze ‘om niet’, want: wat daarvoor gegeven wordt, blijft ons behouden als iets beters.
– Wanneer iemand van het volk Israël een enorme schuld had aan iemand – een schuld die zo groot was dat hij in de huidige situatie deze niet kon terugbetalen – dan kon de schuldenaar aanbieden om slaaf te worden van iemand die in zijn plaats de schuld kon betalen.
De schuldenaar werd daarmee slaaf van de persoon die in zijn plaats zijn schuld had afbetaald en vervolgens zou hij deze persoon gaan dienen, soms zelfs levenslang.

Dit is precies wat ons overkomt en met alle christenen. Op een bepaald punt in ons leven, erkennen wij dat wij een enorme en niet terug te betalen zondeschuld bezitten. Daarop hebben wij ons tot onze Heer, Jezus Christus gewend en bieden ons aan Hem aan omdat wij begrepen dat Hij de enige is Die onze schuld kan betalen; wij hebben afscheid genomen van de wereld en al haar onhebbelijkheden. Wij geloven in de Blijde Boodschap dat Jezus aan het Kruis voor alles onze schuld ingelost heeft bij de Vader en wij ons als kinderen van de Vader over Zijn Hemels Koninkrijk mogen verheugen. Christus heeft ons van de schuld van de zonde bevrijd en wij zijn blij en dankbaar om een ‘nieuwe’ Meester te hebben.

Er zijn dus drie welriekende specerijen van de geest. Zij dienen met de munt van de eigenwil [het streven naar nederigheid] betaald te worden worden. Als wij deze daarvoor geven, verliezen wij niets, maar winnen er zelfs nog heel veel bij, want wij ruilen haar in voor iets beters. Wat eigenwil was, wordt nu gemeenschappelijke wil, de christelijke wil, de wil van de Vader, zoals de Vader ons als kinderen graag ziet.
Die gemeenschappelijke Wil bestaat uit de Liefde tot God en de Liefde tot de naasten.
Zo kopen wij ‘zonder betaling’; wij ontvangen iets dat wij niet bezeten en wat wij hadden, behouden wij als iets beters. 
Want wanneer kan iemand aan zijn medebroeder medelijden betonen, die, gevangen in zijn eigenwil, enkel en alleen medelijden met zichzelf heeft?  Of wanneer kan iemand die slechts zichzelf liefheeft, de gerechtigheid liefhebben en de ongerechtigheid haten:
God, Uw Troon is in de eeuwen der eeuwen, een scepter van Gerechtigheid is de scepter van Uw Rijk. Gij bemint Gerechtigheid, maar haat onrecht; daarom heeft God, uw God, u gezalfd met olie van de Vreugde boven uw gezellen. Myron, balsem en kaneel geuren in uw klederen in de ivoren vertrekken, waaruit de koningsdochters u Vreugde verschaffen in uw heerlijkheid. De koningin staat aan uw rechterzijde met een gewaad van goudbrokaat getooidPsalm 44[45]: 7-10.

Zo’n persoon kan voor de ogen van de mensen wel doen ‘alsòf’, ja hij kan zichzelf zèlfs iets voorspiegelen, zodat hij meent dat het om ‘gevoel van medelijden’ en de inzet voor de Gerechtigheid gaat, wanneer hij zich door eigenliefde of persoonlijke haat laat leiden.
Maar het valt gemakkelijk in te zien, hoe vèr datgene wat ‘eigen’ is aan de Liefde, afstaat van de eigenwil, ja dat zij zich juist als haar tegendeel laat zien, want Liefde is goedgunstig en zij verheugt zich niet over onrecht:         Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, 
en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de Liefde niet, het baatte mij niets. De Liefde is lankmoedig, de Liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwaad niet toe. Zij is niet blij over ongerechtigheid, maar zij is blij met de Waarheid1Cor.13: 3-6.

Over de geest van het verstandig onderscheiden weten wij al, dat niets hem zo volledig uitdooft als de eigenwil die het hart van de mensen afkeert en de ogen van het verstand sluit.
Daarom dienen wij, zoals al gezegd is, met de munt van onze eigenwil drie welriekende specerijen voor onze geest kopen:
het gevoel van medelijden
de ijver voor wat recht is en
de geest van het verstandig onderscheid.
Op dezelfde wijze bestaan er ook voor de tong drie welriekende specerijen, namelijk:
gematigdheid in het berispen,
welbespraaktheid in het vermanen en
doeltreffendheid in het overtuigen.
Wil je deze specerijen bezitten?
Koop ze dan van de Heer uw God.
Koop ze, zeg ik, juist zoals de vorige ‘zonder betaling’; je wint erbij zonder iets te verliezen.
Koop van de Heer gematigdheid bij het berispen, want
dit is een heel groot goed en een zeer goede gave en slechts weinigen bezitten haar.
Want de tong”, zo zegt de heilige Jacobus, “kan niemand  bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Met haar loven wij de Heer en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn: uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dit moet, mijn broeders, niet zo zijnJac.3: 8-10.

Je ziet veel mensen, die, ofschoon met een oprechte bedoeling bezield en welwillend gestemd, een lichte opmerking maken waaraan echter zwaar getild wordt. Eén woord vliegt heen en wij kunnen het niet terugroepen. Het had tot genezing moeten dienen, maar omdat het wat te scherp klinkt, verbittert en kwetst het nog meer.
Wanneer zich bij de onverschilligheid ook nog onbeschaamdheid voegt, neemt het ongeduld zelfs nog toe. “Weet dat de tijd nabij is. Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij zal  nog vuiler worden; wie rechtvaardig is, hij zal nog meer uiting geven van Rechtvaardigheid; wie heilig is, hij zal nog meer geheiligd wordenOpenb.22: 11, terwijl “hij zich van slechte woorden bedient om met uitvluchten zijn zonden te verontschuldigingenPsalm 140[141]: 4.
Als een waanzinnige wijst hij -niet slechts- de hand van [de Meester] de Geneesheer af, maar poogt er ook nog in te bijten. Verder zijn er velen, die geen rijkdom aan woorden tot hun beschikking hebben, maar in hun vergeefs zoeken naar woorden “het gevoel hebben dat hun tong aan hun gehemelte blijft plakken” en dus zwijgen” Ezech.3: 26.
Ook dat werkt een groot aantal keren bijzonder ‘schadelijk’ voor degenen, die als toehoorders een antwoord verwachten.
Anderen weer beschikken over een overvloedige rijkdom aan woorden, maar wat ze te zeggen hebben, valt minder in de smaak en wordt minder goed opgenomen. En omdat wat ze zeggen, geen aantrekkingskracht bezit, heeft het weinig uitwerking.
Je ziet, hoe noodzakelijk het is uw specerijen, namelijk
bescheidenheid bij het berispen,
welbespraaktheid bij het vermanen en
doeltreffendheid bij het overreden,
van de Heer te kopen die de Gever is van alle Goed en de bron is van alle Kennis;
      Want als de Heer, uw God tot u zal spreken, dan zal Hij u de mond openen en je zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer der Heerscharen: ‘Wie horen wil, hore. En wie het nalaten wil, late het na’. Want zij zijn een weerspannig geslachtEzech.3: 27.

Koop daarom deze specerijen met de munt van uw schuldbelijdenis, dat wil zeggen: ‘belijd eerst uw eigen zonden, voordat je ertoe overgaat anderen van de hunne te zuiveren’.
Een groot en wonderlijk Mysterie is de opwekking van de ziel.
Zorg ervoor, dat je dit mysterie niet onrein benadert.
Indien je het niet in algehele onschuld kunt, of beter: omdat je dit niet kunt,
Was je handen met de onschuldigen: voordat je het altaar van de Heer nadert. Om het geluid van de Lofzang te horen, om Gods wondere daden te meldenPsalm 26[27]: 6,7.
Met de belijdenis van de zonden wordt alles afgewassen en deze reiniging word je in een zekere zin als onschuld aangerekend, zodat je te midden van de onschuldigen kunt staan.

Tot de heilige dienst op het altaar nadert niemand in zijn dagelijkse kleding, maar al wie wil naderen, dient zich eerst met Christus [een wit kleed] te bekleden. Wanneer jij je dus naar het altaar van de Heer spoedt, was je dan, bekleed je met Hem [trek een wit kleed aan] en bekleed je met het kleed van de Heerlijkheid, zodat er tot je gezegd wordt:
Gij bekleed U met luister en pracht, Gij omhult U met licht als een mantelPsalm 103[104]: 1;
want “Belijdenis en schoonheid zijn voor Zijn Aangezicht; heiligheid en pracht in Zijn heiligdomPsalm 95[96]: 6.
Dit alles wordt u hier voorgehouden om u allen ervan te overtuigen dat
de welriekende specerijen van de tong, namelijk
gematigdheid in het berispen,
welbespraaktheid in het vermanen en
doeltreffendheid in het overtuigen
met de munt van uw Belijdenis van zonden gekocht kunnen worden.

Wij hebben evenwel gelezen en ook in onze dagelijkse ervaring waargenomen, dat wanneer iemands levenswandel geminacht wordt, ook zijn prediking niet serieus genomen wordt. Laat dus ook de hand -haar eigen specerijen- aanschaffen, opdat de wijze niet de spot met ons drijft, om die reden wordt gezegd:“al heeft de luiaard zijn hand in de schotel gestoken, hij brengt ze niet eens aan de mond. Sla je de spotter, dan wordt de onverstandige schrander, tuchtig je de verstandige, hij zal er kennis uit puttenSpr.19: 24,25.
Anders zou degene die jij terecht wijst, kunnen zeggen:
        Indien gij u dan gelovige [christen] laat noemen, steunt op de Wet, u beroemt u op God, dat gij Zijn Wil kent, weet te onderscheiden waarop het aankomt, daar gij onderricht in de Wet geniet en u overtuigd houdt, dat gij een leidsman van blinden zijt, een licht voor hen, die in duisternis zijn, 
een opvoeder van onverstandigen en een leermeester van onmondigen, daar gij in de Wet de belichaming van de Kennis en van de Waarheid bezit, – hoe nu, gij, die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij, die predikt, dat men niet stelen mag, steelt gij?  Die overspel verbiedt, doet gij overspel? Die gruwt van de afgoden, pleegt gij tempelroof? Die u op de Wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de Wet?Rom.2: 17-23

Je bindt namelijk zware en ondraaglijke lasten bijeen en legt ze op de schouders van mensen, maar zelf wil je ze met geen vinger aanraken conf. Matth.23: 4.
Ik zeg U: Een levend en werkzaam woord is het voorbeeld van een daad.
Het geeft onze christelijke bedoeling overtuigingskracht, omdat het aantoont dat
datgene waartoe wij aansporen, ook uitvoerbaar is.
Daarvoor heeft ook de hand haar specerijen nodig:
– zelfbeheersing van het lichaam,
– barmhartigheid tegenover een broeder en
– geduld in de godsvrucht.
Daarom zegt de Apostel: “      Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de Zalige Hoop en de Verschijning van de Heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, Die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid en voor Zich te reinigen een eigen Godsvolk, volijverig in goede werken. Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk: ‘niemand mag u verachten’Titus 2:11-15.

Deze drie,  zelfbeheersing van het lichaam, barmhartigheid tegenover een broeder en geduld in de Godsvrucht zijn voor onze levenswandel onontbeerlijk. De eerste zijn wij verschuldigd aan onszelf, de tweede aan onze naasten en de derde aan God.
Want “ degene, die ontucht bedrijft, zondigt tegen zijn ‘eigen’ lichaam1Cor.6: 18, want hij berooft het van een hoge eer, geeft het aan een angstwekkende en schandelijke ontluistering prijs en neemt een lidmaat van Christus om er een lidmaat van een ontuchtige van te maken” 1Cor.6:15.
Paulus leert echter tevens, dat men zich niet slechts deze verfoeilijke lust, maar van ieder vleselijk genieten dient te onthouden. Zoek dus vooral deze ‘volkomen zelfbeheersing’, die je aan jezelf 
schuldig bent; niemand is je immers zo nabij dan jijzelf. Voeg er vervolgens de goddelijke barmhartigheid aan toe die jij de naaste verschuldigd bent, want ‘met hem’ dien jij gered worden. Tenslotte ook nog het geduld dat je aan God verschuldigd bent, want door Hem moet je gered worden. “      Gij daarentegen hebt volle aandacht geschonken aan mijn onderricht, wijze van doen, bedoeling, Geloof, Lankmoedigheid, Liefde, Volharding, [in Christus] vervolgingen en lijden, zoals mij getroffen hebben te Antiochie, te Ikonium en te Lystra. Al die vervolgingen heb ik doorstaan en de Heer heeft mij uit alle gered. Trouwens, allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden. Maar slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid. Blijf gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij het hebt geleerd en dat gij van kindsbeen af de [Blijde Boodschap] Heilige Schriften kent, Die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het Geloof in Christus Jezus2Tim.3: 10-15. Daarnaast vergeet niet, dat het uw opdracht is: “      De zielen van de volgelingen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het Geloof en dat wij [slechts] door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaanHand. 14: 22.

Zie er derhalve op toe dat je niet door gebrek aan geduld te gronde gaat, maar alles verdraagt voor Hem, Die het eerst veel ergere dingen voor jou doorstaan heeft en bij Wie jouw geduld niet zonder vrucht zal zijn, zoals ook de profeet zegt: “     Want niet ten einde toe wordt de arme vergeten: de verwachting van de ellendigen zal niet voor immer vergaanPsalm 9: 19

Deze drie welriekende specerijen voor de hand moeten wij met de munt van de volgzame onderdanigheid kopen. Want zij is het die onze schreden leidt en ons de Genadegave van een Heilige levenswandel verwerft. Wanneer wij immers in onze ledematen een tegenstrijdige Wet ten gevolge van de ongehoorzaamheid bespeuren conf. Rom.7: 23, wie weet dan niet, dat de gehoorzaamheid zelfbeheersing schenkt?
Het is ook deze deugd die de Barmhartigheid weet te ordenen en zij is het die geduld leert en schenkt. Ga met deze welriekende specerijen naar degene, in wie het geloof dood is.
Wij dienen hierbij te bedenken, wat voor een groot werk het voor ons is om zo iemand op te wekken, hoe moeilijk is het dan niet om slechts bij zijn hart te komen dat vergrendeld is door steenharde halsstarrigheid en schaamteloosheid?
Dan moeten ook wij, zo is het christelijke uitgangspunt, op dat moment zeggen:
Wie zal ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?Marc.16:13
Terwijl wij echter, zo door vrees bevangen, ervoor terugdeinzen om tot zo’n hart te naderen, wanneer wij voor een zo groot Mysterie aarzelen, gebeurt het zo nu en dan, dat Gods oor, vol Goedheid en Liefde zoals steeds, de voorbereiding van ons hart waarneemt en dat op Zijn Machtig Woord een dode tot het Leven verrijst/opstaat. En zie dan vervolgens, dat een engel des Heren met een ‘van vreugde stralend’ gelaat aan ons verschijnt bij de ingang van het graf en een zeker Lichtende Glans duidt de Opstanding aan. Men ziet duidelijk dat de trekken van zijn gelaat veranderd zijn. Hij stelt de toegang tot zijn Hart voor ons open, ja Hij roept ons tot Zich; hij wentelt zelf de steen van
zijn hardnekkigheid weg en gaat erop zitten.

schiermonnik

  Wanneer zó het Geloof weer tot Leven gewekt is, toont het ons zelfs de doeken waarin het eens gewikkeld was. Tegelijk laat het ons alles zien wat er zich vroeger in het hart afspeelde, het spreekt uit en belijdt hoe het zichzelf in het binnenste had begraven; en zijn lauwheid en nalatigheid erkennend zegt het: “Komt en ziet de plaats waar de Heer was neergelegdMatth.22: 6.
conf. lessen van broeder Romero [Hakvoort], de Schiermonnik

      Broeders, zusters ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de Wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Aan God zij dank door Jezus Christus, onze Heer! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zondeconf. Rom.7: 18-26.

Hymne op paaszaterdag i.p.v. alleluia voorafgaand aan het Evangelie:
God staat in de goddelijke raad, in hun midden oordeelt Hij goden. Hoelang nog zult ge onrechtvaardig oordelen en zijt ge partijdig voor zondaars

Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Doe recht aan wezen en zwakken, wees gerecht voor seringen en armen. Verlos de behoeftige, bevrijd de arme uit de hand van de zondaar”.

Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

  Zij weten niets en begrijpen niets, zij tasten rond in het duister. Alle grondvesten der aarde wankelen en worden geschokt”.

“ Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

“ Ikzelf heb gezegd: gij zijt goden, allen zijt ge zonnen/dochters van de Allerhoogste. Toch zult ge sterven als mensen, als elk ander vorst zult ge vallen”.

“ Sta op, o God, oordeel de aarde, want alle volkeren behoren U toe”.

Hymne paaszaterdag i.p.v. Cherubijnenlied:
Dat alle vlees nu dient te zwijgen en staande met vrees en ontzag, niets aards in het hart meer niet te denken. Want de Koning der koningen, de Heer der heersers nadert nu, als offer ter slachting, tot spijzen van de gelovige Christenen. Amen.
. . . . .
Voor Hem schrijden de Koren der Engelen, de Vorstendommen en de Machten, de Cherubijnen en Serafijnen, terwijl zij hun aangezicht bedekken en de lofzang jubelen: Alleluia, alleluja, alleluja
“.

Christus is verrezen
Hij is waarlijk verrezen

Heer, laat Uw Gemeenschap Zich altijd verheugen nu de oorsprong van de ziel is vernieuwd, zodat het [gelovige volk] dat
nu zijn vreugde vindt in het herstel van de Glorie van de geestelijke aanneming,
met vaste Hoop op – het Hemels Geluk in U –
uitziet naar de dag van de Verrijzenis.