Orthodoxie & onderwijs

Orthodoxe Les

Luister, mijn zoon, naar de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw moeder niet; en een wijze zoon doet zijn vader zich verheugen, maar is hij een dwaas, dan is hij een bekommering voor zijn moederSpr.1: 8; 10: 1.

Zo worden onze zonen gewaarschuwd voor lichtzinnige vrouwen, die gladde praatjes hebben en wreed zijn. Bij zulke mensen dien je uit de buurt te blijven; al spreekt het boek spreuken niet over
mannen met gladde praatjes en hun slechte invloed op jongeren – want die kwamen in die tijd ook voor.
De nadruk van de kennisoverdracht is hier echter van man tot man, omdat de man het in de Joodse cultuur het voor het zeggen had en daar heeft de hiërarchieke structuur van de Kerk nog steeds last van. De negatieve stereotypes over de vrouw vliegen je om de oren, maar ik ken genoeg collega’s die voor de vrouwen niet onder doen. 
De verleidelijke man/vrouw wordt omschreven als een ‘lichtzinnig’ en ‘afgedwaald’ verachtelijk mens, die menigeen op het ‘verkeerde been’ heeft gezet. Dit soort personen onttrekken zich niet alleen aan de gemeenschap, doch bedreigen eveneens het bestaan van de Kerk. Zij hebben hun vroegere verbintenis [Verbond] verbroken en Christus’ onderwijs verlaten en daarmee ook God. “        Die de echtvriend van haar jeugd verlaat en het Verbond van haar God vergeet; want haar huis zinkt weg naar de dood, haar paden voeren naar de schimmen; niet een van allen die tot haar gaan, keert weer en zij bereiken de paden van het Leven nietSpr.2: 17-19.
Het is goed te beseffen dat spreuken uit de Blijde Boodschap altijd een onderliggende aanwijzing bevatten. Ze gelden niet alleen voor de specifieke situatie, die ze beschrijven, maar ze hebben ons veel méér te zeggen; –
‘pas op’-, dat ook jij niet afdwaalt van de Kerk en van de verbintenis, waarmee jij jezelf met Christus hebt bekleed. Ontrouw aan Chrisus’ Lichaam staat voor een gelovige gelijk aan ontrouw aan God. De lessen, die je hier voorgehouden worden gaan véél dieper dan jij denkt. Wijsheid staat hier voor jou als mens en staat direct tegenover het begrip dwaasheid.

Het thema van de boekenweek is ‘Verboden vruchten’; het lijkt haast een vrijbrief om ongegeneerd je gang te laten gaan en over overspel en verleiding als normaal te spreken. De begrippen ‘beproeving‘, ‘verzoeking‘ en ‘verleiding‘ liggen dicht bij elkaar. In het Grieks, de taal waarin het Nieuwe Testament oorspronkelijk is geschreven, worden deze begrippen zelfs met hetzelfde woord beschreven, [πειρασμός].
⁌ Elke beproeving is tegelijk een verleiding om een gelovige niet langer op God te laten vertrouwen, maar op z’n eigen kunnen, z’n eigen verlangens, eigen ideeën en vermogen. Terwijl de satan door beproevingen probeert jou tot zonde te verleiden, is het juist God’s uitgangspunt jou hier sterker door maken, doordat je in Zijn kracht leert te overwinnen na een innerlijke strijd.
⁌ Elke verleiding is daarmee tegelijk een beproeving, want het is een test waaruit zal blijken in hoeverre je toegewijd bent aan God. Het laat zien of je een geestelijke ruggengraat hebt; het is een test op de geestelijke kracht, die jij bezit. Verleidingen kunnen heel gevaarlijk zijn, omdat ze zich meestal richten op je zwakke plekken. De zwakke plekken vinden hun fundament in de hoogmoed, want het ontbreken aan deemoed, doet je opstaan tegen de Vaderlijke begeleiding van God.
Het WorldWideWeb van verleidingen welke volledig beheerst wordt door de satan en zijn trawanten speelt in op onze zelfzuchtige begeerten. Het is een ongelofelijk doortrapte en indringende, grote macht en zeker als westerse christenen zijn we blind, vaak stekeblind voor de macht die de satan via een verziekte maatschappij ook op ons uitoefent.
Christenen in landen met veel vervolging bidden voor gelovigen in het welvarende westen, omdat die ‘zó zwáár’ te lijden hebben onder verleidingen. Vervolgde christenen zijn ervan overtuigd dat hun eigen verdrukkingen minder bedreigend en minder dodelijk zijn dan de verleidingen waar vrije, westerse christenen aan blootgesteld worden.
En dan te bedenken dat de meeste christenen in de welvarende landen niet eens ‘dóór hebben’ dat ze grote problemen hebben, zo slim is de tegenstrever.
Via je zintuigen word je vaak geprikkeld om iets te doen waardoor je behoeften, verlangens, begeerten of hartstochten worden bevredigd. God heeft jou een vrije wil gegeven om zelfstandig keuzes te maken en de grote vraag is: hoe ga ‘jij’ om met die keuzevrijheid. Een verleiding zorgt voor een soort tweestrijd: ga je God gehoorzamen of volg je het dringende advies van je eigen ik? Ieder mens is zèlf verantwoordelijk om zondige begeerten te weerstaan. De satan heeft Adam en Eva niet naar de verboden vruchten aan de boom van kennis van goed en kwaad gelokt, maar ze waren er zelf naar toe gelopen en dat was een gevaarlijke misstap. Daar gaf de duivel zijn aanwezigheid niet aan als met een giftig bijtend klein slangetje, maar deed hij zichzelf poeslief voor als een schattig roodborstje of een lammetje uit eigen gelederen. Mensen, die gewend zijn aan verleidingen toe te geven, zijn nogal eens geneigd anderen erin mee te slepen, het moet toch wel kunnen, ach, één keertje kan toch geen kwaad. Bekend is dit bij mensen die verslaafd zijn aan roken, alcohol of drugs. Zij oefenen vaak groepsdwang op anderen uit om mee te doen.
Christus -en Christus niet alleen- velt een ongekend hard oordeel over mensen die anderen tot zonden verleiden; een grotere ontluistering is haast niet denkbaar. Christus laat tevens zien dat het verleiden van anderen een zwaar oordeel oproept, speciaal het verleiden van kinderen: 
En wie een van deze kleinen, die geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpenMarc.9: 42.
Bij het voorgaande kun je ook denken aan het verleiden van mensen die niet zo sterk in hun schoenen staan. Verleidingen vormen over het algemeen een groter gevaar voor iemands geestelijk welzijn dan beproevingen. Naar verhouding wordt er weinig aandacht geschonken om gelovigen te wapenen tegen verleidingen of om hen te helpen als ze ermee worstelen. Dat komt ook doordat mensen hun problemen met verleidingen meestal verborgen houden. Catechese heb ik niet nodig, dat is voor de ander, die net komen kijken; ik weet alles al, ik loop al langer mee. Het blijkt ook gemakkelijker om pastorale hulp te vragen bij beproevingen dan bij verleidingen. Beproevingen lijken je meestal te overkomen, terwijl een worsteling met verleidingen altijd een schaamtegevoel geeft. Daardoor vertel je het niet graag aan anderen als je er een probleem mee hebt. Toch is het juist zo belangrijk om ondersteuning te vragen voordat je erin vastloopt.

Wie de strijd niet schuwt, doet er goed aan zo nu en dan z’n uitrusting eens te laten inspecteren aan de hand van datgene wat de Apostel Paulus schrijft. In het laatste hoofdstuk van zijn brief aan de inwoners van Ephese wijst hij op de wapenuitrusting, waar alle vurige pijlen van de boze op afketsen. De uitrusting, die Paulus noemt is voor het overgrote deel bestemd voor de verdediging en beschutting.
⁌ Er is slechts één aanvalswapen bij: het zwaard van de Geest en dat is het Woord van God. Met dit aanvalswapen presenteert Christus Zich aan Zijn volgelingen: “Ik ben het tweesnijdend zwaard”. Dat zwaard heeft Christus in de mond: het is het symbool van Zijn tong, Die het Woord Gods spreekt.

Mijn docent aan de middelbare school was gewoon te zeggen:” Jongens, wanneer je last hebt van de tegenstrever, moet je één van de Psalmen gaan reciteren; daarvoor gaat hij op de loop”; ik kende dit al, want mijn moeder had mij geleerd een kruisteken te maken. De gehele hel gaat aan de haal voor de Psalmen van David. Soms gingen we onder de les boekhouden een lied zingen; daarmee leerde je dat we altijd christelijk dienden te rekenen. Je zit namelijk zo gauw naar jezelf toe te rekenen en de duivel kruipt maar wat graag in getallen. Ook getallen van kerkelijke begrotingen en balansen, vooral die op hoger niveau.
      Zou mijn ziel zich niet aan God onderwerpen, door Hem komt immers mijn heil. Ja, Hij is mijn God en Mijn Heiland en mijn steun; ik zal niet langer wankelen. Hoe lang stort gij u op een mens als op een hellende wand of een vervallen muur; gij zijt allen moordenaars. Waarlijk, zij zijn besloten mijn eer omver te halen; dorstig moest ik vluchten. Zij zegenden met hun mond, maar verwensten met hun hart. Mijn ziel, onderwerp u volkomen aan God, want van Hem komt mijn geduld. Ja, Hij is mijn God, mijn Heiland en mijn steun; ik zal niet verbannen worden. In God is mijn heil en mijn heerlijkheid; Hij is de God van mijn hulp, ik vertrouw op God. Vertrouw op Hem, gehele gemeenschap van de Kerk, stort uw hart uit voor Zijn aangezicht, want God is onze Helper. Waarlijk ijdel is het geslacht der mensen; bedrieglijk zijn de mensenkinderen. In de weegschaal blijkt hun onrecht, alle tezamen zijn zij ijdelheid. Stel geen vertrouwen op onrecht, haak niet naar plundering; wanneer rijkdom u toevloeit, zet uw hart er niet op. Eens en voor immer heeft God gesproken en twee dingen heb ik gehoord: dat de Macht toekomt aan God, maar evenzeer de Barmhartigheid aan U, o Heer; en dat Gij eenieder zult vergelden naar zijn werken”.
Psalm 61[62] vert. ROK ’s-Gravenhage
Met de Blijde Boodschap de duivel en zijn mallemoer bestrijden is geen magie, iets wat betoverend is; zo bedoel ik het ook niet – een tekst is geen toverspreuk. Maar wie stonden er ook weer letterlijk in hun hemd, toen ze dat probeerden:
      En ook enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders waagden het over hen, die zulke boze geesten hadden, de Naam van de Heer Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt. Het waren nu zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden. Maar de boze geest antwoordde en zei tot hen: Jezus ken ik en van Paulus weet ik maar wie zijt gij? En de mens, in wie de boze geest was, sprong op hen af, overweldigde hen tezamen en bleek zoveel sterker dan zij, dat zij zonder kleren en gewond uit 
dat huis moesten vluchten. En dit werd bekend aan allen, Joden en Grieken, die te Ephese woonden en vrees overviel hen allen en de Naam van de Heer Jezus Christus werd grootgemaakt; en velen van hen, die gelovig geworden waren, kwamen hun schuld belijden en uitspreken wat zij bedreven hadden. En enigen van degenen, die toverkunsten hadden uitgeoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwen van allen. En men berekende de waarde ervan en stelde die vast op vijftigduizend zilverstukken. Zo wies het woord des Heren krachtig en het werd sterkerHand.19: 13-20.
De duivel heeft een imitatie-zwaard, hij gebruikt de Blijde Boodschap immers ook en soms ook de geestelijkheid. Wanneer een geestelijke op geld belust is en zich voor zijn diensten [als duiveluitdrijving] rijkelijk laat belonen, klopt er iets niet. Hier wordt zwart gespeeld, terwijl God speelt met ‘openlijk’ witte stukken, iedereen mag de boeken controleren. De duivel gebruikt precies dezelfde woorden als God. God heeft gezegd, dat de engelen ons zullen bewaren, maar de duivel zei dat ook . . . . . om onze Heer Jezus Christus te verzoeken.
Wij kunnen er zeker van zijn, dat in de hel door theologisch geschoolde demonen hard wordt gewerkt aan een korte verklaring van de Blijde Boodschap en aan wetenschappelijke commentaren. De duivel zet de teksten over de verkiezing op de plaats van roeping; hij behandelt het goddelijk geduld onder het dogma der bekering en schrapt daar: “Héden, zo gij Zijn stem hoort, verhard u niet”. Naar aanleiding van de geboden aan Mozes schrijft hij :” de verborgen dingen zijn voor de Heer, onze God” en op de voorpagina van de catechese: “Die geloven, haasten niet”.
“Vreest niet” [voor God] wordt bij de tegenstrever:”Vreest niet voor de zonde!” Er is in de hel een theologische opleiding, waar met scherp intellect aan geloofsleer wordt gewerkt en waar de namaakzwaarden worden geslepen.

lieflijk roodborstje als twitter-‘demon’.

Dat er in onze tijd een ontzettend gebrek is aan bijbelkennis, behoeft geen uitvoerig betoog – godsdienstles is verworden tot maatschappelijke vaardigheden; de middelbare school tot een samenraapsel van  pretpakketten en het bijzonder onderwijs groeit naar het openbare, vrijzinnige.
Wij kennen de Blijde Boodschap niet meer in z’n grote verband. Allerlei waarheden worden verwrongen  en wij bekommeren ons niet omtrent de gevolgen. Bij veel christenen houdt de kennis over hun religie op bij de hoofdfeesten, Pasen en Kerst en dat alleen voor zover zij nog geen Paasbrood en eieren of Kerst-stol mogen nuttigen. Carnaval heeft wèl de volle aandacht, want in die periode worden alle grenzen van het genot oerschreden. Wij strijden niet meer met het zwaard van de Heilige Geest, door dagelijks tenminste tienminuten de teksten van de Blijde Boodschap tot ons te nemen, maar storten ons op het nieuws en het weerbericht, waar we al de ellende van de wereld over ons heen krijgen. De verdieping in Gods Woord leert ons niet alleen dat er in Gods Vaderhuis vele woningen zijn, maar leert ons tevens de geschiedenis der mensheid kennen met haar talloze duistere lanen en afwijkende zijpaden. Christus weet waar wij verblijven en ook de gevaarlijke situaties waarin wij ons bevinden. Het hoofdkwartier van de tegenstrever ligt vlak naast de kerk, we leven niet alleen in het jachtgebied van de duivel, maar bevinden ons in het hol van de leeuw. Als de kerkklokken luiden, ontwaken de duivelen: met de geestelijkheid glipt er iedere zondag een optocht tegenstrevers vanuit de hel door de kerkdeur. Dan is het zo fijn wanneer wij onze land-, geestgenoten ontmoeten en dienen dringend al de wetenswaardigheden uit te wisselen. De duivel verlicht de hel als de hemel, doet zich voor als een figuur uit Disneyland; pas als we verloren zijn, draait hij de knop om en blijken we in een hel terecht gekomen te zijn. Voor slechts weinige mensen is de donkere kant van het leven een dagelijkse verzoeking; er zijn echter ook christenen voor wie allerlei duistere gelegenheden helemaal geen verzoeking zijn; ze lopen met een grote bocht om de duivel heen. Met zelfhandhaving en pijnlijke herinnering, wrok kan een duivel ons beïnvloeden, terwijl we bezig zijn christelijke teksten te formuleren. Ook uw schrijver is hier niet van ontheven, de stinkende hete adem komt ook langs hem strijken. Pilaarbijterij [schijnheiligheid] is niet minder demonisch dan zwijnerij; alleen het eerste wordt minder gemakkelijk als je het/hem niet verduvels goed onderkent . . .

Het zou goed zijn als de biechtvader na de absolutie onder het orarion met een lach om de mond zou afsluiten met: “Welkom in de strijd!”.  De christen staat immers altijd en in elke situatie aan het front – tussen hemel en aarde: in het kerkgebouw en aan de bestuurstafel – niemand is van verleidingen en dwalingen vrijgesteld.
Tot U, Heer, verhef ik mijn ziel: mijn God, ik vertrouw op U, laat mij niet beschaamd staan in eeuwigheid.
            Heer, gedenk Uw ontferming en Barmhartigheid, die van eeuwigheid zijn“.