12e Zondag ná Pinksteren – dit jaar, het feest van de Geboorte van de Al-heilige Maagd en Moeder Gods.

      Terwijl zij op reis waren, kwam onze Heer en Verlosser in een zeker dorp.
En een vrouw, Martha geheten, ontving Hem in haar huis.
En deze had een zuster, genaamd Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten naar Zijn Woord luisterde.
Martha echter werd in beslag genomen door het vele bedienen.
En zij ging bij Hem staan en zei:
‘       Heer, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen?’.
‘       Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen’.
Maar de Heer antwoordde en zei tot haar:
‘       Martha, Martha, jij maakt je bezorgd en druk over vele dingen, . . . . . maar weinige zijn nodig of slechts een; want
‘       Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat
       van haar niet zal worden weggenomen’
En het geschiedde, toen Hij deze dingen sprak, dat
een vrouw uit de schare haar stem verhief en
tot Hem zei:
‘       Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen.
Maar Hij zei:
‘       Zeker, zalig, die ‘het Woord God’s horen en het bewaren’

Luc.10:38-42; 11: 27,28.

      Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, Die,
in de gestalte God’s zijnde, -‘het aan God gelijk zijn’- niet als een roof heeft geacht,
maar Zichzelf ontledigd heeft, en heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is.
En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft
Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot
de dood, ja, tot de dood aan het Kruis.
‘       Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en
       Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat
       in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die
       in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn,
en alle tong zou belijden’:
‘       Jezus Christus is Heer, tot eer van God, de Vader!’

Phil.2: 5-11

    Zalig zij, wier overtreding zijn vergeven en wier zonden bedekt zijn.
Zalig [ook] de mens aan wie de Heer de zonden niet toerekent, en in wiens mond geen bedrog is.
Omdat ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, door mijn schreien heel de dag.
Want dag en nacht weegt Uw hand zwaar op mij; de scherpe doorn die mij steekt drijft mij terug in mijn ellende.
Ik erken mijn overtredingen: mijn zonden wil ik niet verbergen.
Ik zei: Ik zal tegen mijzelf mijn onrecht aan de Heer belijden; dan zult Gij de boosheid van mijn hart vergeven.
Daarover moet iedere gewijde tot U bidden te rechter tijd; dan zal de grote watervloed hem niet overstromen.
Gij zijt mijn toevlucht en mijn vreugde in de beproeving die mij omgeeft; bevrijd mij van hen die mij hebben omsingeld.
Ik zal U begrip geven, u de weg leren die gij moet gaan; Ik zal mijn ogen op u richten.
Word niet als een paard of een muildier zonder verstand, die ge moet mennen met leidsel en bit als zij niet tot u komen.
Talrijk zijn de straffen voor de zondaar, maar wie op de Heer vertrouwen omringt Hij met genadegaven.
Verblijdt u in de Heer en juicht, gerechten; jubelt allen die oprecht zijn van hart
Psalm 31[32]
, vert. ROK. ’s-Gravenhage

Volgens de Palestijnse traditie werd Maria in Jeruzalem geboren. De plaatselijke overlevering lokaliseerde haar geboortehuis in het noordoostelijke stadsdeel, vlakbij de Vijver van Bethesda [Hebr.= ‘huis van barmhartigheid, stromend water‘].
De moeder van Christus, onze Verlosser werd vermoedelijk geboren in het jaar 25 vóór de christelijke jaartelling. In die tijd was de derde stadsmuur van Jeruzalem [Hebr.= ‘maak dubbel vrede’] nog niet gebouwd, hetgeen inhoudt dat Maria buiten de stadsmuren geboren zou zijn. Een andere traditie verhaalt dat Maria in Bethlehem [Hebr.=’huis van brood, voedsel‘] werd geboren.
Weer een andere overlevering noemt, als haar geboorteplaats, de academisch gevormde stad Sepphoris, welke op 5 kilometer ten noorden van Bethlehem lag.
De canonieke boeken van het Nieuwe Testament zeggen totaal niets
over de ouders van de Moeder God’s; slechts in het apocriefe boek Proto-Evangelie van Jacobus, geschreven in het midden van de 2e eeuw, wordt de geboorte van Maria uitgebreid aangehaald.
Volgens dit boek was zij de dochter van Joachim en Anna.
Ook het apocriefe Evangelie van de Pseudo-Mattheüs noemt hen als grootouders van Christus. In genoemde boeken wordt Joachim voorgesteld als een rijke, vrome man uit de stam Juda [Hebr.=’De Heer, Hij zal geprezen worden‘].
Zijn echtgenoot Anna [Hebr.=’Genade‘] kon geen kinderen krijgen en het paar leed daar hevig onder omdat kinderloosheid in die tijd beleefd werd als een vloek. Joachim [Hebr.=’de Heer zal vestigen‘] ondervond grote nadelen van deze schande en komt, nadat hij uit de Tempel is verwijderd, in een sociaal en beschavings- isolement terecht. Zijn vrouw Anna, smeekt God daarop om een kind en haar gebed wordt verhoord. Een engel brengt haar de blijde boodschap en zegt haar dat het kind dient te worden opgedragen aan God.
Joachim, die vanwege de schande de woestijn in is gevlucht, wordt aldaar door een engel op de hoogte gesteld van de zwangerschap van Anna. Hij keert naar Jeruzalem terug en treft aldaar zijn vrouw bij de Gouden Poort, waar zij elkaar innig omhelzen en vervolgens wordt de moeder God’s geboren, als een gewone dochter van respectabele ouders.
Het echtpaar is zo blij met deze geboorte dat zij zich voornemen haar op te dragen, te laten opgroeien in de Tempel, maar dat wordt later in het jaar op 21 November in de kerkkalender opgenomen.

Hoogste verheffing voor de mens
De mens, die in zijn leven als hoogste goed slechts wereldse genoegens nastreeft, wordt in de Blijde Boodschap omschreven als een mens die het aan inzicht ontbreekt, oftewel niet intelligent genoeg, kortom dom is – aangezien deze zich eenzijdig heeft ontwikkeld. Immers in Godsdienstige zin wordt door zo iemand voorbij gegaan aan de oorsprong en de voortzetting van het leven; wordt er geen rekening gehouden met de oorsprong door een Schepper en al helemaal geen rekening gehouden met de schepping, als een verkregen geschenk als een Mysterie van God. Zijn/haar Heer, zijn/haar stand van beschaving is immers slechts de lust en iedere mens weet dat lust slechts van korte duur is, lust vervaagd, verdwijnt is in wezen een gedegenereerde achteruitgang, een morele ontaarding van plezier.
Alles in ons is door het gebruik versleten, verliest z’n kracht behalve het Mysterie, welke wij als van God afkomstig beschouwen.
Alles in ons zal sterven, behalve deze goddelijke àf-glans, welke ieder mens bezit.
Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde van God, de Vader
[Schepper van Hemel en aarde] is niet in hem.
Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees,
de begeerte der ogen en een hovaardig leven,
is niet uit de Vader, maar uit de wereld.
En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar
wie de Wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid

1John.2:15b-17.
Zo’n mens is tevreden met zichzelf en met het verzamelen, maar wat verzamelt hij?
Iedereen in de wereld zegt dat niemand iets meeneemt naar het graf. Maar in de juiste zin van een begrafenis en zelfs wanneer je stil staat bij een crematie, welke ‘not done’ is voor een orthodox christelijk gelovige, komt de mens uiteindelijk uit bij de vergetelijkheid.
Wie zei: ‘Wat nemen we mee naar het graf?’.
De persoon die gestorven is dient zichzelf terecht of interecht zien te redden en
maakt God niet tot zijn eigen bestemming.
Datgene echter wat ons overkomt in het leven vindt z’n oorzaak en vervolg bij onze Heer en Meester over dit Leven en dat houdt in dat we te allen tijde waakzaam dienen te blijven.
En indien we Hem als Christus, de Zoon van God in het hart plaatsen, kunnen we Hem confronteren met alles wat ons overkomt en ieder ervaring, inclusief de dood en Opstanding met Hem delen.
Wanneer het ons voor de wind gaat en we voorspoedig zijn in de wereld, veel geld of goederen verdienen, danken wij onze Heer en Meester op blote kniëen, wij geven ons aan Hem over.
Wanneer wij overspoeld geraken door glorie en lof, treden wij op onze schreden terug en duiden God aan als de oorsprong van ons geluk, want hebben we God niet iedere ochtend en avond en onophoudelijk met het gebed van het hart verheerlijkt overeenkomstig de aanbeveling van de apostel Paulus.
Wij komen van ‘t Oosten en wij komen van ver en daardoor weten wij dat het beste wat een mens kan overkomen, wanneer het licht hem gaat ontbreken, dat hij/zij zich opgevangen weet in de aanwezigheid van onze Heer en Meester en in Hem zal overleven en schitteren.
Dit is de dienst waarvoor wij door God als mens zijn uitgenodigd, maar alles wat zich in de wereld bevindt zal vergaan en ook al zijn/haar wereldse lusten en verlangens.

Navolgen van Christus
Zou het Lichaam van Christus Zich als pasgeboren kind de strijd vergeten en Zich weer geliefd weten door het Mysterie? Zolang we nog niet kunnen worden wij in vrijheid wie we zijn en weten we ons nog steeds niet geborgen.
Uit het verleden valt iets te leren wat we al wisten, maar wij zijn mensen en mensen die vergeven, maar vergeten niet.
Zullen we ons ooit nog vrij en veilig weten en
niet vergeten dat er maar één Heer en Meester is.
De Apostel zegt namens de Heer en  herhaalt het telkenmale:
Verblijdt u! Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend.
Ik ben jullie nabij, weest in geen ding bezorgd, maar
laten bij alles uw wensen door gebed en
smeking met dankzegging
bekend worden bij God
Phil.4: 4-6.
Natuurlijk staan we elke dag op en sluiten wij die af met het gevoel dat we het tòch anders hadden moeten doen. Deemoedig je gedachten uitend durf je dan onomwonden te zeggen:
“  Heer, Jezus Christus, Zoon van God,
ontferm U, over mij, zondaar
”.

Slechts dit gebed vanuit het hart is krachtig, bemoedigend en geeft hoop.
We delen onze zorg over niet bereikte doelen met onze Heer en Meester van ons leven.
Iedere dag opnieuw neem je de draad op en blijf je bidden, naast het geregeld vasten en de lezing van de voorgeschreven lezingen uit de kalender.
Er gaat zoveel fout in ons leven, juist deze zorg om eigen onvermogen helpt om de zorgen niet de overhand te laten krijgen.
Gebed, vasten en verbonden blijven dat zijn de geboden voor de navolger van Christus.

Onomwonden Waarheid
De Waarheid van onze Heer en Zijn Woord blijven voor altijd bestaan.
Daarom, als onze ziel wordt gevraagd om te sterven, hebben we God gered en de waarden van God en de schoonheid van God in onszelf bewaard.
Indien we geroepen worden, zijn we klaar om Hem te verwelkomen omdat we weten dat we een genereus gezicht ontvangen dat slechts een prettig vooruitzicht is omdat het het aangezicht van God is dat ons vervult met vreugde, kracht en vrede. Wanneer wij het over een respectabele leven hebben zullen er maar weinigen in onze tijd overgebleven zijn, die met Paulus kunnen zeggen:
    Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik,
[dat is], niet meer mijn ik, maar
Christus leeft in mij. En voor zover ik nu
[nog] in het vlees leef
leef ik door het Geloof in de Zoon van God, Die
mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven“
Gal.2: 20.
      
Ik haal dit aan, omdat het juist dit is wat er in- de eerste zin van
de huidige lezing van de Apostel bedoeld wordt:
       Laat die goddelijke gezindheid bij u zijn, welke
ook in Christus Jezus was, Die, in de gestalte God’s zijnde,
-‘het aan God gelijk zijn’
– niet heeft geminacht“.
“Die goddelijke gesteldheid, die ook in Christus Jezus was”.
Welke gezindheid is dat?
1.].Wij dienen de betekenis, het nut en doel van Christus te hebben1Cor. 2: 16.
2.].Wij dienen van Christus te lerenMatth.11: 29.
3.].Wij hebben ons bekleed met ChristusGal.3: 27.
4.].Wij dienen Christus ‘in Zijn voetstappen’ na te volgen” 1Petr.2: 21.
5.].Christus dient ‘in onze harten’
[in de Tempel van het hart] te wonenEph.3: 17.
       Van met name de Orthodoxie wordt gezegd dat deze
– ‘wanneer je om je heen kijkt zou je het haast niet durven zeggen’- gericht is
om Christocentrisch als ‘navolger van Christus’ door het leven te trekken.
We dienen ons zelf telkenmale dus heel serieus en concreet af te vragen:
Staat Christus nu echt nog wèl in het centrum van ons leven?
We kunnen voor -‘alles en nog wat‘- enorm enthousiast worden, maar òf wij allen door de H. Geest van God, van Zijn Zoon Christus be-‘vuurd’ worden, ontzettend enthousiast worden is zeer wel de vraag.
Paulus is door ons in zijn brief aan de Filippenzen, evenals de overige brieven aanvaard als onze leraar. Hij is een dienstknecht van Christus Jezus, zoals hij zichzelf noemt aan het begin van zijn brief. Paulus wil ons leren wat de gezindheid van Christus is en daarmee wil hij ons leren wat Christocentrisch leven is.

Genezing van de Verlamde mens

Gezindheid, gericht zijn op Christus
Paulus de geroepen apostel, die dus leeft uit liefde tot God, door Christus geroepen, die leeft in de gemeenschap met Christus
[=Christocentrisch leven noemen we dat],
deze bekeerde Paulus roept zijn lezers op om  de gezindheid van Christus te hebben.
Zo staat het vandaag in de tekst:
Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was.
Wat is dat nou: ‘gezindheid’.
Letterlijk staat er een Woord dat te maken heeft met een manier van denken.
Een vertaling van gezindheid in onze tijd zou kunnen zijn:
de Christelijke mentaliteit bezitten.
Dat wil zeggen laat die Joods- Christelijke mentaliteit bij u zijn, welke
ook was in Christus Jezus.
☦️ De mentaliteit waarin Paulus als navolger, als apostel groot is geworden,
evenals God’s Moeder, de Theotokos.
Mentaliteit, dat is een manier van denken en een manier van in de wereld staan, die zichtbaar wordt in je dagelijkse leven.
Mentaliteit, dat is iets wat diep van binnen zit en juist dàt bepaalt
hoe je denkt en hoe je voelt en waar je je op richt.
    Dàt heeft te maken met datgene wat je als vanzelfsprekend doet,
waar je mee opgevoed bent en dat gaat beslist ‘niet’ alleen op voor:
    ja knikken en overal neen doen’, anderen
de boel te laten opknappen en maken dat je na de liturgie wèg komt.
Dàt heb ik tegen op de ontmoeting met Christus van Maria en Martha, de
Zusters van Lazaros; Martha werkt zich de klok rond en Maria gaat lekker zitten bidden.
, Paulus zegt tegen de Filippenzen:
kijk nú maar eens heel goed naar Jezus Christus.
Je dient te zijn zoals Christus, je de klok rond inzetten voor de Kerk,
Zijn Lichaam en toch verbonden zijn met God, de Vader.
        Bezitten jullie als Christelijke gemeenschap, als parochie
díe mentaliteit van Christus Jezus?
Waarom zegt Paulus dàt zo nadrukkelijk tegen de Filippenzen?
Wat is er in die christelijke gemeente, die parochie, die Hij gesticht heeft eigenlijk aan de hand?
      Want Paulus praat natuurlijk niet zo maar wàt in de ruimte, hij slaat geen slag in de lucht.
      Hij heeft concrete mensen voor zich, hij kent hun namen, ziet hun gezichten, en kan zelfs een beetje peilen wat er binnenin die mensen leeft, die
mensen die hij aan het begin heeft aangesproken als heiligen in Christus.
      De ene gezindte zegt: we doen niet alleen zonde, we zijn zonde.
      De anderen zeggen: we zijn heiligen in Christus en leggen daar het accent op.
     Dus het accent ligt op dat we heiligen zijn en soms wel zondigen, maar
dat zondigen niet meer onze natuur behoort te zijn, als opnieuw geborenen niet meer onze gezindheid is.
       Hoe dienen we dan het accent te leggen?
Hoe velen onder ons worstelen hier niet mee.
Paulus behandelt dit gegeven door eveneens te verwoorden dat we mèt en in Christus een verbintenis voor het leven hebben aangegaan, een contract hebben gesloten.

In Christus verbonden
De opnieuw geboren christen ervaart onafgebroken nog steeds vechtpartijen met
de tegenstrever en vervalt soms ook in zonde, door de zondige natuur van de mens:
      Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet!
Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat
de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod.
Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.
Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik.
Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.
Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik.
Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.
Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet van God, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.
Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?
Aan God zij dank door Jezus Christus, onze Heer!
Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde“
Rom.7: 13-26.
     
De vastberaden ‘navolger’ van Christus is derhalve degene die
tegelijk rechtvaardig is in de Heer en tegelijk ook zondaar is, dit kan dus
alleen mogelijk zijn in verbonden Geloof met Christus.
Bekering is immers een kwestie van lange adem in Zijn Geest:
  hoe langer hoe meer afsterven van de oude Adam, en
  een hoe langer hoe meer opleven van de nieuwe Adam.

Dit is een levenslang proces.
Soms vlamt de oude Adam op, aangevuurd door de duivel
  de eerste mens heeft immers met de tegenstrever vanuit
het paradijs een -‘kwaliteit van kennis in het leven’-verbond gesloten.
  dàn komt de ingeving, en gaat die oude natuur daarin mee, neemt de duisternis het leven over;
➥✥ ➥✥ maar de nieuwe natuur, aangevuurd door God’s Geest en Woord,
dient daartegen te strijden en daarin zijn we afhankelijk van onze Heer en Verlosser.
Hoevelen onder ons hebben nog het idee dat ze ten opzichte van God
zelf‘ het heft wèl in handen kunnen nemen, neem van mij aan dat verlies je.
De verleiding kan alleen weerstaan worden door tijdens het dagelijks werk in gebed verbonden te zijn, navolger te zijn van Christus en met Hem aan je zijde
wordt de dood overwonnen.
Dàt de ware christen als Martha, die zich alleen maar de klok ròndom werkt
geen zondige natuur meer zou hebben en dus ook niet meer zou zondigen,
kan alleen maar bereikt worden indien zij in haar werk en in het daaraan verbonden gebed een eenheid vormt met Christus.
                    Daarom wijzen de kerkvaders op het gebed van het hart:
Heer, Jezus Christus, Zoon van de levende God,
ontferm u over mij, armzalige zondaar
.
Martha is dus een waarlijk wedergeboren christen, wanneer
zij datgene wat zij doet aan God opdraagt en ligt bij wijze van spreken
eveneens aan de voeten van de Heer.
Heer, Laat die gezindheid
eveneens onder ons zijn
”, want
dìt is de ware aard van onze pelgrimstocht door het leven en
indien je een oprechte pelgrimstocht gaat ondernemen, dan
dien je jezelf daarop vóór te bereiden.

Dàt is ook hetgeen vanaf deze laatste weergave van www. lucascleophas.nl  is besloten. Opdat wij willen blijven leven:
komen wij van het van Oostenwij komen van ver en wij volgen slechts Zijn ster”,  u kunt -‘vanaf nu’- gerust nog het gehele repertoire van deze site nalezen, want na 15 jaar schrijven is alles wel gezegd:
Opdat Christus, onze Verlosser, Die blijkens de door God gegeven kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, verzoek ik jullie met aandrang, de moed niet op te geven bij onze verdrukkingen om onzentwil, want die zijn een eer voor ons.
Om die reden buig ik mijn knieën voor God de Vader, naar Wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij ons zal geven, naar de rijkdom van Zijn Heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door Zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het Geloof in onze harten woning zal maken.
Geworteld en gegrond in de liefde, zullen wij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de Liefde van Christus, Die de kennis van al wat bestaat te boven gaat, opdat wij vervuld worden tot alle volheid van God
conf. Eph.3: 13-21.

Apolytikion
tn.3.  
“   Dat hemelse en aardse wezens zich verheugen en jubelen
want de Heer  heeft de Kracht van Zijn arm getoond.
Door Zijn dood heeft Hij de dood vertreden
en werd Hij de Eerstgeborene uit de doden.
Hij heeft ons verlost uit de diepten der hel
en aarde wereld grote Genade geschonken
”.

Kondakion
tn.3.  
“   Heden zijt Gij, Barmhartige, opgestaan uit het graf, en hebt ons verlost uit de poorten des doods, Heden jubelt Adam en Eva verheugt zich;
en de Profeten en Patriarchen bezingen zonder einde
de Goddelijke Macht van Uw Heerschappij

Theotokos of the Passion

Theotokion
tn3.  
“   Gij zijt Middelaarster geweest bij de Verlossing van ons geslacht,
daarom prijzen wij U, o Moeder Gods en Maagd.
Want in het vlees dat Hij aannam uit uw schoot,
heeft uw Zoon, onze God,
het lijden van het Kruis ondergaan.
En heeft Hij ons uit het verderf verlost
als de Menslievende
”.