Palmzondag – Orthodoxie & Lazarus zaterdag als voorfeest van Palmzondag [1]

Als Heer en Meester van het Leven, geeft Christus bevelen.

Het lijden van God is voor ons mensen niet te begrijpen, toch heeft God Zijn Zoon als mens tot ons gezonden en deze heeft als mens, het lijden op zich genomen. Strikt genomen betekent dit dat de mensgeworden God kan lijden en Hij doet dit inderdaad ook, maar God in Zichzelf niet. In het Oude Testament wordt, lang vóór de Incarnatie, over God gezegd: “Zij verwijderden de vreemde goden uit hun midden en dienden de Heer; toen kon de Heer de ellende van Israël niet langer aanzien” [Ri.10: 16].
Tevens worden God dergelijke woorden in de mond gelegd:
Is Efraïm Mij een lievelingszoon, een troetelkind, dat Ik, zo vaak als Ik van hem spreek, gedurig weer aan hem denken moet? Daarom is Mijn binnenste over hem ontroerd, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, luidt het woord des Heren” [Jer.31: 20]. En “  Hoe zou Ik u prijsgeven, Efraïm, u overleveren, Israël? Hoe zou Ik u prijsgeven als Adma, u maken als Seboïm? Mijn hart keert zich om in Mij, ten volle wordt Mijn Erbarmen opgewekt. Ik zal mijn brandende toorn niet ten uitvoer brengen. Ik zal Efraïm niet verder verderven. Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed” [Hos.11: 8,9].
     Indien deze passages een betekenis hebben, dan moet het wel deze zijn dat, zelfs voor de Incarnatie, God Zich onmiddellijk betrokken voelt bij het lijden van Zijn Schepping. Onze zorgen doen God verdriet; de tranen van God voegen zich bij die van de mens.
Een juist begrip van deze apophatische benaderingswijze [Grieks ”αποφασεις“ = ontkenning, die niet ontkent, maar gebruikt de ontkenning als afbakening van de verklaring om de waarheid van het Geloof of dogma van de fundamenteel onbegrijpelijk God te verduidelijken] zal er ons natuurlijk voor behoeden God zomaar menselijke gevoelens toe te schrijven. We mogen toch wel bevestigen dat: ‘De ware Liefde andermans lijden tot de zijne maakt’ – letterlijk tot mede-lijden. Wanneer dit waar is voor de menselijke liefde dan geldt dit zeker voor de Goddelijke Liefde. God is immers Liefde en Hij heeft de wereld immers geschapen als een liefdesdaad en omdat God ons persoonlijk nabij is, heeft Hij eveneens een persoonlijk medeleven en kan Hij onmogelijk onverschillig blijven tegenover de zorgen van de gevallen wereld.
Wanneer ik als mens onberoerd blijf door iemands angsten, in hoeverre hou ik dan wel echt van hem/haar? Hoe zou God het dan niet begaan zijn met de angsten van Zijn Schepping?

       Wij gaan dit weekend de grote en Heilige Lijdensweek in en worden geconfronteerd met de dood van een van de trouwste volgelingen van Christus. Vanaf hun eerste ontmoeting was Lazaros’ Geloof in Christus sterk ge­weest; zijn liefde voor Hem was innig, en hij was zeer geliefd bij de Heiland. Het was voor Lazarus, dat het grootste wonder van Christus werd verricht. De Heiland zegende allen die Zijn hulp zochten; Hij heeft de gehele mensheid lief, maar met sommigen is Hij door een bijzonder liefderijke omgang verbonden. Zijn hart was door een sterke band van genegenheid verenigd met het gezin in Bethanië, en voor één van hen werd Zijn grootste wonderwerk verricht.

“Waarlijk zalig zijn zij die het Woord Gods beluisteren,
het bewaren in hun hart en het onderhouden” Luc.11: 28.

      Er was iemand ziek, Lazarus van Bethanie, het dorp van Maria en haar zuster Martha. Maria was het, die de Heer gezalfd had met Myron en Zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek. De zusters dan zonden Hem bericht: ‘Heer, zie, die Gij liefhebt, is ziek’. Toen Jezus het hoorde, zei Hij: ‘Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt zal worden. Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief.
Toen Hij dan hoorde, dat hij ziek was, bleef Hij daarop nog twee dagen ter plaatse, waar Hij was; daarna echter zei Hij tot zijn discipelen: Laten wij weer naar Judea gaan. ‘De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat Gij opnieuw daarheen? Jezus antwoordde: ‘Gaan er geen twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is’. Zo sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: ‘Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken’.
De discipelen zeiden dan tot Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij herstellen. Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde.
Toen zei Jezus ronduit tot hen: ‘Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot Geloof komt; maar laten wij tot hem gaan’.
Thomas dan, genaamd Didymus, zei tot zijn medediscipelen: ‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven’. Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag. Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem gelegen, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele uit de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haar broeder. Toen nu Martha hoorde, dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet, doch Maria bleef in huis zitten. Martha dan zei tot Jezus: ‘Heer, indien gij hier geweest zou zijn, zou mijn broeder niet gestorven zijn. Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God begeert’. Jezus zei tot haar: ‘Uw broeder zal opstaan’. Martha zei tot Hem: ‘Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage’. Jezus zei tot haar: ‘Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat? Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer, ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zoon van God, die in de wereld komen zou. En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte en zei: ‘Daar is de Meester en Hij roept u’. En toen zij dat hoorde, stond zij ijlings op en ging tot Hem; Jezus echter was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats, waar Martha Hem ontmoet had. De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende, dat zij naar het graf ging om daar te wenen. Toen Maria dan kwam, waar Jezus was en Hem zag, viel zij Hem te voet en zeide tot Hem: Heer, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn.
Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar meegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zei:  ‘Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie.     –  Jezus weende  -.
De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, Die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf? Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan. Jezus zei: Neemt de steen weg! Martha, de zuster van de gestorvene, zei tot Hem: ‘Heer, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag’. Jezus zei tot haar: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?’.
Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei: ‘Vader Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt’.
En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luide stem: ‘Lazarus, kom naar buiten!’.
De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zei tot hen: ‘Maakt hem los en laat hem heengaan’. Vele van de Joden dan, die tot Maria gekomen waren en aanschouwd hadden wat Hij gedaan had, geloofden in HemJohn.11:1-45.

Christus sprak tot de ziel: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ . . . . . en ‘maak hem [uit Liefde /Licht van God voor deze mens] los [van de zelf- en oorlogs-zuchtige dood] en laat hem heengaan!’.

Niet lang vóór deze gebeurtenis hadden de vijanden van Christus Hem beschuldigd van godslastering, en hadden stenen opge­nomen om naar Hem te werpen, omdat Hij beweerde de Liefdevolle Zoon van God te zijn. Zij beschuldigden Hem ervan, dat Hij wonderen verrichtte door de kracht van Satan. Maar hier beweert Christus, dat God Zijn Liefdevolle Vader is, en met een volmaakt vertrouwen in Zijn Liefde voor de mens verklaart Hij, dat Hij de Zoon van God is. In alles wat Hij deed, werkte Christus Liefdevol samen met Zijn Vader. Steeds had Hij ervoor gezorgd, duidelijk te doen uitkomen, dat Hij niet ‘op eigen [menselijke] Kracht werkte; door ‘Geloof en Gebed’ verrichtte Hij Zijn Goddelijke wonderen.
Chris­tus verlangde, dat alle kinderen Zijn verhouding tot Zijn Vader zouden kennen. “Vader“, zei Hij, “Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt”.
John.11: 41,42

Christus pleegt dus overleg met de Vader, doet niets op eigen houtje, uit eigen inzicht. Het belangrijkste is dat hierbij Zijn volgelingen en het gehele Israëlische Volk het meest overtuigende bewijs ont­vangen omtrent de Liefdevolle Verhouding die er bestaat tussen Christus en God. En tevens wordt hun/ons aangetoond, dat de bewering van Christus absoluut geen mis­leiding is; Hij is de Zoon van God, Die de mensen lief heeft.

Broeders en zusters,
Laten wij derhalve, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem aangename wijze met eerbied en ontzag, want onze God is een verterend vuur. Laat de broederlijke liefde blijven. Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen, zonder het te weten, engelen onderdak bezorgd.  Denkt aan de gevangenen, alsof gij met hen gevangen zou zijn; aan hen, die mishandeld worden, als [mensen], die ook zelf een lichaam gekregen hebt. Het huwelijk dient bij allen in ere te worden gehouden en het bed onbezoedeld, want ontuchtigen en echtbrekers zal God oordelen.  Laat uw manier van doen onbaatzuchtig zijn, weest tevreden met wat gij hebt. Want Hij heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten’.
Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: ‘De Heer is mij een helper [Psalm 22[23], ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen’? Houdt uw voorgangers in gedachtenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; ‘let [vooral] op het einde van hun wandel en volgt hun Geloof na [en niet hun streken]. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Hebr.12: 28 -13: 8

Opnieuw wordt de mens weer eens aangetoond dat hij/zij zich vrijwillig in liefde als christen met God dient aan te bieden en samen te werken met zijn naasten. De mens dient zich in te zetten voor de ander, min of meer te lijden voor de medemens. Lazarus wordt ontbonden en staat voor de schare, niet als iemand die uitgeteerd is als gevolg van een ziekte en zwak en wankel in de benen is, maar als een mens in de bloei van zijn leven, als een mens die zich op het hoogtepunt van zijn kracht bevindt. Zijn ogen stralen van begripsvermogen en liefde voor Zijn Heiland. Hij werpt zich in aanbidding aan de voeten van zijn Heer en Meester, Jezus Christus, de Verlosser.

En zij, die het als toeschouwers hebben gadegeslagen zijn aanvankelijk sprakeloos van verbazing, dan volgt er een onbeschrijfelijk toneel van vreugde en dankbaarheid. De zusters ontvangen hun broer terug in het leven als een geschenk van God en met tranen van vreugde brengen ze stamelend hun dank aan de Heiland onder woorden. Maar terwijl broeder, zusters en vrienden zich verheugen over deze hereniging, trekt Jezus Zich in gebed terug. Wanneer zij omzien naar de Leven-schenker, blijkt Hij onvindbaar.

God dringt er niet op aan noch wenst Hij, dat wij zouden treuren met pijn in ons hart; het is eerder Zijn wens dat wij, uit liefde tot Hem, in onze ziel vreugde en glimlach zouden kennen. Neem de zonde weg en tranen worden overbodig; want waar geen verwonding bestaat, is ook geen genezing [zalf] nodig.
Vóór de zondeval heeft Adam geen tranen gekend en zo zullen er ook na de Opstanding uit de doden, wanneer de zonde vernietigd zal zijn, geen tranen meer bestaan. Want pijn, zorgen en tranen zullen dan verdwenen zijn
”. Heilige Johannes Climacos

Bethanië [“Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen”] lag zo dicht bij Jeruzalem,[“Stad van Vrede”] dat het nieuws van de opwekking van Lazarus al spoedig naar de stad werd overgebracht. Door de spionnen die getuigen waren geweest van het wonder, kenden de Joodse leiders al spoedig de feiten;
die hadden geen behoefte aan Gods Liefdevolle bevrijding. Terstond werd een vergadering van het Sanhedrin belegd om te besluiten wat zij zouden doen. Christus had nu Zijn Goddelijke Macht over ‘dood en graf’ volledig aan de wereld getoond. Dat machtig wonder was het doorslaggevend bewijs, door God aan de mensen gegeven, dat Hij Zijn Zoon naar de wereld had gezonden om hen te redden.

Het was een Openbaring van de Kracht van God, die voldoende was om iedere geest die beheerst wordt door gezond verstand en verlicht geweten, te overtuigen. Velen, die getuigen waren/zijn van de Opwekking van Lazarus, werden tot het Geloof in Jezus gebracht.
Maar het wekte de haat van de priesters tegen Hem nog meer op; nu waren ze erg ongerust geworden hun Macht en betweterigheid werd aangetast. Zij dienden als geestelijk leiders de wijsheid in pacht te hebben, door een paar woorden van Christus was hun theorie omvergeworpen. Er was aange­toond, dat zij, zowel wat betreft de Schriften alsook de Macht van God, onwetend waren. Zij zagen geen mogelijkheid om de indruk die dit wonder op het volk gemaakt had, weg te nemen. Hoe kon men bewerkstelligen, dat mensen zich afwendden van Hem Die erin was geslaagd het graf van zijn dode te beroven?

Leugenachtige verhalen werden in omloop gebracht, maar het Godswonder kon niet worden ontkend, en zij wisten niet, hoe ze de uitwerking daarvan zouden kunnen tegengaan.
Tot dusverre hadden zij het plan om Christus ter dood te brengen, niet aangedurfd. Maar na de opwekking van Lazarus besloten zij, dat alleen door Zijn dood Zijn onverschrokken aanklachten tegen hen tot een einde ge­bracht konden worden. 
Zij hadden alle mindere aanwijzingen van Zijn Goddelijkheid verworpen en zij waren alleen maar woedend door dit nieuwe Wonder. De dode was in het volle daglicht opgewekt en in tegenwoordigheid van een schare van getuigen. Geen list zou een dergelijk getuigenis kunnen wegredeneren. Juist vanwege deze reden werd de vijandschap van de priesters nog dode­lijker. Zij waren meer dan ooit besloten om een einde te maken aan het Goddelijk Werk, de Verkondiging van de Blijde Boodschap van Christus.