7e Zondag na Pascha – de Zondag van de Vaders van het 1e Oecumenisch Concilie

Het thema van de afgelopen
vijf zondagen ging over
de ontwikkeling van de Vroege Kerk.
Dit wordt vandaag voortgezet door ons te richten op datgene wat de twaalf apostelen en hun opvolgers deden om de Apostolische Kerk via een ‘rechte’ leer [doctrine] te stichten.

In de afgelopen decennia wordt, meer dan ooit, gesproken over “vernieuwing in de Kerk“.
De Kerk komt daarmee onder de invloed van de turbulente ontwikkelingen van onze eeuw
in die mate dat zelfs de Kerk in haar wereldse hoedanigheid [als sociale groep] de mening krijg opgedrongen dat ook de Kerk Zich allerlei methoden ter verbetering en vooruitgang eigen dient te maken.
In het leven van het westers Christendom is het denkbeeld “aggiornamento” [Modernisering] sinds het Roomse tweede Vaticaans Concilie [1962 – 65] uitgegroeid
tot het meest gebruikte modewoord.
De Orthodoxie spreekt echter ‘niet’ over vernieuwing van de Kerk Zelf of het leven van de Kerk omdat de Kerk ‘altijd al’ nieuw is ‘in Christus’ en het leven van de Kerk is Het Leven van Christus Zelf. M.a.w. Christus kan niet vernieuwd worden, Hij is, Die is en dat is eeuwig Dezelfde, de Onveranderlijke God.
Alles wat bestaat op een authentieke manier in de Kerk, woont in  Christus en is daarom “een nieuwe schepping” [2Cor.5: 17].
Het enige wat ons als Kerk oud kan maken, is de zonde, omdat deze ons leidt naar de corruptie van de dood.

Zo lezen we vandaag Johannes 17: 1-13 waar
gesproken wordt over Wie Jezus is in verhouding
tot de Vader.
Met de lezing uit Handelingen 20:16-18, 28-36
profeteert de apostel Paulus
wat de mensen van de kerk in Ephese zal overkomen nadat Paulus hen zou verlaten en dit
bevestigt de uitspraken van Johannes 17:1-13.
De schrijver van het Evangelie van Johannes, de zoon van Zebedeüs,
bracht het laatste deel van zijn leven door in de omgeving van Ephese met de bestrijding van de ketters waarvoor Paulus iedereen al had gewaarschuwd.
De Vaders van de Eerste Oecumenische Concilie deden ditzelfde later opnieuw maar dan aan het begin van de vierde eeuw.

Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen ten hemel en zei:
Vader het uur is gekomen;
verheerlijk uw Zoon,
opdat uw Zoon U verheerlijkt,
gelijk Gij Hem macht hebt gegeven over alle vlees, om aan al wat Gij Hem gegeven hebt, eeuwig leven te schenken.
Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God en
Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt.
En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.
Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.
Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard.
Nu weten zij, dat al wat Gij Mij gegeven hebt, van U komt,
want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en
zij hebben ze aangenomen en in waarheid erkend, dat Ik van U ben uitgegaan en
zij hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.
Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen, die
Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn van U en
al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne en
Ik ben in hen verheerlijkt.
En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U.
Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat
zij een zijn zoals Wij.
Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt en
Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan
de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld werd.
Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat
zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben’
“.
John.17: 1-13

Het merendeel van de grote ketterijen in de geschiedenis van de Kerk
lijken te draaien om wie Jezus is.
Bijvoorbeeld , de Ariaanse ketterij werd behandeld door het Eerste Oecumenische Concilie, welke beweerde dat Christus niet echt God is, maar een mindere diende te worden beschouwd en
door God geschapen.
De gnostische ketterij van de eerste eeuw, ontkende daar tegenover de Menswording van Christus en beweerde dat Christus niet echt een mens was.
De principiële educatie van het Evangelie van vandaag kan worden gebruikt als
een theologische verhandeling om veel van dit foutieve geloof te beantwoorden.

Een korte overzicht uit Johannes 17, waar Jezus sprak tot de Vader:
• Verheerlijk de Zoon [d.w.z. door kruisiging] opdat de Zoon de Vader [vs.1] kan verheerlijken;
• De Vader heeft de Zoon gezag gegeven over alle vlees [vs.2];
• De Zoon verheerlijkt de Vader op aarde en heeft Zijn werken voltooid door hetgeen
Hij als opdracht meekreeg; dat wil zeggen Menswording, het Kruis, enz. [vs.4];
• De Zoon keert terug naar Zijn Glorie, Die Hij reeds bij de Vader bezat voordat de wereld was [vs.5,  13];
• De Vader heeft de Zoon de Twaalf gegeven [vs.6]
De Twaalf weten dat:
Alles wat de Zoon bezat kwam voort uit de Vader [vs.7];
De Woorden van de Zoon kwamen van de Vader [vs.8, 14];
De Zoon [v.8] werd gezonden door de Vader;
De Twaalf zijn van de Vader [vs.9]
De Zoon is in hen verheerlijkt [vs.10]
• De Zoon vroeg de Vader de Twaalf in eenheid te bewaren zoals de Vader en de Zoon één zijn [vs.11].
De éénheid in de Kerk loopt parallel met de éénheid in de Drie-eenheid.
• De Zoon behoede de Twaalf in Naam van de Vader [ vs.12 ]
• Geen van de twaalf werden verloren , behalve Judas [ vs.12 ]
• De Wereld haatte de Twaalf, omdat zij, net als de Zoon, niet van de wereld waren [vs.14] .
Dit aspect van het Christelijk leven werd vele malen herhaald door die heiligen
die bekend staan als de onbaatzuchtige geneesheren.
• Zoals de Vader de Zoon heeft gezonden [Grieks: ἀποστέλλω], evenals de Zoon de Twaalf Apostelen heeft gezonden [Grieks: Απόστολος] [vs.18].
• De Vader heeft deze Twaalf geheiligd. De Zoon heiligde Zichzelf zodat de Twaalf aldus geheiligd zouden kunnen worden door de Waarheid [ vs.17,19] .

Hierna Jezus ging spreken door diegenen die in Hem geloven door het woord van de Twaalf.
In Openbaringen 21:14, schreef Johannes ook over zijn visie op het Nieuwe Jeruzalem waar de muur van de stad twaalf poorten en fundamenten had waarop de namen van de twaalf apostelen geschreven werden.
De Twaalf Apostelen zijn dus cruciaal voor de Kerk; hun missie gaat niet alleen terug naar de Evangelisatie van de eerste eeuw, maar behelst de gehele weg tot God de Vader in eeuwigheid.
Wanneer men de Twaalf verwerpt of datgene wat zij ons geleerd hebben, verwerpt men God de Vader.
In de bovenstaande twaalf punten uit Johannes 17 is genoeg samengevat om twaalf volumineuze boeken te vullen. Misschien is dit wel één van de redenen waarom deze Apostel Johannes wordt aangeduid als Johannes de Theoloog.
In de dagen van Johannes was er [net als vandaag] dringend behoefte aan de kwesties die Johannes beschreef.
Bijvoorbeeld, in Openbaringen 2: 6 en 2: 15, verwijst Johannes naar de Nicolaïeten, die een gnostische sekte waren die opgestart waren door de voormalige diaken Nicolaas [Handelingen 6: 5], één van de eerste zeven diakens die afvallig werd.
Deze sekte had een stevig fundament
in Ephese en Pergamum en mogelijk ook andere delen van Klein-Azië.
Verwerpend wat de Twaalf Apostelen hadden verkondigd, tolereerde deze sekte van ex-diaken Nicolaas afgoderij en ontucht. Voor hen waren alleen geestelijke dingen relevant en zaken betreffende het lichaam en fysieke dingen deden niet ter zake .
Door de afwijzing van de Twaalf, hadden ze de verbinding met God de Vader verloren en
waren op drift geraakt.
Daarom is een juist begrip van God belangrijk. Het is niet alleen zaak om de dingen van God na te streven, maar het is tevens belangrijk op z’n minst op de hoogte te zijn van de diepten ervan.

Daarnaast is het zaak onophoudelijk te trachten Hem en de waarheid beter te leren kennen dan tegen Hem in opstand te komen en de band met Hem opzettelijk te verstoren.
In dit verband hebben Apollos en zijn twaalf discipelen geen kennis genomen van de Heilige Geest en leerden zij alleen de doop van Johannes [de Doper]; maar waren ze ertoe bereid na confrontatie door Aquila, Priscilla en Paulus gecorrigeerd te worden [Hand.18: 24-19: 7].
Voormalig diaken Nicholaas wist het beter dan de dingen die God Zelf had geopenbaard en kwam in opstand tegen de Waarheid.
Zelfs de Mozaïsche Wet bevatte instructies voor het verwerpen van ketterij.
Als er een valse profeet opstond om iets in strijd met de Goddelijke Waarheid te bepleiten en met wonderen onderbouwde, diende zijn leer met argumenten te worden weerlegd en werd hij a-priorisch afgewezen [Deut.13: 1-5 ]. Dus het geloof test de wonderen en niet andersom.

Door de profeet Joël is voorzegd:
En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God,
dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees;
en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en
uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen zien.
Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen;
Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht.
Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag.
Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had
een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten,
heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de Opstanding van de Christus,
dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien.
Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en
de belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen heeft,
heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort.
Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf:
De Heer heeft gezegd tot mijn Heer:
Zet U aan mijn rechterhand,
totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten.
Dus moet ook het gehele huis van Israël zeker weten, dat
God Hem en tot Heer en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus,
Die gij gekruisigd hebt
“.
Handelingen 20:16-18 , 28-36

In de afgelopen weken vingen we in de Apostellezingen een momentopname op
van het eerste deel van Paulus’ tweede zendingsreis in ongeveer 49 na Christus.
Deze week kijken we naar een weergave van het einde van Paulus ‘ derde zendingsreis,
om en nabij 57 na Christus.
Op verschillende momenten op zijn tweede zendingsreis trok Paulus op met acht leden van de oorspronkelijke Zeventig [Apostelen].
Op verschillende punten van de reis, werkte Paulus samen met twaalf anderen van de Zeventig en werd tevens begeleid door de apostel Petrus.
Op zijn derde reis reisde Paulus met negen leden [Timotheüs , Titus , Gaius , Erastus , Aristarchus , Sostenes , Tychicus , Trófimus en Lucas ] van de oorspronkelijke Zeventig en werkte op diverse locaties samen met zestien anderen [Cephas , Onesiforus , Apollos , Epafras , Archippus , Philemon en Apphia , Fortunatus , Achaicus , Aquila en Priscilla , Epafroditus , Lucius , Sosipater , Tertius , Quartus , Jason en Agabus].
Zo blijkt dat de apostel Paulus zeer nauw verbonden was met zowel de Twaalf Apostelen als de Zeventig.

Hij zond iemand van Milete, een paar mijl op pad van Ephese en ontbood de oudsten van die gemeente [Hand.20:17]. Paulus haastte zich daarop terug naar Jeruzalem in de tijd voor Pinksteren en hij wist dat boeien en verdrukkingen hem daar wachtten [Hand.20: 22-23].
Dit was inderdaad het geval en Paul bracht de volgende vijf jaar door in een bepaalde vorm van opgesloten te zijn [in Jeruzalem, Caesarea en Rome] voordat hij in 62 of 63 na Christus werd vrijgelaten.
Van Milete, riep Paulus de oudsten bijeen [Grieks: πρεσβύτερος] en de bisschoppen [Grieks: ἐπίσκοπος, skopós betekent “kijk aandachtig“, dus een man, door God geroepen om een oogje in het zeil te houden] van Ephese om hem daar in Milete te ontmoeten [Hand.20: 17,28].

Op dat moment waren er kerken over de hele omgeving van Ephese verspreid die opgericht waren  tijdens het eerste deel van Paulus’ derde zendingsreis [Hand.19: 8-12].

“Allen die in Azië woonden” [Hand.19: 10] verwijst naar de Romeinse provincie van Azië,
die de zeven gemeenten van Openbaringen 2 en 3 [Ephese, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelphia en Laodicea] alsmede Colosse [speciaal genoteerd omdat Paulus hen aanschreef vanuit Rome ongeveer vijf jaar later].
Het is heel goed mogelijk dat de oudsten en bisschoppen van Ephese een verwijzing is naar het gebied om Ephese heen en niet alleen de stad zelf.
Paulus’ boodschap aan de ouderlingen en bisschoppen was als volgt :
• houdt mijn leven toen ik met u was in herinnering [vv.18-21];
– Ik begeerde de rijkdom van niemand [vs.33];
– Mijn handen voorzagen in mijn behoeften en die met mij waren[vs.34];
Dit is waarschijnlijk een verwijzing naar Paulus’ handel in het maken en verkopen van tenten [Hand. 18: 2-3];
– Doe wat ik deed; vergeet niet om de zwakken onder u [vs.35] te ondersteunen;
– Het is zaliger te geven dan te ontvangen [vs.35];
• Ziet toe en wees een herder [hoeder] van de Kerk [vs.28,31];
• Weet dat wolven tot u komen [vs.29];
• Ketters zullen opstaan ​​uit uw midden [vs.30];
• Ik beveel u aan God en het Woord van Zijn genade [vers 32]

Paulus’ vermaning was er een zeer emotioneel afscheid [vs.37-38].
Johannes Chyrsostom gereageerd hierop als volgt:
“Hij had hen getroost, zodat ze niet zou treuren
dat hij door hen op zo’n slechte manier was behandeld.
Voor mijn angst is niet dat je gered dient te worden door mij als hulpmiddel,
maar alleen dat dient in herinnering te worden gebracht:
dat de persoon als instrument niet van belang is.
Je weet immers niets van de pijn van de spirituele bevalling, hoe overweldigend die kan zijn,
hoe hij die in barensnood verkeerde tijdens deze geboorte in tienduizend stukjes leek te worden gesneden,
dan dat je een van degenen ziet aan wie hij de geboorte heeft doen geschieden
en deze weer ongedaan gemaakt heeft”
[Homilie XLIV over Handelingen 20].

Paulus’ vermaning hier is precies waar de Heilige Kerkvaders mee te maken hadden
op de eerste Oecumenische Concilie in het begin van de vierde eeuw.
Tijdens deze samenkomst, welke te Nicea bijeengeroepen werd, ongeveer 150 mijl van Ephese, werd het overzicht van het Geloof afgesproken
welke tot de dag van vandaag wordt aangeduid als
de geloofsbelijdenis van Nicea.
[De oorspronkelijke geloofsbelijdenis van Nicea werd opgevolgd door een reeks van vervloekingen op allen die anders verkondigden.
Later bij het Concilie van Chaledon werden de vervloekingen verwijderd
om van de “Geloofsbelijdenis van Nicea”
een volstrekt ‘positieve‘ attest van het Geloof te maken].

Maar de geloofsbelijdenis van Nicea kwam niet zomaar uit de lucht vallen.
Het was gebaseerd op een veel vroegere verklaring, de Apostolische Geloofsbelijdenis genoemd, Die door de Twaalf Apostelen tussen 30 en 31 na Christus werd opgesteld.
In een commentaar op de Apostolische Geloofsbelijdenis door Rufinus van Aquileia [AD ca. 345-411], geeft Rufinus inzicht in hoe de Apostolische Geloofsbelijdenis in de vroege Kerk werd gebruikt.

Het commentaar van Rufinus omvat:

• De Geloofsbelijdenis werd door de twaalf Apostelen gegenereerd
voorafgaand aan hun afzonderlijke zendingsreizen en
toen zij op het punt stonden Jeruzalem te verlaten.
• Elk van de twaalf droeg een bepaling van de Geloofsbelijdenis.
• De bedoeling van de Geloofsbelijdenis was de basis van de oprichting
van een gemeenschappelijk geloof in de gehele wereld;
een eenvoudige verklaring van het Geloof .
• De Twaalf legden bij decreet vast dat de geloofsbelijdenis
het standaard onderwijs voor nieuwe bekeerlingen diende te zijn.
Doorheen de tijd van Rufinus [vierde eeuw] werd de geloofsbelijdenis aangeduid
als de doopbelijdenis welke diende te worden afgelegd voorafgaande aan de doop.
• De Twaalf onderschreven de Geloofsbelijdenis als een ken-, c.q. ereteken
om de mens die de Waarheid van Christus predikt
tegenover de verklaringen van valse apostelen
te kunnen herkennen.
• De Geloofsbelijdenis werd [tot de vierde eeuw] bewust niet opgeschreven
om ervoor te zorgen dat het als apostolische traditie uit het [hart] hoofd werd geleerd
en niet uit vastgelegde teksten.

Omdat de apostolische geloofsbelijdenis
zo kort en bondig is,
werd het ook onderworpen om te worden verdraaid door de wolven en de ketters
waarvoor Paulus reeds had gewaarschuwd.
De Geloofsbelijdenis van Nicea volgt dezelfde grenslijnen en
behandelt hetzelfde onderwerp als de Apostolische Geloofsbelijdenis,
maar is tevens een uitbreiding hiervan
teneinde het veel moeilijker te maken om de woorden te verdraaien.
In sommige kerken worden vandaag de dag,
zowel de Apostolische Geloofsbelijdenis als de Geloofsbelijdenis van Nicea gebruikt.
In de Orthodoxe Kerk wordt vooral de Geloofsbelijdenis van Nicea gebruikt,
omdat het een versterkte vorm is van de Apostolische Geloofsbelijdenis.

In de brieven van Paulus, verwees hij naar het Huis van God
als wordt het gebouwd op het fundament van de Apostelen en Profeten [Ephesiërs 2: 19-20]. Petrus brieven verwezen naar de woorden door de Heilige Profeten gesproken en
de geboden van ons, de apostelen [2Petr.3: 2].
En Johannes verwees naar het vermogen van de Ephesiërs om valse apostelen te kunnen testen en benoemt hen tot leugenaars [Openb.2: 2].
Dit alles getuigt van het bestaan ​​van een definieerbare richtlijn
[de Apostolische Geloofsbelijdenis] welke
algemeen in de Vroege Kerk als grondslag diende.

De volgende zondag vindt het slotakkoord plaats van de zeven weken reeks
van de ontwikkeling van de Vroege Kerk.
Het Evangelie en de Apostelbrief van vandaag brengt ons tot de les aan de gelovige Christenen van vandaag tot het punt dat de Kerk is gevestigd op goede funderingen en
kan dat men haar wortels kan nazoeken in de leer van de Twaalf Apostelen.
Volgende zondag keren we terug naar het begin naar de oprichting en Geboorte van de Heilige Kerk welke met Pinksteren herdenken.